De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Tussenstuk]

D'eerstgemelde schilderde daar nevens voor den Vorst een naakte Venus, Anadyomene, zeit Plinius dat is, vers uit Zee opkomende: waar toe hem de schoone Campaspe, Alexanders byzit, tot een levendig model om naar te schilderen vergund werd. Maar wat gebeurt 'er? De ontvlamde drift, hoe zeer hy ze tragte te bedekken was niet zoo te ontveinzen, of het wierd van Alexander bemerkt. Die ziende zyne grootmoedigheid hier door ter proef gesteld, besluit, daar hy tot dus veer de waereld bedwongen had, ook zyn neiginge te bedwingen. Hy stapt

[p. 240]origineel

van zyn lieve Campaspe af, en schenkt die aan Apelles.

Gemelde Plinius merkt ook aan, hoe na dien tyd een Grieks Vorst, wanende de Konst hier door in eere en aanzien te houden, door een wet gebood dat niemant de Konst van schilderen vermogt te leeren, of de zelve te oeffenen, ten zy hy edel geboren was. En uit een even zo nadeelig begryp, voor de Konst was't, dat 'er zulk een hooge prys gesteld wierd, voor die dezelve begeerden te leeren. Want hier door werden bekwame geesten, en de schranderste vernuften, om dat zy van een slegte geboorte waren, gesmoort en tot den ploeg gebruikt: daar en tegen vernufteloozen als zy slegs van groote geboorte waren, tot het penceel opgebragt: 't geen een merkelyk verval in de Konst veroorzaakte, tot dat Keizer Maximiliaan deze konstbreuk heelde, by zeker voorval verklarende, dat hy van honderd Boeren wel honderd Edellieden, maar van honderd Edellieden geen een goed schilder maken konde. Dezelve Vorst heeft met een de Konstenaars in 't algemeen geadelt; daar hun verkregen blazoen (zynde drie zilvere schilden op een blaau veld) nog de gedagtenis van draagt. K. v. Mander meld van dit voorval in 't leven van Albert Durer, op pag. 131. B. Als ook een diergelyk in 't leven van Hans Holbeen p. 143. Edog hoe dit gemelde wapen aan den naam van St. Lucas wapen komt, staat t' onderzoeken.

De schryvers die somwylen hun werk hebben gemaakt van de oudtydse veranderingen, zoo Kerkelyke als Waereldlyke, te doorsnuffelen, hebben aangemerkt; wanneer deze Landen, in magt van Menschen en Steden aangegroeit, de Roomsche

[p. 241]origineel

Godsdienst, en het waereldlyk bestier gezetelt was, datmen toen voor de Ambagt- en Hantwerklieden Gilden of Broederschappen heeft opgeregt, dezelve met voordeelen en voorregten begiftigt, en dezen of genen Heilig tot patroon of beschermengel toegevoegt: als by voorbeeld het Timmerluiden Gild aan St. Joseph: de Smits aan St. Elooi: de Schoenmakers aan St. Krispyn: de Kleermakers aan St. Joan den Dooper: de Schilders aan St. Lucas, en zoo voort; welke in de Kerke een byzonder Kapel en Altaar hadden: en aan welke zy op zekere tyden Kerkdienst pleegden en offerhanden deden, van waar de spreekwyze: St. Lucas moet op zyn oud kleed een nieuwe lap hebben oorspronkelyk is. Dus ook verscheidene andere Broederschappen, als van St. Huibregt, die de vrye Jacht ten voorregt hadden, en diergelyke meer, welke zekere wyze van Godsdienstige plechtigheden, d'een meer d'ander min, volgens de instelling, verpligt was aan zynen patroon of patronesse; als by voorbeeld de Konsraterniteit, of Maria's Broederschap, welke volgens de instellinge verpligt was op de Feestdagen van Maria Missen te laten doen, en gebeden voor de afgestorvene Broederen op gezette tyden: 't welk zy, als de Stad 'sHertogenbosch aan de Heeren Staten 1629 over ging, in de Kapitulatie bedongen onverhindert te mogen onderhouden; gelyk het ook zoo gebleven is, uitgezondert dat zulks in 't verborgen, om geene ergernisse te geven, geschiede, tot den jare 1642, wanneer het meestendeel uitgestorven was, latende sommigen die van den Hervormden Godsdienst waren zig daar by inschryven, 't welk van de Heeren Predikanten in dien tyd euvel opgenomen werd, die daar Classicale handelingen over beleid-

[p. 242]origineel

den in verscheide steden, en opstellen maakten, die zy aan de Universiteiten afvaardigden. De Predikanten op het Classis te Gornichem vergadert in Juni 1643. waren de eersten die dit werk ter hand namen, en hunne voorstellingen en vragen daar omtrent den Professoren te Leiden in schrift toezonden. Jakobus Trigland, en Fredrik Spanheim waren toenmaals hoogleeraren in de Godgeleerdheid. Dien 't lust kan het Boekje, Oordeel van verscheiden Leeraars enz. over de Mariaansche Broederschap, door een liefhebber der waarheid, enz. gedrukt 1645, nazien: terwyl wy reeds te verre van 't spoor geweken, te rug stappen moeten, tot dien tyd, waar in Keizer Karel de V. deze landen bestierde, om te zeggen dat hy sommige steden met voorregten heeft begistigt; als ook de Gilden der zelve, bevoordeelt met zeker regt, waar door zy al 't geen hunnen handel en hanteringen hinderlyk en naadeelig was, buiten de steden hielden: zulks, die deszelfs voordeelen wilden deelagtig zyn, genootzaakt wierden, het Borger- en Gilderecht dier steden met geld te koopen.

Nu was het by vele van de Konstschilders dies tyds in gebruik gekomen, dat zy openbare winkels, en verkoopdagen van Schilderyen hielden, en dus zig, om hun voordeel te bejagen, met het voorregt van een Gild dekten. Maar als met'er tyd het Glasschilderen geheel ten onbruik wierd, in enkel Glazemaken verkeerde, en door de slegte tyden gemeene Konstschilders mede tot den kladpot vervielen, en het getal der Grofschilders hielpen vermeerderen; en dus het Gildebroederschap meest in ambagtsgezellen bestond; hebben de Konstoeffenaars daar wat tegens aan gezien, als

[p. 243]origineel

waar het der Edele Konst oneer aangedaan, onder ambagtslieden geteld te worden. Waarom zy dan gelegentheid zogten om die Broederschap te ontgaan, en een Konsraterniteit van enkele Konstoeffenenden op te regten. Ook heeft men in sommige steden de Konstlievenden daar mede onder betrokken; het welk die van Dordrecht in den jare 1641 werkstellig maakten, door een verzoekschrift het geen zy aan de Eedele Heeren Borgermeesteren en Schepenen dier Stad presenteerden, die hun die scheiding van den Gilde der Glazemakers, op eenige voorwaarden niet alleen hebben ingewilligt, maar den Konstschilderen ten voordeel door een Acte, ondertekent M. Berk, in den X Artykel vergunt en toegestaan: Dat niemant vermogt met eenige Schilderyen langs de straat te loopen, om die langs de deuren te veilen &c. XI. Dat niemand van buiten in komende vermogt eenige openbare verkoopingen van Schilderyen aan te regten enz. En in eene nader verklaring van dezen XI Art. verleent 1643. Dat niemand wie hy zy van buiten ofte van binnen, onder wat voorwendzel het zelve ook zoude mogen wezen, op geenerhande wyzen eenige verkoopingen van Schilderyen zal vermogen te houden, als alleen die van het Konstgenootschap van St. Lucas, gezeit de Fynschilders, enz.

Dit spoor hebben de Konstschilders in verscheide Hollandsche steden gevolgt.

Die van 'sGravenhage, als my uit de aantekening, die daar van gehouden is, is gebleken, kwamen in den jare 1656 op den 15 van Sprokkelmaand by den anderen, om over de wyze van scheiding te beramen, en een verzoekschrift diesaangaande te presenteren aan den Raad dier plaats: en waren de verzoekers 48 in getal, en onder

[p. 244]origineel

deze Dirk vander Lis, toen Regerende Schepen.

In 't zelve jaar wierd hun verzoek van scheiding uit het Gild van Glazemakers, Stoelemakers en Boekbinders toegestaan, en eerst het bovenste der Boterwaag, naderhand vier vertrekken boven de Korenmarkt tot hun vry gebruik gegeven. Het grootste vertrek dient tot de verkooping van Schilderyen, die uit sterfhuizen, of anderzins voorvallen, waar van de konsraterschap zyn voordeelen trekt.

De zoldering van deze zaal, van onder te zien, is verdeelt in vier hoekstukken met een ovaal in 't midden, alle met beeldwerk konstig beschildert. Het eerste hoekstuk door Theod. vander Schuur geschildert, verbeeld de drie hoofdkoleuren. Het tweede door Daniel Mytens, daar de Deugt de Historien op den rug van de Faam schryft, die door haar worden uitgebazuint. Het derde door Aug. Terwesten, waar in de Perspectief, Doorzigtkunde en Architecture, of Bouwkonstzig vertoond. Het vierde door Robb. du Val waar in de Astronomie of Starrekunde, en Geometrie of Meetkonst gezien word. Het middelvak, door Will. Doudyns beschildert, vertoond de Haagse stedemaagt, onder welker bescherming zig de Schilderkonst, Beeldhouwery, Glasschildery en Graveerkonst, aanbieden. Hier nevens aan zietmen Pallas verzeld met de Konstliefde, de Grofschilders met ladder en kladpot: De Boekbinders met schroef en pers, en de Stoelmakers met hun gereedschap, in yver ten konsthemel uitbonzen. En in het schoorsteenstuk door Matt. Terwesten geschildert, ziet men de jeugt door Merkuur opleiden, tot de konstschool, aangespoort door roem en beloning.

Het tweede vertrek dient tot hun vergaderplaats, en pronkt met een glazekas vol Konst-

[p. 245]origineel

boeken met vergulde banden, by 't afsterven van dezen en genen tot hun gedagtenis aan de Konstkamer vereert, als ook in twee lysten, de Lykvaarzen, op d'uitvaart der berugte Konstschilders Daniel Mytens, voorgevallen op den 19 van Herfstmaand 1688, en Willem Doudyns, 't eene door J. Sterrenberg, 't ander door Silvius, berymt.

Het derde vertrek tot de gemeene Tekenplaats of Academie opgeregt in den jare 1682. Het vierde vertrek dient tot gebruik van den knegt van 't Konstgenootschap.

Haarlem, een der oudste Steden van Holland, heeft al vroeg een bloeijende Konstschool, en talryk Konstgenootschap binnen zyn ringmuur gezien. Maar om niet alles op te halen, uit vreeze dat het den Lezer verdrieten mogt, zal ik maar alleen van het Konstgenootschap der Antwerpse Schilders iets melden: eerst om dat hun Konstgenootschap vroeger in tyd is begonnen, dan een der Konstgenootschappen van Nederland: ten tweede dat ook geen der zelve met zulke voordeelen is begunstigt, dan dat van Antwerpen. Inzonderheid heb ik de gedagtenis daar van willen ververschen; op dat alle Stedebestierders door dit loffelyke voorbeeld gespoort mogten worden, om dergelyke hulpmiddelen tot opbouw der Konst, en roem der Steden aan de zelve te schenken.

Ik vind in het Memoriaal van de Schilders kamer tot Antwerpen geboekt, dat dezelve begin genomen heeft met het jaar 1450, en dat 1454 de Konstschilders zig tot een voegden en een Konstgenootschap aanvingen, waar van Joan Snellaert en Joan Schuermaeker de eerste Regenten of Overluiden waren. Sedert welken tyd de Konst daar met grooten luister gebloeit heeft, gelyk het Konstgenootschap ook (op

[p. 246]origineel

dat de Konst zig meer en meer voortzetten zoude) een Academie, of oeffenplaats om naar 't naakte leven te teekenen, heeft opgeregt in den jare 1664. en in den jare 1695 een pleister- Academie waar toe zy de keurlykste afgietsels der geagtste Antiken hebben opgezogt. Welke Academien of konstscholen vergroot en verbeterd zyn in den jare 1694 en 1695 zedert welken tyd dezelve kamer pronkt met het marmere Borstbeeld van den Hertog van Beijeren, toen Gouverneur van de Spaansche Nederlanden en groot beminnaar van Konsten, inzonderheid de Schilderkonst, als ook een yverig voortplanter dier oeffening.

Het geld tot onderhoud van gemelde twee Academien en verdere kosten die daar op loopen, word gevonden uit 12 vrybrieven door de Gouverneurs uit order van den Koning van Spanjen aan het Konstgenootschap vergunt, om de gemelde kosten tot opbouw der Konst goed te maken.

Yder der zelve word waardig geschat 800 gulden meer of min, na die schaars te bekomen zyn, en zy worden van het konstgenootschap verkogt aan gegoede Borgers; om van alle Borgerbeamtingen, die kostbaar en lastig vallen, vry te zyn voor hun leven: als Gildemeester-, Kerkmeester-, Wykmeester-, Vaandrig- en mindere Officierschappen van de Borgerwagt. Welke vrybrieven, de bevoordeelden overleden zynde, straks weder vervallen aan het konstgenootschap dat dezelve weder op nieuws aan anderen verkoopt, en tot onderhoud der konstschole zig van die penningen bedient.

De twee laatste der gemelde vrybrieven zyn hun door gunst der Keurvorst van Beyeren bezorgt, wanneer zy hem tot Protector van de Konst, en

[p. 247]origineel

het konstgenootschap inwyden. Dit geschiede op den 2 van Sprokkelmaand 1693. De schilderskamer was rykelyk behangen met penceelkonst van uitmuntende Meesters, en de Heer Jan Babtist Gryns oud Borgermeester, en hoofdman der konstkamers, en Dekens haalde den Vorst op, geligt door menigte flambouwen, tot de konstzaal, daar een tafel met kostelyke spyze stont aangeregt om zyne Doorl. te onthalen. Waar by zig allerhande konstig snarenspel deed hooren, en naar het eindigen opende zig een Toneel, daar zig de Antwerpsche Steedemaagt treurig leunende op een waterkruik (verbeeldende de Schelde) op vertoonde. Straks verscheen Apol die haar naderende dus aansprak: Hoe leid de Stedemaagt zoo treurig? wat reden zyn 'er die u de zilte tranen langs de bleeke wangen doen rollen? gryp moet; de Goden zyn door uw klagten bewogen. Als ik in het morgenkricken (vervolgde de Zonnegod) myn heng sten uit het pekel opmende, zag ik een Held uit het huis van Oostenryk tot u naderen; om u in zyne bescherminge te nemen, waar door de Konsten weder als voorheen in vollen luister zullen bloeijen enz. Ook kwam een Beeldhouwer en Schilder op het Toneel. Deze met een beschildert doek, daar de belegering van Belgrado op afgebeeld stond, en boven dezelve de Faam, die des Vorsten roem trompette: 't welk ook de voorname toeleg van dit spel is, 't geen ook B. Ogier huisvrouw van Guil. Kerricx die het zelve berymt heeft, te kennen geeft. En zeker dit spel verdient dat men 't pryze, te meer wyl het in zoo korten tyd opgeslagen is.

[p. 248]origineel
 
Tweemaal vier en twintig uuren,
 
Tusschen dag en tusschen nagt,
 
Heeft dit op 't Toneel gebragt.

Maar het geestigst in 't spel was dit, dat gemelde Kerricx het borstbeeld van den Vorst naar een geschildert af beeldsel in marmer gemaakt had, zonder dat de Vorst daar iets van wist, en het zelve met pleister overtogen, werd als of 't een ruwe blok steen waar, op het Toneel gebragt. De beeldhouwer die onder 't spel somtyds den Keurvorst aanzag, als wilde hy zyn beeltenis in marmer uithouwen, gaf somwyl een slag met den hamer op het zelve, waar door dan eerst een brok af sprong, die de bovenkruin ontdekte, dan eens het eene oog, dan het andere, de neus en zoo voorts, tot het beeld zig volkomen deed zien. Waar over de Keurvorst verwondert stond te kyken, en verklaarde dat hem nooit zulk vermaak aangedaan was. Dit borstbeeld staat nog op de Konstkamer. Beter was 't voor de Konst geweest zoo hy zelf waar tegenwoordig gebleven. Ja het is te beklagen dat verwisseling van Staat zyn Konstvuur gedooft heeft; want dat deed ook anderen ontvonken, zoo dat de Konst tot groote waarde steigerde.