Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: De zeventiende eeuw (1)


auteur: W.J.A. Jonckbloet


editeur: C. Honigh


bron: W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: de zeventiende eeuw (1). J.B. Wolters, Groningen 1889 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 18]

II. De Amsterdamsche rederijkers.

Maar wij zijn nog niet zoover, en vooreerst moeten wij terug, om een blik te slaan op de naaste voorloopers van het nieuwe tijdperk, die het krachtig hebben voorbereid.

De Rederijkers, die het vorige tijdvak besluiten, behooren daarin niet meer geheel tehuis: hun werken en streven vormt veeleer den overgang van de vijftiende tot de zeventiende eeuw, althans in Noord-Nederland. Dit springt vooral in het oog bij die Amsterdamsche Kamer, wier werkkring wij daarom eerst hier wat nader kunnen beschouwen, waarbij wij zullen zien, dat hare leden al spoedig het oog vooral op de toekomst hielden gericht.

Te Amsterdam, de stad, die weldra de hoofdstad van Holland zou worden, bestond op het eind der vijftiende eeuw eene Kamer van Rethorica, wier naam en spreuk niet tot onze kennis zijn gekomen, en waarvan wij alleen weten, dat zij vertegenwoordigd was op het Antwerpsche Landjuweel van 1496. Men weet van hare lotgevallen niets af, en vermoedt slechts, dat zij kort daarop is te niet gegaan- maar om te herleven in eene vereeniging, die gezegd wordt in 1517 te zijn opgericht, die naar haar blazoen den naam van de Eglentier droeg, tot zinspreuk had: In Liefde bloeyende, en die gemeenlijk als de Oude Kamer aangeduid wordt.1

De Eglentier was inderdaad eene voortzetting der vroegere Kamer, of werd daar althans voor gehouden. Immers in een bruiloftsvers van den Ridder Rodenburg op Cornelis Kanter en Elisabeth Lambertsdr., van 6 November 1618, heet het2):

 
‘Ick Amstels Eglentier....
 
Ick die nu zes mael twintich jaren luckich tel.’
[p. 19]

Dit wijst op 1498, of waarschijnlijk op het zooeven aangehaalde feit. En wat later, in 1623, was J.Hz. Krul van dezelfde meening. In het voorspel zijner Diana laat hij Apollo zeggen:

 
‘Liefd' bloeyend' eed'le Maegt, die hondert dertig jaren
 
Uw spruyten hebt gequeeckt met hulp van dees u scharen’...

Dit voert tot 1493; maar het is niet onaannemelijk met Rössing te gissen, dat hij alleen zoo sprak, omdat hij ‘voor de maat een rond getal noodig’ had1). Uit beide aanhalingen mag men opmaken, dat de geschiedenis dier oudste Kamer met een dichten sluier bedekt is. Denkelijk werd zij in 1517 hernieuwd, of bevestigd in hare privilegiën. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de Regeering van Amsterdam den 24en October 1518 besloot aan zekere Rederijkerskamer - en daarmede kan nauwelijks eene andere dan de zooeven vermelde bedoeld zijn - eene som ƒ 29 : 4 : 0 te vergoeden, welke besteed was aan het inrichten van een lokaal boven de Waag, en tevens om de jaarlijksche kamerhuur van één pond Vlaamsch uit de stadskas te voldoen2). Het laat zich intusschen aanzien, dat de werkelijke inwijding eerst den 17en September 1519 heeft plaats gehad; althans honderd jaar later wilde Rodenburg op dien dag haar eeuwfeest vieren3). In de Eglentiers Poëtens Borst- Weeringh (bl. 340) gewaagt hij ‘van 't hondert-jaerige Eglentier in Liefd' bloeyende, wiens dubbele Gulde-Bruyloft nu den 17 September 1619 op 't prachtichst' gecelebreert behoort te werden, zo door het zoet-geurighe Lavendel Wt levender jonst, als Honigh-teelende Bykens uyt Yver, om door de drievuldicheyts susterschap te brallen in Amsteldamsche glorie.’

Sedert de laatste jaren van de zestiende eeuw vinden wij in Amsterdam nog een paar Kamers, door Brabantsche en Vlaamsche uitwijkelingen, naar men wil omstreeks 1585, gesticht, toen door

[p. 20]

het overgaan van Antwerpen aan Parma de hoop op terugkeer naar het vaderland moest worden opgegeven. De eene, Het Vygeboomke, met de spreuk: Het zoet vergaeren, heeft ter nauwernood eenig spoor achtergelaten. De andere, De Lavendelbloem, met de spreuk Uut levender jonste, de Brabantsche Kamer bijgenaamd, heeft zich tot in 1630 gehandhaafd en zelfs zekeren naam verworven. Dat zij misschien in 1613 met Het Vygeboomke samensmolt, althans eene hervorming onderging, is eene niet onaannemelijke gissing, daarop rustende, dat men vóór de uitgave van de Battaefsche Vrienden-Spiegel: wt Levender jonste het blazoen der Kamer vindt afgedrukt met het jaartal 1613.

Wij zullen ons slechts nu en dan, in het voorbijgaan met haar bezighouden; en vermelden hier alleen, dat zij zich hoofdzakelijk op tooneelvertooningen in den bekenden stijl der Belgische Rederijkers toelegde. Onder hare voornaamste leden behoorden Karel Van Mander, als schilder en dichter beide leerling van Lucas De Heere; Zacharias Heins, Jan Sievertsen Kolm en Abraham De Koningh. In 1612 zette Vondel met zijn Pascha in haar midden de eerste stappen op de baan der kunst, die hij zoo schitterend zou doorloopen.

Zoo wij Vondel weldra met de mannen der Oude Kamer in verbinding zien, dan moet dat ons niet verwonderen: van daar ging hoofdzakelijk het licht uit. Men denke evenwel niet, dat er tusschen die Kamers een vijandige naijver bestond: integendeel, de betrekking was van zeer vriendschappelijken aard; en wij zullen zien, dat ook, toen in 1617 eene nieuwe letterkundige vereeniging was tot stand gekomen, een broederlijke geest de leden der verschillende Kamers bezielde, terwijl alleen voor een tijd lang de persoonlijke veete der Hoofden haar vijandig tegen elkander deed optreden.

De Koningh's Jephthahs ende sijn eenighe Dochters treurspel (20 Meert 1615) werd zoowel vereerd met een lofdicht van Bredero als van Vondel en Kolm. In de voorrede van het stuk worden nevens Heinsius de voormannen der Oude Kamer, Coornhert, Spieghel, en vooral Hooft verheerlijkt.1) En niet minder merkwaardig is het,

[p. 21]

dat in hetzelfde jaar 1615 een ander lid der Brabantsche Kamer, Kolm namelijk, zijn treurspel Battaefsche Vrienden-Spieghel: wt Levender Jonste opdraagt aan den Ridder Rodenburg, en dat daarbij, onder meer anderen, een bijschrift op het werk wordt aangetroffen van den man, die weldra Rodenburg's heftigste tegenstander zou zijn, Gerbrand Az. Bredero!

Wij vinden dan ook niet zelden de spreuken der beide Kamers door de dichters in één adem genoemd. Zoo schreef van den eenen kant Bredero in Rhetoricaas Lof-liedt1);

 
‘Lof reden-rijcke konste!
 
Lof weet-godin, van wien de rymen vloeyen!
 
Ghy baert 't levender Jonsten,
 
Ghy stiert tot deught, en doet in liefde bloeyen

En omgekeerd gaf Kolm aan zijne klucht: Malle Jan Tots Boertige Vryery het volgende motto:

 
Dit's soo uyt soete lust gemaeckt,
 
En belght niet of 't onwetend' raeckt,
 
Uyt 's Levens Jonst laet d' Yver groeyen
 
Om al in konst en Liefd' te bloeyen.’

En geen wonder, want dit stuk was voor Coster's Academie geschreven2), waarvan Kolm reeds bij de oprichting in 1617 lid

[p. 22]

werd, evenals hij het tegelijk was van de Brabantsche Kamer.

De Koningh van zijn kant haalt in het zinnespel op de loterij van 1616 herhaaldelijk de spreuk van den Eglentier aan.

Zoo zegt hij tot de stad Amsterdam:

 
‘Ick vreemder wensch u dit: dat ghy In liefde bloeyt.’

En later:

 
‘Vaert wel O Amsterdam, so schielick opgegroeyt,
 
Vaert wel beroemde stadt, uyt laeg moras gesteygert . . .
 
U Campen siet men rijck, dewijl g' in Liefde bloeyt.’

Eindelijk laat hij de Liefde zeggen:

 
‘Ghy Rymers die soo bralt in al u rederijcken,
 
Dat ghy Wt slevens Jonst in Liefde my bemindt:
 
En denckt niet dat ick ben, al siende, siende blindt!
 
Ist dat ghy in liefde groeit, so moet u liefde blijcken.’

Later zullen wij nog menigmaal sporen van onderlinge welwillendheid aantreffen tusschen de leden van den Lavendel en de Oude Kamer, ja zelfs van Coster's Academie.

Wij schenken vooreerst onze aandacht vooral aan den Eglentier, die grooten invloed op de tijdgenooten heeft geoefend

De Oude Kamer bloeide onder bescherming van Vorst en Magistraat. Keizer Karel begiftigde haar met een fraai blazoen, en de ingenomenheid der stedelijke Overheid blijkt deels uit de ondersteuning, haar geschonken door het verstrekken van onderstand voor de kosten van vergadering; deels uit het feit, dat Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen weldra vrij sterk onder de leden der Kamer vertegenwoordigd zijn.

Er is niets in de geschiedenis dezer instelling, dat haar boven elke andere Kamer verheft, totdat zij met het Geus-worden der stad in 1578 allengs een geheel ander karakter aannam. Men weet niet veel meer van haar dan dat de broeders in 1519 en nog in 1535 op de Waag vergaderden. Aan Landjuweelen nam de Kamer zelden deel; maar bij de komst van groote personages in de stad, zooals Leicester en Prins Maurits, gaf zij luisterrijke vertooningen, evenals nog bij het sluiten van het Bestand. Hare beteekenis voor onze Letterkunde dagteekent eerst van 1578. Van dat tijdstip af,

[p. 23]

toen haar geen belemmeringen meer in den weg stonden, toen de meest ontwikkelden en aanzienlijken zich bij haar durfden aansluiten, nam zij spoedig eene hooger vlucht; en het is dan ook reeds in 1581, dat wij een groot getal regeeringspersonen onder hare bestuurderen en leden aantreffen1).

Van de dichterlijke werkzaamheden der Kamerleden uit dien vroegsten tijd weet men niet veel: eerst later hebben enkele hunner zich beroemd gemaakt. Daarom is het niet onwelkom kennis te maken met een zeldzaam bundeltje, getiteld: Nieu Jaar Liedekens, uytghegheven by de Retorijck kamer t' Aemstelredam in lied (sic) Bloeyende, vanden Jare 1581 tot den Jare 1608 (lees 1609). Het zijn negen-en-twintig nieuwejaarsliedekens, waarvan er vieren-twintig met eene spreuk geteekend zijn, denkelijk die van den tijdelijken Factor der Kamer, terwijl de vijf overige geene aanwijzing bevatten. Elf dichters zijn als de vervaardigers dier stukken aangewezen2).

[p. 24]

In de voorrede tot den lezer wordt de strekking dezer liederen aldus aangewezen:

 
‘Wysende met vreuchden den weg ter deucht,
 
Om 't licht int binnenste van u siel te verclaren.’

Zij hebben dan ook alle eene algemeene ethische bedoeling met Christelijken bijsmaak, zooals het Kerstfeest dien moest aangeven. Veel poëzie is er niet in te ontwaren, terwijl de meeste op Rederijkerstrant in kunstige kettingrijmen het talent hunner makers doen schitteren. Zij leeren ons, behalve de aanduidingen omtrent de leden, niets nieuws; noch betrekkelijk de geschiedenis dier dagen in het algemeen, noch van de Kamer in het bijzonder. In die van 1603 en 1604 staat eene toespeling op de pest; in die van 1601 en 1608 een zucht naar vrede; en denkelijk ziet daarop ook wel deze strofe uit het stuk van 1609:

 
‘Waerom dan ist, datmen dus int ghemeene
 
Door bitter twist malcander brengt in weene?
 
't Verkeert oordeel doet ons blindelijck dwaelen,
 
Soekend 't voordeel, daert niet en is te haelen.
 
Dus schaed' en schant ons comt in dese tijden
 
Aen elcken kant van Jaar tot Jaar bestrijden.’

Of ziet dit reeds op de inwendige twisten, die weldra de Kamer zouden teisteren?

Mocht al de Oude Kamer als één geheel niet door lyrische verheffing uitmunten, zij heeft zich vooral verdienstelijk gemaakt door het kweeken van studie en degelijker ontwikkeling. De hoofden, de eigenlijke ziel der vereeniging, welke haar eene meer wetenschappelijke richting gaven, waren Roemer Visscher en Hendrik Laurensz. Spieghel, aan welke zich, ofschoon hij niet in Amsterdam woonde, Dirk Volkertsz. Coornhert aansloot, vooral wat hunne taalhervorming betreft.

Over deze drie mannen mag eene geschiedenis onzer Letterkunde niet zwijgen.

Ofschoon slechts in eene meer verwijderde betrekking tot den Eglentier behoorende, van welks leden hij zich echter de ‘dienstwillige ende jonstighe medebroeder’ noemt, terwijl hij naar allen schijn ook wel lid van het bestuur uitgemaakt zal hebben, vormde Coornhert met de beide anderen een driemanschap, door vriend-

[p. 25]

schap en wetenschappelijk streven innig verbonden. Als de oudste geniete hij den voorrang.

 

Dirk Volkertsz. Coornhert werd in 1522 te Amsterdam geboren, waar zijn vader een ruimbemiddelde lakenkooper was. Hij had twee oudere broeders, die veel aandeel genomen hebben aan de invoering der Hervorming1). Hijzelf had in zijne jeugd eene reis naar Spanje en Portugal gedaan, waar hij de strafgerichten der Inquisitie van nabij had leeren kennen. Daaraan schrijft men gewoonlijk den afkeer van gewetensdwang en dweepzucht toe, die zijn geheele leven heeft gekenmerkt.

Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland, omstreeks het jaar 1540, trad hij in den echt met de zuster eener maîtresse van Graaf Reinoud van Brederode, om welk huwelijk hij door zijne moeder verstooten werd. Dit noopte hem een bedrijf ter hand te nemen, ten einde in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij zette zich te Haarlem als kunstgraveur en etser neer, in welke kunst hij het zoover bracht, dat Goltzius eenmaal zijn leerling kon zijn. Trouwens, hij was van de natuur met veel kunstzin begaafd, en van zijne jeugd af ook een groot minnaar en beoefenaar van toonen dichtkunst geweest.

Intusschen leidde de ernst der tijden zijne gedachten op ernstiger zaken. Het groote godsdienstige vraagstuk van den dag begon hem vooral bezig te houden. Ten einde de Latijnsche Kerkvaders, met name Augustinus, te kunnen lezen, leerde hij nog op dertigjarigen leeftijd Latijn. Dit zelfstandig onderzoek, dat hij ook tot de wijs-

[p. 26]

geerige geschriften der Ouden uitstrekte, leidde hem tot, of versterkte hem in die onafhankelijkheid van overtuiging, welke hem in geloofszaken deed opkomen tegen elk gezag buiten het Bijbelwoord. Vandaar dat, terwijl hij zich buiten de gemeenschap der Roomsche Kerk plaatste, hij evenzeer protesteerde tegen al wat hem in leer of kerkordening der Hervormden onbijbelsch voorkwam; vooral tegen dien geest van uitsluiting en verkettering, die al spoedig het Calvinisme kenmerkte, en die hem onchristelijk toescheen. Hij was in dit opzicht een der zuiverste vertegenwoordigers van het Humanisme. In tal van schriften heeft hij voor die richting gestreden en zich voor zijne overtuiging het martelaarschap getroost.

Inmiddels was Coornhert in 1561 Notaris, in 1564 Secretaris van Burgemeesteren van Haarlem geworden, en werd als zoodanig vooral in ‘politique zaken ghebruyckt.’

Het ligt niet op onzen weg bij zijne staatkundige bemoeiingen stil te staan: het zij genoeg te herinneren, dat zij waren in de richting, die men in onze dagen de conciliante zou noemen; eene richting, die wel in het godsdienstige verdraagzaamheid en Christelijke liefde kweekt, maar die in het staatkundige meestal op halfheid en onpractische weifeling uitloopt.

Zijn doorzeilen tusschen de partijen1) belette niet, dat hij in September 1567 werd gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Hij wist zich echter bij den Raad van Beroerten te rechtvaardigen, raakte op vrije voeten, en borg zich buiten 's lands, waar hij, te Kleef en Santen, weer van de opbrengst zijner etsnaald leefde.

In zijne ballingschap was hij nu en dan door Oranje gebruikt. In 1572 met dezen in het vaderland teruggekeerd, werd hem op 's Prinsen verlangen de betrekking van Griffier der Staten van Holland opgedragen. Hij bekleedde haar niet lang; want vrees voor de wraak van Lumey, aan wiens knevelarijen hij paal en perk wilde stellen, deed hem op nieuw de wijk naar Santen nemen. Eerst na de Pacificatie van Gent keerde hij terug en vatte te Haarlem zijne werkzaamheden als Notaris weder op. Sedert leefde

[p. 27]

hij nagenoeg voortdurend in strijd met de meest orthodoxe Predikanten, en een stortvloed van strijdschriften, ‘kijfboecken’ als zijne partij ze noemde, ging van hem uit. Zijne laatste levensjaren bracht hij, door de vervolgzucht zijner tegenstanders, in onvrede en velerlei bekommering door. Uit Delft verdreven (1588), waar hij zich na den dood zijner vrouw had willen vestigen, bracht hij eindelijk zijn verblijf naar Gouda over, in welke stad hij in 1590, bijna met de pen in de hand, overleed.

Hoe vinnig de strijd was, dien hij te strijden had, blijkt uit dit getuigenis van den uitgever1) zijner werken:

‘Hij is van veele deses-tijts wet-kundighe Priesters ende Levijtsche Schriftgeleerden op 't lijf gevallen met deze vinnichste bejegeningen van Hollantsche Boeve, Rasenden Hondt, Onbesneden Goliath, aenblaser des Satans, Prins der Libertijnen, oproerighen Teudas, of Judas, ende sulcx, als meer blijct in druc, teghen hem uytghegalt . . . . . Hy werd uyten name van de Kercke voor al de wereldt uytgheroepen voor een valsch oproerder, aldermeest waerdigh by d' Overheyt ghestraft te worden, voor een rasent mensche, Bedriegher, Nieu Machiavel, Calumniateur, Pluymstrijcker, Vermetel, Onschamel Propheet, Droomer, Kerck-uyl, ende Smit van alle Ketteryen, een Procureur van quade saecken ende van quade conscientie, ende die van de H.H. Staten immers soo quaden ghevoelen soude hebben, als van de Predikanten, ende met dierghelijcke bloemkens meer.’

Tot zijne eer moet men erkennen, dat hij meestal dergelijke schimpredenen met klem van argumenten en niet met scheldwoorden beantwoordde2).

 

Het tal van politico-theologische of ethische tractaten en pamfletten, door Coornhert in het licht gegeven, vult grootendeels drie lijvige folio-boekdeelen, welke nagenoeg 7000 kolommen druks

[p. 28]

bevatten1). Ten eeuwigen dage zullen deze opstellen een gedenkteeken blijven van des schrijvers onbevangen gemoed, helder hoofd, moedige inborst en echt Christelijken zin2). Bovendien doen zij hem schatten als uitmuntend stilist en grondig kenner onzer taal. Hij staat in dit opzicht op ééne lijn met Marnix, en met het volste recht mogen deze beide mannen de hervormers van ons Proza worden genoemd.

Onder Coornhert's proza-werken verdienen uit een letterkundig oogpunt vooral vermelding zijne vertalingen van sommige wijsgeerige geschriften der Ouden: de Officia van Cicero, reeds 1561, gedrukt, en het boeksken van Boëthius ‘Van de Vertroostingh der Wijsheit’, omstreeks 1555 door hem ‘verduytscht uyt oude ende duystere vlaemsche tale in Nederlandsch’, in 1585 door hem ‘op nieus’ maar ‘nu uyten Latyne zelf’ vertaald en in 't licht gezonden, vooral ook met het doel, om ‘tot optimmeringe van 't Neerlantsche welsprekenheyds tempelken te moghen eenighe hantreyckinge helpen doen.’ Dit vertoog is toegeëigend ‘aen de Gildebroeders des Rederijcx Kamer tot Amstelredam In Liefd' Bloeyende.’ Meer nog komt in aanmerking zijn hoofdwerk op ethisch gebied, dat bovenal zijne wijsgeerige richting kenschetst, het geschrift, dat den titel voert: Zedekunst, dat is Wellevenskunste, hetwelk in 1586, op aansporen van Spieghel, te boek gesteld, en dien toegeëigend werd3).

Lipsius noemde dat werk, evenals de meeste van Coornhert's geschriften, ‘subtyl ende wijslijck geschreven,’ en terecht; want het is een toonbeeld van wijsgeerige uiteenzetting van verheven en niet minder practische gedachten, in eene taal, even helder als krachtig. Die overeenstemming tusschen vorm en inhoud treft te meer, als men bedenkt, hoe moeielijk het moest vallen om de juiste Nederlandsche uitdrukking te vinden voor denkbeelden, nog

[p. 29]

maar schaars terneer geschreven door eene Nederlandsche pen. Merkwaardig is, wat hij daaromtrent aan Spieghel schrijft: ‘Soo veele de tale by my hier inne gebruyckt magh beroeren, ben ick ghedrongen geweest in 't handelen van nieuwe stof in Neerlandtsch, bywylen ook nieuwe woorden te ghebruycken: als die al in mijne jonckheydt, daer ick mochte, vermijdt hebbe vreemde bedel-lappen te brodden opten rijcken mantele der Neerlantscher talen.’

En juist dit is het, wat zijn proza zoo aantrekkelijk maakt. Want het is wel opmerkelijk, dat ofschoon hij zich blijkbaar gevormd had naar Seneca1), hij toch niet, gelijk Hooft, vervallen is in voortdurende Latinismen.

Maar niet alleen als wijsgeer en prozaschrijver verdient Coornhert vermelding, ook als Rederijker en Dichter.

Op dramatisch gebied heeft hij vrij wat sporen achtergelaten. Hij hield veel van den dialogischen vorm, ook in zijne tractaten, ja, zelfs in zijne brieven. Sommige wijsgeerige verhandelingen hebben den mantel der allegorie omgehangen en den vorm van een drama in proza aangenomen. Zoo b.v. Der Maeghdekens Schole (dl. I, 387) en Vanden thien Maeghden, tragica-comedia (dl. I, 466).

Zelfs zijne eigenlijke tooneel- of liever zinnespelen zijn niets anders dan berijmde zedekundige verhandelingen, in samenspraken vervat. Dit geldt zoowel van Abrahams Uytganck (dl. III, 517) als van de Comedie van de Blinde voor Jericho (eene uitbreiding van Marcus X, 46) (dl. III, 532) en van de Comedie van Israël, vertoonende Israēls zonden, straffinghe, belydinghe, ghebedt, beteringhe ende verlossinghe, wt het thiende Capit. Judicum als een claere spiegele der tegenwordige tijden gemaect anno 1575, (dl. III, 542).

Het valt dan ook te betwijfelen, of die spelen wel ooit vertoond

[p. 30]

zijn, ja, of zij wel ter vertooning waren bestemd. Van de Comedie van de Blinde voor Jericho althans zegt de dichter zelf:

 
‘Dees comedie was gheschreven
 
Om in druck te worden ghemeen.’

Aangaande het eerstgenoemde stuk valt op te merken, dat het eene doorloopende toespeling schijnt te bevatten op de eerste uitwijking van Coornhert zelf; en als zoodanig levert het geene onbelangrijke bijdrage tot de kennis van zijn huiselijk leven.

Geen dezer stukken onderscheidt zich door strekking of algemeenen vorm van de gewone Rederijkers-zinnespelen; maar in menig opzicht komt toch de man van buitengemeen talent aan den dag. Gelijk zijne overige werken, verheffen zich deze spelen door zuiverheid en kernachtigheid van taal verre boven het gewone peil, en zij munten tevens uit door eene diepte van gedachten, die men bij het meerendeel der Rederijkers te vergeefs zoekt. Wat den aanleg betreft, zijn zij alle in vijf bedrijven verdeeld, die door een koor, in den vorm van een lied, altijd op de wijze van een psalm te zingen, worden besloten. Het een zoowel als het ander was hoofdzakelijk een gevolg van den invloed, dien de Classieken ook in dit opzicht begonnen te oefenen, en die weldra overheerschend zou worden.

Ten slotte nog een enkel woord over zijne didactische en lyrische poëzie.

Behalve een aantal losse gedichtjes, niet zelden onder zijne proza-opstellen gestrooid, en enkele stukken van wat meer omvang, als de Lof van de ghevangenisse1), het Protest teghen den slaep2), den Lof-zang van 't Goudt3), enz., schreef Coornhert een afzonderlijk werkje, getiteld: Recht gebruyck en misbruyck van tydtlijcke have4), dat eene verzameling is van bijbelspreuken en gedichten in lyrischen toon. In denzelfden bundel volgde: 't Bedrogh des Werelds, of van weeldighe ende veylighe ledigheydt5), een leerdicht, naar het Latijn bewerkt. Voorts liet hij na: Medecyn der Sielen6), een onafgewerkt stuk, met samenspraken doorweven, geheel in

[p. 31]

den trant der Protestantsche zinnespelen van het Rederijkers tijdvak, om van een paar andere ethisch-didactische bespiegelingen niet te gewagen.

Eindelijk komt nog in aanmerking zijn Lied-boeck1), op onderscheiden tijden geschreven, en in 1575 bijeenverzameld en uitgegeven. Het munt meer uit door stichtelijkheid dan door ‘een schat van poëzie.’ In levendigheid van uitdrukking en aanschouwelijkheid van voorstelling staat Coornhert verre achter bij Anna Bijns; en het kan niet bevreemden, dat de man der wijsgeerige dialectiek, zich niet zoo gemakkelijk door de verbeelding liet meevoeren. Wat hij met Anna Bijns gemeen heeft, het zijn de kunstjes in het spelen met zijn eigen naam, en die zijner vrouw of vrienden, die niet zelden in de eerste lettergrepen der strofen van een lied worden weergevonden. Als curiosum herinner ik, dat de eerste en laatste regels van 24 verschillende liederen een nieuw zelfstandig gedicht uitmaken2).

Moge Coornhert al niet de voortreffelijke Dichter zijn, waarvoor men hem soms wel heeft willen doen doorgaan, als Christenwijsgeer bekleedt hij eene eenige plaats in de geschiedrollen der Nederlandsche beschaving; en als kweeker eener krachtige, zuivere taal heeft hij eene zelden geëvenaarde verdienste.

 

Tot de bestuurders van den Eglentier behoorde, in de dagen dat die Kamer zich boven het gewone peil begon te verheffen, een man, die aan veel liefde voor Kunst, eene ongewone mate van geest en luim paarde: de Amsterdamsche koopman Roemer Visscher3).

Hij was, evenals zijne vrienden en geestverwanten Coornhert en Spieghel, zoo verlicht als gematigd, en op het stuk van godsdienst hoogst verdraagzaam of, volgens anderen, onverschillig. Ofschoon Roomsch-Katholiek gebleven, ging hij vertrouwelijk om ook met de ijverigste Protestanten, mits zij als beoefenaars of voorstanders van Kunst en Letteren zijn gezelschap waard waren.

[p. 32]

Juist daardoor werd de huiselijke kring van den bemiddelden Visscher1), van wien Vondel terecht kon zeggen:

 
‘Zijn vloer betreden word, zijn dorpel is gesleten
 
Van schilders, kunstenaars, van zangers en poëten,’

het middelpunt, waar zich de voortreffelijkste mannen van zijn tijd vereenigden, aangetrokken door den geestrijken vriendenkring, waarin vernuften als Coster, Bredero, Hooft en de aankomende Vondel. Door de gulheid van den gastheer en vooral door de aanminnigheid zijner hoogbegaafde dochters Anna en Tesselschade, die eerst later in haar vollen luister zullen optreden, als ziel van dien Muiderkring, in de geschiedenis onzer Letteren zoo beroemd, werd dat huis in de schatting van zoovelen onzer vernuften het ‘saligh Roemers huys’2), dat Vondel verheerlijkte.

Roemer Visscher was, als Spieghel, koopman; maar ook niet minder dan deze, gelukkig beoefenaar der classieke schrijvers. Onder de dichters trok hem Martialis het meest aan wegens overeenkomst van geest. Vandaar, dat onder de vele navolgingen, welke wij van zijne hand bezitten, die naar dezen puntdichter de grootste plaats beslaan; vandaar ook, dat zijne vereerders hem, op voorgang van Dousa, den bijnaam van Hollandschen Martiaal gaven.

Visscher rekende het niet de moeite waard de spranken van zijnen geest bijeen te verzamelen. Eerst laat, in 1614, op zeven-en-zestig-jarigen leeftijd, ging hij er toe over om zijne gedichten het licht te doen zien, en dat nog wel alleen, omdat zijne vrienden er buiten zijn weten, ‘om zijne eere te verbreyden’, reeds enkele van hadden doen drukken.

In 1612 namelijk verscheen te Leyden 't Loff vande Mutse ende van een Blaeuwe Scheen, met noch ander ghenoeghelicke Boerten ende Quicken, soo uyt het Grieckx, Latijn, en Franchoys in rijm overgheset, als selffs Poeetelick ghedicht3); en in de voorrede zei

[p. 33]

de drukker, dat wel is waar de naam van den dichter niet bekend was, ‘dan ick heb wel hooren segghen en roemen van eenen Roemer, wiens gelijck niet en was in dusdanige Quicken ende Boerten: die oock over sulcx ghenoemt werde de tweede Martialis.’

Deze stukken gaf hij eindelijk ‘by hem selven oversien, en meer als de helft vermeerdert’ op nieuw uit, onder den wel wat gezochtnederigen titel van Brabbelingh (Amsterdam, 1614). Deze bundel bevat 1) zoogenoemde Quicken, dat zijn punt- of, zooals men vroeger zei: sneldichten, of ook kwinkslagen, verdeeld in zeven ‘schocken’ of zestigtallen met een toegift; verder 2) allerlei kleinigheden onder den naam van Rommelsoo; 3) Raedtselen; 4) Tuyters of klinkdichten. 5) Jammertjens of klaagdichten, en eindelijk 6) mengeldichten onder het opschrift: Tepel-wercken1).

Veel poëzie moet men in dien bundel, meestal uit snakerijen bestaande, niet zoeken. Geest, gezond verstand en een puntige vorm maken er het wezen van uit; en in dat opzicht voldoet de Brabbelingh geheel aan haar doel. Vooral de Quicken getuigen van des schrijvers vroolijk vernuft, ofschoon niet weinige in onze dagen al te onkiesch, zelfs plat zouden heeten, die evenwel in ‘ronden Roemer's’ tijd geen verontschuldiging behoefden2).

Maar ook daar, waar hij een anderen toon aanslaat, munt zijn werk noch door poëtische opvatting noch door gekuischten kunstvorm uit. Toch zag hij zeer goed in, dat het wezen der Kunst in iets anders bestond dan in de rijmkunstenarijen, waarmee de

[p. 34]

Rederijkers zooveel op hadden. Ten bewijze voer ik dit puntdicht aan, waarmede hij een kreeftdicht of retrograde van Spieghel beantwoordde:

 
‘Steur, bokken, wijting, en sulke visch
 
Koomen altemet wel op onzen disch.
 
Dan met uw present zal ick mij niet beslabben,
 
Recht uyt gekalt: ick en mach geen krabben.’

Hij was desniettemin geen groot kunstenaar; en dit zal niemand verwonderen, die met des schrijvers denkbeelden over Kunst bekend is, wier doel hij in leering en stichting stelde1).

Uit dat oogpunt gaf hij in 1614 nog een anderen bundel, zoogenaamde Sinne- en Minnepoppen, in het licht, waarvan hijzelf, ter verklaring van den titel, zegt, ‘dat het werck principael bestaet half in een Poppe ofte Beeldt, en de ander helft by een sententie, spreeckwoort of geggetjen,’ terwijl hij meende ‘in 't woort Sinne-pop de beteeckenisse van 't voorstel immer soo wel getroffen te wesen, als in 't Italiaensch, die 't Impresa, ofte in Griecx en Latijn, die 't Emblema intituleren.’

Het zijn dus afbeeldingen, poppen, met een zinrijk bijschrift om ze te verklaren. Zal dergelijk werk doel treffen, dan moet het prentwerk fraai en de toelichting - in proza of verzen - vernuftig en niet al te gezocht zijn. Aan beide eischen voldeden de Sinne- en Minnepoppen.

Karakteristiek is het, dat hij dien titel gekozen heeft ‘bysonder om dat het onse suyvere Moeders tael is, die wy genegen zijn te volgen, en na ons vermogen te verrijcken.’

[p. 35]

Dat doel stond hem steeds voor oogen; en zijne gedachtenis wordt vooral daarom in eere gehouden, omdat hij mede den werkkring der Kamer, aan wier hoofd hij stond, in dien zin verwijdde, zooals ons nog nader blijken zal.

 

De ijverige medewerker van Roemer Visscher, de trouwe vriend en geestverwant van Coornhert, was Hendrik Laurensz. Spieghel, die in 1549 te Amsterdam uit een aanzienlijk geslacht geboren werd. Zelf wars van eerambten, ‘eerzuchts, gheldliefs en staatszuchts strik ontworstelt,’ als hijzelf het noemt, legde hij zich deels op den handel, deels op letteroefeningen toe. De Ouden bestudeerde hij met hooge ingenomenheid: zoowel het Grieksch als het Latijn was hij meester, en dit stelde hem tot ernstige wijsgeerige studie in staat.

Even buiten de Utrechtsche poort, schuins over de Diemermeer, die hij er hoorde ‘bruyzen’, was zijn buitengoed Meerhuyzen gelegen. In den tuin was een achtkant speelhuis gelegen, dat als een toren was opgetrokken, en dat hij ‘'t Muze-torenhof’ noemde. De liefelijke natuur, die hem daar omgaf, en die hij in 't begin van het VIIe Boek van den Hertspieghel herdenkt, ontvlamde in ‘den kunstgerighen geest’ de ‘rijm-lust.’ In dit zijn ‘aardsparadijs’ ontving hij ook zijne vrienden, onder welke de meest geletterden van zijnen tijd. Die bijeenkomsten bij Spieghel en Roemer Visscher waren de voorloopers van die bezoeken en samensprekingen bij Hooft, waaraan de ‘Muider-kring’ zijn naam ontleent.

Spieghel was een vrijzinnig man, die den grootsten afkeer koesterde voor al wat naar partijzucht zweemde. Uit dat oogpunt was hij zelfs tegen de Hervorming gekant, ofschoon hij eene hervorming der Roomsche Kerk wenschelijk achtte1). Daardoor, zoowel als

[p. 36]

door zijne beoefening der Classieken, was ook hij een echt vertegenwoordiger van het Humanisme.

Gelijk hij zijn vriend aanspoorde om zijne Wellevenskunst in het licht te geven, legde hijzelf de vrucht zijner wijsgeerige overpeinzingen neder in een gedicht, dat nooit geheel is afgewerkt en eerst twee jaren na zijn dood, die in 1612 voorviel, werd gedrukt. Dat gedicht, zijn hoofdwerk, is de Hertspieghel.

Op negen boeken geraamd, elk met den naam van een der Muzen aan het hoofd, maar waarvan de twee laatste in de pen bleven, is dit werk in doorloopende Alexandrijnen geschreven, die knarsen van stroefheid en waarvan de taal tot onverstaanbaarwordens toe pittig is. Zucht naar kernachtigheid verlokte den dichter tot eene stroeve woordschikking, die, gepaard met vreemde, gezochte en al te kwistig gebruikte woordkoppelingen, de lezing zoo bemoeilijkte, dat een commentaar, zooals Vlaming dien bij bij zijne uitgaaf leverde, tot recht verstand van het gedicht niet overbodig is1).

Opleiding tot zelfkennis en practijk der deugd is het doel van het werk. ‘Deughd verheucht,’ zegt hij ergens; ‘de hele toeleg van mijn Hertspieghel zulx is te bewysen.’ Die woorden vormen dan ook de spreuk, waarmede hij gewoonlijk zijne stukken ondertee-

[p. 37]

kende. Hij drukt hetzelfde denkbeeld uit in de volgende regelen van het eerste boek, die ik te eer uitschrijf, omdat er zijn gezonde zin uit blijkt, die de omdoling op den classieken Parnas belachelijk vond.

 
‘Ons Toeleg, waarheids kund, ook zedevormings duegd
 
In 't zielgronderen is: wat ziel stuert of verhueght.
 
Dat ons dit onderzoek een heil-trap magh verstrekken.
 
't Is buyten kans, kant and'ren ook tot dueghd verwekken.
 
Op dees voet, ik doorwroet ons grondwoord-ryke taal,
 
En my1) uytheemse pronk: kort valt myn dicht en schraal:
 
Licht werd'ik Ketter dies, by Rimers en Poëeten.
 
Kan doch gheen duitsche sant na griecx mirakel heten.
 
Dies Juppyn-dochters kunst vreemdwoordig niet verwacht.
 
Gheen Demogorgons kroost, noch Herebus geslacht,
 
Nereus noch Doris nimf, noch bosch-god, my behaghen,
 
Naiaden of Napeen, die ons lui noit en zaghen.
 
D'onduytse Hamadrijen wy zelf met voorsicht vlien:
 
Zouw ons wantaligh spook hand-reiking konen bien?
 
Den Phooxen myter-bergh, diens dubbel toppen dringen
 
Door wolcken hemelwaart, mijn schinkels niet beginghen.
 
Ons lippen hebben noit den hoefslach-brun ghenaakt,
 
Die 't vollik, 't botte volk, volmaakte dichters maakt.
 
Dies kunst-goddinnen wijs en zijn my niet zoo gunstigh,
 
Noch ook Latones Zoon, dat ick recht-cierlik-kunstigh
 
Elk na wel-dichtens eisch alhier vernoeghen zouw.
 
Stoutmoedigh ben ik, nechtich, schimp-getroost, en trou.
 
Moet juyst een duyts Poëet nu nodich zyn ervaren
 
In Griex-Latijn? daar d' eerste en beste herders waren.
 
Parnassus is te wijd, hier is gheen Helikon,
 
Maar duynen, bosch, en beek, een lucht, een selfde zon.
 
Dies nutter dit landsbeek, veld, stroom, en boomgoddinnen
 
Met machtelooze liefd wy hartelik beminnen.
 
Doch wil ik nu noch stroom, bergh, of bosch, of fonteyn,
 
Noch eenich veld-goddin, liefkozen: maar allein
 
D'onnoemelike God, die alder dingen Vader
 
En hoeder is, alwys en goed, om wysheyds ader.’

Spieghel heeft nog enkele kleinere gedichten geschreven, veelal in vrij wat verstaanbaarder taal, en soms vloeiend, zelfs zangerig van rhythmus. 't Minst bekend zijn de epigrammen achter de uitgave

[p. 38]

van 1614 van Roemer's Brabbelingh gedrukt, maar door Vlaming achterwege gelaten. Zij zijn geheel in den geest en toon van zijn vriend Roemer geschreven, en niet zelden heeft hij hetzelfde thema als deze in zijne Quicken behandeld; vele zijn van erotischen inhoud. Daaraan sluit zich een wat uitvoeriger gedicht Het lof van dansen getiteld1).

Men kent Spieghel ter nauwernood van die zijde: gewoonlijk wordt hij beschouwd als dichter van ernstige stukken. En ontegenzeggelijk zijn deze niet de minste onder zijne werken. Daartoe behooren zijne Lieden op 't Vader-ons, en vooral zijne vertalingen uit het Fransch en Latijn, waaronder een Maylied van 1588 boven alle andere uitmunt2). Dit wettigt intusschen de uitspraak van Vlaming nog niet, dat ‘Spieghel is vader der taele die wy schryven en onzer Dichtkunde.’

Het eerste moge tot op zekere hoogte waar zijn, het tweede is het zeker niet. Want ofschoon te midden van stichtelijke beschouwingen en gekunstelden vorm nu en dan eene dichterlijke natuurbeschrijving flonkert, lag toch in poëzie Spieghel's eigenlijke kracht niet; en zijne grootste verdienste zal wel daarin blijven bestaan, dat hij in Holland de banier van taalstudie en taalzuivering omhoog hief3).

In dit opzicht trekken de drie vrienden ééne lijn, en daarin steekt hunne verdienste. Mogen hunne gedichten al in 't vergeet-boek raken, hunne pogingen om degelijker ontwikkeling tot stand te brengen, en den vorm der gedachte te kuischen, zullen in dankbare herinnering blijven, omdat die vruchtbaar zijn geweest voor de toekomst.