De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jan Josephszoon van Goijen]

In 't jaar 1596, op St. Pontiaans avond, die toen kwam op den 13 van Louwmaand, is geboren JAN JOSEPHSZOON van GOIJEN, binnen Leiden. Zyn Vader Joseph Jansz. van Goijen, was een beminnaar van de Teeken- en Schilderkonst; en ziende in zyn Zoons geneigtheid en drift tot de Konst, heeft gereed bewilligt in hem daar toe op te brengen, gelyk hy hem ook, om in de beginselen der Konst onderwezen te worden bestelde by Koenraad Schilperoort landschapschilder. En naa het verloop van drie maanden by Mr. Isak Nicolai, geestig schilder en Borgermeester: dog hy bleef daar mede niet lang, nog ook by Jan Adriaansz. de Man. Waar na (zyn Vader in den zin hebbende hem een glasschilder te maken) hy besteld werd by Hendrik Klok. Maar van Goijen verklaarde voor dat beroep geen geneigtheid te hebben, maar tot het olyverfschilderen alleen: waarom zyn Vader hem om de Konstdrift in hem niet te blussen, te Hoorn in Noordholland bestelde by Willem Gerretzen, by wien hy ontrent den tyd van twee jaren de Konst met yver en naarstigheid behartigde. Naa welken tyd hy zig weder naar Leiden begaf, en oeffende de zelve voort by zig zelven. Ontrent negentien jaren oud zynde bekroop hem een reisluim, hy vertrok naar Vrankryk, maar kwam, na dat hy de voornaamste Steden doorzien hadde, weder te rug. Zyn Vader ziende dat hy reeds veer in de Konst gevordert was, wil-

[p. 171]origineel

de hem graag tot een groot meester zien aangroeijen, en zig geen kosten ontziende, trok met hem naar Haarlem en besteede hem by den vermaarden Landschapschilder Esaias van den Velde, by wien hy een jaar bleef, en zodanig in de Konst toenam, dat elk zig daar over verwonderde. Hy kwam te trouwen en bleef van toen af te Leiden de Konst oeffenen tot den jare 1631. Wanneer hy om eenige reden met 'er woon naar 's Gravenhagen vertrok, daar hy ook gestorven is in 't laatst van Grasmaand 1656.

Hy schilderde meest stille watergezigten, met binnenlandse Marktschepen, en Vissers schuitjes, en een Kerkje, of eenig bekent Dorpje in 't verschiet. Gelyk hy ook de meeste van die naar 't leven geteekent heeft; welke teekeningetjes, met zwart kryt geestig aangetoetst, nu nog onder de liefhebbers bewaart worden.

Doorgaans zietmen dat zyne stukjes wat eenkleurig of graauw zyn: maar dus zynze van eersten af aan niet geschildert; maar in dien tyd was 'er een verf die men Haarlems blaauw noemde, nu buiten gebruik, om dat zy geen stant houd, dat daar d' oorzaak van geweest is.

Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat H, onder Jordaans.

Onder zyne Stad en tydgenoten worden opgeteld,

Kornelis Liefring,

Arnoudt Elzevier, en

Egmont Kornelisz. Stooter, die hunne Konst dagelyks met vlyt en yver oeffenden, tot den jare 1640.

 

De geltmiddelen (een groot behulp om tot wetenschappen te komen) zietmen ongelyk in de waereld gedeelt: en zoo het zeggen van een oud Fi-

[p. 172]origineel

losoof zeker gaat, zoo gevende Goden zelden Rykdommen en verstant te gelyk.

Schamen moeten zig zoo veel luye leeggangers, over het verwaarloozen van den kostelyken tyd. Dog het gaat in de waereld als het spreekwoord zeit: Die wel zouden willen, en konnen niet. Veel menschen hier toe genoegzaam van den Hemel gezegent, verzuimen die schoone gelegentheid; en eenigen die graag tot wetenschappen zouden willen komen, word door behoeftigheid, of iets anders, de tyd tot d' oeffeningen onmedogent ontrukt. Dog een onophoudelyke drift komt die klip wel eens te boven, en maakt dat zy heur doel bereikt. De spreuk van Juvenaal:

 
'T beurt zelden dat een Geest den hoek te boven raakt:
 
Die in zyn armoe naar de wetenschappen haakt;

Zeit niet, 't beure nooit, maar zelden. Dit zal de volgende levensbeschryving bevestigen.