De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ugaart Delvenaar en Jacob Koning]

Ook leefde in dien tyd een UGAART DELVENAAR, een fraai Landschapschilder, ook een JACOB KONING, een Discipel van Adr. vanden Velde. Dees in 't eerste de handelinge van zynen meester nabootsende, schilderde fraaije Landschappen en Beesjes, en naderhand Beelden en Historien, en nam daar in zoo gelukkig toe, dat hy te Koppenhagen, aan 't Hof van Denemarken door zyn Konst heel bemind wierd. Dit was die, welke aan onzen Verkolje (ziende in hem een yver om alles wat de Konst betrof na te speuren) de Boeken van de Deurzigtkunde (waar van wy gemelt hebben) leende, waar in hy zoo vorderde dat hy Koning in korten tyd overtrof.

By dit naaverhaal schiet ons ook in 't geheugen (dat wy anders ligt zouden vergeten hebben) hoe, en door wien hy eyndelyk van het gebrek aan zyn been genezen wierd.

Zyne Ouders kregen kennis aan zyn Excellentie Burry. Deze was een berugt Chymicus, en bedreveling in de Geneeskunde, die om den geessel der kerkelyken t'ontwyken een wyl tyds zig in de Nederlanden onthield. Hy werd van sommigen

[p. 287]origineel

als een andere Esculapius aangezien, van anderen voor een tweeden Parazelsus, en wederom van anderen voor een Toovenaar gehouden; niet zulk een Toovenaar, als voorheen de betooverde waereld gelooft heeft dat 'er waren: die zig in katten, honden, weerwolven enz. veranderen konden en allerhande spokeryen aanregten; maar die een geneeswyze boven de gemeene wyze der Geneeskundigen oeffende, die de menschen (ziende de goede gevolgen) verbaast dede staan. Gelyk hy dan ook onzen Verkolje, vele jaren te vergeefs gesmeert en gelapzalft, volkomen genezen heeft, door het gebruiken van 99 poeders. Deze waren gemerkt 1. 2. 3. 4. en zoo voort, en bestipt hoe veel hy daar van yder dag moest innemen, gelyk hy stiptelyk opvolgde en bespeurde geene veranderingen in zyn lichaams gesteltheid, als met het ingeven van het laatste poeder, wanneer hy zig zoodanig onder en boven van slym en vuyligheid ontlaste, dat 'er naau potten genoeg in huis waren, om die te vangen, waar na men niet anders tot het been dede als het zelve dagelyks met schoon lywaat verschoonen.

't Is bedenkelyk dat gemelde Burry zal hebben bespeurt, dat bedorve sappen, die zig door de opening van dit gebrek ontlastten, de genezing beletten, en de wond Fistuleus maakten, en dus op de inwendige kwade gesteltheid eerst voornamentlyk heeft gewerkt door middel van zyn poeders, op dat de genezing van de wond des te zekerder van gevolg zoude wezen.

Wat nu zyn schadelyk gevoelen, en begryp van zaken den Godsdienst betreffende, aanbelangt, (om welke rede hy Neêrland ten Vryburg verkoos) daar van weet ik geene byzonderheden, als dat hy een Viereenigheid dreef, en tot de drie personen de

[p. 288]origineel

Maagt Maria voegde, en aanhang maakte. Hoe het zy, dit weet ik, dat hy om een gebrek of toeval 't geen den Rooms Keizer overviel, naar Weenen vertrok, maar na dat hy eenigen tyd zyn verblyf aldaar gehouden had, opgevat, naar Rome verzonden, en in 't slot St. Angelo gezet werd, daar hy opgesloten, zonder ymant te mogen spreken, eyndelyk ook gestorven is.

DROOGSLOOT willen sommigen dat Gornichem, anderen dat Dordrecht voor zyn geboorteplaats zal toegewezen worden.

Hy heeft wel den meesten tyd van zyn leven (dat is bekent) te Dordrecht gewoont, en ook zyn meeste Konst daar verspreit, onder de Borgers. Meest al dat hy gemaakt heeft verbeeld Boerekerkmissen, waar men koekkramen ziet, weerzyts de huizen van de Dorpbuurt, en de keuken in het verschiet. En wat de beeltjes aanbelangt, daar van kan men zeggen:

Datze alle schynen als in eene vorm gegoten.