De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan Parcellus]

JOHAN PARCELLES, wiens netten geboortetyd wy meê niet weten, plaatst de Bie by Hendr. vander Borght geboren 1583. en Joh: Wildens geboren 1600, en op de lyst der Konstschilders, die wy in de beschryving van Haarlem vinden, staat hy by Pieter Molyn, Karel de Hooge, Jakob Pinas en Salomon de Bry, geboren 1597. Wy hebben het zeker voor het onzeker genomen, en hem geplaatst in 't begin van de XVI Eeuw.

Jan Parcelles, Leerling van Vroom, schilderde natuurlyk en konstig Zeeschepen, Zeestormen, en Zeestrantjes, met fraaije Beeltjes. Ik heb'er van hem gezien, verbeeldende, hoe de Visschers hunne pinken over rollen op 't strant slepen; en weer daar zy met hun vragt in manden op hun schoften het Duin op torschen; maar inzonderheid steekt zyn penceelkonst uit in het natuurlyk verbeelden van Zeestormen, waar in hy de onweerwolken, die den dag in een nagt zetten, en de geweldige blixemstralen, die uit de t' zaamgeperste wolken doorbreken, zoo natuurlyk tegen rotsen, stranden en in 't schuimende Pekel doet flikkeren, dat een Hannekemajer wel schrik zou krygen voor 't Zeewater.

Hy was, meent men, van geboorte uit de Kaag een Dorp in 't Meer by Leiden. Dog de Ridder Karel de Moor heeft my verzekert dat hy tot Leiden geboren is, en tot Leyerdorp begraven. Hy had een Zoon JULIUS genaamt, die hem zoo na by in die Konst kwam dat'er dikwils in gedoolt word, te meer om dat hy meê als zyn

[p. 214]origineel

Vader J.P. onder zyne stukken schreef.

Onverschillig was hy, en even natuurlyk in 't verbeelden van zyne voorwerpen: 't zy hy een geplaveid strand met hooge santduinen schilderden, daar in 't verschiet de scheepjes voor en agter, met malkander spelemyen. Of een stille Zee daar de Dichters Galatée in een schulp, ontvlugtende den vreesselyken Eenoog Polefemus, zonder schroom zouden durven overvoeren, of daar Eoöl door zyn geblaas de Zee beroert, en de baren aan 't woeden maakt, even als

 
Wanneer de Tritons (als de Strantreus zwaar verbolgen
 
Door spyt en minnesmart zyn Galatée vervolgen,
 
In 't vlugten stuiten wil, en dwingen tot zyn min)
 
De golven klooven met hun vinnen, om haar in
 
Dien nood te bergen, en met opzigt te verzellen;
 
Om spoedig over Zee na 't drooge strant te snellen,
 
Den Zeeweg vloeren voor de blonde Galatée:
 
Dan golven golf op golf elk naar een goede ree,
 
En staap'len zig gezweept, op een tot hooge bergen
 
Die in hun woede zelf de lucht en 't onweer tergen.
 
De Zeehulk gins en weer, gefoltert in dien drang,
 
Maakt 't scheepsvolk angstig en het hart des stuurmans bang,
 
Zig ziende in dezen nood geperst aan alle zyden;
 
Nu 't stuur niet luist'ren wil om rots en klip te myden.