De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Wencelaus Koeberger]

WENCELAUS KOEBERGER. Hy was Praefectus Generalis Montium Pietatis Bruxellis, Alberti Archiducis quondam Pector humenarum Figurarum.

[p. 116]origineel

Dat is Schilder van den Aartshertog Albertus, en algemeen Bewindsman van de Bergen der Barmhertigheid te Brussel; het geen de Lombart betekend. Florent le Comte, Schulpteur, & peintre te Paris, schryst in zyn Kabinet der Konsten, dat hy is geweest een Leerling van Marten de Vos die gestorven is in 't jaar 1604. oud 70 jaar: waar by hy doet dit volgende verhaal: Dat Koeberger door de min getroffen, verliefde op de Dochter van Marten de Vos, en dat hy om die Minnedrift te verzetten voornam een Reis naar Romen te doen, denkende (als het spreekwoord zeit) Uit het oog, uit het hart; gelyk 't ook gebeurde.

Als hy dan een wyl tyds te Romen geweest had vertrok hy naar Napels, daar hy kennis maakte met een Brabander Franco genaamd, een van de eerste en berugste Schilders in dien tyd. Hy was hier niet lang by geweest, of hy verliefde (want Kupido vervolgde hem met zyn minneschigt) op de Dochter van Franco, zoodanig dat hy haar ten huwelyk verzogt, het geen hem, om dat hy een jongman was van goede hoop, en een grooten geest bezat, toegestaan werd. Hy bleef dan nog eenigen tyd in Italien naarstig en yverig de Konst voortzetten naar de beste voorbeelden, maar vertrok eindelyk naar Braband. Te Antwerpen heeft hy in de kapel van de Arbalêtriers in de Lievevrouwe Kerk geschildert een St. Sebastiaan grooter als 't Leven; en eenige vrouwtjes in 't verschiet, weenende om de marteldood van dien Sant, in welks wezen hy de doodelyke trekken zoo natuurlyk had vertoond, dat'er alle konstkenners van verwondert en verbaast moesten staan, als zy het zagen. Maar dit was zyn ongeluk, dat het stuk

[p. 117]origineel

niet lang in de Kerk hing of het hoofd van den Sant was 'er met een mes (zonder te weten wie het gedaan hadde) uitgesneden, en weg gestolen. Hy vulde het gat weder met een stuk geplumierd doek en schilderde daar weder een ander hooft op, maar dit lukte zoo wel niet als het eerste. Daar na trok hy van Antwerpen naar Brussel om den Hertog Albert, die hem voor zyn Schilder heild; en inzonderheid beminde, om dat hy zoo Medaljekundig was. Glaude Fabri de Peyresc kwam uit Vrankryk om zyn Kabinet te zien. Hy vertoonde het hem en wees hem veele dingen tot berigt daar ontrent dienende. Koeberger verstond zig ook op de Bouwkunde, zoo zeer, dat hy is Bouwmeester geweest van de Kerk der Lieve Vrouw van Montaigu, die hy maakte naar 't model van St. Pieters Kerk te Romen; ook de Augustine Kerk te Brussel. Hy heeft ook veel Fonteinen en cieraaden in des Hertogen Paleys te Fornure, anders Veurné, gelegen tusschen Nieupoort, Duinkerken, en Dixmuyden, de vermakelykste Landstreek van Vlaanderen gemaakt. Uit welke omstandigheid men (al is men geen Edipus) wel ramen kan in wat tyd hy geleeft heeft, om hem een plaats onder de braafste Konstoeffenaars in te schikken. Want de Aartshertog Albertus, zoon van Keizer Ferdinand den tweeden is geboren 1560. getrouwd in 't jaar 1599, en gestorven 1621. Des zullen wy (vermits ons niets nader daar ontrent gebleken is) hem plaatsen op 't jaar 1583.

Men ziet zyn Beeltenis, gevolgt naar de afschildering van A. van Dyk in de Plaat F. boven aan nevens dat van L. van Uden.

Leiden vrugtbaar in 't voortteelen van Konstenaren bragt voort in 't jaar 1584.

[p. 118]origineel

JAKOB WOUTERSZ. VOSMEER, af komstig van het oud geslagt der Vosmeeren. Deze is eerst geweest een Landschapschilder, maar begaf zig naderhand geheel tot het schilderen van Bloemen waar in hy zeer gelukkig is geweest. In zynen lente tyd heeft hy Italien bezogt, en keerde van daar in 't jaar 1608, (toenmaals 24 jaren oud) weder in zyne geboorte Stad Delf, alwaar hy de Konst (schoon hy Majoor van de Borger wagt was) tot genoegen der konstliefdigen bleef oeffenen tot dat hy stierf in 't jaar 1641.