De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 37]

912 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft.)

1Ex urbe nostra, Magnifice, praestantissimeque Hoofdi, aut potius 2 orbe, si me sinas aliquid dicere hyperbolicωs, transiisti in oppidum, 3 Batavi Principis fato, Velsii facinore, nec minus studiis tuis celebre. 4 Ubi illi et publicae et privatae calamitatis invenere materiam, tu 5 famae et immortalis gloriae multiplex paras argumentum. Eadem 6 sedes autores illos habuit magnorum motuum, et te praeconem et 7 testem. Illi horrenda facere ausi, tu scribere. Non minor laus est, res 8 omni aevo victuras posteritati tradentis, quam eorum, per quos 9 illae primum gestae sunt. Velsius Principem gladio sustulit, tu 10 utrumque grandi calamo extulisti, et sepulta dudum protulisti in 11 lucem. Ille quod fecit, minus laudabili ausu fecisse putandus est. Tu 12 quod aggressus es, omnium applausu confecisti opus. Habitas in ea 13 arce, quae spectaculum praebuit Batavis sortis Principum, et divinae 14 tuae mentis: quae tanto Principum sorte felicior est, quanto ab istis 15 casibus abesse gaudet longius. Quoties secessum tuum cogito, 16 Musarum subeunt latebrae et diverticula. Quibus gradibus ad illum 17 in dies ascendis, ascendis ad coelos et summa omnia propius. Illic tua 18 Claros est, et Patara, et Phocis. Illic Phormiae tuae, et Tusculum, et18 19 nunquam bonis fatales Capreae. Coelestibus adsuescis, coelitibus19 20 vicinior, et dum terras ex alto despectas, supra illas animo erigeris. 21 Illic positus nec sapis cum vulgo, nec loqueris. Oratione sublimi res 22 sublimes aequas. Quae effaris magna, dicendo majora facis, quae 23 exigua, magna. Quanquam exiguum nihil sit, quod tractare in 24 animum *iuduxisti*+ maximus. Principes canis, ubi nullus Principum 25 fulgor. Regum vitas describis, ubi Regiae majestatis ignota hactenus 26 fuere et decora et imperia. Belli Belgici historiam contexis eo loco, 27 qui tantarum rerum capax non est, ut major sis et eâ, quae te habet, 28 arce, et rebus, quas fecundo toties pectore depromis. In otio tumul-29tuaris, in pace proeliaris: vastitatem facis scriptor inter agrorum 30 culturam. Federa publica nectis, ubi absunt Federati. Rumpis eadem 31 ubi nullae sunt partes. Obsides urbes et capis, ubi nullus jam ab 32 obsidente metus. Regis longius remoti iras et irarum causas narras, 33 ubi irasci ob illas digne vix quisquam praeter te potest, qui ea omnia 34 ad animum revocas altius, quae Reipub. nostrae olim incubuere 35 gravius. De Albani dira severitate verba facis in lenitatis domicilio. 36 Plectuntur capite optimates, caeduntur Belgae, exulant cives, ubi 37 litteris tuis et libris mitescunt omnia et feritatem exuunt. Quam 38 feliciter migrasti, celeberrime Hoofdi, ex urbe strepera in eruditi

[p. 38]

39 silentii et beatae tranquillitatis domum, ubi non Mercurio, sed 40 Phoebo, non Divae Monetae, sed Palladi litas; ubi dum privata40 41 minus, ea magis curas, quae omnium interest scire. Mutas solum, et 42 constas tibi. Mutas aërem, sed non quo in amicos ferris, affectum. 43 Opulentis Amstelodamensium portis egrederis, et minus opulentas 44 Muydae subis, ut et summae fortunae theatrum intueri te, sine mo-45rum noxa, posse ostendas, et minoris non adspernari. E domo tua in 46 arcem transiisti, ut longius arceas, quae domi objiciebantur graviora 47 agitanti impedimenta. Obis moenia tua et moenium ambulacra ta-48citus, ut mox Taciti tui praecepta efferas disertus. Flevo propinquior48 49 in ejus scriptoris intima admitteris, qui Romanorum satis flebilem49 50 Flevum, ejusque proxima notat. Vixisti pridem, ubi aliorum imperio50 51 vixisti civis. Jam vivis, ubi tuo imperio legibusque vivitur. Hic illas 52 accipere non indignum te credidisti, illic dare dignum Satrapa et 53 Praefecto putamus. Inter alitum voces et linguas, quae turres tuas 54 circumsonant, humanam reformas, et dum illas pro oblectamento 55 habes, Belgico idiomati et elegantiam et pristinum nitorem quaeris, 56 et invenis. Vocibus prudentiam ubique, et rerum peritiam addis. 57 Levia ingeniorum minus aestimas, et quotquot animi tantum 58 delicias sectantur, et λογων, (sermonum), ut cum Euripide loquar,58 59 ευμορφιας (pulchritudines.) Ad Vechtam nunc sedes, nec minus 60 doctrinae tuae radiis Amstelam et Yam cognata flumina illustras. 61 Quas illi merces vehunt revehuntque precium à te non leve capiunt. 62 Gaudet Typhis eo in portUExplicare vela, ad cujus oram tragici62 63 poëmatis vela primus Batavorum explicuisti. Aedium raritatem 64 supples non perituris ingenii tui monumentis. Et qui deest 65 habitaculis civium tuorum decor, Musae tuae beneficio singulis 66 confertur. Superbiunt villae te praeside, et humiles casae te Praetore 67 Praetoria ipsa lacessunt. Portarum custodes dum urbi, dum arci 68 invigilant Batavi Apollinis securitati invigilant, et pro hostibus 69 barbariem, ac recti ignorantiam exesse jubent. Prope exsuccas 70 paludes eo doctrinae succo abundas, quo adolescit publica salus,70 71 ne desint praesidia, quibus illa, quibus Muyda, quibus domus tua 72 aliquando insistat. Scribo haec, clarissime Vir, ut scribam, et horas 73 fallam otio graves. Majoribus officiis tuum erga me adfectum 74 probavisti. Ego meum erga te minoribus testari non possum, quam 75 si rerum inopes epistolas mittam et canoras, ut ille vocat, nugas.75 76 Valetudinarium invisisti saepius, excepisti humaniter, et cordata76 77 erexisti oratione. Quid rependam? verba et voces, sed eas, quae te, 78 quae humanitatem tuam, et singularem doctrinam, quae conjugis 79 tuae matronae erectissimae officiosam erga me comitatem grato 80 pectori aeternùm inscribent. Tibi, uxori, liberis, valetudinem

[p. 39]

81 solidam et diuturnam precor ab Illo, qui largiri illam solus in manu 82 habet. Vale.

83Amstelod. 14 Maji, 1638.

 

vertaling

 

Uit onze stadswereld, luisterrijke en voortreffelijke Hooft, of liever uit onze wereldstad indien ge gedoogt, dat ik iets zeg met opzettelijke overdrijving, zijt ge overgegaan naar een vestingplaats, om het doodsuur van Hollands Vorst, de wandaad van Velzen en niet minder om uw studiën op aller lippen. Waar zij en voor het gemene en voor hun persoonlijk onheil de stoffe hebben gevonden, bereidt gij voor faam en onsterfelijke glorie veelvoudigen grond. Hetzelfde oord heeft binnen zijn muren hen gehad, van hevige onlusten stichters, en u, trompetter en getuige. Zij hebben gruwelstukken durven bedrijven, gij beschrijven. Niet geringer is de lof van wie de daden, bestemd in onbegrensde tijden voort te leven, doorgeeft aan het nageslacht, dan van hen, door wie deze het eerst zijn verricht. Velzen heeft den Vorst met zijn zwaard om het leven, gij met uw verheven rietpen die beiden op hoog plan en 't lang begravene te voorschijn in het licht gebracht. Van genen moet men denken, dat wat hij heeft gedaan, hij deed in minder loflijken vermeetlen stap. Gij hebt het werk, dat ge hebt aangevat, voltooid bij aller levend handgeklap. Ge woont op dat slot, dat aan de Hollanders het schouwspel heeft opgeleverd van het lot van Vorsten en van uw goddelijken geest, die zozeer der Vorsten lot in zijn geluk te boven gaat als hij zich verheugt, van dat soort wisselingen der fortuin te verder verwijderd te zijn. Zo vaak ik over dat retraite-vertrek van u nadenk, komen de Muzen mij in den zin, haar schuilgrotten en oorden van toevlucht. De trappen, waarlangs ge naar dat vertrek van dag tot dag omhoogklimt, ge klimt erlangs omhoog naar de hemelen, en alles, wat subliem is, komt u nader. Daar is uw Claros en Patara en Phocis. Daar uw Formiae en Tusculum en een nimmer voor goedwillenden noodlottig Capri. Aan hemelse zaken gewent ge, hemelingen meer naburig, en terwijl ge op de aardse landen uit den hoge nederziet, tilt ge boven die landen met den geest u uit. Daar u zettend deelt ge noch den smaak van het grauw noch ook zijn spraak. Met verheven taalvorm evenaart ge verheven gebeuren. Wat ge uitspreekt over wat groot is, maakt ge door wijze van zeggen nog groter; wat onbeduidend, maakt ge groot. Trouwens, onbeduidend is niets, waarvan behandeling gij in uw geest hebt voorgenomen, reus die ge zijt. Vorsten bezingt ge, waar generlei Vorstenschittering glanst. Koningenlevens beschrijft ge, waar van Koninklijke majesteit onbekend tot dusver waren en het decorum en de hoge heerschappij. Van den Nederlandsen oorlog verweeft ge historie tot een vlechtwerk in een ruimte, die zo enorme gebeurtenissen nooit kan bevatten, om zo groter te zijn niet alleen dan dat slot, dat u huisvest, maar ook dan de feiten, die ge uit uw vruchtbare gemoed voor den dag haalt. In tijd van rust slaat ge alarm, in vrede levert ge slag: desolate verwoesting schept ge als beschrijver tussen bebouwing van landouwen in. Verbonden van staten knoopt ge aaneen, waar de verbondenen ontbreken. Ge verbreekt ze, waar generlei partijen zijn. Ge slaat het beleg om steden en neemt ze in, waar geen vreze voor iemand die blokkeert meer heerst. Van een koning al te ver verwijderd verhaalt ge

[p. 40]

de buien van toorn en ook zijn redenen voor toorn, waar waardig om die redenen te toornen amper iemand buiten u vermag, u, die al zulke dongen dieper in den geest terugroept, welke ons Gemenebest eens zwaarder drukten. Over de wrede gestrengheid van den man uit Alva houdt ge vertogen in de woonstee der zachtmoedigheid. Daar boeten hoge edellieden met den hals, daar sabelt men Nederlanders neer, zwerven burgers in ballingschap rond, waar door uw letteren en boeken alles mildheid gaat ademen en wilden aard aflegt. Hoe gelukkelijk zijt ge verhuisd, hoogberoemde Hooft, uit een luidruchtige stad naar een woning van erudiet zwijgen en zalige windstille rust, waar ge niet aan den Handels-, maar aan den Dichtergod, niet aan Godes Moneta, maar aan Pallas voorspoedig offert; waar, terwijl ge u om persoonlijke belangen minder bekreunt, ge voor die zaken te meerder zorg draagt, welke te weten voor allen van belang is. Ge verandert van domicilie en blijft pal staan, uzelf gelijk. Wat ge wijzigt, is de atmosfeer, niet de stemming van gemoed, waarmee ge naar uw vrienden u begeeft. De welvarende poorten der Amsterdammers trekt ge uit en de minder welvarende van Muiden treedt ge binnen om daarmede te betonen, dat gij en het schouwtoneel van hoogsten socialen stand kunt aanzien zonder zedelijke schade en dat van minderen stand bejegenen zonder verachting. Uit uw huis zijt ge overgestoken, een slot binnen, om te verder van u af te sluiten, wat thuis zich in uw weg kwam stellen als beletsel, wanneer ge met belangrijker arbeid u bezig hieldt. Ge bezoekt uw wallen en de wandelwegen aan die wallen zwijgende, om daarna de lessen van uw Zwijger welsprekend uit te dragen. Het Vliemeer nader dan hij wordt ge tot het binnenste van dien schrijver toegelaten, die het Vliemeer der Romeinen, dat bij dezen vrij wat tranen deed vlieten, en zijn naaste omgeving vermeldt. Geleefdet lang geleden daar, waar onder het bewind van anderen ge hebt geleefd als onderdaan. Nu leeft ge, waar onder uw bewind en wetten men leeft. Hier hebt ge die wetten te aanvaarden niet voor een zaak u onwaardig gehouden; daar ze te geven vinden wij den Drossaard en Baljuw waardig. Te midden van de klanken en de tongen der vogelen, die om uw torens kwinkeleren, herschept gij de menselijke tong, en terwijl ge die vogelgeluiden uw ontspanning acht, zoekt ge voor het Nederlandse idioom naar keurigheid en den voormaligen glans: ge zoekt en vindt. Aan de klanken paart ge alom bezonnenheid en bekwame kennis van zaken. Talenten van weinig levensernst schat ge minder hoog en al degenen, die voor den geest naar louter genietingen jagen en λογων ευμορφιαι (woordschoonheid), om met Euripides te spreken. Aan de Vecht verwijlt ge thans en niettemin zet met de stralen van uw geleerdheid ge den Amstel en het IJ, verwante stromen, in het licht. De waren, die deze af en aan vervoeren, maken door uw toedoen een niet geringen prijs. De stuurman op de grote vaart vindt er vreugde in, in die haven de zeilen te ontrollen, op welker walkant gij de zeilen van tragisch dichtwerk, eerste der Hollanders, hebt ontrold. De geringe bevolkingsdichtheid van uw woonhuis suppleert ge met gedenkzuilen van uw talent, bestemd om nimmer te vergaan. En de bevalligheid, die aan de behuizinkjes van uw ondergeschikten ontbreekt, wordt bij die allen, stuk voor stuk, verhoogd dank zij uw Muze. Trots prijken de hofsteden onder uw beheer en de nederige stulpen tarten onder uw Drostenij het eigen Drossaardshuis. De wachters aan de poorten waken terwijl ze stad en slot bewaken, mede voor de onbezorgde gerustheid van Hollands Dichtergod en gelasten, als verklaarde vijanden, de ruwe woestheid en het niet-weten, wat recht is, buiten te blijven.

Bijna drooggelegde meren doet ge van dat levende water van kennis weder vloeien, waardoor de openbare welvaart gedijt, opdat het niet ontbreke aan de beveiligingen, waarop die welvaart, waarop Muiden, waarop uw huis eenmaal zich zal moeten verlaten. Ik schrijf dit, roemruchte Hooft, om te schrijven en de uren te korten

[p. 41]

door nietsdoen bezwaarlijk. Door grotere attenties hebt gij uw genegenheid voor mij bewezen. Ik kan de mijne voor u niet met kleinere betuigen dan zo ik brieven zend aan feiten arm en, zoals de oude dichter het noemt, ‘melodieuze beuzelpraat’. Het ziekenhuis hebt ge herhaaldelijk bezocht, ge hebt me gastvrij opgenomen en met verstandige taal opgebeurd. Wat moet ik u vergelden? Woorden en klanken, maar zulke, die u, die uw menslievendheid en singuliere geleerdheid, die van uw gade, edele vrouwe, de voorkomende vriendelijkheid te mijwaart in een dankbaar gemoed voor eeuwig zullen ingriffen. Voor u, uw gade en kinderen smeek ik gezondheid, vast en tot in lange jaren, af van Hem, die rijkelijk haar te schenken alleen in zijn hand heeft. Vaarwel.

 

Amsterdam, 14 mei 1638.

N.B. Tijdens de drukrevisie van deel II is de belangwekkende studie verschenen van dr. F.F. Blok: Caspar Barlaeus. From the correspondence of a melancholic (Assen/Amsterdam 1976). Zoals de ondertitel aangeeft ontleent de schr. zijn kennis omtrent de vier depressies die Barlaeus geteisterd hebben aan zijn brieven. Huygens en Cunaeus staan daarbij op de voorgrond, Hooft schijnt geen rol te spelen. Alleen van zijn moeilijk en met verdriet gedragen weduwnaarschap spreekt de correspondentie met Hooft.

Verbazing hierover verdwijnt als men nagaat hoe de vriendschap tussen Barlaeus en Hooft zich ontwikkeld heeft. In 1623 (eerste depressie) kennen ze elkaar nog niet, of uit de verte; in 1632 (tweede depressie) bestaat er wederzijdse letterkundige waardering; in 1637/38 (derde) is er hartelijke vriendschap; de vierde depressie (1647/48) valt na Hooft's dood en is daar misschien door bevorderd (Blok, p. 124). Men moet dus in 1632 en zeker tijdens de derde depressie sporen van Hooft's medeleven verwachten, maar vindt die in Hooft's Briefwisseling niet. De verklaring is, dat de tweede depressie in december 1631 begon en tot juni 1632 duurde: Hooft was in Amsterdam en voor correspondentie was geen aanleiding. Als blijk van Barlaeus' herstel noemt Blok het bezoek dat hij op 19 juni 1632 met Pieter Jansz. Hooft en Vossius aan het Muiderslot bracht; Pieter Jansz' opmerking dat Barlaeus hersteld is van zijn ‘quellingen ab atra bile’ is voorlopig het enige spoor van Barlaeus' ziekte in de correspondentie. Pas in 1635 komen er persoonlijker brieven. Barlaeus is sedert juni 1635 weduwnaar en als de derde depressie hem treft is het weer achter in 't najaar (december 1637): de Hoofts zijn weer in hun winterkwartieren, voor briefwisseling bestaat geen aanleiding maar Barlaeus komt, zoals blijken zal, geen belangstelling van de Hoofts tekort.

Een gunstige fortuin heeft gewild, dat de eerste brief van Barlaeus aan Hooft na zijn genezing, ook de eerste die zonder kennis van Blok's vondsten niet te begrijpen is, hier als eerste in deel III van deze uitgave aan de orde komt. Dank zij Blok is het duidelijk wat Barlaeus met ‘Valetudinarium invisisti saepius’ bedoelt en

[p. 42]

met ‘conjugis tuae matronae erectissimae officiosam erga me comitatem’.

Barlaeus maakt in 1648 een eind aan zijn vierde depressie en aan zijn leven. Blok overtuigt ons daarvan met voorzichtige klem. Hij wijst op het onterend karakter dat men destijds aan zelfmoord toekende en verklaart daaruit het streven, die geheim te houden. Dit kan helpen om een oorzaak te vinden, waarom Brandt in de brieven van zijn schoonvader zoveel veranderde of schrapte (o.a. dl. I blz. 80, 802, 887/888) en misschien ook, waarom hij telkens data van verzending verandert. Was dit als een rookgordijn bedoeld (vgl. dl. I blz. 644)? Terecht wijst Blok er nadrukkelijk op, dat er nu nog meer reden is om de gepubliceerde brieven van Barlaeus (1667) wat tekst en datering betreft, voorzichtig te lezen (a.w. blz. 33).

Blok's Caspar Barlaeus verheldert veel, maar één ding is duisterder geworden. Uit de correspondentie van Tesselschade's vrienden blijkt telkens opnieuw, dat er gespeeld werd met de gedachte aan een huwelijk tussen haar, weduwe sinds 1634, en Barlaeus, weduwnaar sinds 1635. Weliswaar zegt Hooft erbij, dat het maar om welstaans wille is, maar toch wordt geciteerd dat uit een voorgewende liefde vaak een ernstige gegroeid is (‘factus amor verus qui modo fictus erat’). Was het dan geen gevaarlijk spel, deze zó zielszieke man telkens weer aan de mogelijkheid van en de zogenaamde goede kans op een huwelijk met de charmantste vrouw uit hun kring te confronteren? Heeft men gedacht dat de depressieve toestand onder Tesselschade's invloed - stel dat zij eindelijk gezwicht was - niet weer terug zou komen? En waren de vrienden daar zo zeker van, dat zij Tesselschade aan dit huwelijk durfden te wagen?

 

(v.T.)