De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Otto Marcelis]

Daar is geen reden van te geven, ja ik ben dikwils verwondert over de verschillende geneigtheid der Konstoeffenaren in opzigt der verkiezingen hunner voorwerpen. De een valt op droevige, de ander op vrolyke verbeeldingen. Deze op het waardigste, gene op het veragtste, en op afschuwelyke voorwerpen, als

OTTO MARCELIS die byna niet anders dan vergiftige slangen, padden, en hagedissen schilderde: en egter heeft hy 'er altyd (om dat hy dezelve zoo natuurlyk wist na te bootsen) wel by gestaan, zoo in Engeland als in Vrankryk daar hy voor de Reine Mere schilderde, die hem

[p. 358]origineel

een vrye kamer, tafel, en een pistolet voor vier uuren daags schilderen gaf. Hy heeft ook lang in dienst van den Groothertog van Florencen geweest, en Napels en Romen bezogt, daar Guelhelmo van Aelst die een Discipel van hem geweest is, met hem verkeerde, en menige klugt met hem uitvoerde.

In de Bent doopten zy hem met den bynaam Snuffelaar; om dat hy allerwegen naar vremd gekleurde of gespikkelde slangen, hagedissen, rupsen, spinnen, flintertjes, en vremde gewassen en kruiden omsnuffelde.

Zyn reislust voldaan, kwam hy weder in zyn Vaderland, en na dat hy twaalf jaren getrouwt was geweest, overleed hy in 't jaar 1673 ruim 60 jaren oud.

Zyne Weduwe, die na hem nog twee mannen overleeft heeft, thans nog in leven, heeft my verhaald: Dat hy die dieren buiten Amsterdam op een stuk laag land daar zy best konden aarden, tot dien einden omheint, dagelyks spysde: als ook een hok agter zyn huis had, om de zelve gereed tot zyn dienst aan de hand te hebben, en dat sommige slangen door den tyd zoodanig aan hem gewent wierden, dat, wanneer hy de zelve wilde naschilderen, hy de zelve door zyn maalstok op zulk een wyze schikte, als hy die noodig had, en zy dus bleven leggen tot hy de zelve geschildert had.

Zyn Beeltenis staat in de Plaat R onder aan, en nevens het zelve eenige kruiden waar onder zig een slang vertoont.

 

De menschen (zeit de gemeene spreuk) leven by veranderingen. 't Kan den lezer niet onaangenaam wezen dat wy somwyle eens van persoonen ver-

[p. t.o. 358]origineel



illustratie

[p. 359]origineel

wisselen, op 't voorbeeld van den Schouburgh, die niet altyd rimpeltrekkende Katoos ten Toneel voert, maar by beurten ook Democriten die de waereldsche dingen belachen. Droevige spelen gaan gemeenlyk met een vrolyke klugt verzeld: of men gebruikt potsemakers om de opgespannen geesten verfrissing te geven. Dus schikt het zig ook veeltyds in onze beschryving van 't leven der Konstschilders. Dan voeren wy eens ernstige bedryven ten Toneel, dan weder klugten. Dog de volgende levensrol loopt verkeert uit; want zy verandert van blyspel in treurspel.