Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 5: De twee laatste eeuwen (1)


auteur: W.J.A. Jonckbloet


editeur: C. Honigh


bron: W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 5: de twee laatste eeuwen (1). J.B. Wolters, Groningen 1891 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

De Nederlandsche letterkunde in de twee laatste eeuwen.
Eerste boek.

De achttiende eeuw.

[p. 3]

I. Het blijspel.

De zon der Poëzie, die de drie eerste kwartalen der zeventiende eeuw soms zoo schitterend verlicht en gekoesterd had, was gaandeweg ter kimme gedaald. Omstreeks 1670 was de schemering begonnen; van lieverlede zou het volslagen nacht worden.

Die nacht overschaduwt een groot deel van de achttiende eeuw. Nederland, aan zichzelf overgelaten, ging in ieder opzicht achteruit. Na het heldengeslacht komt de epigonenteelt: de kunstenaars worden vervangen door liefhebbers1). Tot welke laagte wij na den dood van Willem III waren gezonken, zoowel ten aanzien van binnen- als van buitenlandsche staatkunde, is maar al te bekend. En ook op maatschappelijk gebied was groote achteruitgang merkbaar, althans zoo men nog iets anders op prijs stelt dan stoffelijke welvaart. Eigenbelang en ijdelheid zijn de machtigste drijfveeren, die ons in beweging brengen. Flauwheid en bekrompenheid van inzicht beletten elke grootsche opwelling. De politieke conventies maken voor de Regenten en kennis en karakter en degelijkheid onnoodig. Bij de erf-Burgemeesters en Vroedschappen, de bij onderling contract van voordeelige betrekkingen in de hooge Collegiën van

[p. 4]

Gewest, Generaliteit, of Admiraliteit verzekerde Patriciërs, die zich ten slotte de Koningen van het land waanden1), wedijverde vaak opgeblazen laatdunkendheid met onkunde en domheid. Der Burgerij was het alleen om winst en stoffelijke welvaart te doen. Geestkracht en ondernemingszucht, die eenmaal onzen handel hadden geschapen, gingen in de meer en meer toenemende couponknipperij te niet.

Wij hebben vroeger reeds opgemerkt2), dat we meer en meer onder den invloed van Fransche zeden, mode en smaak kwamen; en dit nam alle zelfstandigheid in wezen en voorkomen, maar evenzeer een goed deel van ons volkskarakter weg. Ook het verblijf van den zoon van den Engelschen koning Karel I hier te lande, en onze betrekkingen tot het Britsche hof hadden geen gunstigen invloed op onze zedelijkheid gehad3). Wie de Journalen van Constantijn Huygens' oudsten zoon heeft doorgebladerd, moet versteld hebben gestaan over de vele gevallen van dronkenschap en gemeenheid, daar vermeld van mannen uit den fatsoenlijken stand; of van speelzucht en verregaande zedeloosheid bij een aantal vrouwen, dikwerf uit de voornaamste kringen, en die de Secretaris van Willem III met zijne vrouw bepraatte en in zijn dagboek opteekende4). Daarmee gaat een gebrek aan veerkracht en flinkheid gepaard, dat men verwachten kon in de eeuw, waarin het theedrinken algemeen werd5). En volgens een openhartig schrijver

[p. 5]

uit de achttiende eeuw was in den aanvang daarvan ‘de oude Hollandsche rondheid al rijkelijk achtkantig geworden’1).

Dat die algemeene verslapping en ontaarding ook van invloed moesten zijn op de letterkunde, lijdt geen twijfel. Alleen met de wetenschap toonde men zich nog al2) ingenomen, maar op eigenaardige manier: bij voorkeur als ‘verzamelaar en liefhebber.’ Busken Huet heeft daarvan de volgende levendige schets gegeven3): ‘Nergens, kan men zeggen, heeft ooit de wetenschap meer steun bij den rijkdom gevonden, dan toenmaals in Nederland. Overal leggen door de fortuin begunstigde particulieren kostbare verzamelingen aan: van penningen, van munten, van gesneden steenen, van schelpen, van rupsen, van kapellen, van prenten, van etsen, van schilderijen, van autografen. Hunne kabinetten zijn wereldberoemd, en op de onbekrompenste wijze stellen zij die ter

[p. 6]

beschikking van de geleerden. Schoemaker helpt Van Loon; Cornelis Van Lennep helpt de herdrukkers van Huydecoper's Proeve; Schynvoet, Vincent, d' Acquet helpen de uitgevers van Rumphius' Rariteitkamer. Linnaeus brengt drie jaren in Holland door, op het buitengoed van George Clifford, wiens kabinet en plantentuin hij verzorgt, en onder wiens dak hij zijne eerste werken schrijft. Nog meer: deze verzamelaars en beschermers vormen tevens het publiek, dat de werken der geleerden koopt1)........ Volgens de overlevering van boekverkoopers uit die dagen, bleef bij de oplaag van elk werk van eenig belang de helft binnen Amsterdam.

‘En die werken zijn meestal monumentaal: zware folianten of kwartijnen, gebonden in bruin leder (geheele bibliotheken zagen er toen zoo uit) en versierd met honderden kopergravures van Houbraken, Hoet, Picart, Vinkeles, Balen. Ik noem de Godsdienst-plechtigheden van Maubach; den geïllustreerden Bijbel; Wagenaar's Vaderlandsche Geschiedenis; zijne Beschrijving van Amsterdam; het Kruidboek van Rumphius; den Hortus Malabaricus van Van Rheede; de beschrijving van Japan door Montanus; de Vaderlandsche Insekten van Sepp; [de Vogels van] Nozeman; de verzameling van Zee- en Landtogten; Sepma's Kabinet van Zeldzaamheden; planken vol..... Tot die soort van werken heeft ook Valentyn's Oud en Nieuw Oost-Indie, met zijne ‘meer dan tienhonderd en vijftig prentverbeeldingen’ behoord.’

En men durfde voor die werken veel geld besteden: een exemplaar van Nozeman's Vogels b.v. kostte 424 gulden.

Men mag aannemen, dat de zucht om den Patriciër, den Maecenas uit te hangen hier doorgaans meer in 't spel was dan eigenlijke liefde tot de wetenschap; maar die ijdelheid wrocht hier althans iets goeds. Ook op het gebied van Kunst en Poëzie hebben de hooge beschermers zich niet onbetuigd gelaten; maar hier konden ze niet veel voortreffelijks in 't leven roepen. Grootsche gedachten of dichterlijke beelden ontkiemden niet meer in het brein onzer saletjonkers: alleen van den vorm werd veel werk gemaakt, en de vijl speelde in de poëzie de hoofdrol. Doch daar

[p. 7]

uiterlijke vroomheid en regelmatig kerkbezoek tot de deftige vormen van den tijd behoorden, spreekt het vanzelf, dat godzaligheid en kwezelarij in de plaats traden van bijna elk ander vereischte in de talrijke letterproducten, waarmede wij werden overstroomd.

Uit het gezegde valt reeds op te maken, dat, ondanks de geringe dichterlijke aandrift, die ons bezielde, het toch niet aan zoogenoemde kunstvoortbrengsels mangelt. Zij zijn integendeel legio; maar het was meer bestelwerk dan iets anders. En gelijk het met de dichtkunst ging, zoo ging het ook met de andere kunsten. Zij zouden misschien geheel te gronde zijn geraakt, hadden stoffelijke welvaart en patricische ijdelheid haar niet een uiterlijk schijnleven verzekerd. Jakob Van Lennep, die met de achttiende eeuw goed vertrouwd was, heeft dit voor een deel uitstekend in het licht gesteld in zijn Ferdinand Huyck1): ‘Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst op hadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen; schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren, allegorieën, beeldspraken en deviesen aan de gevels, stoepen, tuin- en zomerhuizen. Men had fraaije rijtuigen; - maar de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had cierlijk aangelegde lusthoven; - maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een ‘deftig dicht’, gelijk men 't noemde, bezongen worden. Men had boekerijen; - maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Maecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Maecenas worden en ten minste aan een paar schilders of dichters zijne hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend

[p. 8]

worden, en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin wedersproken worden door iemand, die van den toemaligen tijdgeest slechts een flauwe kennis heeft: - en zóó gebeurde het dat schilders van den eersten rang hun goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het vercieren van vertrekken of staatsiekoetsen of tot het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belagchelijke gewaden en houding: - dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaart, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot van een paar dagen door te brengen, wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie. - Want, waagde hij het, hooger toonen aan te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.’

Men veroorlove ons hierbij eene aanmerking. Zoo de rol der patriciërs hier naar waarheid is geteekend, die der kunstenaars wordt al te zeer met een poëtisch oog bezien. Waar waren die, ‘schilders van den eersten rang’, wier genie door Hollands ‘aardsche goden’ misbruikt werd? Waar de dichters, die met moeite hunne vlucht intoomden om niet te steigeren boven de bevatting of de bestelling hunner beschermers? Het werktuigelijke hunner kunst mogen zij doorgaans meester zijn geweest, dat valt niet te ontkennen; maar van de ‘goddelijke kunst’, die hunnen boezem blaakte, kan alleen de ironie gewagen.

Intusschen gaf dit alles aan het geheele tijdperk eene tint, een vernis van beschaving, dat gunstig afsteekt bij het gebrek aan vormen, waarin later tijd soms vervalt. Men late zich slechts door dien oppervlakkigen schijn niet bedriegen, maar vrage zich af, of die vormen ook een inhoud hadden. En op die vraag zal maar hoogst zelden een bevredigend antwoord te geven zijn.

Weinig verkwikkelijks staat ons dus te wachten bij de beschouwing

[p. 9]

van dit tijdperk onzer letterkunde, dat daarom echter niet minder leerrijk zal wezen, als het ons opmerkzaam maakt op datgeen, waarvoor de dichter zich te meer moet wachten, naarmate onze natuurlijke eigenschappen er ons te meer toe trekken.

 

Alleen op het tooneel is vooreerst nog eenig leven waar te nemen, althans in het blijspel, dat het spoor, door Asselijn gebaand1) nog eenigen tijd met goed geluk volgt. Hetgeen daarbij ook de aandacht trekt, is, dat het muzikale drama weer in de mode komt, over welks waarde of aantrekkelijkheid wij evenwel niet kunnen oordeelen, daar wij volkomen in het duister verkeeren aangaande de rol, welke de muziek daarbij vervulde: de teksten der stukken kunnen op geen voortreffelijkheid bogen.

De man, die het eerst onze aandacht vergt, is Abraham Alewijn2), die zich als blijspeldichter zekeren naam heeft verworven, en wiens stukken indertijd nog al toeloop hadden, althans wanneer men hem zelven mag gelooven. Toch moet dit verwondering baren, want zij hebben alle iets mats en langdradigs. Hij schreef: Orpheus hellevaart om Euridice, muziek-spel, zonder jaartal, dat als letter-gewrocht niet veel te beduiden heeft. Daaraan sluiten zich ‘twee musicaale zaamenspraaken’, waarvan ik alleen weet te zeggen, dat de sage gaat, dat ze ‘met een goed gevolg’ werden vertoond.

In 1693 gaf hij Amarillis, blij-eindend treurspel, waaruit later mede een zangspel werd getrokken. Men ziet daaruit, hoe vroeg de opera hier in zwang kwam. Voorts vermelden wij in 't voorbijgaan nog twee ‘Harders-spelen’, het eene voor de bruiloft van F.W. Mandt, op 14 December 1699, geschreven; het andere ter verjaring van Cornelia Pruimer, den 20 Februari 1702.

De bedrooge Woekeraar, blijspel, werd in 1702 en 1739 gedrukt. Verder: Latona, of de verandering der boeren in kikvorschen, ‘kluchtig treurspel, met kunst- en vliegwerken’, zoo flauw mogelijk en alles behalve ‘eene niet ongeestige satyre op de in zijn tijd nog bestaande boerenrederijkerskamers’, zooals Witsen Geysbeek het wel geliefde te noemen.

[p. 10]

Philippijn, Mr. Koppelaar, blijspel van 1707, is stellig het beste zijner stukken, ofschoon zonder veel comische kracht en zonder boeiende intrigue.

De schrijver vertrok naar Batavia1) en zond van daar drie spelen over, die zich lang op het Amsterdamsche tooneel hebben staande gehouden. Het eerste: Beslikte Swaantje en Drooge Fobert, of de boere rechtbank, blijspel, in Februari 1714 geschreven, en in 1715 en 1742 gedrukt, bevat eene onbeduidende, langwijlige parodie van de pleidooien, voor eene boeren-rechtbank gevoerd. Daar de vertooning evenwel van ‘een zo goeden uitslag geweest (was), door de groote toevloeijing der liefhebbers van vermaaklyke tooneelstoffen’, schreef hij er in 1718 een vervolg op, getiteld: De Puiterveensche Helleveeg of Beslikte Swaantje aan den tap, waarvan alleen te zeggen valt, dat men zich moet verwonderen, dat zoodanig stuk, voor 't eerst in 1720 gedrukt, in 1782 nog herdrukt werd. Eindelijk in 1721 gaf hij Jan Los of den bedroogen Oostindisch Vaêr. - Hij bralt er op, dat al die stukken ‘met eene goede uitwerking ten tooneele gebracht’ zijn, hetgeen zeker noch voor de ontwikkeling noch voor den smaak van zijn tijd pleit. Zoo dergelijke stukken zich op het tooneel hielden, dan was het, althans wat later, door het uitnemende spel der groote tooneelspelers Punt en Duim2).

Gelukkig hebben wij een naam te noemen, die in onze ooren een beter klank heeft, dien van Pieter Langendijk.

Deze tooneeldichter werd den 25en Juli 1683 te Haarlem geboren, waar zijn vader, die eigenlijk Kort heette, dezen naam had aangenomen naar het Noordhollandsche dorp, waarvan hij afkomstig was3). Dien vader, een welgesteld metselaar, verloor de aanstaande comicus al vroeg, en de weduwe, eene zeer slechte huishoudster, verviel allengs tot armoede. Zij vestigde zich in Den Haag, waar zij kommerlijk van de opbrengst van een klein winkeltje leefde. Haar zoon, die in de goede dagen een tijdlang te Amsterdam bij den bekenden spraakkunstenaar W. Sewel onderwezen was, legde zich thans op het teekenen toe. Dit hielp hem niet aan den kost,

[p. 11]

maar was hem toch van dienst, toen hij de Damastweverij begon, en naar eigen patronen kon werken. Eindelijk trok hij naar Amsterdam, waar hij als teekenaar voor een voornaam fabrikant een onbekrompen leven kon leiden.

Hij begon thans vooral aan zijne zucht voor de dichtkunst bot te vieren, toen hij met letterminnaars en poëten, waarschijnlijk de leden van Nil volentibus Arduum, in aanraking kwam. Op zeventienjarigen leeftijd had hij zijn eerste blijspel, Don Quichot, geschreven, dat nu, in 1701, werd vertoond. Een jaar later volgden twee andere blijspelen: De Zwetser en Het wederzyds Huwelyksbedrog; ‘het eerste, een kluchtspel vol geestigheden en boerteryen’, zegt zijn levensbeschrijver. In 1715 verschenen Krelis Louwen en De Wiskonstenaars, welk laatste, volgens den zooeven aangetogen beoordeelaar, ‘het uitmuntenst zyner spellen’ zou wezen. Tegelijkertijd zette hij een ander blijspel op 't getouw, waaruit een tooneel buiten zijn toedoen werd openbaar gemaakt onder den titel van Boertige beschryving van den Amsterdamschen Schouwburg, en het vertoonen van Aran en Titus. De levendigheid van dit fragment doet het betreuren, dat hij het stuk niet voltooide: hij heeft het, waarschijnlijk wegens de ontijdige in het licht zending van dit tooneel, niet voortgezet.

Ofschoon hij getoond had bijzonderen aanleg voor het Comische te hebben, bracht het toeval hem in aanraking met de tragische Muze. Hij hielp namelijk zijn vriend Herman Angelkot in 't vertalen van Addison's Cato, waarbij zoo'n groote haast was, dat Langendijk twee bedrijven moest vertolken. Eenige jaren later, in 1720, vertaalde hij, onder den titel van Julius Cesar én Kato, ‘treurspél’, een stuk van De Champs. Hij volgde in dit voortbrengsel zijner pen de spelling van het ‘Kunstgenootschap.’

Het boertige bleef hem echter bijzonder aantrekken. Ik gewaag maar pro memorie van zijne parodie-vertaling van 't vierde boek der AEneis, in navolging van hetgeen Focquenbroch voor de beide eerste boeken gedaan had. Ik wijs liever op de nieuwe blijspelen, die de tijdsomstandigheden hem in de pen gaven: De Windhandelaars, in 1720 in 't licht verschenen, en weldra gevolgd door Arlequyn Actionist, welke beide herhaaldelijk onder levendige toejuiching vertoond werden.

In 1721 gaf hij zijne gedichten uit, in twee kwartodeelen, later

[p. 12]

door een drietal andere gevolgd. Van die verzen is niet veel te zeggen. Ofschoon ze vijf kwartijnen beslaan, zouden zij zijn naam niet tot ons gebracht hebben, wanneer daaronder niet zijne blijspelen waren. Zijne ernstige gedichten kunnen niet op poëtischen inhoud roemen: daarbij zijn ze meestal pruikerig en gemaniëreerd van vorm, ofschoon met groot gemak berijmd. Men kan daarom zijn levensbeschrijver wel toegeven, dat zijne ‘herders- en visscherszangen’, in welken vorm hij doorgaans zijne bruilofts- en andere gelegenheidsverzen kleedde, ‘door hunne malsche vloeijendheid’, en nu en dan ook ‘door zijne schilderachtige tafereelen’ uitmunten; maar ‘altoos behaaglyk blyven’ is alleen voor meer wezenlijke, innerlijke verdienste weggelegd.

In 1722 vestigde Langendijk zich in zijne geboortestad, en had daar als teekenaar voor verschillende fabrikanten ‘eene rykelyke kostwinning’. Maar de spilzucht zijner met hem samenwonende moeder stond aan zijne welvaart in den weg. En toen die moeder in 1727 overleden was, huwde hij eene vrouw, die hem, èn door hare kwistigheid èn door haar onaangenamen inborst, het leven vergalde. Zij stierf in 1739. Hijzelf schijnt ook geene bijzondere orde op zijne zaken gehad te hebben, want zij gingen eindelijk dermate achteruit, dat hij zich gelukkig moest rekenen op zijn ouden dag, door de gunst der stedelijke Regenten, met den titel van ‘Stads-Historieschrijver’, in het Proveniershuis onder dak te komen.

Ondanks dat alles verloor hij echter zijn goeden luim niet: hij bleef poëtiseeren en schreef onder anderen nog drie blijspelen. Hij overleed in 1756 op drie-en-zeventig-jarigen leeftijd.

Behalve zijne tooneelpoëzie en zijne veelvuldige gelegenheidsverzen, heeft hij nog enkele uitgebreider gedichten nagelaten, welke hij als Factor der Haarlemmer Rederijkerskamer Trouw moet blijken vervaardigd had, maar die zoo weinig dichterlijke waarde hebben, dat wij ze stilzwijgend kunnen voorbijgaan.

Omtrent den vorm zijner gedichten was hijzelf, blijkens het Voorbericht, voor zijne eerste bundels geplaatst, zeer op ‘naauwkeurigheid’ gesteld1). Toch nog niet genoeg om den smaak der

[p. 13]

‘verschavers’ te voldoen. Althans in zijn ‘Leven’ heet het (bl. 31): ‘Ongemeen vaardig was hy in 't dichten, en de verzen rolden hem als uit de pen; deze vaardigheid, waarop hy dikwils te veel vertrouwde, was ook veeltyds oorzaak dat hy den tyd niet nam om zyn werk naar eisch te beschaven.’ Toch moest men erkennen: ‘Byzonder heeft hy zich toegelegd op de vloeijendheid der vaerzen, wraakende de zinnelykheid der zulken die, verlekkerd op den mannelyken styl des zinryken Hoofts, dien onvergelykelyken schryver in zyne gedrongenheid poogen na te volgen.’ De uitspraak is zoo karakteristiek mogelijk voor den tijd.

Bezien wij thans zijne comische drama's wat van naderbij, waarvan een tijdgenoot getuigt: ‘zijn blijspelen deden voortdurend genoegen’1).

In de verschillende tijdperken zijns levens draagt zijn tooneelwerk een verschillend karakter. In zyne jeugd, van 1711 tot 1720, dus gedurende zijn verblijf te Amsterdam, schreef hij eigenlijk kluchten, ofschoon hij er den naam van blijspelen aan gaf. Sedert zijne verhuizing naar Haarlem, had hij zich ‘meer dan twintig jaaren niet met de tooneeldichtkunde bemoeid’2), en toen hij dat gebied weer betrad, heeft hij er naar gestreefd, proeven van hooger blijspel te leveren. Met de ‘stukken in (z)yn jeugd ten halven afgemaakt,’ had hij niet bijzonder veel op: de lateren stelde hij veel hooger. En toch, de eersten zijn bijna tot heden op het tooneel gebleven, de anderen geheel in 't vergeetboek geraakt: zij worden zelfs niet meer herdrukt, terwijl in 1831 die eer nog aan de kluchten ten deel viel.

Vanwaar dat onderscheid? Is het, omdat zijne vroegere gewrochten zooveel voortreffelijker zijn? 't Valt te betwijfelen.

De Don Quichot was, volgens des Dichters eigen getuigenis, van den beginne af ‘vry gelukkig op het tooneel.’ En toch, het stuk is noch van aanleg, noch van inkleeding bijzonder geestig. De dolende ridder, die er in optreedt, is eigenlijk alleen comisch voor die den roman van Cervantes kent. Hij heeft met de intrigue van het stuk niets te maken. Een land-edelman, eene soort van heereboer, wil zijne dochter liever aan den dommen maar rijken

[p. 14]

landbouwer Kamacho geven, dan aan den Edelman, die minder van de fortuin begunstigd is, maar hare liefde bezit. Deze veinst zich uit wanhoop te doorsteken en dan wordt hem toegestaan in articulo mortis te huwen.

Zoo men lacht, 't is om de figuur van Don Quichot en zijn schildknaap, en om de brabbeltaal van den Franschen kok; maar aan eigen geest ontbreekt het geheel, en zelfs de ruwe scherts is zeer dun gezaaid1).

De tijdgenoot was dus meer dan beleefd, toen hij dit stuk noemde:

 
‘Een blijspél zo vol geest,
 
Dat ieder die het ziet of leest,
 
Dien schrandren Dichter hoog moet achten,
 
Die, door de schors, met zijn' gedachten,
 
Tot in het merg der zaaken dringt.’

Men zou zeggen, dat er wat achter stak, en dat de Dichter nog een hooger doel had beoogd dan door de vertooning van eenige domme dwaasheden de lever te schudden. Hij heeft daartoe trouwens zelf aanleiding gegeven. In de opdracht zegt hij van ‘den vroomen Ridder Don Quichot’:

 
‘Ik voer hem hier ten schouwtooneele,
 
Opdat hy met zijn zotterny
 
Voor and'ren (zyns gelyken) speele,
 
Dat alle waan maar zotheid zy;
 
Hoe al des waerelds schoone dingen
 
Maer by verbeeldingen bestaan,
 
En even als 't geluid na 't zingen,
 
In wind en lucht terstond vergaan.’

't Moge de levensaanschouwing van den armen wever geweest zijn; maar die treurige wijsbegeerte zal waarschijnlijk niemand uit het stuk putten. Deze klucht kan er alleen dóór, wanneer zij zonder eenige pretentie optreedt; - maar waardoor zij zich zoolang op 't tooneel gehouden heeft, zou een raadsel zijn, als men niet wist, met hoe weinig geest het groote Hollandsche publiek tevreden was en is. Voorts heeft het spel van goede auteurs, als b.v. van den ‘geestigen’ Schmidt, die volgens S. Stijl ‘een

[p. 15]

koddige,’ volgens Corver ‘een beste Sanche’ was1), zeker tot de populariteit van het stuk bijgedragen.

De Zwetser heet ‘een kluchtspel vol geestigheden en boerteryen.’ Ik kan er niets anders in zien dan eene platte klucht voor 't ‘klootjesvolk.’ Een vader wil zijne dochter niet aan een burger geven: 't moet volstrekt een edelman zijn, al was het

 
‘Een snoeshaan, daar niets schynt als harsen aan te ontbreken.’

Een ‘mof’ doet zich als adellijk Kapitein voor, maar wordt te goeder uur ontmaskerd2). En dat is niet moeilijk, want hij weet eigenlijk van niets te spreken dan van ‘fressen ond saufen;’ en bluft op onmogelijke heldendaden, zoodat het meisje dan ook ironisch uitroept:

 
‘Papa, ik kryg nu al wat zin in deezen heer;
 
Want vechten, zuipen, dat is braaf, wat wil men meer?’

De aardigheden bestaan deels in platheden van den vader, als: ‘Gij zult de snater roeren,’ of: ‘Ik zeg u dat gij aan myn' dochter niet zult ruiken;’ deels in onbeschoftheden van den moffen-knecht Slenderhinke; eindelijk in 't overlandsch dialect, dat de vreemden spreken. Men vond dat van ouds heel aardig3), en in de meesten van Langendijk's boertige stukken komt dan ook een Waal voor, die 't Hollandsch radbraakt.

Het Wederzydsch Huwelyksbedrog is een blijspel in vijf bedrijven, waarmee de dichter stellig de in Holland stervende comische Muze wilde te hulp komen4). ‘Verbetering der zeden’ stond daarbij

[p. 16]

geheel op den voorgrond1), volkomen in den geest van Nil Volentibus. Hij had intusschen ook over de wijze nagedacht, waarop dit doel moest worden nagestreefd. Hij meende, dat de dichters het zouden bereiken, als zij ‘de kentekenen (karakters) der ondeugden met kunst op 't tooneel bespotlyk maken;’ en hij stelde zich zoowel Hooft en Bredero als Molière ten voorbeeld2). Of hij daarin met dit stuk geslaagd was, liet hij ‘aan het oordeel der kunstverstandigen’ over; maar, dus besloot hij zijn voorbericht, ‘lees en aanschouw het, tot leering, en verfoeijing van een gebrek dat al te veel by onzen Landaart is ingekropen, naamelijk: kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.’

Toch is het Huwelyksbedrog geene comédie de caractère. De intrigue heeft niet veel om 't lijf. Eene arme dame van goeden huize wil hare dochter aan den man brengen, en doet zich daartoe als rijk voor. Een even arme edelman, die maar eerlijk en deugdzaam is gebleven

 
‘Zo veel als 't de armoede en de nood heeft konnen lyden;’

die, door een liederlijken knecht verleid, zich met valsch spelen op de been houdt, geeft zich voor een rijken Poolschen Graaf uit en dingt naar de hand van 't schatrijk gewaande meisje. De dochter

[p. 17]

laat zich door hare moeder tot het bedrog gebruiken, hoewel zij nu en dan tegenspartelt, b.v. als Mama haar wil laten schaken ten einde van het geven van een bruidschat verschoond te blijven, en dus de eer van haar kind minder dan haar schijn-fatsoen telt. In 't eind komt alles uit; maar de jongelui zijn oprecht in elkander verliefd geraakt, en krijgen elkaar, daar een broeder van 't meisje te goeder uur met een fortuintje uit de lucht komt vallen.

De toestand is ontegenzeggelijk vermakelijk, en sommige tooneelen zijn werkelijk kluchtig en getuigen van echt comisch talent. Ik wijs b.v. op dat, waarin Charlotte, in gezelschap van haar minnaar door schuldeischers overvallen, deze weet te beletten aan 't woord te komen (IV, 9). Maar van fijne karakterteekening geen spoor. Vorm en dialoog munten ook door niets uit. Toch is dit blijspel, vergeleken met de kluchten van den tijd, een meesterstuk, en op zichzelf niet onverdienstelijk. 't Heeft bovendien de goede eigenschap niet oneerbaar en niet plat te zijn in de uitdrukkingen. In de opdracht getuigt dan ook Langendijk met zeker welbehagen,

 
‘Dat 't kenners heeft gesmaakt, en niemants oor ontsticht
 
Door snoode boertery of vuile onkuische reden.
 
Tooneeldicht jokt somtyds; maar ze is een reine maagd.’

In den Krelis Louwen, die drie jaar later verscheen, is merkelijke vooruitgang te bespeuren. De Dichter noemde dit stuk een kluchtig blijspél ‘omdat men meerendeels gewoon is een spel van een enkel Bedryf een Klucht-, en een van drie of vyf Bedryven een Blyspél te noemen,’ terwijl dit, ofschoon in drie bedrijven, slechts ‘een kluchtig geval behelst,’ en het niet aan de hooger eischen van het blijspel voldeed’1).

Het stuk is in lossen, natuurlijken toon geschreven en vermakelijk van inhoud. Kees, de hoofdpersoon, is een boer: hij heeft eene weduwe getrouwd, die eene voordochter mee ten huwelijk bracht. Evenwel is Alida niet het kind der boerin, maar dat van hare vroegere meesteres: de vader was naar 't buitenland ver-

[p. 18]

trokken en men had sedert niet meer van hem gehoord. Het meisje werd als eene juffer opgevoed: hare pleegmoeder had haar

 
‘In Braband ook van alles laten leeren,
 
En dus bequaam gemaakt met ieder te verkeeren.’

Daarom kon dan ook een rijke jonge heer op haar verlieven en haar ten huwelijk begeeren.

De boer had een lot uit de loterij getrokken en daardoor was hem het hoofd geheel op hol geraakt. Hij was een bezoeker van de kroeg geworden, waar hij gansche nachten kon ‘met de boeren zitten zuipen’ en zwetsen. Nu hij rijk is, moet hij ook van adel worden:

 
‘Hij wil naar Duitsland gaan, en doen zich ridder maaken.’

De ijdelheid maakt hem onhandelbaarder dan ooit, en als hij dronken is, slaat hij zijne vrouw harder dan gewoonlijk.

Ferdinand, de minnaar van het meisje, wil hem van zijne nieuwe dwaasheid genezen. Hij heeft een tooneelstuk geschreven, dat door de acteurs goed gespeeld is; en de gewoonte brengt meê, dat men hen dan onthaalt. Daartoe zullen zij naar Ferdinand's buitengoed komen, waar dan tevens repetitie zal gehouden worden van een nieuw stuk.

Krelis wordt in volkomen dronken toestand naar het kasteel gebracht, en men beduidt hem bij zijn ontwaken, dat hij Alexander de Groote is. De tooneelspelers, in oostersch gewaad, vervelen hem met hunne plichtplegingen. Maar weldra ondervindt hij nog sterker de schaduwzijde der grootheid: een afgezant van Porus verklaart hem den oorlog, omdat hij weigert zijne dochter aan Prins Ferdinand ten huwelijk te geven. Het kasteel wordt bestormd, Krelis neemt de vlucht in den kelder en wenscht weer boer te zijn als voorheen. Eindelijk lost alles zich op, en

 
‘Och jy hebt groot gelyk, 't was beter Kees te weezen
 
Als Mallesander; want toen leefde ik zonder vreezen.’

Hij vraagt zijne vrouw vergiffenis, die ze hem schenkt, mits hij niet meer denke aan 't koopen van adeldom of heerlijkheid. Hij is volkomen genezen en antwoordt:

 
‘'k Beloof je dat ik nou naar Duitslangt niet zei loopen.’
[p. 19]

Dat ten slotte de verloren vader terugkeert en Ferdinand zijne Alida huwt, spreekt vanzelf.

Men heeft indertijd dit stuk te hoog gesteld door het als eene fijne comedie te beoordeelen1), terwijl het niet meer is dan de voorstelling van ‘een kluchtig geval,’ maar met veel levendigheid geschilderd. Kees is de echte dronken boer, wiens verplaatsing in de wereld zijner idealen comische toestanden schept. Maar ook de teekening der bijzonderheden is soms zeer verdienstelijk. Hoe levendig is niet het verhaal, dat Kees doet van zijne vrijage (bl. 242), waarbij men genoopt wordt aan Bredero te denken2); en niet minder natuurlijk zijn de tooneelen, waar hij aan zijne identiteit twijfelt en zich voor 't eerst in zijn nieuwen toestand tracht te schikken (bl. 275 vlgg.). De verdienste van den dichter werd daarenboven vaak door uitmuntende tooneelisten, als Gerrit De Ridder en Spatzier, in het volle licht geplaatst3).

Alles samengenomen, dan begrijpt men, dat dit stuk zich lang op het tooneel gehandhaafd heeft; maar de zeden, die er in geschilderd worden, beginnen te veel te verouderen om het er nog op te houden4).

De Wiskunstenaars golden en gelden nog voor het beste zijner stukken: ik weet evenwel niet, waarmee 't dien lof verdiend heeft.

[p. 20]

Ik beken, dat er levendige en vroolijke tooneelen in zijn, b.v. het vierde van het eerste bedrijf, waarin de knecht aan den minnaar het verhaal doet zijner zending; maar als geheel heeft die klucht weinig te beduiden. Dat de samenkomst der verschillende personen in de herberg te Loenen door niets gerechtvaardigd wordt, laat ik daar; want zelfs de grootste lofredenaars van Langendijk zijn het eens over de ‘gebrekkige zamenstelling’ zijner spelen1); maar de kern van dit stuk, de strijd tusschen de twee geleerden, of de aarde om de zon draait dan omgekeerd, is noch op zichzelf, noch door de wijze, waarop hij gevoerd wordt, comisch of aantrekkelijk. De helden zijn hier zelfs als caricaturen niet vermakelijk; Duim, die voor Eelhart speelde2), moest door zijn spel veel goed maken.

Quincampoix of de Windhandelaars is zoo zeer een gelegenheidsstuk, dat het thans de analyse nauwelijks waard is. Nog veel minder is dit de arlequinade, het ‘kluchtig blyspél,’ van Arlequyn actionist. Beide maken de dwaasheid der agiotage van 1720 aanschouwelijk3).

Misschien had hij nog te Amsterdam de vertaling berijmd, door een vriend voor hem gemaakt, van een Fransch blijspel, getiteld: De bedriegery van Cartouche, dat vrij vermakelijk is, maar waarbij wij niet langer behoeven stil te staan. Ik herinner slechts, dat dit en de Vaderlandsche Kooplieden de eenige stukken van Langendijk zijn, in vrije rijmregels geschreven, terwijl al zijne andere tooneelwerken in rhythmisch regelmatige verzen prijken.

Na zich meer dan twintig jaren van allen tooneelarbeid onthouden te hebben, werd op eens Langendijk's lust voor het Drama weer opgewekt. Hij schreef het ‘blyspel’ Xantippe of het booze wyf des filozoofs Sokrates beteugeld. Dat zijne eigen huwelijkservaring hem dit onderwerp in de pen gegeven heeft, mag worden vermoed.

Sokrates, de bekende wijsgeer, wordt te Athene bezocht door Daria, de Koningin der Amazonen, die zich in platonische liefde tot den ‘wijsten aller menschen’ voelt aangetrokken. Dit wekt de ijverzucht der booze Xantippe, die ‘in verwoedheid uitspat, maar de macht en dapperheid der Amazoone ontziende, zich alleen op Sokrates zocht te wreeken. Dus wordt die princes de onschuldige

[p. 21]

oorzaak van een echtscheiding, waardoor Xantippe, door 't verlies van haaren bruidschat, in de uiterste armoe en wanhoop gebracht, tot kennis van zich zelve komt, en weder met Sokrates op de voorspraak der vorstin vereenigt’ (Nabericht).

Langendijk zelf had vrij hoogen dunk van dit stuk, dat ‘geen gemeenschap heeft met eenige tooneel-speelen, die van alle oude tyd af tot op heden het licht hebben gezien, en derhalven een nieuwe vinding is.’ Hij stelt het vooreerst als oorspronkelijk werk tegenover de navolgingen uit het Fransch, die in sommiger oogen alleen genade vonden. Dat ook hij hier vooral optreedt tegen 't ‘Kunstgenootschap,’ springt in 't oog1).

Maar hij beschouwde dit stuk ook als eene proeve van hooger blijspel, van comédie de caractère. Dit blijkt uit de karakteristiek, die hij in 't Nabericht van de hoofdpersonen geeft. Bovendien meent hij ‘aan het allervoornaamste oogmerk van een blyspel voldaan te hebben, namelyk, de opleiding tot de deugd, zonder welke alles

[p. 22]

ydelheid is. Hiertoe was niets nutter uit te denken, dan de kennis van zich zelven; een leerstuk, dat alle menschen behooren te betrachten, en eigenlyk de ziel van dit blyspel is.’

Hoe heeft hij zich van zijne taak gekweten? Ik spreek niet van de handeling, die luttel is, en waarvan het comische meestal in stokslagen en platheden bestaat. Hij verontschuldigt zich over dit laatste zelf: dit is alleen in het stuk gebracht ‘om het gemeen te behaagen, dat doorgaans met zulke vodderyen word aangelokt.’ Ook het gebrek aan handeling heeft hij trachten te vergoelijken, maar zonder daarin te slagen1). En wat de karakteristiek betreft, die laat mede te wenschen over.

Hij heeft Sokrates willen voorstellen als ‘vooral niet besmet met de zotte gemaaktheid der geleerde filozoofen, die men pedanten noemt;’ en toch is er nauwelijks iets pedanters uit te denken dan juist die Sokrates. Een enkel staaltje. Hij voegt zijner vrouw toe:

 
‘Ik grimlach nooit om u: maar wel om uw gebréken.
 
Myn tydverdryf, indien ik 't zoek,
 
Is in een welgeschreven boek.
 
Al myn betrachting is my zelv' te leeren kennen.’

En zulke bewijzen van nederigheid en eenvoud vindt men schier op elke bladzijde.

Ook strekt het niet om den eerbied voor den wijsgeer te verhoogen, wanneer men hem als een sukkel ziet voorgesteld, in wiens huis ieder meester is behalve hijzelf; want als zijne Xantippe er de wet niet stelt, dan is het Diogenes of Daria. Dat voorts de oude wijsgeer op de Amazone verliefd wordt, maakt hem ook wel wat bespottelijk.

[p. 23]

En nu zijne vrouw? Zij wordt geschilderd als een toonbeeld van kwaadaardigheid, maar op zoo'n ruwe wijs, dat daardoor alle eerbied verloren gaat voor den man, die met zulk eene vrouw kon huishouden, en zelfs durfde beweren, dat ze hem ten zegen is,

 
‘ja, en zelfs tot vreugd,
 
‘Want ze is de wetsteen van myn deugd.’

Niet slechts dat zij in hare uitdrukkingen zich steeds zoo plat en onbeschoft mogelijk voordoet, ook hare daden zijn van gelijk allooi. Zij dreigt haar mans boeken te vernielen, spreekt van hem af te touwen, snoeft dat zij hem zal doodslaan, en vliegt hem ook werkelijk naar de keel om hem te worgen. Zijne vrienden, zijne slaven en slavinnen, jaagt zij het huis uit of slaat er op los met den bezemsteel. Diogenes voegt zij toe:

 
‘Vrees dezen bezem! vrees myn nagels! vrees myn tanden.’

De lieve vrouw is daarenboven huichelachtig en op haar ouden dag nog ijdel en coquet. Het geld is haar afgod. Zij verwijt Sokrates, dat hij haar om haar bruidschat getrouwd heeft; zij wil Daria niet bij zich in huis nemen, maar als deze haar eene ruime som geeft, is het blaadje gekeerd, en zij zegt vleiend:

 
‘Heb dank, grootmoedige heldin,
 
Wij neemen u met eerbied in.’

De boosheid zat haar dus wel in merg en bloed. En toch, als haar bruidschat en hare juweelen, die zij bij het scheiden van haar echtgenoot meeneemt, haar ontstolen worden, verandert zij op eenmaal van aard. Diogenes tracht dat te verklaren: hij ziet in, dat eene vrouw

 
‘Die driftig is, als gy, door slaagen niets kan leeren:
 
Maar dat de Hemel haar door rampen moet bekeeren.’

Op het goud, door haar verloren,

 
‘Daar hebt gy op gesteund; dat maakt u onverdraaghelyk
 
Voor ydereen.’

Ja, zegt zij,

 
‘Ik heb my zelven op den rykdom verhoovaardigd;’

maar nu,

[p. 24]
 
‘Ik leer my zelven heden kennen.
 
Ik hoop de dwaasheid van myn driften my te ontwennen....
 
Ik ben vernederd en wil voortaan nedrig weezen,
 
'k Ben arm gelyk een worm! maar 'k zal den Hemel vreezen,
 
Die heeft my wonderbaar verlicht.
 
De vliezen vallen van 't gezicht.
 
Gy schildert my de deugd zoo heerlyk voor myne oogen,
 
Dat ik haar volgen zal met al myn zielsvermogen.’

Zij kruipt dan, als bewijs van onderwerping, gewillig in de ton van Diogenes. En om de kroon te zetten op alle willekeurige omwenteling in haar binnenste, zegt ze later van Sokrates:

 
‘Zyn goedheid heeft myn ziel gered,
 
Myn dwaaze zinnen omgezet,
 
En leert my de ydelheid van 's waerelds goed verachten.’

Het is te verwonderen, dat eene tooneelkunstenares van talent, zooals mej. Bouhon, zich verwaardigd heeft die rol te spelen. Zij deed het nochtans, en Stijl zegt zelfs, dat zij ‘een onbetaalbare Xantippe’ was, waarbij zich Corver aansluit met de verklaring, ‘dat zij die rol wel speelde’1).

Ik heb bij deze eerste proeve van hooger blijspel wat langer stilgestaan, om de vraag te kunnen beantwoorden, of Langendijk, toen hij meer over den aard van het Comische Drama had nagedacht, ook beter kunstwerk geleverd heeft? Die vraag moet, althans met betrekking tot dit stuk, ontkennend beantwoord worden; en ik geloof ook hier niet mis te tasten, als ik zijn kwalijk slagen verklaar door datzelfde gebrek aan scheppend vermogen, dat wij als een algemeen gebrek van onze dichters hebben leeren kennen2).

Ook in zijn volgend ‘blyspel’: Papirius, of het oproer der vrouwen binnen Romen, komt hij die klip niet te boven.

Kalfurnia is boos, omdat haar zeker staatsgeheim wordt verborgen gehouden. Als haar man weigert het haar mede te deelen, tracht zij 't haar zoon te ontlokken, zelfs door onedele middelen:

[p. 25]

door hem te bedreigen, dat zij zijne nicht, welke hij bemint, afkeer voor hem zal inboezemen. Hij maakt haar nu wijs, dat de Senaat besloten heeft in 't afnemend getal van Romeinsche burgers te voorzien door ieder Romein nog eene vrouw te laten trouwen. Zij verspreidt dat gerucht, en de geheele vrouwelijke bevolking komt in verzet. De burgerwijven loopen te hoop om tegen het Kapitool op te rukken. De Senatorsvrouwen plaatsen zich aan haar hoofd. Op 't Raadhuis blijkt spoedig, dat alles op misverstand berust, en dat de Senaat nooit zoodanig plan gehad heeft. De dames zijn bevredigd, maar de wijven stellen al te kwade voorwaarden. Intusschen verloopt haar leger, en de plebeïsche woord-voerdsters worden voor vijf-en-twintig jaar naar 't spinhuis gezonden.

De hoofdgedachte van het stuk is niet zeer comisch: zij kon het alleen worden door inkleeding en uitwerking. Dit had in het tweede bedrijf moeten geschieden; maar daar vindt men niets dan platheid, geen zweem van geest of karakterteekening.

Eindelijk komen wij aan zijn laatste, zelfs niet geheel van zijne hand voltooide stuk, den Spiegel der vaderlandsche kooplieden1). Dit is ontegenzeggelijk het beste zijner blijspelen, eene comédie de moeurs, zooals wij er wellicht geene tweede hebben aan te wijzen, en waarvoor hij misschien in zijne Haarlemsche omgeving de stof had gevonden2).

Twee eerzame kooplieden hebben door eerlijkheid, vlijt, orde en zuinigheid goede zaken gedaan, en ten slotte hun kantoor met hun vermogen overgedragen aan hunne beide zonen, bij welke zij blijven inwonen.

De jongere chefs der firma zijn kinderen van hunnen tijd. De oude eenvoud is voorbij, zoowel als de spaarzaamheid: lichtzinnig en kwistziek, omdat zij rijk zijn, willen zij de aanzienlijke lieden in leefwijs, weelde en overdaad niet slechts evenaren, maar overtreffen. Gastmalen, speel- en comediepartijen, maskerades blijven aan de orde van den dag, ofschoon de kas lang uitgeput is en de goederen uit het pakhuis beleend zijn. Om geld voor de speel-

[p. 26]

tafel te vinden worden zelfs kostbaarheden verpand. Zij weten, dat zij op den rand van 't bankroet staan, dat hunne wissels geprotesteerd zijn, en dat de gerechtsdienaars op hun stoep wachten om hen te vatten: toch blijven zij zich in den zwijmel der vermaken storten.

De ijdele praalzucht heeft hen ook hardvochtig gemaakt. De zonen zoowel als hunne vrouwen zien laag neer op de oude ouder-wets-eenvoudige vaders, die zij in huis hebben, en voor wie zij zich schamen. Zij maken hun het leven zuur door schampere behandeling, en denken er over hen naar 't Oudemannenhuis te zenden.

De oude heeren zijn de volmaakte tegenstelling hunner zonen: ‘oude patriotten,’ eerlijk, zuinig en eenvoudig, maar korzel genoeg over de hun aangedane behandeling om den naam van ‘knorrepot’ te verdienen. Toch drijft hunne goede natuur boven. Zij hebben vijftienduizend pond sterling in eene Engelsche loterij gewonnen, en daarmee komen zij hunnen kinderen, of eigenlijk hun eigen goeden naam, te hulp, want geen hunner wil

 
‘Dat zyn zoon met een affront raakte uit zyn zaaken.’

Maar nu nemen zij het beleid dier zaken ook weder op zich.

Er wordt in dit stuk misschien wat te veel geredeneerd, te weinig gehandeld. Voorts valt het niet te ontkennen, dat de figuren, ofschoon juist van teekening, wat al te schril gekleurd zijn, dat de tegenstellingen van toestanden en karakters al te scherp afsteken. Daardoor dreigt niet slechts de natuurlijkheid soms in caricatuur over te gaan, maar - en dit is de grootste grief tegen het stuk - door dit alles komt de didactisch-ethische strekking zoo op den voorgrond, dat het geheel iets doctrinairkils en dors verkrijgt.

Men ziet, dat de dichter oud en deftig geworden is, en ernstiger dan misschien met het blijspel overeenstemt. Zijne boert is tot een minimum ingekrompen, en het ‘Atthisch zout’, waarvan hij ergens gewaagt1), is niet met kwistige hand gestrooid. Toch

[p. 27]

steekt er wezenlijke verdienste in de studie van menschen en zaken, zoowel als in de verscheidenheid en levendigheid van voorstelling. En er worden hier tooneelen aangetroffen, die niet kunnen nalaten eene comische werking te doen. Aardig is het b.v., hoe beminnelijk de kinderen worden, als zij merken, dat de oude heeren een honderd halve rijders bezitten, die zij hun tot speelgeld ter hand stellen; en hoe natuurlijk, dat men dan terstond ‘papa lief’ te lijf gaat om een harddraver te betalen, dien men ‘op een dronken avond gekogt heeft.’ En hoe overbeleefd worden ze, als zij vernemen, dat de vaders groote sommen gewonnen hebben! Voortreffelijk vooral is het, dat ze maar niet begrijpen kunnen, dat de oude heeren hun niet terstond te hulp zullen snellen. Waarom?

 
‘Wel omdat het de grootste onredelykheid van de waereld weezen zou
 
Dat zy hunne eigen kinderen niet in den nood zouden byspringen!’

Goed geslaagd is ook het tooneel, waarin op het theesalet eerst de poëtenclubs van den dag worden aan de kaak gesteld en dan de kwistigheid der dames zoo natuurlijk mogelijk aan het licht komt. Uitmuntend, dat, waar de verkwisters, als de afgrond voor hunne voeten begint te gapen, elkander gaan verwijten, dat zij daarvan de schuld zijn.

Uit al het aangevoerde zal men wel met ons willen instemmen, dat Langendijk als blijspeldichter oneindig veel hooger staat dan zijne tijdgenooten; ja, dat hij buitengewonen aanleg voor het Comische Drama bezat. Corver, die met zaakkennis kon spreken, noemt hem dan ook onzen laatsten waren dramatischen dichter, na wiens dood wij slechts ‘Vertalers en Rijmers, maar geen Tooneel-dichters, die iets zeggen wilden’ hebben gehad1). Had hij eene halve eeuw vroeger geleefd, hij zou waarschijnlijk voltooid hebben, wat Bredero had begonnen. Maar hij kwam te laat in de wereld, en kon zelfs zijn talent niet bij tijds, in de frischheid zijner mannelijke jaren, ontwikkelen. Daaraan hadden zijne levensomstandigheden en zijne vrij verwaarloosde opvoeding schuld. Eerst viel het laag-comische, dat zich meer vermeit in kluchtige gevallen dan in geestige scherts, in zijn smaak, evenals het bij voorkeur in den smaak van het publiek viel. Hij heeft daardoor ook te veel toe-

[p. 28]

gegeven aan platheid, waarbij men echter niet mag vergeten, dat hij nooit onzedelijk is.

Toen hij zich aan 't hooger blijspel waagde, omdat hem edeler kunstuiting voor den geest zweefde, leverde hij althans één stuk, dat hem nevens Molière eene plaats had moeten verzekeren. En toch, het handhaafde zich niet op het tooneel1), terwijl Krelis Louwen, Don Quichot, De Wiskunstenaars voor weinige jaren nog steeds voor ons werden vertoond. Wat is daarvan de oorzaak? Voor een deel ligt het zeker daaraan, dat men voelt, dat de Spiegel der vaderlandsche kooplieden ruim zoozeer het voortbrengsel is van wijsgeerige bespiegeling als van onmiddellijke plastische aanschouwing des Kunstenaars, waardoor dit stuk den gloed mist, die in de werken van Bredero tintelt, waardoor het ook in sommige opzichten beneden de bestgeslaagde blij- of kluchtspelen van Asselijn blijft. Maar stellig moet de vergetelheid, waartoe dat stuk gedoemd werd, nog veel meer daaraan worden geweten, dat ons publiek, ook thans nog, meer aangetrokken wordt door de klucht dan door de Comédie de caractère, het hooger blijspel.