auteur: E. de Jongh
bron:
E. de Jongh, ‘Erotica in vogelperspectief. De dubbelzinnigheid
van een reeks zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen.’ In: E. De Jongh,
Kwesties van betekenis. Thema en motief in de Nederlandse schilderkunst van
de zeventiende eeuw. Leiden, 1995, p. 21-58, 245-254.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2001 dbnl / E. de Jongh

|
|
| |
| | | |
| |
Erotica in vogelperspectief
De dubbelzinnigheid van
een reeks zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen

| | | |
Het ‘realisme’ van de Hollandse kunst uit de
zeventiende eeuw blijkt steeds weer verraderlijk. Wie de gemiddelde
genrevoorstelling uit die tijd at face value bekijkt, loopt de kans aan
de oorspronkelijke betekenis ervan voorbij te gaan. Wie daarentegen
systematisch op zoek is naar de toespelingen en dubbelzinnigheden die onze
voorvaderen zo ruimschoots in voorraad hadden, dreigt al gauw in monomanie te
vervallen. Mijns inziens is het twijfelachtig of werkelijk in elke
genrevoorstelling een ‘tweede’ betekenis besloten ligt, waarmee ik
allerminst wil suggereren dat de ‘enkelvoudige’ kunstwerken uit de
zeventiende eeuw een vroeg soort l'art pour l'art vertegenwoordigen. Van
de werken die wél dubbelzinnig bedoeld waren, is de dubbelzinnigheid
vaak ontoegankelijk geworden door ons gebrek aan inlevingsvermogen en
onvoldoende historische informatie. Dat de ‘soortelijke gewichten’
van de diverse ‘tweede’ betekenissen bovendien sterk uiteenlopen,
is in feite vanzelfsprekend. Eveneens - en mede daardoor - ligt het voor de
hand dat de verstaanbaarheid ook voor de tijdgenoten variabel moet zijn
geweest. Er bestaat trouwens meer dan één aanwijzing dat
communicatiestoornissen tussen kunstenaar en publiek zich al ver
vóór de romantiek hebben voorgedaan.
1
De geschiedenis heeft de dubbelzinnigheid van de
zeventiende-eeuwse kunst afgeslepen als een molensteen. Vorige generaties,
deels gefixeerd op de esthetiek van het object, bekommerden zich daar weinig
om; de kunsthistoricus van vandaag daarentegen tracht zijn argwaan jegens het
‘uiterlijk’ van menig kunstwerk om te zetten in een reconstructie
van de oorspronkelijke gelaagdheid ervan.
Het is mij niet bekend - om tot een concreet voorbeeld te komen -
of
Gabriel Metsu's voorstelling van een marktkoopman en
zijn cliënte ooit tot een dergelijke argwaan aanleiding heeft gegeven. Het
tafereel nodigt daar ook niet onmiddellijk toe uit (afb. 1). In de schaduw van
een kerk zien we een nogal haveloze oude man zitten die een jonge vrouw een
levende haan voorhoudt. Naast hem ligt een dood konijn, achter hem staat een
kalkoen. Rechts van beide figuren is een gedeelte van een (Amsterdamse?) gracht
zichtbaar.
Wellicht hebben
Metsu's tijdgenoten dit schilderij, dat uit 1662
dateert, als zodanig bekeken, dat wil zeggen er niet meer in gezien dan de
verkoop van gevogelte door een oude man aan een jonge vrouw. Het is echter meer
waarschijnlijk dat zij deze scène tegelijkertijd in obscene zin hebben
opgevat, zoals ruim een halve eeuw eerder de graveur
Gillis van Breen een vrijwel identieke scène
had geïnterpreteerd (afb. 2). Metsu heeft de erotiek in andere
schilderijen geenszins geschuwd, waarbij hij soms openlijk, dan weer
camouflerend te werk ging. Ook deze voorstelling geeft aanleiding hem van
camouflage en dus van dubbelzinnigheid te verdenken.
De door
C. Clock ontworpen en door
Claes Janszoon Visscher uitgegeven prent van Van Breen
toont een dame die zich tot een zittende oude man wendt, terwijl een dienster
achter haar staat. Vóór deze man is een mand geplaatst met een
levende haan erin en een dode eend er bovenop. De prent gaat vergezeld van de
volgende dialoog op rijm:
Hoe duur dees vogel vogelaer? hy is vercocht" waer?
aen een waerdinne clear" die ick vogel tgeheele Jaer.
De pointe van deze samenspraak ligt in de werkwoordsvorm
‘vogel’: ‘die ick vogel tgeheele Jaer’ betekent hier
waarschijnlijk letterlijk ‘wie ik gedurende het hele jaar gevogelte
lever’, maar er wordt mee bedoeld ‘met wie ik gedurende het hele
jaar de liefde bedrijf’. Het werkwoord ‘vogelen’ was in de
zeventiende eeuw namelijk synoniem aan copuleren. Van Breens bedoeling is
duidelijk. En wie het rijmpje door heeft, zal bovendien meer oog hebben voor de
merkwaardige wijze waarop de oude vogelaar zijn linkerhand in zijn broek laat
verdwijnen en voor de fallische symboliek van de wortels waarmee het
dienstmeisje is uitgerust. Weliswaar ontbreken dit soort pikante details bij
Gabriel Metsu maar in wezen is zijn voorstelling van de vogelaar en zijn klant
niet anders dan die van Van Breen. Een verschil is alleen dat Metsu's vogelaar
wel bereid schijnt zijn vogel te verkopen aan de vrouw die vóór
hem staat.
2
Metsu onderscheidt zich hier als ‘gheestig’. Hij
heeft | | | |

1 Gabriel Metsu, De vogelverkoper, 1662. Dresden,
Staatliche Kunstsammlungen, Gemäldegalerie
2 Gillis van Breen naar C. Clock, De
vogelverkoper (gravure). Amsterdam, Rijksprentenkabinet,
Rijksmuseum
| | | | met dit schilderij voldaan aan de eisen van het
zeventiende-eeuwse dubbelzinnigheidsprincipe waardoor een voorstelling op meer
dan één manier kon worden afgelezen, met dien verstande dat men
de kwintessens ervan in de ‘tweede’ laag diende te zoeken. Toont de
‘eerste’ laag een uitbeelding van een dagelijks voorval, met andere
woorden: de ‘werkelijkheid’, de ‘tweede’ laag
impliceert een gebeuren dat niets met deze ‘werkelijkheid’ te maken
heeft maar des te meer met een andere. Dit principe is eveneens toegepast in de
emblemataliteratuur, en werd door
Cats al direct aangegeven in de titel van zijn eerste
publikatie, namelijk Silenus Alcibiadis, sive Proteus, populair
Sinne- en minnebeelden geheten.
3 Deze titel heeft Cats
waarschijnlijk (de bron bleef onvermeld) ontleend aan een passage uit de
Adagia van
Erasmus. Op het voetspoor van
Plato refereerde Erasmus met de Silenus van Alcibiadis
aan de befaamd lelijke
Socrates, achter wiens afstootwekkend gelaat een schat
van deugden en wijsheden schuil ging. Met Proteus is natuurlijk de goddelijke
oppasser van Poseidons robben bedoeld, die het vermogen bezat voortdurend van
gedaante te wisselen. Ook het embleem van Cats bezat de eigenschap van
metamorfose; de hoogste waarheid van het embleem lag achter andere waarheden
verborgen. Dat Cats uitging van het erotische om uiteindelijk - achter het
masker - het religieuze te bereiken, en
Metsu het erotische of obscene tot eindpunt heeft, kan
wat Metsu betreft bedenkingen hebben opgeroepen, het doet niets af aan het feit
dat beiden hetzelfde principe volgden. In de neiging tot
‘verbergen’ deed de schilder niet voor de schrijver onder. Hieraan,
en aan hetgeen hierboven werd opgemerkt, moet worden toegevoegd dat het
vooralsnog onmogelijk blijkt vast te stellen hoe verbreid dit principe
uiteindelijk is geweest. Duidelijk is alleen dat binnen de erkende groep van
dubbelzinnige voorstellingen de mate van dubbelzinnigheid van geval tot geval
varieert.
‘Vogelen’ (of de dialectische bijvorm
‘veugelen’) was in de zeventiende eeuw behalve een synoniem voor
vogelvangen, waarschijnlijk wel de meest gangbare aanduiding voor de
coïtus. In het woordenboek van
Kilianus wordt het aldus vermeld:
4 ‘voghelen… Inire,
coire, rem veneream exercere: ab avium salacitate metaphora
sumpta’. Het woord ‘vogel’ diende als synoniem van penis;
het woord ‘vogelaer’ werd gebruikt voor koppelaar of hoerebaas maar
ook werd hiermee degeen aangeduid die zelf het liefdesspel bedreef. Behalve
Kilianus bestaan er andere bronnen die ons omtrent de
betekenis van de term ‘vogel’ en zijn afleidingen inlichten, alsook
omtrent de symbolische betekenis van de vogel als zodanig, en al zijn deze
bronnen niet explicatief, verhelderend zijn ze wel.
Op suggestieve wijze is het woord ‘vogel’ door
Huygens gehanteerd in zijn
Tryntje Cornelis.
5
Tijdens een (in Antwerps en Noordhollands dialect gevoerd) gesprek tussen de
snol Marie en de schippersvrouw Tryn, snoeft de laatste op de seksuele
prestaties van haar man, die zij als een vogel aanduidt:
Ge doeme lacche, Nicht; ken kan da niech gepayse;
Ge prueft ieens of gh'ons kunt uyt straycke met ou vayse,
'k Mayn dat ick wa verstants van Moôgdom heb, en van
De teeckene daer af, het zay in vrouw of mann;
Moôr ouwer lieden ist, of Krôy en is gee vogel.
Maer mijn mann isser ien, en van sen ierste vlogel,
Te wete fris en fix; dat weet ick by de proef,
En schicket noch te nacht te weten, heit hy troef.
In de middeleeuwse literatuur en symboliek worden vogels
veelvuldig met liefde in verband gebracht, hetzij liefde in
verheven-geestelijke, hetzij liefde in geslachtelijke zin.
6 Ook de beeldende kunst levert al vrij
vroeg haar bijdragen op dit gebied. Op een Vlaamse miniatuur uit de vijftiende
eeuw is een mannelijk geslachtsdeel voorzien van vleugels en vogelpoten en
zodoende geheel als vogel geïdentificeerd.
7 Vogels in obscene betekenis treffen we ook meermalen aan in het
werk | | | | van
Jeroen Bosch, bijvoorbeeld op zijn Tuin der
Lusten.
8
Goltzius gaf de personificatie van de libido een vogel
op haar hand als attribuut (afb. 3), terwijl
Abraham Janssens een stap verder ging en de
personificatie van de wellust (het woord Lascivia staat op de band die
over haar borst loopt) uitbeeldde met twee parende mussen op haar linkerhand
(afb. 4).
9 Bosch maakte in zijn
Marskramer gebruik van de vogelkooi als uithangbord van een bordeel.
Hetzelfde teken vinden we bij
Jan Sanders van Hemessen, op zijn bordeelscènes
in de musea te Karlsruhe (afb. 5) en Berlijn, en bij
Adriaen van de Venne, in een voor deze kunstenaar
karakteristieke scène die met de woorden ‘Wat maeckmen al om
gelt!’ gemoraliseerd wordt (afb. 6).
10
Kooien (of manden) met vogels in scènes waarin avances
worden gemaakt of een vrijage aan de gang is, zouden tot in de negentiende eeuw
gangbare attributen blijven. Soms zijn er twee vogels weergegeven, als analogie
met het vrijende paar (afb. 7 en 8). De betekenis van dit soort voorstellingen
laat aan de duidelijkheid niets te wensen over - het is allemaal vrij
ongecompliceerd. Dat ligt anders met een schilderij van
Jacques de Gheyn, waarop een in rouwdracht geklede
vrouw met een smartgebaar treurt over drie dode vogels, een duif, een ijsvogel
en een patrijs (afb. 9). In dit geval blijft de iconografie vooral
raadselachtig. Zouden we deze uitzonderlijke voorstelling moeten begrijpen als
een metafoor van het verlies van een minnaar ofwel vogelaar?
11 Wie meent dat
rouw zich moeilijk met de trivialiteit van erotische vogelsymboliek laat
combineren, moet weten dat een dergelijke scepsis tenminste eenmaal wordt
gelogenstraft en wel door een brief van
Caspar Barlaeus, waarvan we hieronder nog inzage
zullen krijgen.

3 Jacob Matham naar Hendrick Goltzius, Libido
(gravure). Amsterdam, Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum
4 Abraham Janssens, Lascivia. Brussel, Koninklijk
Museum voor Schone Kunsten
| | | |

5 Jan Sanders van Hemessen, Bordeelscène.
Karlsruhe, Staatliche Kunsthalle
6 Adriaen van de Venne, Wat maeckmen al om gelt,
1625. Boedapest, Szépmüvészeti Múzeum
| | | |

7 Jacob Ochtervelt, De omhelzing. Manchester,
Assheton Benett Collection, Manchester City Art Gallery
8 Tegeltableau met liefdespaar. Verblijfplaats
onbekend
9 Jacques de Gheyn, Vrouw treurend over dode
vogels. Zweden, Particuliere verzameling
| | | |
Naar soortnamen gespecificeerd blijken allerlei vogels in
betrekking te zijn gebracht met liefde en libido. De middeleeuwen en
renaissance kenden de figuur van de ‘hennetaster’ dat wil zeggen:
wellusteling, die onder meer door
Bruegel en
Bloemaert is uitgebeeld.
12
‘Kip’ werd gebruikt als naam voor meisjes van losse zeden.
‘Kippen (of duiven) op zolder houden’ was een bekende uitdrukking
voor bordeelhouden.
13 De haan - de vogel die we bij
Metsu aantroffen - gold als zinnebeeld van de
onkuisheid in het algemeen; in deze rol figureert hij bijvoorbeeld op Bruegels
Luxuria en Fortitudo. Het woord ‘haenken’, in de
betekenis van vrouwenliefhebber, werd gebruikt in een zestiende-eeuws
rederijkersspel.
14 Hanen
en andere vogels werden opmerkelijk genoeg ook als attribuut toegekend aan
marketentsters, in meer of minder erotisch getinte voorstellingen, onder
anderen bij
Willem Buytewech,
Jan van Bijlert en
Pieter de Jode (afb. 10, 11 en 12).
15
Soms figureert de papegaai in schilderijen als seksueel geladen
motief. ‘De papegaai laten staan’ was bovendien een uitdrukking,
ontleend aan het vogelschieten (een schietwedstrijd), die tevens in obscene zin
kon worden gebezigd.
16
Bredero bediende zich ervan in zijn
Klucht vanden molenaer, waar de vrouw van de
hoofdfiguur over de bruiloft van haar buurman opmerkt: ‘Het was hem op
zijn Bruyloft wel eraen, / Dat hy hum niet sou verhaesten, wangt seydense de
Papegay sel lang enoech staen’.
17
Als bij uitstek wellustig stonden mussen en patrijzen bekend.
Abraham Janssens deed een welbewuste keus toen hij
naar een vogel-attribuut voor zijn Lascivia zocht. Door
Vondel worden mussen ‘heet en geil van
min’ genoemd, van
Cats verneemt men de wijsheid dat mussen niet lang
leven ‘om datse sonder maet haer om te paren geven.’
18
J.C. Jegher, de houtsnijder van de Nederlandse
Ripa-uitgave, gaf ‘Lussuria. Geylheyt’ weer op de wijze zoals
Goltzius en Janssens dat vóór hem hadden
gedaan, namelijk met een vogel in de hand; bij Ripa is dit een patrijs.
19
‘Want daer is geen dingh bequaemer noch dat meer past, om de
ongemaetighde Wellust en ongetoomde Geylheyt te vertoonen, als de Patrijs,
diewelcke wel dickwijls van sulcken rasernie, in't bij een komen, is
aengehitst, en door soodaenighe ongemanierde Geylheyt ontsteken, dat het
Manneken dickwijls de eyren breeckt, die 't Wijfjen broet, wesende daer door in
't broeden verhindert en verlet om sich daer mede te paeren.’
Caspar Barlaeus kon hiermee instemmen. Toen hij in
1635 weduwnaar was geworden, kreeg hij van
Hooft een aantal patrijzen toegezonden. In zijn
(Latijnse) antwoordbrief schreef Barlaeus, die zich epistolair voordurend
beklaagde over gebrek aan liefde:
20 ‘Dat ge juist aan mij, weduwnaar, patrijzen stuurt, is
vreemd in ieder opzicht. De meest geile vogel, symbool en hiëroglief van
Venus, stuurt ge me (Salacissimam mihi mittis avem, Veneris symbolum, &
hieroglyphicon), door welks aanschouwen ge bij mij de herinnering oproept
aan de liefkozingen die ik als weduwnaar moet missen. Wat is dit anders dan een
hongerig mens, die niet heeft wat hij begeert te eten, speeksel in de mond
brengen? Had liever een treurige, doodse nachtuil aan een treurige en geslagen
man gestuurd: een eenzame nachtvogel voor een eenzame en op zichzelf levende
man… Zwanen, duiven, patrijzen, mussen, dat zijn vogels voor U, want zij
zijn gewijd aan de echt, welks kussen, gekoos, omhelzingen en genot naar hun
voorbeeld gevolgd zijn; maar mijn vogels zijn uilen en vleermuizen en ander
nachtgevogelte, gewoon aan krassen en huilen.’ Uit Barlaeus' brief, een
brief aan een goede vriend, blijkt hoe vanzelfsprekend deze vogelsymboliek was
en hoezeer zij in het dagelijks leven kon doordringen, zelfs wanneer het om de
dood ging.
Het werkwoord ‘vogelen’, in de zin van copuleren, is
al gangbaar in de volksliteratuur van het begin der zestiende eeuw.
21 Aan het begin van de zeventiende eeuw wordt
het zelfs gebruikt in een officieel stuk. In een vonnis van Baljuw ende Mannen
van Rijnland III, gedateerd 22 oktober 1602, komt de volgende zinsnede voor:
22 ‘…dat hy des eyschers huysvrouwe te meer mael ende op
verscheyden plaetsen gevogelt hadde.’ Meestal echter treffen we
‘vogelen’ aan in een min of meer gewaagde context. Zo laat
Bredero in zijn
Lucelle Lecker-beetje tot Pannetje-vet zeggen:
23
| | | |

10 Willem Buytewech, Kanonnier en marketentster
(ets en burijn). Amsterdam, Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum
11 Jan van Bijlert, De marketentster. Utrecht,
Centraal Museum
12 Pieter de Jode naar Maerten de Vos, Cholericus
(gravure). Amsterdam, Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum
| | | |

13 Houtsnede uit Jan Jansz Starter,
Steeckboecxken
14 C. Clock, Aqua (gravure). Amsterdam,
Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum
Maar gy selt noch een koopman werden van veugels, of een
veugelaar
Doch gy moet u geen moeyten ontsien, noch an u niet laten
gebreken,
Gy moet jou hooft inden grooten hoenderkou steken,
En roepen, wie wil mijn veugelen, wie wil mijn,
En soo gy jou selfs verkoopt, sel gy dan geen koopman syn?
In de
Klucht vanden molenaer horen we Aeltje Melis,
de vrouw van de molenaar, die door hem bedrogen dreigt te worden, uitroepen:
‘Ick sel de vreemde vogelaer vangen in syn eygen stricken.’
24 Dat
‘vogelaer’ hier dubbelzinnig wordt bedoeld, daarover laat de
situatie geen enkele twijfel bestaan. Overduidelijk is ook de tirade van Trijns
Snaps in de
Spaenschen Brabander:
25
Is mijn man een veughel? jy selt jou mont beteughelen.
Komter uyt, hebjet hart, jy schrobber ick selje lieren
veughelen,
Jy sult niemandt veughel hieten…
Bij een aan
Bredero verwante auteur,
Jan Jansz. Starter, komt dezelfde term voor.
Eén der bijschriften in het door Starter in 1624 voor amoureuzen
vervaardigde
Steeckboecxken luidt:
26
Ik Vis wel gaeren met een Hoek
Als byten wil de Baers of Snoek
Maer of ik nog zo gaeren Vis
Wanneer der maer te Vog'len is
Daer is myn Hert meer toe gezind
Als 'tgeene men ter Wereld vind.
Dit versje wordt geïllustreerd door een primitieve houtsnede
(afb. 13), waarop een vissertje is te zien, terwijl op de voorgrond een kooi
staat met een vogel erin. Naast de kooi is een hart afgebeeld, zoals op alle
houtsneden in dit boekje.
In Isaac Burghoorns
Klucht-hoofdige snorre-pypen, quacken, en
quinck-slagen uit 1644, treffen we vervolgens deze passage aan:
27
Wat segje daer? sel Jan op 't Stad-huys gaen / nou in de
pleyt-week?
| | | |
Hy heyt seper wel e daen dat hy nae die mooye Meyt keeck;
Want se verstaeter lijdigh wel op de neeringh van 't vissen
/
En hy heyt langh een goet Veugelaer e weest / en leert
hy heur dat mee / soo kent niet missen:
Soo drae is sen tuygje niet e stelt / of hy heytse stracx in 't
Net /
Se meugen nou allebey vissen en veugelen / soo speulense stryck
en set.
De combinatie van vissen en vogelen, al of niet in tegenstelling
tot elkaar, was zeer geliefd. In het onderschrift van een prent van
C. Clock, een oude visser voorstellend die
Aqua, een van de vier elementen vertegenwoordigt (afb. 14), lijkt het
vissen nog onschuldig bedoeld, wat van het vermelde vogelnet niet gezegd kan
worden:
Al heb ick wel gevist - valter dickwils noch twist
Teghen t'wijf, die mijn gaet met opset / quellen
Al coom ick moe en mat - uut het t'water seer nat
Soo wil sij noch dat ic t'voghel net sal stellen.
De betekenis van het werkwoord ‘vissen’ in
oneigenlijke, erotische zin, blijkt variabel te zijn. In sommige gevallen is
het zonder meer identiek aan ‘vogelen’, in andere gevallen duidt
het juist op impotentie, in weer andere gevallen mogelijk op masturbatie,
terwijl er daarnaast nog onduidelijke nevenbetekenissen bestaan. Evenals de
vogel kende men de vis als fallisch symbool; daarvan vinden we voorbeelden bij
onder anderen
Bosch en in zeventiende-eeuwse volksliedjes.
28
Het vissen als beeld van impotentie (maar misschien wordt ook op
masturbatie gedoeld) komt voor op een tekening van
Roeland Boddingh van Laer, in een liedboek uit het
tweede decennium van de zeventiende eeuw (afb. 15). Mismoedig is het commentaar
van de ik-figuur, opnieuw een oude, nu in een roeiboot gezeten visser:
'k Ben out en kout, ick ken me maer met vissche voen,
Men wijf is jong, die sel het veughele wel doen,
Heur neef die helptter wat, Ick kent nz [niet] mier so
klaren,
Het gaen valt my te swaer, ic moet uyt visse varen.
De neef en het wijf wandelen langs de oever, zij met twee
vogelkooien in de hand, hij met een opgevouwen vangnet, gereedschap dat we al
bij Clock, in het bijschrift van zijn gravure Aqua tegenkwamen, met
duidelijk geseksualiseerde betekenis.
29

15 Roeland van Laer, De oude visser (tekening uit
liedboek). Rotterdam, Atlas Van Stolk
| | | |
Ook in bruiloftsverzen, een genre dat menig zeventiende-eeuws
dichter tot uitgesponnen woordgoochelarij heeft verleid, zijn de vogels niet
van de lucht.
Focquenbroch werden de woordspelingen als het ware in
de schoot geworpen toen hij als poëet moest aantreden bij het huwelijk van
Johannes Uleus en
Katryne Hensbroek. Hij gaf zijn gedicht de titel
‘Kupidoos vogelvangst’ en liet de minnegod
onophoudelijk dubbelzinnige uitspraken doen in de trant van: ‘ik…
die zo veel Vogelen met Voglen legt ter neêr?’ en
‘Wie zag voor Vogelen ooit zulk een gaaren steken.’
30 Aan het einde van de eeuw is het
Jeroen Jeroense, die in zijn
Koddige en ernstige opschriften met de woorden
‘veugel’ en ‘veugelen’ speelt.
31 Een voorbeeld:
By 't eeten van een entvogel
Alwaar een Juffer zeide
datse goet veugels was
Zyt gy goet veugels nicht? zo ben ik ook te moe,
Waar 't quaat zo wy malkaar van veugelen eens spraken?
'k Weet een goe veugel, Nigt, die suikersoet sou smaken,
Ik schenk de veugel u, schenk my de kooy daar toe.
Ten slotte komt ‘veugelen’ verschillende malen voor in
Gysbert Tysens' uitvoerige verzameling puntdichten,
tussen 1700 en 1728 onder de titel
Apollo's Marsdrager verschenen. Het volgende
geïllustreerde versje (afb. 16) bevat meer dan één
dubbelzinnigheid.
32
Slegte jager
Wat legt gy al en grypt en grobbelt met je hand,
Jou Brak slaap by de zak, je Vuurroer legt in 't zand.
Hebt gy geen beter tuyg, zoo is de Jagt verlooren,
En 'k wil van vissen, nog van veugelen meer hooren.
Ook hier wordt kennelijk - door het meisje - gezinspeeld op de
impotentie. De erotische bezigheden van de ‘jager’ leiden tot niets
omdat de brak, de jachthond, slaapt en omdat 's mans vuurroer, zijn geweer, in
het zand ligt. Zoals we later zullen zien vervult de hond dikwijls een
erotische functie, zowel in de literatuur als in de beeldende kunst. Het geweer
is hier ongetwijfeld fallisch bedoeld, zoals ook op andere plaatsen bij
Gysbert Tysens, die als een typische vertegenwoordiger
van de vox populi mag worden beschouwd.
33 De jacht is
tenslotte synoniem aan het liefdesspel, en ook dit was een gangbare en
natuurlijk voor de hand liggende metafoor.
34
De woorden ‘vogel’, ‘vogelen’ en
‘vogelaer’ komen bepaald niet alleen voor bij schrijvers die mede
om hun gewaagdheden bekend zijn geworden.
35 De Hollandse zeventiende eeuw was wel
godvruchtig en moraliserend, doch zeker niet Victoriaans van karakter.
Vroomheid en religiositeit verstonden zich blijkbaar heel goed met een weinig
preutse levenswandel en in ieder geval met een woordgebruik dat naderhand soms
als platvloers zou worden ervaren. Vast staat dat sommige termen in
zeventiende-eeuwse oren niet zo scabreus en cru hebben geklonken als wij
misschien geneigd zijn te veronderstellen. Ook woorden zijn in sterke mate
onderhevig aan fatsoensevolutie. In welke kringen bepaalde woorden en begrippen
destijds al taboe waren en in welke kringen niet, valt slechts zeer ten dele na
te gaan. Gezien het feit dat de verfijning der zeden en de consolidatie van de
deftige burgerij als klasse zich pas in de tweede helft van de zeventiende

16 Jan Goeree, ets uit Gysbert Tysens, Apollo's
Marsdrager, Amsterdam 1725
| | | |
eeuw voltrokken, mogen we aannemen dat dit eveneens met de
verfijning van woordkeus het geval is geweest.
36 Maar dan nog.
Constantijn Huygens de Jonge, hoveling gelijk zijn
vader, noteert in zijn
Journaal uit 1689 laconiek: ‘Mijn vrouw
seyde, van joff. Baty gehoort te hebben, dat de vrouw vanden glaesmaecker, daer
7 gelogeert was, door een gat inden solder dickwils gesien had dat 8 haer
vogelde.’
37 Weliswaar hebben we hier te doen met een niet
voor publikatie bestemd geschrift maar dat weerhield Huygens niet de namen van
de personen over wie hij spreekt te versluieren. Woordgebruik, verfijning der
zeden, de terminologie van Huygens - dit alles heeft betrekking op eerbiediging
of doorbreking van fatsoensconventies en hiermee stuiten we op de problematiek
van wat de ‘schaamtegrens’ van de zeventiende eeuw kan worden
genoemd. Ik zal daar straks uitvoerig op terugkomen.
Wanneer we nu van de steun biedende literatuur weer overschakelen
naar de beeldende kunst en uitgaan van
Metsu's Dresdense schilderij, dat naar mijn
overtuiging in erotische zin moet worden opgevat, dringt zich de vraag op hoe
andere zeventiende-eeuwse schilderijen, waarin levende of dode vogels een rol
spelen, begrepen dienen te worden. In de inleiding werd al aangegeven dat het
moeilijk is de grens vast te stellen waarbinnen een interpretatie verantwoord
en waarbuiten een interpretatie onverantwoord is.
Gerard Dou en zijn navolgers schilderden talrijke
voorstellingen van schalkse en frivole meisjes, die een dode vogel vasthouden.
Uit deze voorstellingen kan men ongetwijfeld de nodige vermoedens putten, maar
deze vermoedens raken enigszins getroubleerd zodra men kennis maakt met
soortgelijke meisjes die zich te midden van complete poelierswinkels bevinden.
Een zinvolle duiding wordt dan al aanzienlijk lastiger.
De sleutel tot de ‘tweede’ laag van Metsu's
Vogelverkoper vonden we in de tekst bij de prent van een overeenkomstige
scène. Nu is een dergelijke parallellie niet uniek maar wel vrij
zeldzaam. Voor de interpretatie van een schilderij waarop één of
meer vogels voorkomen, zijn we in de meeste gevallen grotendeels aangewezen op
de context van dat schilderij zelf. Ten aanzien van Jan Steens
Hoenderhof of een volière van Hondecoeter zou dit onzinnig zijn,
maar blijkt die context amoureus, erotisch of frivool, of is er in het algemeen
sprake van een man-vrouw relatie, dan is het relevant de bijbetekenis van het
woord vogel en zijn afleidingen in het geding te brengen. Alle schilderijen
waarop een vogel wordt aangeboden of ostentatief getoond, komen hiervoor
principieel in aanmerking.
Metsu levert meer voorbeelden. Ook het schilderij in het
Rijksmuseum, dat bekend staat als Het geschenk van de jager, is
vermoedelijk tegelijkertijd de metafoor van een verleidingspoging (afb. 17).
Afgezien van de patrijs die de man de vrouw aanbiedt, bevat de compositie nog
enkele details die deze veronderstelling rechtvaardigen, namelijk het naaiwerk
op de schoot van de vrouw, het beeldje op de kast, en verder de schoenen en het
geweer op de vloer (naast een eend), waarvoor ik verwijs naar Gysbert Tysens.
38
In vele amoureuze taferelen valt het op dat een vrouw bezig is met
naaien of een ander handwerk, zoals in een schilderij dat toegeschreven werd
aan
Hendrick van der Burch, en in twee werken die direct
ter sprake zullen komen.
39 Dit handwerk kon worden opgevat als zinnebeeldig voor een deugd
als huiselijkheid of industria, maar het kon eveneens in erotische zin
worden begrepen - twee kanten dus weer aan één bezigheid, een
polariteit die de zeventiende-eeuwse geest moet hebben aangesproken. Het
Woordenboek der Nederlandse Taal geeft een
aantal duidelijke voorbeelden van zestiende en zeventiende-eeuws gebruik van
het woord ‘naaien’ in de zin van een vrouw bekennen, vergezeld van
de volgende opmerking: ‘Wellicht is naaien in den beginne niet
zulk een plat woord geweest als tegenwoordig, en werd het gebruikt in allerlei
oneigenlijk bedoelde manieren van zeggen, waarin de beteekenis van het woord
naaien op zich zelf niet zóó nauw begrensd was als
nu.’
40
Of ook de schoenen bij Metsu een bepaalde, buitenartistieke
functie hebben, staat niet vast, maar het is wel opmerkelijk dat schoenen
dikwijls een rol spelen in amoureuze scènes. Zeer demonstratief is dit
het geval op het genoemde, aan Van der Burch toegeschreven schilderij, waarop
de schoenen van een meisje dat over | | | |

17 Gabriel Metsu, Het geschenk van de jager.
Amsterdam, Rijksmuseum
haar naaiwerk zit gebogen, door een Cupido worden uitgetrokken.
‘Ich weisz am besten wo mich der Schuch drückt’, luidt het
opschrift boven een prent van de Straatburgse graveur
Jakob Heyden uit 1635; voorgesteld is een jonge man
die een meisje van haar schoenen ontdoet, kennelijk als eerste fase van een
reeks vuriger handelingen.
41 Onder
deze prent staat in het Frans: ‘Vous voyez mon escarpin beau et neuf, /
mais vous ne sçavez pas ou il me presse.’ De zestiende en
zeventiende-eeuwse Hollanders kenden verscheidene uitdrukkingen waarin schoenen
met vrouwen werden vergeleken. ‘Iemand de schoen uit de voet
treden’ werd gezegd voor het afhandig maken van een meisje, onder meer
door
Roemer Visscher in een van zijn
Jammertjens.
42
‘Iemands oude schoen’ heette de vrouw die reeds iemands minnares
was geweest. Zo staat het in een vers in het
Antwerps liedboeck: ‘Ghevoelde hi dat ick
ghevoele, Hi en sou niet gaen aendoen Een ander mans oude scoen.’
‘Uw slete schoen myn voet niet passen’, luidt een variatie van
Hooft, en
Roemer Visscher heeft het in zijn
Quicken
43 over
De hoogmoedige Loeirs, die altijd sprack so bout,
dat hy geen anders schoenen en soude dragen.
Om op
Metsu's schilderij terug te komen: over het beeldje op
de kast, recht boven de zittende vrouw, valt evenmin een definitieve uitspraak
te doen. Het is allerminst uitgesloten dat hier een Cupido is voorgesteld, en
indien dat het geval is, wordt de bewijslast voor onze interpretatie
aanmerkelijk verzwaard. Op Jan Steens vrijwel terzelfder tijd ontstane Zieke
vrouw in het Mauritshuis, een voorstelling met een uitgesproken erotisch
karakter, komt een Cupido-beeldje voor dat | | | |

18 Gabriel Metsu, De slapende jager. Londen,
Wallace Collection
duidelijke overeenkomsten vertoont met het beeldje op de
compositie van
Metsu. Treffend is vooral dat het figuurtje bij
Steen ook zijn rechterarm heeft opgeheven.
De dubbele gelaagdheid van Het geschenk van de jager blijkt
des te meer wanneer dit schilderij geplaatst wordt in de rij van werken waarin
hetzelfde thema of een variant daarvan is uitgebeeld. Op een derde compositie
van Metsu treffen we, als ik het wel heb, dezelfde man en vrouw aan als op het
Amsterdamse schilderij (afb. 18). De man slaapt (zijn roes uit?), met zijn rug
geleund tegen de muur van een huis of herberg, terwijl de vrouw naar buiten
komt met een glas en een kruik. Op een laag muurtje, waartegen een jachtgeweer
is gezet, ligt een geschoten fazantehaan. Uit het raam, schuin boven de slaper,
hangt een man die met zijn linkerhand een vermoedelijk obsceen gebaar maakt
waarmee hij de aandacht van de toeschouwer trekt. Dit gebaar hangt in dubbele
zin, namelijk wat compositie en wat betekenis betreft, samen met het dode hoen
dat op zo'n in het oog lopende wijze aan een kale boom bengelt. Dat ook hier op
het ‘vogelen’ wordt gezinspeeld is aannemelijk, maar hóe dit
gebeurt valt helaas niet nauwkeurig uit te maken. Details en nuances van
geschilderde verhalen blijken zich steeds weer aan onze speurzin te onttrekken.
We kunnen er, met andere woorden, wel achter komen waar het globaal om draait,
maar we kunnen niet aangeven hoe elk voorval precies verloopt, en soms
is zelfs de rolverdeling der personages niet geheel vast te stellen. In dit
geval ben ik geneigd de uit het raam hangende man te beschouwen als
‘vogelaar’, dat wil zeggen als koppelaar, en in de herberg tevens
een bordeel te zien.
44
Een collega van deze man kunnen we vermoeden in | | | | de oude
vrouw die - op een schilderij van
Pieter Slingelandt uit 1672 - door een open raam een
haan aanbiedt aan een meisje dat bezig is met kantklossen (afb. 19).
Opmerkelijke details in deze compositie zijn de schoen op de voorgrond en het
beeldje van een schaatsenrijdend jongetje, waarschijnlijk een Cupido, op de
schoorsteenmantel. Een soortgelijk beeldje figureert op een onmiskenbaar
amoureuze scène, Het terras in het Art Institute of Chicago,
geschilderd door een kunstenaar uit de Delftse school.
45 Mogelijk
was Slingelandt bekend met de emblematabundel
Het ambacht van Cupido van de befaamde
Daniël Heinsius, waarin een schaatsende Amor laat
zien dat men zich met vrijen licht op glad ijs - in lubrico - bevindt:
46
Het ys van selfs is glat, de ysers glat daer tegen,
Men valt seer lichtelick daer op, of oock daer in.
Het vryen gaet alsoo. die niet en is te degen
Geslepen op het werck, die duyselt in de min.
Slingelandt varieerde het thema in een Keukeninterieur,
waarop een jongeman een meisje patrijzen aanbiedt, terwijl achter hen een kok
bezig is gevogelte aan het spit te steken, een gebaar dat in deze context een
onmiskenbaar seksuele connotatie heeft (afb. 20).
47 In obscene zin gebruikt, was de
uitdrukking ‘aan het spit rijgen’ in de zeventiende eeuw ook zeker
niet onbekend.
48
Na Slingelandt is het Nicolaas
Verkolje die de erotische vogelsymboliek verder
uitdraagt en overhevelt naar de achttiende eeuw: een jeugdige jager, het geweer
over de schouder, biedt een meisje van zeer dichtbij een vogel aan,
vermoedelijk weer een patrijs (afb. 21). Het zou onjuist zijn Verkolje als een
anachronistische uitloper van het genre te beschouwen. De meer dan eens geuite
veronderstelling dat de late zeventiende-eeuwer minder geneigd zou zijn geweest
tot dubbelzinnigheid dan zijn voorgangers, lijkt mij in haar algemeenheid
onjuist. De ambivalenties waarmee wij ons hier bezighouden blijven in ieder
geval tot diep in de achttiende eeuw gangbaar. Verkolje's schilderij,
gecatalogiseerd als Die verweigerte Jagdbeute, is het best

19 Pieter Slingelandt, Oude vrouw die haan
aanbiedt, 1672. Dresden, Staatliche Kunstsammlungen,
Gemäldegalerie
vergelijkbaar met de
Metsu's uit Amsterdam en Florence, met dien verstande
dat er bij Metsu geen echte weigering kan worden geconstateerd.
49 Of er bij
Verkolje uiteindelijk van een afwijzing sprake is (het
meisje maakt een afwerend gebaar), valt overigens evenmin uit te maken.
Vermoedelijk is de opzet van de kunstenaar geweest om het resultaat van dit
samentreffen onuitgesproken te laten. Het naaiwerk op de balustrade, waarop het
gedecolleteerde meisje met haar rechterarm steunt, kan weer in de interpretatie
worden betrokken, evenals de toekijkende hond. Op verschillende van de tot nog
toe besproken werken is een hond aanwezig, hier vrijwel zeker bedoeld als
symbool van wellust, en niet te verwarren met de hond als een beeld van de
trouw.
| | | |

20 Pieter Slingelandt, Keukeninterieur. Duke of
Sutherland Collection, Edinburgh, National Gallery of Scotland
De hond als een symbool van de onkuisheid verschijnt reeds in de
vijftiende eeuw, op de uitbeelding van het Vagevuur in Les très
riches Heures du Duc de Berry.
50 Hier houdt een hondje zijn kop dicht bij het schaamdeel van een
naakte zondares. Op Gerard Davids Oordeel van Cambyses likt de zwarte,
op de grond liggende hond zijn geslachtsdeel, hetgeen kennelijk een allusie is
op de antecedenten van de rechter Sisamnes, die hier in staat van beschuldiging
wordt gesteld. Eenzelfde bezigheid geeft de hond te zien op een gravure van
Agostino Carracci, waarop verder een oude man is voorgesteld die de liefde
tracht te kopen van een grotendeels naakte vrouw, terwijl een Cupido bezig is
zijn boog te breken.
51
Bij
Steen komen dikwijls honden voor, vooral op zijn

21 Nicolaas Verkolje, De geweigerde jachtbuit.
Berlijn, Staatliche Museen, Gemäldegalerie
uitbeeldingen van losbandigheid en scènes met zwangere
meisjes. Een enkele maal schilderde hij parende of bijna parende honden,
waarmee hij een oude traditie voortzette.
Aertgen van Leyden verlevendigde zijn tekening van de
Verzoeking en de dood van St. Antonius reeds met twee parende honden en
Bruegel deed dit op zijn voorstelling van
Luxuria.
52 Het motief
werd eveneens gebruikt door
Frans van Mieris op zijn bordeelscène in het
Mauritshuis (de reu is lange tijd overschilderd geweest), en door
Rembrandt in zijn Bad van Diana en Prediking
van Johannes. Het opnemen van parende honden in deze predikingsvoorstelling
bezorgde Rembrandt naderhand het verwijt dat hij het decorum had geschonden,
waar hij mogelijk de bedoeling had te verwijzen naar het woord
‘zonde’ in Markus 1:4
| | | |
- ‘predikende de doop
der bekering tot vergeving der zonde.’
53

22 Pieter Codde, Terugkeer der jagers, 1635.
Amsterdam, Rijksmuseum
Een hond is ten slotte ook afgebeeld op een gezelschapsstuk van
Pieter Codde uit 1635 (afb. 22); het is echter niet
zozeer vanwege deze hond maar primair vanwege de aanwezigheid van twee
patrijzen dat voor dit stuk een plaats in onze reeks wordt ingeruimd. Codde's
compositie valt uiteen in twee delen. Links bevinden zich, met het gezicht naar
de toeschouwer, twee zittende vrouwen en een staande vrouw bij een tafel waarop
juwelen en snuisterijen liggen. De vrouwen zijn in kostbare gewaden gestoken en
overvloedig van parels voorzien; één van hen bespeelt een
theorbe. Gezamenlijk geven zij een beeld van aardse weelde, met muzikale
omlijsting: Amor docet musicam. De liefde vinden we vertegenwoordigd in
de rechtergroep (waarop door de staande vrouw bij de tafel wordt gewezen),
enerzijds in de man die demonstratief de reeds genoemde patrijzen laat zien,
anderzijds in het achter hem staande paar, waarvan de man met zijn
rechterhand | | | | een dode haas opheft, terwijl hij zijn linkerhand op de
schouder van de naar hem toegekeerde vrouw legt.
54
Niet minder dan de patrijzen is de haas hier bedoeld als een
toespeling op de erotiek. ‘De haas jagen’ vindt men als een
beeldspraak voor vrijen, of eigenlijk als een verbloeming voor het minnespel
bedrijven.
55
Roemer Visscher laat in dit verband een relevante
‘samenspraeck’ tussen een jager en een vrijer horen:
56
Jager Ick jaegh de Haes op barre Heyden.
Vrijer En ick seer gaern in donckere nollen.
Jag. Aen kanten van slooten op gras-rijcke weyden.
Vry. In Kamers, in Kussens, met kittelent krollen,
Jag. Met bracks, met winden, met dunne fretten.
Vry. Met daelders, met duyten, en die met hopen.
Jag. Van mijn vanghst smul ick in de Cabaretten.
Vry. Ick kies den sprongh en laetse loopen.
Jag. Wy twee hebben elck verscheyden sin.
Vry. Ja; ghy jaeght een Haes, en ick een Haesin.
Behalve de hond (toepasselijkerwijs een hazewind) is

23 Stammbuchbild (gravure)
ook het bed, waarvan één der gordijnen gedeeltelijk
opzij is geschoven, een detail van betekenis. Juist doordat het op zo'n in het
oog vallende, anorganische manier in de ruimte is geplaatst, wordt de
oneigenlijke waarde ervan, de waarde als erotisch attribuut, aanmerkelijk
verhoogd.
Ofschoon
Codde's verhaal, waarin de jagers dus vrijers zijn,
weinig toelichting meer behoeft, is het toch verhelderend zijn schilderij te
vergelijken met een Duits, zogenaamd Stammbuchbild uit het begin van de
zeventiende eeuw (afb. 23). De jachtbuit van de man op deze Duitse gravure
bestaat uit een aantal vogels en een vos: de vos moet hier waarschijnlijk
worden opgevat zoals de haas bij Codde. Blijkens het onderschrift heeft de
jager het volgende over zijn vangst op te merken:
Ich hab ein fuchs und Vögl beij mir,
So ihr wolt, könd ihrs haben hier,
Beij mir Seijdt ihr gar woll empfangn,
Nach Vögeln hab ich stets verlangn.
| | | |
Gerard Dou, wiens gedetailleerde composities dikwijls
een belemmering vormen om tot een zinvolle interpretatie te komen, geeft in
enkele gevallen wél voldoende houvast. Twee voorstellingen van een
meisje in een nis vragen bovenal de aandacht. Op het ene werk (afb. 26) liet de
kunstenaar het meisje een dode haan vasthouden en voorzag hij haar van onder
meer een vogelkooi, een kaars en een tinnen kan als overige attributen. Op het
andere werk (afb. 25) houdt het meisje een muizeval in haar linkerhand en een
kat onder haar rechterarm, terwijl eenzelfde kan op de balustrade ligt en een
dode eend aan een console is opgehangen. Om deze vogels, de haan en de eend,
alsook de vogelkooi, zonder meer te duiden als erotische symbolen, toespelingen
op het begrip ‘vogelen’, zou voorbarig zijn. Wanneer we evenwel als
hypothese aannemen dat de context van beide schilderijen erotisch is, blijken
de diverse elementen - zoals hieronder zal worden aangetoond - geheel met
elkaar in overeenstemming te zijn en elkaar zodoende qua betekenis te
versterken. De mogelijkheid verwerpend dat de diverse attributen
toevalligerwijs gecombineerd zijn, resteert een erotische interpretatie van de
vogels als enig alternatief.
57
De kan, neergelegd met de opening naar voren, moet hier worden
beschouwd als een uterus-symbool, de kaars is fallisch, terwijl de kat met de
muizeval een toespeling is op de gevangen liefde: drie wellicht Jungiaans
aandoende duidingen die - in de volgende excursus - van een historische
fundering zullen worden voorzien.

24 Pieter de Jode naar Maerten de Vos, Venus en
Amor (gravure)
Wat de kan betreft, het is opvallend dat
Abraham Snaphaen, een navolger van
Dou, eveneens een kan met de opening naar voren als
attribuut voor een meisje koos (afb. 27). Alleen is deze bij Snaphaen niet van
tin maar van aardewerk, in blauw en grijs. Op het gedeeltelijk opgekrulde
papier aan de onderzijde van de compositie staat te lezen: ‘[Een] kamer
te huer’. Het meisje, dat een muizeval in haar rechterhand houdt, waarop
zij met haar linkerhand wijst, en tot wier verdere attributen onder andere een
kaars en twee uien behoren, is hiermee wel afdoende als prostituée
gekenmerkt. Kannen (met de opening naar voren) zijn vervolgens te vinden op
verschillende uitbeeldingen van ‘Jozef en Potifars vrouw’, onder
meer bij
Lucas van Leyden, bij
Pieter Coecke van Aelst en bij
Wttewael.
58 Op een aan
Goltzius toegeschreven schilderij en op een compositie
van
Willem van Mieris zien we in plaats van kannen
omgevallen nachtpotten bij het Egyptische bed waar de kuisheid over de wellust
triomfeerde.
59
Ook op een ander libidineus thema, ‘De aanranding van
Lucretia’, blijkt een staande of omgevallen kan of pot een rol te
vervullen, zoals bij een navolger van
Vincent Sellaer, bij
Nicolaus Knüpfer en op een prent naar Goltzius.
Goltzius paste dit symbool opnieuw toe (door middel van een glazen pot) in zijn
geschilderde, sensuele voorstelling van Jupiter en Antiope.
60
| | | |

25 Gerard Dou, Meisje met muizeval.
Verblijfplaats onbekend
Het meest in het oog springend is echter de met de opening naar
voren gelegen kan onder een der voeten van Venus, op een prent van
Pieter de Jode naar
Maerten de Vos, een prent die een soort elegante
‘tuin der lusten’ in beeld brengt (afb. 24). De kan heeft in deze
context geen enkele praktische functie en kan daarom uitsluitend als
uterus-symbool worden verklaard.
61
Hetzelfde geldt voor de meeste uitbeeldingen van ‘Jozef en Potifars
vrouw’ en ‘Lucretia’: terwijl de nachtpotten nog wel
functioneel zijn, vervullen de omgevallen kannen (bij
Pieter Coecke ligt de deksel er naast) geen andere rol
dan die van vrouwelijk symbool. Tenslotte wordt deze verklaring van kan of pot
als uterus, op grond van uitsluitend visuele voorbeelden, gesteund door
talrijke plaatsen in de Europese literatuur, waar de kan sedert de middeleeuwen
eveneens als zodanig is gehanteerd.
62

26 Gerard Dou, Meisje met haan, 1650. Parijs,
Musée du Louvre
27 Abraham Snaphaen, Meisje met muizeval, 1682.
Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal
| | | |

28 Nicolaes Maes, De slapende keukenmeid, 1655.
Londen, National Gallery
29 Jan Steen, Stoeiend paar. Leiden, Stedelijk
Museum De Lakenhal
| | | |
De uitgedoofde kaars op
Dou's schilderij van de vrouw met de haan kan
natuurlijk als fallisch symbool worden opgevat.
Codde (afb. 22) was zo attent een kaars op de stoel
bij het veelbetekenende bed te zetten. Vooral wanneer de kaars gecombineerd is
met twee uien, zoals op het paneeltje bij
Snaphaen, bestaat er weinig aanleiding tot andere
interpretaties. Dat dit soort grapjes ook in de zeventiende eeuw overbekend
was, blijkt uit verscheidene voorstellingen van
Steen (Het geschenk te Brussel en het
Driekoningenfeest in Detroit), van
Godfried Schalcken en anderen.
63 Met betrekking tot de kaars zou men ook kunnen denken
aan een spreekwoord als ‘De kaars uyt, de schaemt uyt.’ Zo staat
het, aangevuld met: ‘Sentit adagium mulieres plerasque esse impudicas
si detur facultas sine teste peccandis’, in de zestiende-eeuwse
spreekwoordenverzameling van
Johannes Sartorius.
64
De muizeval ten slotte, en daarnaast de combinatie van een kat met
een muizeval, zijn beide emblematisch voor de gevangen liefde, zoals
bijvoorbeeld
Daniël Heinsius en
Jacob Cats poëtischerwijs uiteen hebben gezet.
65 De kat op zichzelf is
een befaamd beeld van de wellust. Als zodanig fungeert het dier op vele
voorstellingen met erotisch gehalte, onder anderen bij
Jan Sanders van Hemessen,
Jan Steen en
Nicolaes Maes (afb. 28).
66 Veelzeggend in dit verband is
verder een zeventiende-eeuwse Duitse gravure, de vrouwelijke libido
voorstellend.
67 Het woord ‘katsjager’ werd gebruikt voor
een man die achter de vrouwen aanzat.
68

30 Embleem uit Daniël Heinsius, Emblemata
Amatoria, Leiden 1613
Behalve voorstellingen waarin een vogel wordt aangeboden of
ostentatief is opgehangen, bestaan er talrijke uitbeeldingen waarin een
vogelkooi, -mand of -doos de spil van de dubbelzinnige betekenis vormt. De
vogelkooi was al sedert de vroeg-christelijke tijd een beeld van het menselijk
lichaam en de vogel een beeld van de ziel; in de zeventiende eeuw leeft deze
symboliek alleen nog voort in de emblematiek.
69 In de zeventiende-eeuwse schilderkunst
doen vogel en kooi vooral dienst in de sfeer van de liefde. Deze
liefdessymboliek werd op verschillende manieren toegepast, manieren die op
zichzelf weer verschillende niveaus impliceren, zo men wil afglijdend van
‘verheven’ tot ‘obsceen’. De kooi is een beeld van de
liefde waarin de man of de vrouw, in de gedaante van een vogel, is opgesloten
(evenals de muis in de val). De kooi is een beeld van het vrouwelijk
geslachtsdeel, de vogel van de maagdelijkheid. Het laten ontsnappen van de
vogel kwam neer op het verlies van de maagdelijkheid. Ofwel de kooi
symboliseert het vrouwelijk, en de vogel het mannelijk geslachtsdeel.
Van de eerste categorie heb ik elders een voorbeeld gegeven;
70 een
ander voorbeeld vinden we in Jan Steens Stoeiend paar (afb. 29). Het
lijkt mij niet onjuist
Heinsius' embleem ‘Perch'io stesso mi
strinsi’ (afb. 30) met dit schilderij in verband te brengen, ook al is
het door Petrarca ontworpen motto uit een hoofse sfeer afkomstig, hetgeen van
Steens personages moeilijk kan worden gezegd.
71 De
overeenkomst wat de kooi aan de boom betreft, is in ieder geval frappant. Ook
Heinsius' gedicht is van toepassing:
Als ick hebb'vry gheweest / ick hadde groot verlanghen
Om vast te moghen zijn / ick moeste zijn ghevanghen:
Ick sach het minnen aen / het was een lieflick spel /
Waer dat ick henen sach / het gingh al even wel:
Ick sach de vryers aen / ick sach haer soentjes gheven /
En soete praet uytslaen: ick docht / dat waer mijn leven /
My docht het gingh soo wel / maer als ick ben int perck
Nu word' ick eerst ghewaer hoe dat het gaet te werck.
| | | |
Verschillende kunstenaars hebben zich met de tweede categorie
beziggehouden.
Frans en
Willem van Mieris (afb. 31 en 32) en
Godfried Schalcken lieten zich kennelijk inspireren
door een embleem van
Cats (afb. 34) met het motto ‘Reperire, perire
est’ ('t vlucht, krijghet lucht), en het veelzeggende vers dat er onder
staat:
72
Waer dat den Maeghdom leyt ginck Els haer voester vraghen,
De min dacht, segg'ick't niet, sy mocht daer van gewagen
Aen Ritsaert, dat's een boef, die soud'haer doen bescheyt;
Dies sprack sy, neemt dees doos, hier in de Maeghdom leyt:
(Int doosken sat een vinck.) De min was nau vertoghen,
De doos was op-ghedaen, de voghel was ontvloghen.
Ach Maeghdoms meeps ghewas! dat ons soo licht ontglijt,
Met soecken jaeght-men 't wegh, met vinden wert-men 't
quijt.
Ook
Pieter van Noort en
Pieter de Hooch (afb. 33 en 35) hebben dit thema
uitgebeeld. Bij hen treedt bovendien een soort ‘Ritsaert’
(geilaard) op, de figuur die door
Cats met reden werd gewantrouwd. Op het schilderij van
De Hooch, met zijn Vermeerachtige doorkijk op de voorgrond, zijn de man en het
meisje samen bezig een papegaai (?) uit zijn kooi te lokken. Op het schilderij
van Van Noort wordt een jonge spreeuw, gezeten op de rand van de gevlochten
mandkooi, door de in ‘bourgondisch’ pak gestoken jongen met een
lepeltje met voedsel naar buiten gelokt, terwijl het meisje de mand in haar
armen houdt. Zoals te zien is aan de getuite vorm van zijn lippen, maakt de
jongeman bovendien animerende geluiden tegen de vogel. Dat hier juist een jonge
spreeuw is weergegeven, heeft ongetwijfeld betrekking op de zeer jeugdige
leeftijd van het meisje.

31 Frans van Mieris, De ontsnappende vogel, 1676.
Amsterdam, Rijksmuseum
32 Willem van Mieris, De ontsnappende vogel.
Hamburg, Kunsthalle
| | | |

33 Pieter van Noort, De tamme spreeuw. Zwolle,
Provinciaal Overijssels Museum
34 Embleem uit Jacob Cats, Silenus Alcibiadis, sive
Proteus, ed. Amsterdam 1622
35 Pieter de Hooch, Paar bij papegaaiekooi.
Keulen, Wallraf-Richartz-Museum
| | | |
Voorbeelden van de derde categorie zijn schaars in de beeldende
kunst. Van
Nicolas Lavreince, een in de trant van Boucher
werkende galanterieën-schilder, is een voorstelling bekend waarop twee
meisjes zijn te zien die ieder een vogelkooi onder haar rok houden.
73 Voor de geopende kooi van een der meisjes zit
een vogeltje dat op het punt staat naar binnen te vliegen. In de literatuur is
dit beeld meer gangbaar: ik citeerde reeds het versje (‘By 't eeten van
een Entvogel’) uit
Jeroen Jeroense's Koddige en ernstige
opschriften, eindigend met de zinsnede ‘… schenk my de kooy
daer toe.’ Dit substantief in werkwoordsvorm - ‘kooien’ - is
een der zeventiende-eeuwse synoniemen van ‘vogelen’.
74 Het schijnt uitsluitend in obscene zin te zijn
gebruikt en in het bijzonder toegepast op buitenechtelijke verhoudingen. De
populaire dokter
Salomon van Rusting, die door
Langendijk een drekpoëet werd genoemd, rijmde er
als volgt mee:
75
… maar dat men zomtyts koit
By d'een of d'andre moje deeren,
Dats godlyk; want men weet, Jupyn
Die deed dat zomtyts machtig geeren
De kooien dragende vissersvrouw die het met haar neef aanlegt (op
de tekening van
Roeland van Laer) geeft een goede illustratie van het
desbetreffende werkwoord (afb. 15). Zij is een typische
‘lichtekooi’.
76
| |
‘Schaamtegrens’ en decorum Na de
‘ontmaskering’ van deze reeks voorstellingen, waarvan de
‘tweede’ betekenis verzonken cultuurgoed is geworden, kan
men zich afvragen - en ik kom daarmee terug op het boven aangestipte probleem
van de ‘schaamtegrens’ - of er gedurende de zeventiende eeuw ooit
kritiek is geuit op, of althans enige schroom heeft bestaan ten aanzien van dit
soort kunstwerken. Deze vraag is helaas niet afdoende te beantwoorden. Ik heb
echter de illusie impliciet een gedeeltelijk antwoord te kunnen geven door het
groeperen van een aantal feiten, uitspraken en opvattingen. Een dergelijke
groepering fungeert ten opzichte van de behandelde kunstwerken primair als
cultuurhistorisch decor, als atmosfeerschildering met alle nadelen die daaraan
kleven zoals vaagheid, verkeerde accenten en onvolledigheid. In een aantal
opzichten echter bestaat er een indirecte, en in enkele opzichten zelfs een
directe relatie tussen feiten, uitspraken en opvattingen enerzijds en de
desbetreffende kunstwerken anderzijds. Vandaar dit enigszins ambitieuze
vervolg.
Vooropgesteld moet worden dat rechtstreekse kritiek op
scènes met vogelverkopers en dergelijke in de zeventiende eeuw misschien
wel is geuit maar, voor zover mij bekend, nooit in druk verschenen. Doelwit van
aanmerkingen en aanvallen waren voornamelijk díe kunstwerken waarvan de
voorstelling als zinneprikkelend werd beschouwd. Overigens is de zedelijke
verachting die deze categorie deelachtig werd, vergeleken met de kritiek
waaraan bijvoorbeeld het toneel blootstond, kwantitatief beperkt gebleven. Een
verklaring voor dit verschil dient onder meer te worden gezocht in de
uiteenlopende presentatie van beide kunsten ten opzichte van elkaar.
Manifesteerde het toneel zich in het algemeen in het openbaar, de schilderkunst
was meestal slechts zichtbaar binnen de muren van geïsoleerde ateliers en
particuliere huizen. In Italië daarentegen is de kunst altijd veel meer
een publieke zaak geweest (fresco's in kerken en raadhuizen), waardoor een
moraliserende kunstkritiek ontstond die sedert het begin van de vijftiende eeuw
een grote continuïteit aan de dag heeft gelegd.
77
De grilligheid van de zeventiende-eeuwse
‘schaamte- | | | | grens’ - de afscheiding tussen wat in
eroticis geaccepteerd en wat verworpen werd - is uiteraard door talloze,
vaak onnaspeurbare invloeden bepaald. De reikwijdte van normen, dus ook van
normen die betrekking hebben op een fenomeen als de schaamtegrens, varieert per
definitie van groep tot groep en zelfs van persoon tot persoon.
78 Van groot gewicht waren de woordvoerders van de
officiële moraal, tot wie eerder de nog vrij gematigde
Jacob Cats dan een extreme figuur als
dominee Wittewrongel behoorde.
79 Van gewicht is ook het tijdsverloop:
vele normen zijn van periode tot periode aan veranderingen onderhevig. Men kan
zeggen dat in feite iedere kleine tijdseenheid haar eigen schaamtegrens heeft.
Hetgeen in het ene decennium aanvaardbaar was, kon in een ander decennium als
zedekwetsend worden ervaren, zoals in onze tijd, binnen een periode van
achttien jaar, de naakten van
Van Dongen de ene keer wél en de andere keer
geen opschudding verwekten.
80
Hierboven werd vastgesteld dat het zeventiende-eeuwse woordgebruik
in het algemeen vrij onbevangen was en dat een zekere verfijning van dat
woordgebruik, samenhangend met de consolidatie van de voorname burgerij als
aparte klasse, pas in de tweede helft van de eeuw geleidelijk aan tot stand is
gekomen.
81 Een stuwende kracht was
daarbij het uit Frankrijk geïmporteerde classicisme, uitgedragen bovenal
door het genootschap Nil Volentibus Arduum.
82 Hierin was het begrip decorum, dat volmaakte aanpassing
van vorm aan inhoud impliceerde en bovendien morele en materiële
assimilatie met het milieu, als een centraal dogma ondergebracht.
De vrijzinnigheid van taal, uitdrukkingswijze en teneur, die zo
kenmerkend is voor het eerste driekwart van de zeventiende eeuw, kan niet
alleen worden afgemeten aan de talloze kluchten, blijspelen en
‘vulgaire’ minnedichten, maar ook bijvoorbeeld aan bepaalde
gedichten van
Vondel (voor de gezusters Baeck) en van
Huygens, geschreven voor
Tesselschade Roemer Visscher.
83 Sommige verzen die Tesselschade's zuster
Anna ontving ter gelegenheid van haar bezoek aan
Zeeland in 1622, alsook - en vooral - Anna's beantwoording daarvan, zijn in dit
verband niet minder typerend. Uit het feit dat deze gedichten, uitgewisseld in
speelse sfeer, ook nog werden gepubliceerd - in de
Zeeusche Nachtegael - valt de conclusie te
trekken dat de algemeen geldende schaamtegrens door geen der deelnemende
poëten overschreden was.
84
De aanzienlijke
Simon van Beaumont, pensionaris van
Middelburg, leverde, pseudo-anoniem, deze bijdrage:
85
Seker voortreffelick man, tegen Joffr.
Anna Roemersin een weegh-schale ghewogen ende
overwogen zijnde, maeckt op dat gheval 'tna-volghende ghedicht
Jonck-vrou, ghy hebt (tis waer) wat meer als ick gewogen,
Maer ist reyn spel gheweest, off hebdy my bedrogen?
Want hoe! sal dan een maecht, die corter is dan ick,
Die smal van middel is, van leden niet te dick,
Van handen wonder teer, van aensicht heel besneden,
Die nau het gras en croocht daer op sy comt ghetreden,
Die met haer net gewaet verciert is, niet belaen,
De schael, daer in een man gheset is, op doen gaen?
Off sout de maechdom zijn, die u soo swaer doet weghen?
Men segt ghemeenlick soo: maer neen, ick segger teghen.
De maechdom is een ding dat niemant hoort of siet,
Een waen, een wensch, een wint, een dierbaer wat of niet.
De maechdom die is licht; en maechden, die gevrijt zijn,
Die worden veel-tijts swaer, als sy de maechdom quijt zijn.
De toen achtendertigjarige Anna (die twee jaar later in het huwelijk
zou treden) pareerde deze poëtische plaagstoot als volgt:
86
Aan mijn heer de pensionarius
S. van Beaumont, om dat hij hem seer verwonderde Dat
ic Swaerder woech als hij
De Min die vleesch en bloet verteert
Die heb ic lang van mijn geweert.
Een anders luck mij niet en wroecht,
Want mij het Mijne wel genoecht.
Nae hooge staet jck niet en tracht
Noch ben door laecheijt niet veracht.
| | | |
Ick slaep gerust de nachten lanck
Jck Nut met smaeck myn spys en dranck.
Verwondert u dan daer Niet van
Dat ick wat meer weech als een Man
Die staech met sorgen is belaan
Aleen niet hoe t'sijn huijs mach gaen
Maer die de lasten van t'gemeen
Noch boven die torst op syn leen
Het door voorname figuren, ook door een hoveling - en moralist - als
Huygens, gedemonstreerde libertinisme is door latere
lezers lange tijd als ongerijmd en erger beschouwd.
87 Worp die
in zijn
Een onwaerdeerlycke vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria
Tesselschade al wat in het Latijn was geschreven heeft vertaald,
schrok terug voor de overzetting van Huygens' ‘Ad Tesselam, De Barlaeo
Monitum’ (28 augustus 1646): ‘De vertaling blijve…
achterwege, om de vele onkiesche toespelingen.’
88 Nu gaat dit
gedicht misschien tamelijk ver, wat blijkbaar ook de mening was van
Barlaeus, die een maand later aan Huygens - in het Latijn
- schreef:
89 ‘Spoedig na mijn
thuiskomst ontving ik Uw brief en Uw verzen aan
Tesselschade, die ik te Muiden pruimen vond
eten, die zij, wegens hun rijpheid gemakkelijk van de bomen kon schudden, tot
groot gevaar van datgene wat de plooien van haar gewaad verbergen. Ik heb haar
iets uit Uw gedicht uitgelegd, maar niet alles, niet dat van de weg naar de
bemoste bron, enzovoort…’ Huygens, wiens vrijmoedigheid wellicht
versterkt was door het feit dat Tesselschade weinig of geen Latijn kende, had
namelijk gesproken van ‘een oude, opgezwollen adder onder het Barleaanse
gras, die, o argeloze, met grote hevigheid begeert Uw bemoste bron binnen te
gaan…’
90
Huygens'
Tryntje Cornelis had in de zeventiende eeuw
kritiek uitgelokt van de puriteinse collegiant
Oudaan die, ofschoon verder een bewonderaar van Huygens,
meende dat in deze klucht de grenzen der welvoeglijkheid verre overschreden
waren.
91 Oudaan zou tot diep in de twintigste eeuw postume
bijval genieten. Kalff in 1913 en ook Knuvelder, in de laatste druk van zijn
Handboek uit 1964, tonen zich onaangenaam getroffen door platte grappen,
onkiesheden, enzovoort.
92 Nu heeft Kalff
zich meer dan eens geërgerd aan de zeventiende-eeuwse mentaliteit, onder
andere naar aanleiding van Starters
Steeckboecxken, die verzameling pikante rijmpjes
voor ‘Jonkmans’ en ‘Dogters’, die sedert
Van Vloten alleen nog bekend is in een achttiende-eeuwse
editie: de oorspronkelijke uitgave uit 1624 is klaarblijkelijk stuk gelezen.
93 Dat
Starter in zijn voorreden ‘de vermaecksoeckende
Nederlantsche jeught’ opwekt ‘uwen salighmaker Jesum Christum
getrouwelijck in uwe herten’ te bewaren, wordt door Kalff een grove
zinnelijkheid genoemd.
94 Het was in de zeventiende eeuw echter bepaald
niet ongewoon om, ten behoeve van de balans, frivoliteiten door religieuze
wenken te laten begeleiden, bijvoorbeeld om een reeks sterk erotische verzen af
te wisselen met enige stichtelijke rijmen. Auteurs van gewaagde of scabreuze
kluchten plachten zich vaak op verwante wijze ‘veilig te stellen’
door aan het einde van hun stukken de vinger der moraal hoog op te heffen.
Bredero en zijn uitgever vrijwaarden zich bij voorbaat
tegen eventuele kritiek in de voorwoorden van enkele toneelstukken.
95
In de Toe-eygening aan
Tesselschade van zijn
Lucelle verontschuldigt Bredero zich voor het
gebruik van ‘straat-sproockjes’ en ‘houwbollicheyden’;
96 niettemin stapt
hij vrij gemakkelijk over zijn schroom heen, zoals ook verscheidene andere
schrijvers die hun stukken opdroegen aan door hen bewonderde vrouwen. Zo
bijvoorbeeld
Gerrard van Santen die in 1620 zijn
Snappende Siitgen aan de ‘kunstlievende
Jouffrouw Maria van Bleyswiick’ dediceerde en ervan
overtuigd was dat ‘sommige al-berispende’ mensen het ongepast
zouden vinden dat hij ‘soodanige slorse Comedie’ aan ‘sulcken
soeten Joffvrou’ opdroeg.
97
Nil Volentibus Arduum, het oog gericht op Frankrijk (dat met de
Précieuses een lange traditie van eufemismen achter de rug had),
propageerde een meer verheven woordgebruik en wierp zich op als bewaker der
goede zeden. Het genootschap stemde van harte in met de eisen van fatsoen die
de overheid aan de openbare voorstellingen had gesteld.
98 De overheid had, deels om politieke redenen, in 1672 de
schouwburg gesloten en pas weer na vijf jaar geopend, ‘op lang, en sterk
ver- | | | | zoek’, en op voorwaarde ‘dat men daar…
speelde; doch met veel verbét'ring in de wetten, / Om op de Zeden, om op
Kunst èn Taal te letten.’
99
Andries Pels, hier aan het woord, heeft zich over deze
kwestie niet onbetuigd gelaten, gevoelig als hij was voor ‘onkuische
woorden, die een zédig oor onteeren.’
100
‘Het verbéteren van de Taal, én de Zéden,
is het voornaamste oogwit én de grond, van 't stichten der Amsterdamsche
Schouwburg geweest’, schrijft Pels ergens in de marge van zijn
Gebruik én misbruik des tooneels.
101 Hoe ver die verbetering in
Pels' tijd kon gaan blijkt ook uit het kuisen van werken uit vorige generaties.
102
Bredero's
Moortje werd in 1689 en 1691 in de Amsterdamse
schouwburg opgevoerd, ontdaan van ‘aanstotelijke’ woorden.
103 Zelfs het woord ‘hoer’ blijkt
nu niet meer door de beugel te kunnen, gezien deze correctie aan het begin:
Of wil'k myn sotte lust met reden nu besnoeren
En vlieden het bedroch der afgherechter hoeren.
werd veranderd in:
Of wil'k myn sotte lust en losse drift mistrouwen
En vlieden het bedroch der afgherechter vrouwen.
Overigens was censuur al vóór de tijd van Nil
Volentibus Arduum toegepast. Fanatieke pogingen van de zijde van kerkeraden en
individuele predikanten om het toneelbedrijf compleet te torpederen werden
gedurende de gehele zeventiende eeuw met grote hardnekkigheid ondernomen.
104 Het resultaat van die pogingen was
evenwel betrekkelijk gering, onder meer doordat de magistraten ervoor waakten
het gezag ter zake in handen van de kerkeraden te geven. Enig succes boekten de
aanvallers wel. De meest ergerniswekkende, obscene kluchten schijnen ook in de
eerste helft van de eeuw van het toneel te zijn geweerd, terwijl een enkele
maal een stuk met een bepaalde politieke of ‘roomse’ signatuur,
zoals Vondels
Lucifer, door een burgemeesterlijk verbod werd
getroffen.
105 Tenslotte heeft de censuur in een
aantal gevallen gefunctioneerd om redenen die vanuit ons perspectief
ternauwernood meer verklaarbaar zijn. Zo vernemen we uit de
Kronijk van Arnhem, een verzameling van originele
documenten die in 1790 door de Gelderse historicus
Gerard van Hasselt werd gepubliceerd, dat in 1626 zelfs
een opvoering van
Bredero's
Rodd'rick ende Alphonsus werd verboden:
106
In dezen winter hadden eenige Borgers voor, om, door de
Toneelspelen van den Amsterdammer Gerbrand Adriaensz Bredero opgewekt, zijn
Roddrick ende Alphonsus te vertoonen; edog het werdt hun op den 26
Februarij afgeslagen; denkelijk, en dus met het grootste regt, om dat de
personen van Nieuwen Haan en Griet Smeers in dat Treurspel voor 't meest een
taal uitslaan, waar door kuische ooren gekwetst worden.
Rodenburgh vertelt (en dit heeft kennelijk betrekking
op Amsterdam) dat ‘bezondere treffelycke mannen wiens
Dochteren ghezien hadden zo ontuchtige voorbeelden op zommige toonelen’,
hun kinderen verboden hadden de schouwburg opnieuw te bezoeken.
107 Zelf had Rodenburgh
last met de overheid gehad toen zijn tafelspel
Bruylofts-Eer-Gaef ten tonele werd gebracht.
De Eglentier werd gedwongen de opvoering halverwege te staken. In
zijn
Eglentiers poëtens borst-weringh heeft de
auteur zich naderhand tegen dit ingrijpen verdedigd met een beroep op de
leerrijke aspecten van zijn stuk.
108 Hij verwijt
het gezag geen oog te hebben gehad voor het zo belangrijke onderscheid tussen
‘minne’ en ‘liefde’, die door hem als contrasten
tegenover elkaar waren geplaatst.
Merkwaardigerwijs ontmoeten we juist in Rodenburgh een vroeg
zeventiende-eeuws voorbeeld van fatsoenspropaganda. In zijn
Borst-weringh betoont hij zich een fervent tegenstander van
‘onstichtelijcke, jae oneerlijcke kluchten, en wangelaten
zotticheyden… die de wulpze zinnen tot meer wulpscheydt terghen.’
109 Jaren later zou zijn bewonderaar
Jan Harmensz Krul een soortgelijke waarschuwing laten
horen, bij monde van een der allegorische figuren in zijn
Inleydinge, gedaen op de Amsterdamsche Musyk-Kamer, Ie blijft
in eelen doen (1634):
110
| | | |
In alles wat gy doet laet rechte liefde blijken,
Schuwt misbruyk, 't welk gemeen is onder 't Rethorijken,
Dat's laster, vuyle reên, ontucht, lichtvaerdigheid,
't Welk in een eerbaer hert vaek valsche gronden leyd.
Zoals uit deze voorbeelden blijkt, kende men dus ook in de eerste
helft van de zeventiende eeuw naast censuur, die steeds incidentele censuur
was, het verschijnsel van schrijvers die de pen opnamen ter verdediging der
zeden. De activiteiten van Nil (eveneens pogingen tot verlegging van de
schaamtegrens door kunstenaars) mogen derhalve niet als een volstrekt
nieuw fenomeen worden beschouwd.
In de latere actie voor handhaving van het decorum past een werk dat
behoort tot een in Nederland aanvankelijk onbekend literatuurgenre, namelijk de
in 1715 verschenen vertaling van Giovanni della Casa's Il
Galateo. Het wekt geen verbazing dat het juist
iemand van Nil Volentibus Arduum is geweest,
IJsbrant Vincent, die deze vertaling ter hand heeft
genomen. Een der hoofdstukken in dit ‘gedragsboek’ heeft tot titel
‘Dat de woorden die men gebruikt, klaar, en niet aanstootelyk moeten
weezen.’
111 Nauwelijks anders dan op de wijze der
Précieuzen, worden hierin eufemismen aanbevolen:
112
… Daarbenevens moeten zy [i.e. de woorden] niets
aanstootelyks hebben nóch in het geluid nóch in de betekenisse.
Derhalven zult gy u somwylen meer van het woordeken de schoot als wel de
buik bedienen, óf wel naar dat uwe redenen vallen, moogt gy gebruiken de
borst, óf het lichchaam in de plaats van de buik.
Aan de Galateo-vertaling waren zeventiende-eeuwse vertalingen
van andere zestiende-eeuwse Italiaanse gedragsboeken vooraf gegaan.
113 Reeds
in 1603 verscheen te Alkmaar
Stefano Guazzo's
Van den heuschen burgerlycken ommegangh… Door Gomes
van Triere… in Nederduytsche tale overgheset, een destijds
vermaard boek dat door
Cats verschillende malen wordt aangehaald in zijn
Houwelick. In 1662 verscheen te
Amsterdam het meest beroemde gedragsboek, Il Cortegiano van
Baldassare Castiglione, in de vertaling van
Lambert van den Bos
De volmaeckte hovelinck geheten. Castiglione was
in het Noorden reeds lang bekend geweest (Van Mander refereert
enkele malen aan hem in zijn
Schilder-Boeck), en omstreeks 1662 moet er een
vrij groot lezerspubliek voor
De volmaeckte hovelinck zijn geweest, een publiek
dat sociaal geheel anders was samengesteld dan de elite waarvoor het boek
oorspronkelijk geschreven werd. In 1675 verscheen de tweede druk van deze
Nederlandse uitgave. Lezend in Castiglione, stuitte de zeventiende-eeuwer op
een hoofdstuk dat in
Lambert van den Bos' vertaling de titel draagt ‘Min
die sensuael is, yder een schadelijck.’ De hierin tot uitdrukking
gebrachte gedachten zullen de toenmalige lezer niet vreemd zijn voorgekomen.
Voor ons ‘cultuurhistorisch decor’ zijn ze van groot belang, zodat
ik mij genoodzaakt zie er met enige uitvoerigheid op in te gaan.
De ‘Min met reden’ wordt door Castiglione nadrukkelijk
boven de sensuele min gesteld, een hiërarchie die hij bovenal liet gelden
voor diegenen die hun jeugd reeds achter zich hadden gelaten:
114
En wanneer sy niet meer in de jeughdige jaren zijn, laten sy
deselve t'eenemael varen, en keeren sich van dit sensuael of sinnelijck
begeeren, en klimmen op gelijck als van den laeghsten sport, van de ladder door
dewelcke men opklimt nae de waere liefde. Maer indiense oock self nu bedaeght
geworden zijnde, in hun koud harten, dat vier van hun begeerlijkheydt behouden,
en de brave reden de swacke sin onderwerpen, is het niet te seggen, hoe seer sy
te verachten zijn, ja als ontsinde, verdienen sy, met een geduerige schande,
onder de onredelijcke dieren getelt te worden, om dat de gedachten, en manieren
van de sensuale of sinlijke liefde, de rijpe jaren al te onbetamelijck
zijn.
Deze opvatting waarin dus een scherp onderscheid wordt gemaakt
tussen de ware (vergeestelijkte) liefde enerzijds en de vleselijke liefde
anderzijds, heeft in Marsilio Ficino's Commentaar op Plato's
Symposion een neoplatonische oorsprong.
115 Door een groot aantal Nederlandse auteurs van verschillende
geloofsrichting werd zij eveneens aangehangen, auteurs als
Houwaert,
116
Coornhert,
Hooft en
Rodenburgh, een aantal dichters uit
Den bloem-hof van de Nederlantsche ieught,
117 en - niet in de laatste plaats -
Jacob Cats. In
Goltzius' verbeelding van de drie soorten huwelijken,
treft even- | | | | eens de tegenstelling tussen amor verus en amor
voluptarius (afb. 36 en 37).

36 Jan Saenredam naar Hendrick Goltzius, De ware
liefde (gravure)
37 Jan Saenredam naar Hendrick Goltzius, De zinnelijke
liefde (gravure)
De zeventiende-eeuwse liefdesmoraal bestond uit een amalgaam van
concepties, waarin ook humanistische theorieën met calvinistische criteria
blijken te zijn versmolten. De voorschriften voor zedelijk gedrag zijn
ongetwijfeld van meer belang en vertonen een grotere continuïteit dan de
voorschriften voor taalgebruik, ook al werden ze soms gezamenlijk
gepresenteerd, zoals bij
Coornhert en
Cats en bij een protagonist van het decorum als
Andries Pels.
118
In zijn
Zedekunst dat is wellevenskunste stelt
Coornhert vast dat ‘de minne werd by velen oock
uytghesproken mette naam van liefde, maar dat oneyghentlyck. Want die ouden
oock verstaan hebben byde liefd een reyne, maar byde minne een onkuysche tochte
des herten.’
119 Het zesde
hoofdstuk van zijn eerste boek handelt geheel ‘Vande minne of byslapens
lust’, in het zevende hoofdstuk wordt als contrast de ware liefde
besproken.
120 Tegenover de
verwerpelijke ‘heete herstochte’ van de ‘onwyze minne’
wordt de ‘reyne ende wyze liefde’ geplaatst en omrankt door andere
kwalificaties als ‘ghoedheyd’, ‘waarheyd’ en
‘matigheyd’.
Coornhert is door
Theodore Rodenburgh, wiens standpunt over deze kwestie, in
zijn oppositie tegen de overheid, al even ter sprake kwam, op de voet gevolgd.
121
De Eglentiers poëtens borst-weringh bevat
eveneens een vertoog over de grote tegenstelling tussen liefde en minne.
122 Liefde is gesanctioneerd omdat zij ontstaan | | | | is uit
‘een aenporringhe, en natuerlijcke ghenegenheyt tot
voort-teelingh’, minne daarentegen is volgens
Rodenburgh ongeoorloofd omdat zij bedreven wordt
‘zonder ooghmick op voort-teelingh, maer op de verzadichde schichtige
herts-tochtens-begeerelyckheyt.’
Ook bij
Hooft komt het onderscheid tussen (vergeestelijkte)
liefde en (lichamelijke) min voor, bijvoorbeeld in de
Sang die als beginregels heeft:
123
Het lijf-omhelsen moet bij 't sielvermengen swichten;
Voor overst ken jck Liefd', acht Mins vermeugen cleen
In Hoofts ongeveer terzelfder tijd geschreven
Granida blijken ‘Liefde en Min aen een
vertuyt’, een harmonie die uiteindelijk weer verband houdt met Ficino's
opvattingen over de hemelse en aardse Venus.
124 De aardse, onedele liefde,
zorgdragend voor het voortbestaan van de mens, is hier acceptabel zolang zij
verbonden is met de hoogverheven, hemelse liefde. Wanneer de min evenwel alleen
actief is, verlaagt zij de mens tot het bestiale leven.
De antithese liefde-min komt in
Cats'
Houwelick, hetzij als zodanig, hetzij in allerlei
varianten, vrijwel voortdurend ter sprake.
125 Het Houwelick kan
worden beschouwd als hét gedragsboek van de zeventiende eeuw, al heeft
het met het traditionele gedragsboek formeel geen overeenkomsten. Cats,
vertegenwoordiger van de officiële moraal, heeft bij uitstek het verloop
van de schaamtegrens van zijn tijd willen bepalen.
126 In
het Houwelick deed hij dit, blijkens het noten-apparaat, op basis van
zijn geleerdheid, terwijl hij de tekst zelf, ten behoeve van het grote publiek
waartoe hij zich richtte, juist zeer eenvoudig heeft gehouden. Volgens zijn
eigen woorden gebruikte Cats een ‘effenbare, eenvoudige ronde en gants
gemeene maniere van seggen, de selve meest overal gelijck makende met onse
dageliksche maniere van spreken, daer in alle duysterheyt (soo veel ons doenlik
is geweest) schouwende; behoudens daer wy, om der eerbaerheyt wille, willens en
wetens somtijdts de schaduwe hebben gesocht.’
127
Cats geeft talloze voorschriften, waarschuwingen en adviezen
teneinde de ethiek van zijn lezers te verhogen en minstens op peil te houden.
Zo gispt hij vrouwen die zich opmaken, spreekt schande van het decolleté
128
en ageert (in zijn
Harders-clachte) tegen een oud Zeeuws
volksgebruik waarbij meisjes, met ‘op-gheschorte kleet’ door
jongens in zee werden gedragen en vervolgens droog gerold in het zand der
duinen.
129 Cruciaal is zijn
vaste overtuiging dat de ‘man met sijn vrouwe eerbaerlijck en sonder
wulpsheydt (moet) versamelen’. Enkele varianten op dit steeds
terugkerende thema vindt men in de volgende passages uit het
Houwelick:
130
Siet, als een jonge vrou haer kleedt heeft uyt gedaen,
Soo moetse met der daet de schaemte trecken aen.
Het bedt, dat kennis heeft van uwe soetste reden,
Moet boven alle dingh vernemen u gebeden
De Echt en haer gevolgh is aen den mensch gegeven,
Of om een ander mensch te brengen in het leven,
Of om onkuysche drift te mijden door de trou,
Of om de soete schult te quijten aen de vrou.
Siet hier, ô wettigh man, hier zijn de rechte palen
Daer over uwe jeught geen recht en heeft te dwalen;
Doet vlijt om by de vrouw te woonen sonder schult,
De lust wort by gevolgh, niet als een wit, gedult.
Men vint, oock Heydens selfs, die klaer en open schrijven
Dat ja een echte paer kan overspel bedrijven;
Want, als de kriele lust gaet boven haer behoef
De man (hoewel getrout) die wort gelijck een boef.
Wie lieve kinders soeckt, en dientse niet te winnen
Door ongeregelt spel, door geyl en dertel minnen;
Men prijst in menigh dingh de gulde middel-maet,
Maer verre boven al ontrent het echte zaet.
Een van de door
Cats in het Houwelick meest aangehaalde bronnen
is
Erasmus'
Institutio christiani matrimonii.
131 Opmerkelijk is dat hij nergens
verwijst naar het populairste werk van de befaamde humanist, de
Colloquia, waarvan bovendien een aantal zestiende
en zeventiende-eeuwse Hollandse vertalingen bestaat en waarin ook verscheidene
huwelijkskwesties aan de orde worden gesteld.
132 Mogelijk hangt dit
samen met de kritiek waaraan de Colloquia, sedert de jaren van hun
ontstaan, onderhevig waren geweest. Weliswaar spitsten de vaak scherpe
aanvallen van Erasmus' tijdgenoten zich vooral toe op theologische en klerikale
kwesties, maar er bestond bij sommigen van hen ook | | | | verontwaardiging
over het door de auteur tentoongespreide gebrek aan kiesheid en pedagogie.
133 Want de
Colloquia waren in de eerste plaats voor kinderen
bestemd (‘om betere Latinisten en betere karakters te vormen’) en
door de schrijver opgedragen aan de achtjarige zoon van zijn Bazelse uitgever
Frobenius.
134 Dat
Erasmus, een lange traditie getrouw, de dingen zonder meer
bij de naam noemde en in een schoolboek uitweidde over hoeren, bordelen en
geslachtsziekten, is hem vooral in later eeuwen, toen de pedagogie een hoge
vlucht had genomen, ernstig aangerekend. Opmerkelijker is evenwel dat het
kritiek heeft uitgelokt van enkele, ten aanzien van de kinderlectuur
klaarblijkelijk ‘progressieve’ tijdgenoten.
Het zou niet verbazingwekkend zijn als
Cats deze zestiende-eeuwse bezwaren tegen de
vrijmoedigheden van Erasmus heeft gedeeld en daarom geen aandacht aan de
Colloquia heeft geschonken. Wij zagen al dat hij ‘om der
eerbaerheyt wille’ soms opzettelijk ‘de schaduwe’ zocht. Ook
in het voorwoord tot het boek ‘Moeder’, het vijfde deel van het
Houwelick, toont Cats beduchtheid voor het ter
sprake brengen van bepaalde maatschappelijke verschijnselen. Zijn verzekering
dat het hem uitsluitend om ‘stichtinge’ ging doch dat het soms
onvermijdelijk was ‘wat beschaemtelijcks’ te schrijven, mag geheel
traditioneel klinken, er bestaat, dunkt mij, geen reden de oprechtheid van zijn
woorden in twijfel te trekken.
135
‘Is wel soo, dat onbescheydelick yet te seggen dwalinge kan
veroorsaecken, maer 't is niet min de waerheyt dat onwijs stille-swijgen de
menschen laet op den dool-wegh daerse zijn. 't Is daerom beter (mijns oordeels)
voor eenmael wat beschaemtelijcks te schrijven, als evenstaegh veel
schandelickheden te laten geschieden. Ick mochte niettemin wel lijden dat
de gene, die dese geheymenissen noch niet aen en gaen, dit deel voor als noch
ongelesen lieten, immers niet te naeu-keurigh en wilde zijn in 'tgene hen niet
aen en gaet…
Met deze laatste zin moet Cats de onvolwassenen op het oog hebben
gehad. Ten opzichte van de mentaliteit, gedemonstreerd door de schrijver der
Colloquia, is hier de schaamtegrens duidelijk gewijzigd.
Cats heeft in het
Houwelick ook expliciet gewaarschuwd tegen
onkuise kunstwerken (‘Schandelicke ofte oneerlicke schilderyen niet te
gedoogen’), onder aanhaling van
Aristoteles'
Politica en de
Elegiae van
Propertius.
136 Het is opmerkelijk dat hij
zich daarbij beperkt heeft tot één soort voorbeelden, namelijk
bijbelse en mythologische themata, waarin het naakt een nadrukkelijke rol
speelt. Wat dit betreft is de kritiek tot en met Houbraken nagenoeg
gelijkvormig.
Ghy des al niettemin vermijt de geyle beelden
Geschildert voor het volck ten dienste van der weelden;
Al wat het stout pinçeel uyt luchten hoofde treckt
Heeft menigh oogh geterght, en menigh hert bevleckt:
Een Loth, of Davids val ten nausten af te malen
Doet, ick en weet niet hoe, de losse sinnen dwalen;
Een stier, een valsche swaen, die jonge maeghden schent,
Heeft dickmael aen de jeught de lusten ingeprent.
En laet dan oock de kunst u geensins hier bewegen,
Want even in de kunst daer is het quaet gelegen;
Hoe dat in dit geval de schilder hooger sweeft,
Hoe dat hy dieper quetst, en harder nepen geeft;
Hoe dat hy naeder weet het leven uyt te drucken,
Hoe dat hy verder kan de gantsche tochten rucken
Tot ick en weet niet wat. gewis, de beste geest
Doet hier het slimste quaet en hindert aldermeest.
Deze regels over de negatieve invloed die beeldende kunst kan
uitoefenen, worden voorafgegaan en feitelijk versterkt door een op de Antieken
berustend verhaal waarmee de positieve werking van kunst wordt aangetoond.
137 In dit verhaal wordt door een echtpaar, ‘vermaert in
leelickheden’, een bijzonder mooi kind ter wereld gebracht doordat de
moeder tijdens haar zwangerschap steeds naar ‘een aerdigh
kinderbeelt’ had gekeken: via de ogen van de moeder was de schoonheid van
het beeld het embryo ten goede gekomen. Deze opvatting, dat beeldende kunst
verregaand op de mens kan inwerken, treffen we ook aan bij
Gerard de Lairesse die bovendien, zoals verderop zal
blijken, de mening was toegedaan dat de literatuur in dit opzicht door de kunst
werd overtroffen.
| | | |
Met zijn filippica tegen de ‘geyle beelden’, en met zijn
voorbeelden: Lot, David en Batsheba, Europa en de
stier, Leda en de zwaan, bevindt
Cats zich in gezelschap van de dichter en predikant
Dirck Rafaelsz. Camphuysen, een figuur die overigens
veel extremere maatstaven heeft aangelegd. Van de als schilder opgeleide
Camphuysen kennen wij twee gedichten waarin hij op gedetailleerde en niet mis
te verstane manier zijn afschuw van de schilderkunst belijdt. Weliswaar is het
langste van deze gedichten - ‘Tegen 't Geestig-Dom der Schilder-Konst.
Strafrijmen Ofte anders Idolelenchus’ - een vertaling van wat zijn vriend
Johannes Evertsz. Geesteranus in het Latijn had
gewrocht, maar het feit dat Camphuysen deze vertaling ter hand heeft genomen,
wijst op instemming met de strekking van het origineel. Op ondubbelzinnige
instemming wijst ook het voorafgaande dedicatiegedicht ‘Aen J.G. over syn
Idolelenchus of Beeldenstraf,’ waarbij niet verzwegen mag worden dat
Camphuysen later, korte tijd vóór zijn dood, aan zijn Amsterdamse
uitgever
Colom bekend schijnt te hebben ‘dat hy al wat
hart… geyvert hadde, derhalven noyt begeerde de Beeldenstraf, &c.
neven sijne wercken in druck uytgegeven soude werden.’
138 Beide gedichten zijn evenwel na Camphuysens overlijden in 1627
opgenomen in diens
Stichtelycke rymen, een bundel welke alleen al in
de zeventiende eeuw niet minder dan zevenendertig drukken beleefde.
139
Toen Camphuysen de gedichten schreef (vóór 1622) was
iedere vorm van relativering hem nog vreemd. ‘'t Malen’, voert hij
aan, ‘is der ydelheden algemeene malle Moer.’ In zijn afkeer van de
‘blinde werelt’ stelt hij zich even rigoureus op als Geesteranus
tot wie hij zijn sympathiserende strofen richt. Zijn vereenzelviging met
Geesteranus verhindert hem echter niet te erkennen dat deze ‘een
ongehoorde leer’ verkondigde, een leer bovendien die weinig succes zou
zijn beschoren, aangezien ‘waarheyd is en blyft op aerden een veracht en
onwaerd ding.’
140
In de ‘Idolelenchus’ wordt door Geesteranus-Camphuysen niets ten
gunste van de kunst gezegd. De schilderkunst als geheel heet ‘een
verleydster van 't gezicht’. De auteurs beklagen zich erover dat
‘in dees verdurven Eeuw’ Eva naakt in het paradijs
werd geschilderd en dat ‘menig oog’, bij het aanschouwen van zo'n
voorstelling, ‘een hit van lust in 't diepst van 't herte zend’,
een argument dat overeenkomt met hetgeen
Cats over deze kwestie te beweren heeft. David en
Batsheba komen hier opnieuw ter sprake en aansluitend worden
Susanna en Maria geïntroduceerd: ‘Men
doet een naakte vrouw zich tusschen minnaars baden; / Tot kanker van goe ze'en
/ en schouwbaar oog-fenyn. En dat zal noch Susann' een kuyssche vrouwe zijn.
Wie kan / O Schilderlist / al uw Mariaas tellen? Die gy Gods Moeder noemt /
ziet m'u ten besten stellen / Lichtvaardig opgesmukt / voor 's volks hoerachtig
oog?…’ Vervolgens wordt verder uitgeweid over de opsmuk waarmee
schilders Maria uitbeelden en over de verleiding die uitgaat van voorstellingen
van opgesmukte vrouwen in het algemeen.
141
Er is uiteraard door meer schrijvers een vijandige toon tegen wulpse
voorstellingen aangeslagen, waarbij steeds wordt gewezen op de kwalijke invloed
die van deze voorstellingen uitgaat.
142 Verwachtte
Coornhert van het aanschouwen van ‘schilderijen
vande naeckte Venus’ slechts ‘vierighe onkuysheyd, brandende
begheerten ende heete minne’,
Vondel verwachtte niet veel beters van een schilderij in
het bezit van
Joachim Sandrart:
143
Ay, schuif, van schaamte, de gordijn:
Voor d'onbeschaamtheit van Jupijn,
De zwaan, aan 't poezelig albast
Der moedernaackte Leda vast.
Het marmer schijnt hier pluim, en vel.
De kunst geeft stof aan overspel.
Sprekend over de relatie tussen kunstenaars en degenen die zich door
hen lieten portretteren, herinnert
Gerard de Lairesse er aan ‘dat de Schilderkamers
menigmaal kwalyk opgeschikt zyn met onbetamelyke verbeeldingen, waar aan een
maagd zich dikmaals stoort, of haar gelaat doet veranderen: want hoewel een
Schilder zich, tot oeffening in de Konst, van fraaije Schilderyen, die hy in
zyn gezicht plaatst, bedient, nochtans past het niet Mars en
Venus, door Vulkaan betrapt, en op een dertele wijze vertoond,
aldaar te hangen, noch een Bad van Diana, al waar het door van
Dyk
| | | | geschilderd, of Joseph en
Potifars vrouw: want al hangt het schoon in een hoek, die
daar eens zyn oog opgeslagen heeft, denkt het altyd voor oogen te hebben; alzo
het gestadig tegens wil in de zinnen speelt. By gevolg doet het herdenken aan
deze geschiedenissen, of verdichtselen, een jonge en kuische maagd bloozen en
schaamrood worden.’
144
De mentaliteit die aan een dergelijke passage ten grondslag ligt, is
de mentaliteit van Nil Volentibus Arduum, waarmee
De Lairesse reeds in het oprichtingsjaar 1668, dus bijna
veertig jaar vóór de verschijning van zijn
Groot Schilderboek, contact had gehad.
145 Hier wordt, ten behoeve van kuise
maagden dit maal, weer opgewekt het decorum-principe te eerbiedigen. Handhaving
van het decorum was voor De Lairesse een gulden regel. Zijn uitspraken ten
aanzien van de door hem genoemde voorstellingen zijn daarom veel
artificiëler dan de opvattingen van iemand als
Cats, wiens idiosyncrasieën stoelden op de ijzeren
moraal van het calvinisme.
Naar analogie van het werk van zijn vriend
Pels, die in 1681 overleden was, gaf De Lairesse een der
hoofdstukken van zijn Schilderboek de titel ‘Van het gebruik en
misbruik der Schilderkonst’. Ook de geest die in dit hoofdstuk tot uiting
komt, sluit aan bij de zienswijze van Pels en mag als representatief gelden
voor de ‘deftige’ smaak in het laatste kwart van de zeventiende
eeuw. Misbruik van de kunst maakt men, zo betoogt De Lairesse, ‘wanneer
men zich begeeft tot ontuchtige en lasterlyke Verbeeldingen.’
146 Men diende zorgvuldig te vermijden dat de ‘toorts der
vleeschelycke lusten’ ontstoken werd. Het was al zeer bedenkelijk dat
allerlei schrijvers en dichters over de schreef gingen, maar ‘hoewel het
schrift onze herten en lusten kitteld, het oog doet zulks veel meêr,
nademaal het gezicht krachtiger onze zinnen ontroerd en aandoet, inzonderheid
wanneer men de zaak zelf zo duidelyk voor zyn oogen ziet, voornamentlyk de
vleeschelyke wellust betreffende. En is het waar, dat de Schryvers, met
onbeschaamde vertellingen van 't rechte spoor dwaalende, meêr laster als
lof verdienen, hoe veel meêr noch een Konstryk Schilder door dusdaanige
verbeeldingen?’
Bij het overwegen van deze opmerkelijke uitspraak, waarin de
uitwerking van het beeld dus groter wordt genoemd dan de uitwerking van het
woord, een soort superlatief ten opzichte van
Cats, dienen we te bedenken dat hier geen literator maar
een man van het vak zijn mening verkondigt. Bovendien bevindt
De Lairesse zich met deze zienswijze op het geheiligde
spoor van
Horatius, die in zijn
Ars poetica had geconstateerd dat de geest minder
gestimuleerd wordt door wat zij via het oor absorbeert, dan door wat zij krijgt
aangeboden via de betrouwbare tussenkomst der ogen.
147
Vooral uit zijn vervolg blijkt weer duidelijk dat De Lairesse als overtuigd
classicist geheel oordeelt op grond van het decorum-principe.
148 Na
een kort overzicht van enkele thema's die op zichzelf niet schandelijk waren
maar wel vaak schandelijk werden geïnterpreteerd, zoals
‘Jozef en Potifars vrouw’ en ‘Leda’,
voert hij aan dat ‘indien het verbeelde naar vereis is uitgedrukt’,
en ieder voorwerp zijn eigen rol speelt, afhankelijk van ‘zaak, tyd en
geleegentheid’, naakt als naakt en gekleed als gekleed moest worden
weergegeven. Als schenders van het decorum worden ten overvloede nog díe
kunstenaars ten tonele gevoerd die zich voortdurend op het naakt toelegden,
zonder enig onderscheid te maken tussen ‘een eerlyke Vrou of Lichtekooy,
Venus of Diana, Lucretia of Flora.’
Het thema van ‘Jozef en Potifars vrouw’ geldt ook in
Houbrakens Groote schouburgh als riskant voor de zedelijkheid.
149
Houbraken roept hierbij de nog steeds als autoriteit
geldende
Pels te hulp die over het uitbeelden van dit gegeven een
uitgesproken negatieve mening had. Een en ander maakt deel uit van Houbrakens
tweede verhaal over de beruchte Torrentius, een verhaal dat een correctie bevat
en een uitvoerige aanvulling is op hetgeen Houbraken in het eerste deel van
zijn trilogie over deze schilder had meegedeeld.
150
De door zijn uitzonderlijke gedragingen maatschappelijk vogelvrij
geworden Torrentius was iemand op wie een classicist als Houbraken zijn
fatsoensneigingen kon botvieren. Tijdens het opzienbarende Haarlemse proces in
1627, was reeds al het mogelijke tegen Torrentius uitgespeeld. Zo ook zijn
schilderijen van naaktfiguren, die door de Haarlemse overheid werden | | | | geconfisqueerd en volgens sommigen in het openbaar verbrand.
151 De naaktvoorstellingen waren niet de aanleiding geweest
tot dit proces, maar zij vormden wel een belangrijk nevenbewijs om Torrentius'
verdorvenheid aan te kunnen tonen. Het geval is, voor zover ik weet, uniek in
het zeventiende-eeuwse Nederland, omdat de openbare rechtspraak hier bemoeienis
had met als pornografie beschouwde schilderijen.
De figuur van Torrentius brengt
Houbraken ertoe enige ernstige woorden te laten horen:
‘Zoo dan de Schilderjeugt naar goeden raad luisteren wil, zoo moet zy in
stee van dusdanige walgelyke voorwerpen te verbeelden tot hare schande, veel
liever tot roem door haren konstpenceel zedespiegels vertoonen… 'T is
niet voeglyk dat men geheyme schandelykheit, geile, walghelyke en vuile
bedryven, die in den duister, of uit eygen schaamte achter de gordynen gepleegt
worden, bloot vertoont.’ Na geconstateerd te hebben dat schilderkunst en
dichtkunst zusters zijn, beide opgekweekt door de kuise Parnasnimfen, en dat de
eer van deze zusters door ‘geile bedryven’ werd aangetast, schakelt
de auteur met de zin: ‘Wat meenje is de reden dat het spel van Josef van
velen van den Schouburg werd afgeweert?’ over op het genoemde citaat van
Pels.
152
Zoals uit Houbrakens betoog valt af te leiden heeft de in verleiding
gebrachte Jozef in geschilderde toestand een niet minder funeste invloed op de
menselijke ziel. De opmerking over de gezusters Schilderkonst en Dichtkonst (=
toneel) staat ook allerminst alleen. Reeds bij het ontvouwen van zijn plan, in
de inleiding van zijn driedelige werk, had Houbraken, met Pels in de hand,
nadrukkelijk gewezen op de verwantschap tussen beide kunsten.
153 ‘Ook zullen
wy… de Tooneelwetten, anders
't Gebruik én misbruik des tooneels van
den braven Dichter Andries Pels, op de Schilderkonst toepassen, en uit der
zelver grontwetten voorbeelden tot Bespiegelinge afleiden. Waar uit blyken zal
dat de Dicht- en Schilderkonst eene en zelve Grondregelen tot haar Basis, of
voetstuk hebben…’
Het was dus te verwachten dat Houbraken zijn leidsman niet alleen
zou volgen waar de juiste weg werd gewezen, maar ook dat hij met Pels zou
instemmen waar deze zijn verontwaardiging luchtte. Ingepast in Houbrakens
verhandeling over Torrentius (waarin Torrentius een enigszins ondergeschikte
rol speelt) is een tweede citaat uit Pels, dat betrekking heeft op enkele
andere gewaagde toneelstukken:
154
'T is wel te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachen,
Zoo lodderlyk, en los malkand're om lusjes prachen,
De jeugd in brand zet, en alzoo van 't Schouwtooneel
Den dwaalweg regelrecht doet inslaan naar 't bordeel.
Het kan
Houbraken moeilijk zijn ontgaan dat
Pels niet polemiseerde tegen naaktvoorstellingen op het
toneel (die kwamen niet voor), maar wel tegen amoureuze, erotische situaties
die hem moreel onwelgevallig waren. Wanneer we Pels zelf raadplegen blijkt het
onder meer te gaan over scènes die sterke overeenkomsten vertonen met
bepaalde amoureuze voorstellingen in de schilderkunst.
155 De geschiedenis van ene
Dieuwertje in ‘'t spél van Iemand én van Niemand, daar 't
beslaapen / mét Lodewyk, die half gekleed, zyn'straf ontvliedt, / Ten
minsten barrevoets, óp 't vol tooneel geschiedt’, was evenmin een
naaktvoorstelling. ‘Barrevoets’ moet hier waarschijnlijk meer
letterlijk worden genomen dan ‘half gekleed’. De aangehaalde zinnen
van Pels wekken vooral associaties met bordeelscènes zoals bijvoorbeeld
Metsu en
Jan Steen die geschilderd hebben. Daarom kan men zeggen
dat Houbraken, die in Torrentius en zijn ‘naakte Vroutjes’ een
welkome aanleiding tot zedepreken vond, met de uitdrukking ‘walghelyke en
vuile bedryven’ behalve onkuise naaktvoorstellingen ook allerlei
genrevoorstellingen op het oog had, die ‘zusterlijk’ aansloten bij
de door Pels gewraakte toneelscènes.
156 Het is geenszins
uitgesloten dat een aantal van de door ons behandelde schilderijen eveneens
binnen de taboe-zone van Houbraken viel. Binnen de taboe-zone van Pels vielen
ze ongetwijfeld.
| |
| | | |
Na deze uitvoerige omzwervingen langs de vaag zichtbare
schaamtegrens van de zeventiende eeuw, kunnen er ten aanzien van de reeks
schilderijen met vogelverkopers en andere pikante onderwerpen enige
voorzichtige conclusies worden getrokken. Gemakshalve ga ik daarbij uit van de
misschien wat optimistische veronderstelling dat het merendeel van deze werken
voor de zeventiende-eeuwer weinig of geen uitleg behoefde.
Centraal in al de voorstellingen die ter sprake zijn gekomen,
staat de ‘min’, nooit de ‘liefde’. Het is weinig
aannemelijk dat
Bredero,
Starter en
Focquenbroch en hun geestverwanten, maar ook
Huygens, daar iets tegen gehad zullen hebben. Van
Huygens kan men zich slechts indenken dat het vogel-genre hem artistiek
onbewogen heeft gelaten.
157 Door fervente aanhangers van de verheven
liefdesmoraal, zoals wij die bij enkele auteurs verwoord vonden, kan een sterke
belichting van de sensuele min daarentegen wel als bezwaarlijk zijn gevoeld.
Diegenen onder hen die bovendien de mening waren toegedaan dat beeldende kunst,
en ‘wellustige’ kunst in het bijzonder, verregaand en fnuikend op
de menselijke ziel kon inwerken, zullen zich des te meer gereserveerd hebben
betoond. Dat de in de literatuur vermelde voorbeelden van ‘schandelicke
schilderyen’ voornamelijk beperkt bleven tot bijbelse en mythologische
onderwerpen, betekent slechts dat de desbetreffende auteurs vasthielden aan
traditionele clichés en niet dat andere onderwerpen nooit enige kritiek
hebben uitgelokt. Waarom zouden bijvoorbeeld de waarschuwingen van
Cats niet toepasselijk zijn op onze reeks
‘verleidingsscènes’?
Ofschoon men kan aanvoeren dat de schilders ervan in principe niet
anders te werk gingen dan Cats zelf in zijn
Sinne- en minnebeelden, namelijk inhoudelijk
dubbel, blijven kunstenaars en moralist toch diametraal tegenover elkaar staan.
Weliswaar toonde Cats zich in deze embleembundel van zijn meest
‘wereldse’ zijde, de minnebeelden dienden hem toch vooral om zijn
lezers te begeleiden naar de religieuze zinnebeelden. In het algemeen, en het
meest pregnant in zijn
Houwelick, heeft Cats zich gekant tegen de
carnale liefde, zoals ook tegen onkuis taalgebruik: ‘In woorden niet te
los, in daden niet te veyl.’ De kunstenaars in kwestie nu hadden een
dubbel, dat wil zeggen: voor de helft onmiskenbaar obsceen en dus voor
Cats en zijn mede-moralisten verwerpelijk oogmerk. Onder
de dekmantel van een onschuldige gebeurtenis schilderden zij uitbeeldingen van
ondeugdzame liefde, en aangezien deze liefdesscènes bovendien visuele
vertalingen waren van een weinig hoogstaande, en sedert
Pels zonder twijfel onwelvoeglijke term, moet ook hun
‘taalgebruik’ op z'n minst als dubieus zijn beschouwd.
Van belang is in dit verband nog dat het de meeste voorstellingen
aan een vermanend tegenwicht ontbreekt, zoals dat in andere categorieën
van liefdesvoorstellingen wél aanwezig is, bijvoorbeeld in de talrijke
varianten op het thema ‘Het liefdespaar en de dood’. Wat dit
betreft steken deze schilderijen ongunstig af (hoewel het de vraag is of de
zeventiende-eeuwer dit ook constateerde) tegen allerlei kluchten, die door de
auteurs geheel of gedeeltelijk ‘gered’ werden door toevoeging van
een bepaalde dosis moraal. Misschien mogen we echter in de groep van
pronkzuchtige vrouwen, op het schilderij van
Pieter Codde, een moraliserend contrast zien in de
trant van ‘alles is ijdelheid’, hetgeen voor de gehele compositie
de door de dood bedreigde liefde zou impliceren (afb. 22).
Zeker tijdens het classicisme zal het genre voor mensen met een
‘deftige’ smaak niet in aanzien hebben gestaan, al zullen de
scènes met jagers in het algemeen wel hoger zijn aangeslagen dan die met
vogelverkopers. Andries Pels, spreekbuis van het fatsoen, moet er bepaald een
dédain voor hebben gehad. De desbetreffende schilderijen immers gaven
juist het soort situaties weer die, wanneer zij op het toneel voorkwamen, door
hem om hun taal en inhoud werden gelaakt. Van
De Lairesse noch van
Houbraken (we constateerden dit al) valt te verwachten
dat ze een ander standpunt hebben ingenomen. De ‘vulgariteit’ van
althans een deel van deze kunstwerken zal des te meer in het oog zijn
gesprongen naarmate meer burgers minder vulgair werden.
158 In een tijd waarin zelfs het woord
‘hoer’ niet op het toneel kon worden geduld, moeten geschilderde
invitaties tot vogelen op velen een minstens verwarrende indruk hebben gemaakt.
Hierbij dient | | | | natuurlijk wel te worden bedacht dat toneel zich in
het openbaar, en schilderkunst zich hoofdzakelijk in de particuliere sfeer
heeft afgespeeld.
Zoals het toneel in het laatste kwart van de zeventiende eeuw aan
banden werd gelegd, zo werd het fatsoen, in tegenstelling tot in de
voorafgaande perioden, meer georganiseerd gepropageerd en gehandhaafd.
Krachtiger dan voorheen, zij het voor een deel onbewust, verleende de bovenlaag
der burgerij haar steun hieraan, geneigd als zij eigener beweging was tot
fraaiere façadebouw, tot meer verfijnde zeden en een meer verfijnd
taalgebruik
159 -
alsook tot een verfijnder soort uitspattingen, waarbij Frankrijk wellicht
eveneens richtinggevend was.
De betrekkelijkheid van dit alles valt ten slotte af te leiden uit
het feit dat kunstenaars voortgingen met het schilderen van erotische
voorstellingen, verhuld en onverhuld, ook die waarin op veelbetekenende wijze
vogels worden aangeboden, alle dominees, moralisten en voorvechters van het
decorum ten spijt. Niet in de laatste plaats deden kunstenaars dit omdat een
deel van het publiek voor het vogelen, ook voor het vogelen als visuele
metafoor, klaarblijkelijk een onverminderde belangstelling had.
|
1Robert Keyszelitz, Der ‘clavis
interpretandi’ in der höllandischen Malerei des 17.
Jahrhunderts, München 1956 (diss.).
2De tegenhanger van Metsu's
Vogelverkoper bevindt zich eveneens in de Gemäldegalerie te
Dresden. Voorgesteld is een meisje dat aan een oude vrouw een dode kip laat
zien, terwijl de grijsaard die ook op het andere stuk figureert, terzijde een
pijp zit te roken. Waarschijnlijk is hier sprake van een gelijksoortige
dubbelzinnigheid; de betekenis is echter niet geheel duidelijk (zie opmerking
op p. 35). De dorre boom die op beide composities achter de oude man staat, zou
een allusie op zijn ouderdom en wellicht op zijn impotentie kunnen zijn. Zie
ook noot 29.
3Jacob Cats, Silenus Alcibiadis, sive
Proteus… (1618), ed. Amsterdam 1622. Volgens de opgave van W.C.M. de
Jonge van Ellemeet, Museum Catsianum, Den Haag 1887 2,
beleefde dit boek van Cats zesentwintig herdrukken (buiten die, opgenomen in de
vele edities van Alle de wercken). Zie verder P.J. Meertens,
Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft van der
zeventiende eeuw, Amsterdam 1943, 254-258; H. Smilde, Jacob Cats in
Dordrecht. Leven en werken gedurende de jaren 1623-1636, Groningen etc.
1938, 121-128; E. de Jongh, Zinne- en minnebeelden in de schilderkunst van
de zeventiende eeuw, Amsterdam 1967, 21-22.
4C. Kilianus, Etymologicum Teutonicae
linguae, sive dictionarium Teutonico-Latinum (1599), ed. Utrecht 1623, s.v.
‘voghelen’; Woordenboek der Nederlandsche Taal (verder aan
te halen als WNT), deel XXI, kol. 180-181: ‘veugelen’; deel XXII,
I, kol. 577-578: ‘vogelen’. Vgl. het nog steeds gangbare Duitse
woord ‘vögeln’ voor coïre, en het Italiaanse substantivum
‘uccello’ voor penis; zie Jacques Schnier, ‘The symbolic bird
in medieval and renaissance art’, The American Imago, vol. 9, June
1952, nr. II, 24; A.G.J. Hermans, Jacht en taal, Schiedam 1951, 749; en
J.A. Huisman, ‘Nette en onnette woorden’, in: Nette en onnette
woorden, Hilversum etc. 1962, 13.
5Constantijn Huygens, Tryntje Cornelis
(ed. Alex Bolckmans), 's-Gravenhage 1960, 61; uitvoeriger annotaties in
Tryntje Cornelisdr, (ed. (H.J. Eymael), Zutphen (1911), 17.
6Zie bijvoorbeeld Werner Hensel, Die
Vögel in der provenzalischen und nordfranzösischen Lyrik des
Mittelalters, Erlangen 1908 (diss.), passim; D. Bax, Ontcijfering van
Jeroen Bosch, 's-Gravenhage 1949, 19; idem, Beschrijving en poging tot
verklaring van het Tuin der Onkuisheid-drieluik van Jeroen Bosch…,
Amsterdam 1956, o.a. 28, 56, 57.
7Het betreft hier een frontispice uit ms.
4014. Bibliothèque Nationale (fonds latin); beschreven in: L.
Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande, Brussel 1907,
35.
8Bax, Beschrijving…, o.c. (noot
6) s.v. ‘vogel’.
9Een bijzonderheid is dat de schilder twee
mannetjesmussen heeft weergegeven.
10Zie voor Sanders van Hemessen (mogelijk ook
de Brunswijkse Monogrammist), Konrad Renger, Lockere Gesellschaft. Zur
Ikonographie des Verlorenen Sohnes und von Wirtshausszenen in der
niederländischen Malerei, Berlijn 1970, 100 en 120-128; voor Van den
Venne, E. de Jongh e.a., Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse
genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw, Rijksmuseum, Amsterdam 1976,
251-253.
11Het voorheen nagenoeg onbekende schilderij
van De Gheyn dook in 1959 in de Engelse kunsthandel op.
12Jan Grauls, Volkstaal en volksleven in
het werk van Pieter Bruegel, Antwerpen etc. 1957, 141-147.
13Leo Spitzer, Über einige Wörter
der Liebesprache. Vier Aufsätze, Leipzig 1918, 31 e.v.; WNT, deel VII,
ii, kol. 3111; deel III, ii, kol. 3561.
14Bax, Ontcijfering…, o.c. (noot
6) 143-144; Carl Gustaf Stridbeck, Bruegelstudien. Untersuchungen zu den
ikonologischen Problemen bei Pieter Bruegel d. A. sowie dessen Beziehungen zum
niederländischen Romanismus, Stockholm 1956, 109. Zie ook Huisman,
o.c. (noot 4) 17, noot 14. Verder bijv. D.W. Robertson jr, A preface to
Chaucer. Studies in medieval perspectives, Princeton 1963, 411, noot 30
(over de torenvalk, kestrel, als ‘windfucker’).
15Voor De Jode, zie F.W.H. Hollstein, Dutch
and Flemish etchings, engravings and woodcuts IX, Amsterdam z.j., 205. De
desbetreffende gravure maakt deel uit van een serie temperamenten (Maerten de
Vos inventor) en toont een krijgsman als Cholericus, vergezeld van een
marketentster; voor Buytewech, zie E. Haverkamp Begemann, Willem
Buytewech, Amsterdam 1959, 177; voor Van Bijlert, Catalogus der
schilderijen, Centraal Museum, Utrecht 1952, 29 (nr. 61).
16WNT, deel XII, ii, kol. 362.
17De werken van G.A. Bredero (ed. J. ten
Brink e.a.), I, Amsterdam 1890, 272.
18Vondel, De werken (ed. Van
Lennep-Unger), Leiden z.j., 1630-1636, 225 (‘De Musch van Suzanne
Bartelot’); Jacob Cats, Houwelick… (1625), in: Alle de
wercken, Amsterdam 1665, 158. Zie ook Johan de Brune, Banket-werk van
goede gedachten, Middelburg 1657, 176-177, paragraaf over
‘ Onkuysheyd’; ‘… Zulcks dat een pijlicke weduwe
die noch nauwelick wijfs waerd en was, van goed en overvloedigh bloed
ghesponnen zijnde, heeft durven zegghen, dat zoo zy haer exempel en voorbeeld
van de voghels moeste nemen, dat-ze liever de mosschen, als de tortel-duyven
naer-volghen zoude.’
19Cesare Ripa, Iconologia, of uytbeeldingen
des verstands…, uyt het Italiaens vertaelt door D.P. Pers, Amsterdam
1644, 143-144. Zie ook Ioannes Pierius Valerianus, Hieroglyphica…
(1556), ed. Lyon 1602, 245 (‘De Perdice: amor turpissimus’).
20Caspar Barlaeus, Epistolarum liber,
Amsterdam 1667, 627-629 (de brief is gedateerd 20 oktober 1635); (J. van
Vloten), Tesselschade Roemers en hare vrienden in 1632-1649, Leiden
1852, 19.
21E. Verwijs & J. Verdam,
Middelnederlandsch Woordenboek, IX, 's-Gravenhage 1929, 774; E. Soens,
‘Onuitgegeven gedichten van Anna Bijns’, Leuvensche
Bijdragen 1902, 305 (Refereyn XXIX, A: ‘Blamclyc / eest / met voglene
tsyne verkeerelt’).
22Verwijs & Verdam, o.c. (noot 21)
774.
23De werken van G.A. Bredero, o.c. (noot
17) 348-349.
24A.A. van Rijnbach, De kluchten van Gerbrand
Adriaensz. Bredero, Amsterdam 1926 (diss.), 60.
25De werken van G.A. Bredero, o.c. (noot
17) II, 196.
26Jan Jansz Starter, Steeck-boekjen ofte het
vermaak der jeugdelyker herte…, ed. Amsterdam 1786, 102. Het
pendantvers ‘aan de Dogters’ eindigt met de regel ‘Als 'k
Vinke mijn Lief alleen’. Hier heeft ‘vinken’ de betekenis van
‘vogelen’ overgenomen.
27I. Burghoorn, Klucht-hoofdige snorre-pypen
/ quacken, en quinck-slagen…, z.p. 1644, 38.
28Het WNT, deel XXI, kol. 1167-1168, geeft het
werkwoord ‘vissen’ in erotische zin, onder verwijzing naar Jan Zoet
e.a. Een kleine zilveren penning van de zeventiende-eeuwse Utrechtse zilversmid
Dirck Strycker, onder meer een visser en een vrouw voorstellend, draagt de
inscriptie: ‘Visscher hebt ghij oock ghevanghen yet. Neen ick maysken
mijn hangel roe is slap en mijn aes en deucht niet’ (Kon. Penningkabinet,
Den Haag); zie J.W. Frederiks, Dutch silver III, Den Haag 1960, 18 (nr.
49), pl. 33. (Voor de vis als fallisch symbool zie Bax,
Ontcijfering…, o.c. (noot 6) 34-35, en C.W. de Groot, Jan
Steen. Beeld en woord, Utrecht etc. 1952, 116). Bij Jacob Westerbaen,
Gedichten I, 's-Gravenhage 1672, 252, treft men de volgende regels aan:
‘Nu vischt, nu vogelt ghy, en weetse bey te vangen: / Dees doet ghy in
een strick, die aen den hengel hangen’. Het Rijksprentenkabinet te
Amsterdam bezit een serie van twaalf gravures uit het begin van de zeventiende
eeuw (kunstenaar anoniem), waaronder één prent waarop een visser
en een vrouw zijn uitgebeeld. Het bijschrift hiervan luidt: ‘Tis best dat
ick visse, tvogelen my niet en dient/ Maeckt u dan aent poeyeren, sou ick u
raeyen vrint.’ Ten slotte een voorbeeld dat te vinden is op een
rijkelijk met illustraties overdekte nautilusschelp uit het begin van de
achttiende eeuw in het Rijksmuseum. Naast elkaar gegraveerd zijn hier een
voorstelling van een visser met een vrouw en een voorstelling van een vogelaar
met een vrouw. De onderschriften vormen één zin: ‘Als Ik
Met Vissen Niet kan geraken / dan Moet Ik Met Voogelen Vrientschap
Maken.’
29Zie over dit liedboek G. van Rijn, Atlas
Van Stolk. Katalogus I, Amsterdam 1895, 350-352, en D.P. Snoep, ‘Een
17de eeuws liedboek met tekeningen van Gerard ter Borch en Pieter en Roeland
van Laer’, Simiolus 3 (1968-69), 77-134. Ongetwijfeld wijst ook de
geknakte, deels in het water gevallen boom achter de oude man op de tekening op
diens onvermogen in sexualibus (zie ook noot 2).
30W. van Focquenbroch, Alle de werken II,
ed. Amsterdam 1709, 5-9.
31Jeroen Jeroense (ps. van H. Sweerts),
Koddige en ernstige opschriften op luyffens, wagens, glazen, uithangborden,
en andere taferelen I, ed. Amsterdam 1698, 47. Wat het opschrift betreft:
‘By 't eeten van een Entvogel…’, zou men dit vers in verband
kunnen brengen met een schilderij van Reinier Covijn (verzameling dr. Albert
Bader, Milwaukee), waarop een meisje bezig is een eend schoon te maken terwijl
een drinkende man zijn arm om haar schouders legt. Een schilderij en een
tekening van een meisje dat een eend plukt, kennen we ook van Barent Fabritius
(tent. cat. Rembrandt als leermeester, Leiden, De Lakenhal 1956, nrs. 41
en 116). In deze gevallen is een op de erotiek betrekking hebbende betekenis
evenmin uitgesloten maar uiteindelijk onbewijsbaar. Zie verder Jeroen Jeroense,
I, 24 (‘ Twee Makkers gevangen zittende schreven aldaar aan de
Muir:/Jan Hantjes en Pieter Schier/ Hebben geseten alhier,/ Niet om haar
dievery,/ Noch om haar schelmery,/ Maar om haar eerlijke Veugelary’); en
I, 92 (‘ Op een Toebaksdoos daar een mans persoon met een Visje, en een
vrouwspersoon met een Vogeltje op stond: /Het Vissen is goet, / Maar 't
Vogelen is wel zo zoer’). In de negentiende-eeuwse herdruk - Amsterdam
1830 - zijn deze drie gedichten weggelaten.
32(Gysbert Tysens), Apollo's Marsdrager,
veylende allerhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp en
mengeldigten… II (‘De 39, druk’), z.p. 1725, 129. Zie
ook: Ibidem, I (‘De zeven-en negentigste druk’), z.p. z.j. (ca.
1700), 20.
33Ibidem, I, 7 en 76. Zie ook het overigens
onevenwichtige en tendentieuze boek van H.F. Wirth, Der Untergang des
niederländischen Volksliedes, Den Haag 1911, 150.
34Tysens, o.c. (noot 32) I, 79. Zie verder de
‘samen-spraeck’ tussen een jager en een vrijer, geciteerd op p. 39;
en WNT, deel VII, i, kol. 70. Tevens: ‘kitteljacht’: WNT, deel VII,
ii, kol. 3191-3192.
35Ook in de negentiende en twintigste-eeuwse
literatuur stuiten we soms nog op de woorden ‘vogelen’ en
‘vogelaar’. In J. Immerzeels Lotgevallen van Balthazar
Knoopius (1813), ed. Amsterdam 1842, 28, blijkt het woord
‘vogelen’ respectabeler geworden: ‘Ik weet het niet, maar het
schijnt mij toe, dat best zou zijn, onzen zoon maar eerst eens in zijne zaken
te zetten; en dan eens te zien, of hij uit zich-zelven niet eens uit vogelen
zal gaan.’ ‘Vogelaar’, ongeveer in de betekenis van
koppelaar, wordt gebruikt in een boekje van een oud-hoofdinspecteur van de
Amsterdamse recherche (‘een kijkje achter de schermen’): C. Batelt,
Duister Amsterdam, Amsterdam z.j. (1911), 67. Het woord
‘vogelen’ is in Vlaanderen nog steeds gangbaar en niet bijzonder
onfatsoenlijk. Louis Paul Boon bijv. gebruikt het in De Kapellekensbaan
(1953), ed. Amsterdam 1966, 242: ‘Tegen de paster vertellen ze dat ze
jezuske gaarne zien… en tegen vieze, die daar aan de Iste vuile huizen
boven het café op kamers woont, tegen die vertellen ze dat ze gisteren
nog een meisje langs achter hebben gevogeld… en tegen andré de
theosoof vertellen ze dat ze de doden hebben horen spreken. Zodat de paster
peinst dat alle mensen jezuske gaarne zien, en vieze dat iedereen de meisjes
alachter vogelt…’
36Huisman, o.c. (noot 4) 7-18, en J.J.
Dijkhuis, ‘Nette en onnette woorden; historische kanttekeningen bij een
cultuur-psychologisch probleem’, in: Nette en onnette woorden,
o.c. (noot 4) 34-35. De beschavingsvormen van de kleine aristocratische
groeperingen die reeds in de eerste helft van de zeventiende eeuw en ook
daarvóór een aparte plaats innamen, blijven hier buiten
beschouwing. Zie Fokke Veenstra, Ethiek en moraal bij P.C. Hooft. Twee
studies in renaissancistische levensidealen, Zwolle 1968, 11-101
(‘Aristocratische moraal. Een facet van de Geeraerdt van
Velsen’).
37Constantijn Huygens de Zoon, Journaal van
21 oktober 1688 tot 2 september 1696 I (Werken uitgegeven door het
Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht. Nieuwe Reeks nr. 23), Utrecht
1876, 152 (9 juli 1689).
38Metsu varieerde de compositie enige tijd
later. Op een schilderij in de Uffizi te Florence wordt een staande jonge vrouw
benaderd door een zwierige jager, die het geweer op zijn schouder laat rusten
en die in zijn linkerhand, waarmee hij tegelijkertijd de kolf naar beneden
drukt, een patrijs vasthoudt. Zie S.J. Gudlaugsson, ‘Kanttekeningen bij
de ontwikkeling van Metsu’, Oud Holland 83 (1968), 27-28 en 41.
Zie voor Tysens noot 32.
39Wilhelm R. Valentiner, Pieter de
Hooch, Klassiker der Kunst, Stuttgart etc. 1929, 240 (als Hendrick van der
Burch).
40WNT, deel IX, kol. 1345-1346.
41Afgebeeld in Eduard Fuchs, Illustrierte
Sittengeschichte… Renaissance, München 1909, 263.
42Roemer Visscher, Brabbelingh (1614),
ed. Amsterdam 1669, 147. Zie voorts C.W.M. Verhoeven, Symbolick van de
voet (diss. Nijmegen), Assen 1956, 94-99; William A. Rossi, The sex life
of the foot and shoe, New York 1976; en De Jongh e.a., o.c. (noot 10)
259-261. Een veelzeggende toepassing ook bijvoorbeeld in Incogniti
scriptoris nova poemata. Nieuwe Nederduytsche gedichten en raedtselen (ed.
Jochen Becker), Soest 1972, 184: ‘Schilderken sprackse Conterfeyt my eens
na 'tleven/ Ick sal u een paer fluele schoene geven…’
43Een schoon liedekens-boeck (1544), (ed.
Hellinga), 's-Gravenhage 1941, 1; P.C. Hooft, Gedichten. Volledige
uitgave door F.A. Stoett, II, Amsterdam 1900, 228; vs. 292 uit het treurspel
Geeraert van Velsen (Rey van Amstellandsche Joffrên): ‘Dat
ick (God lyd het nimmermeer) / Zy teghen die schand opghewassen; / Sprack
Geerart van Velsen tot zyn Landtsheer, / Uw slete schoen myn voet niet
passen.’ Roemer Visscher, o.c. (noot 42) 36.
44Volgens Gudlaugsson, o.c. (noot 38) 32,
stelt de uit het raam hangende man Metsu zelf voor. Ik kan mij met deze
zienswijze moeilijk verenigen. Er is m.i. ook geen sprake van ‘de
gestolen buit van De slapende jager’ (o.c. 35, noot 76). Het
vermoedelijk obscene manuaal van de man in het venster is hier kennelijk als
een grijp-gebaar opgevat.
45Zie Eduard Plietzsch, Holländische
und flämische Maler des XVII. Jahrhundert, Leipzig 1960, 71 en
afb. 109; en Peter Sutton, ‘Hendrick van den Burch’, The
Burlington Magazine 122 (1980), 315-326, i.h.b. 324-325.
46Daniël Heinsius, Nederduytsche
poemata, Amsterdam 1616, 78. De eerste vier regels van het vers luiden:
‘Cupido leert het spel dat Hollandt heeft gevonden, / Hy proeft te gaen
op 't ys, hy heeft twee schaetsen aen. / Hy heeft twee ysers scherp aen zijne
voet gebonden, / Daer mede hy meynt op 't water vast te
staen…’
47I.H. van Eeghen, ‘De verzamelaar
Nicolaas Doekscheer’, Bulletin van het Rijksmuseum 19 (1971)
173-182, i.h.b. 175 en afb. 3.
48WNT, deel XIV, kol. 2856.
49Voor de Metsu in Florence zie noot
38.
50Bax, Ontcijfering…, o.c. (noot
6) 34.
51Rijksprentenkabinet, Amsterdam; beschreven
in A. Bartsch, Le peintre-graveur, XVIII, Leipzig 1870, nr. 114:
‘Le vieillard et la courtisane’.
52De Groot, o.c. (noot 28) 91 e.v. Aertgen van
Leyden (Prentenkabinet Rijksuniversiteit Leiden), afgebeeld in J. Bruyn,
‘Twee St. Antoniuspanelen en andere werken van Aertgen van Leyden’,
Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 11 (1960), 70.
53Samuel van Hoogstraeten, Inleyding tot de
hooge schoole der schilderkonst, Rotterdam 1678, 183: ‘… maer
men zach'er ook een hondt, die op een onstichtelijke wijze een teef besprong.
Zeg vry, dat dit gebeurlijk en natuerlijk is, ik zegge dat het een verfoeilijke
onvoeglijkheyt tot deze Historie is.’ Zie voor decorum p.
46-58.
54Zes jaar na het schilderij van Codde, in
1639, ontstond Rembrandts zelfportret met de roerdomp. Wat de demonstratieve
manier betreft waarop Rembrandt deze vogel aan de toeschouwer toont, past dit
schilderij in de reeks werken van Codde, Metsu, Slingelandt en Verkolje. In
tegenstelling tot de voorstellingen op deze schilderijen echter, ontbreekt het
in dit zelfportret aan versterkende, ‘gelijkgerichte’ details, die
een bepaalde interpretatie zouden wettigen. Niettemin moet rekening worden
gehouden met de mogelijkheid dat Rembrandt zich hier als ‘vogelaar’
(minnaar) heeft willen presenteren.
55WNT, deel V, kol. 1464.
56Roemer Visscher, o.c. (noot 42)
91.
57Zie voor de haan noot 14. Voor de eend noot
31 en De Groot, o.c. (noot 28) 90-91. Hooft gebruikt in zijn ‘Koelte van
Antwoordt’ het woord ‘end’ (eend) in de betekenis van
‘vrouw’:
Wilt ghij dat mijn' wóórden
wóórden
Strecken, die in fujk van kóórden
Lokken ander' enden, (mój)
Wijzend hun den wegh te kóij,
Daer mij in een Adlaer lókte,
Die zijn hartjen overdókte
Dat zoo menigh end doet schrejen…
Zie P. Tuynman en F.L. Zwaan, Proeven van tekst en
commentaar voor de uitgave van Hoofts lyriek, II. Gedichten voor
Huygens, Amsterdam 1968, 96, 127 en 128.
58Lucas van Leyden: Hollstein, o.c. (noot 15)
X, 71. In Fuchs, o.c. (noot 41) 21, vindt men dezelfde voorstelling op andere
wijze weergegeven, maar wederom met de kan voor het bed; deze gravure staat
hier op naam van Lucas van Leyden. Pieter Coecke van Aelst: afgebeeld in J.G.
van Gelder, ‘Een nieuw werk van Pieter Coecke van Aelst’, Onze
kunst I (1929), 134-136. Joachim Wttewael: vermeld in catalogus van
Schilderijen, Gemeentemuseum Arnhem 1956, 41.
59H. Goltzius (toegeschreven aan): kunsthandel
Hartveld, Antwerpen 1937. Willem van Mieris: vermeld in catalogus
Schilderijen, Hermitage, Leningrad 1958, nr. 1856. Naast de pot op het
schilderij van Van Mieris ligt een omgevallen kandelaar; de kaars is eruit
gevallen. Ook hier is de symboliek duidelijk genoeg. Zie voor de kaars noot
64.
60Navolger van Vincent Sellaer: vermeld in
catalogus Schilderijen, Rijksmuseum Amsterdam 1920, nr. 348 (als Vlaams,
tweede helft van de zestiende eeuw). Nicolaus Knüpfer: vermeld in
catalogus Museum der bildende Künste, Leipzig 1929, nr. 956. Philips Galle
naar Goltzius: afgebeeld in Eduard Fuchs, Illustrierte
Sittengeschichte… Renaissance Ergänzungsband, München
1909, 119.
61Ook de twee potten die, op een prent van
Heinrich Ullrich († 1621), een liefdespaar - een boer en een
kasteelvrouw - flankeren, zijn in zoverre irrelevant voor de voorstelling dat
ze geen natuurlijke functie vervullen. Ongetwijfeld dienen ze hier dan ook als
uterussymbolen. Afgebeeld in Eduard Fuchs, Geschichte der erotischen
Kunst, München 1920, 211. Een ander voorbeeld is misschien nog de op
de grond liggende kan op Isaac Koedijks Het lege wijnglas; deze kan is
dan niet alleen een verwijzing naar de man met het lege glas maar ook naar het
vrijende paar in de nis op de achtergrond, waarvan de vrouw bovendien nog een
kan in haar hand houdt. Afgebeeld in tent. cat. Vermeer. Oorsprong en
invloed, Museum Boymans, Rotterdam 1935, nr. 63a, afb. 138.
62Zie P.J. Vinken, ‘Some observations on
the symbolism of the broken pot in art and literature’, The American
Imago 1958, 149-174.
63Uien stonden ook bekend als aphrodisiacum;
zie H.K. Poot, Het groot natuur-en zedekundigh werelttoneel… II,
Delft 1743, 48. Godfried Schalken schilderde een voorstelling van een meisje
met een tros worsten, waarvan één in haar hand als duidelijke
fallische toespeling; een ander meisje kreeg van Schalcken een haring in de
hand met dezelfde bedoeling. Zie De Groot, o.c. (noot 28) 116. De Groot greeft
verscheidene voorbeelden van dit soort ‘vulgaire’ toespelingen:
o.c. 62 en 116.
64WNT, deel VII, i, kol. 680. Johannes
Sartorius, Adagiorum Chiliades Tres… Ex recensione Cornelii
Schrevelii, ed. Leiden 1656, 590.
65Jacob Cats, Silenus Alcibiadis, sive
Proteus, o.c. (noot 3) 66 e.v. (‘Fit spolians spolium’).
Daniël Heinsius, Emblemata amatoria, Amsterdam 1608, 20 (‘Il
mal mi preme, & mi spaventa il peggio’).
66Voor Sanders van Hemessen, zie Renger, o.c.
(noot 10) 129, afb. 82; voor Maes, De Jongh e.a., o.c. (noot 10) 145-147;
Steen: National Gallery, Londen, nr. 2559.
67Afgebeeld in Fuchs, o.c. (noot 41) 293. Zie
ook Valerianus, o.c. (noot 19) 135 (‘De Fele: muliebris
salacitas’).
68Bax, Ontcijfering… (noot 6)
225.
69Arthur Henkel & Albrecht Schöne,
Emblemata. Handbuch zur Sinnbildkunst des XVI. und XVII.
Jahrhunderts, Stuttgart 1967, 750: ‘Het lichaam is de koy, die
houdt de ziel ghevanghen.’
70De Jongh, o.c. (noot 3) 34-38.
71Heinsius, Emblemata amatoria, o.c.
(noot 65) 21. Andere erotische details in Steens schilderij zijn het konijn
(symbool der vruchtbaarheid: zie Roemer Visscher, Sinnepoppen, Amsterdam
1614, 93; alsook van de carnale liefde: zie Guy de Tervarent, Attributs et
symboles dans l'art profane 1450-1600 II, Genève 1959, 231 en
241-242) en het juk (huwelijkssymbool: zie Ripa, o.c. (noot 19) 208).
72Frans van Mieris en Godfried Schalcken: De
Jongh, o.c. (noot 3) afb. 23 en 24. Cats, Silenus Alcibiadis …,
o.c. (noot 3) 102-103. Voor achttiende-eeuwse voorbeelden zie Eduard Fuchs,
Illustrierte Sittengeschichte… Die Galante Zeit.
Ergänzungsband, München 1911, 90 en 171. Zie ook C.J. de Bruyn
Kops, ‘Elisabeth Geertruida Wassenbergh en haar familie, een 18de-eeuws
schildersmilieu te Groningen’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek
12 (1961), 139 en 143.
73Fuchs, o.c. (noot 61) 238. Zie ook idem,
o.c. (noot 72) 31 en 148.
74WNT, deel VII, ii, kol. 5322 e.v.
(‘kooi’); vgl. noot 57. WNT, deel VII, ii, kol. 5329
(‘kooien’).
75Salomon van Rusting, De kat in 't
vagevuur, of mislyke kattendroom van antique en moderne saken, in: De
vol-geestige werken, ed. Amsterdam 1712, II iii, 14. Zie ook
d'Amsterdamze kordewagen, Amsterdam 1662, II: ‘Wegh dan met Jaaje,
/ Die zoo licht by yeder koyt…’
76WNT, deel VIII, ii, kol. 1960-1961
(‘lichtekooi’).
77E. de Jongh, ‘De nood van het
naakt’, in: Symbiose. Een bloemlezing uit drie jaargangen,
's-Gravenhage 1965, 10-25.
78Zie over het begrip
‘schaamtegrens’: Norbert Elias, Über den Prozess der
Zivilisation, Bazel 1939, I, passim, II, 397-409. Over
‘normen’: J.A.A. van Doorn & C.J. Lammers, Moderne
sociologie. Systematiek en analyse, Utrecht etc. 1967, 92-96, en H. de
Jager en A.L. Mok, Grondbeginselen der sociologie, Leiden 1965, 32-36.
In zijn uit 1644 daterende Wetsteen der vernuften (in: Alle
volgeestige werken, ed. Amsterdam 1681) geeft Jan de Brune de Jonge te
kennen dat er voor hem, als tijdgenoot, weinig duisterheid omtrent deze
schaamtegrenskwestie bestond. Voor ons scheppen de waardering en vooral de
rubricering van De Brune's woorden reeds problemen. Zoals trouwens ook andere
in dit artikel aangehaalde teksten ‘sociologisch’ problematisch
blijven. Jan de Brune ‘aan den lezer’ (4-5): ‘Ons mannevolk
is, deur de bank, in allerley zoorten van porteryen voor den tijd, zo zeer
gekonfijt, dat zy, om de huwelixpligt aan hun bruits te betalen, zich met
Pieter Aretijn niet eens hoeven te beraatstaan: en, het teerer geslacht is ook
veeltijds zo afgerecht, en deurslepen, dat zy den eersten nacht van haar
bruiloft, naaulix yet nieuws konnen leeren… ik wil zeggen, dat zy, door
velerhande snuffeleryen, en door het hooren en beschouwen van 't geen wulpze
hofjonkers, en kriele dartelingen, dikwils in haar tegenwoordigheid,
oneerbiedelik uitboezemen, en bedrijven, gemeenlik wel zo veel geleert hebben,
datze (hoe of ik het stameren zal?) van de middelen, waar door twee perzoonen
de wereldt met een derde verrijken, niet t'eenemaal onkundig
zijn.’
79P. Wittewrongel, Het tweede boeck van de
Oeconomia Christiana ofte Christelicke huys-houdinghe. Amsterdam 1661,
passim; vooral 1140 e.v., en 1167-1194 (‘Dat de Schouwtooneelen ende
Schouw-spelen, rechte Scholen der ydelheyt, ende sondige hooghten zijn; van de
welcke alle Christelicke Huys-vaders ende Huys-moeders een afkeer ende grouwel
moeten hebben; op dat noch sy, noch hare Kinderen, noch yemandt van hare
Huys-ghenooten, sich daer aen en komen te besondigen, noch oyt aenschouwers der
selve en zyn’). Het type Wittewrongel was in de zeventiende eeuw niet
zeldzaam, maar m.i. is de invloed van kunst smadende dominees op de cultuur
toch betrekkelijk gering geweest.
80Op de overzichtstentoonstelling van het werk
van Kees van Dongen, van 28 mei tot 10 juli 1949 in het museum Boymans te
Rotterdam gehouden, werden op last van de politie verscheidene naakten
verwijderd. De naakten op de Van Dongen-tentoonstelling, die van 8 december
1967 tot 28 januari 1968 in hetzelfde museum was te zien, waren blijkbaar
geheel in overeenstemming met de geldende normen.
82Zie A.J. Kronenberg, Het kunstgenootschap
Nil Volentibus Arduum, Deventer 1875 (diss.); J. te Winkel, De
ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde IV. Geschiedenis der
Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden II,
Haarlem 1924, 412-469; en C.G.N. de Vooys, ‘Omgangstaal in het begin en
tegen het einde van de zeventiende eeuw’, De nieuwe taalgids 45
(1952), 129-139.
83Vondel, o.c. (noot 18) 1621-1625, 96-101; en
J.A. Worp, Een onwaerdeerlycke vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria
Tesselschade, 's-Gravenhage 1918, 311: ‘Tesselschade boven mijn
slaep-camer’. Zie ook de voorbeelden in H.F. Wirth, o.c. (noot 33)
149-156. Voorts P.H. van Moerkerken, Het Nederlandsch kluchtspel in de 17de
eeuw, 2 dln., Sneek z.j.; Joh. Vorrink, Het minnedicht in de zeventiende
eeuw, Leiden 1919. Beide werken zijn sterk verouderd. In het boek van
Vorrink ontbreekt bijvoorbeeld Matthys van de Merwede, een erotisch dichter van
formaat, over wie neerlandici gedurende lange tijd hun staf hebben gebroken. G.
Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde IV, Groningen 1909,
491, heeft het naar aanleiding van Van de Merwede's Uyt-heemsen oorlog ofte
Roomsche mintriomfen…, 's-Gravenhage 1651, over
‘minnepoëzie van zoo brutale zinnelijkheid als in onze literatuur
maar zelden vertoond was.’ J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der
Nederlandsche letterkunde III. Geschiedenis der Nederlandsche
letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden I, Haarlem 1923,
545-546, doet Van de Merwede misprijzend af in enkele zinnen (‘wulpsch
werkje in Ovidiaanschen trant’); Gerard Knuvelder, Handboek tot de
geschiedenis der Nederlandse letterkunde, 's-Hertogenbosch 1964, 317, is
even kort aangebonden, zij het met iets meer appreciatie. De gewraakte bundel
had overigens succes, want zij werd driemaal herdrukt, in 1654, 1657 en 1675.
In 1653 manifesteerde Van de Merwede zich echter als ‘bekeerling’
door een bundel Geestelyke minne-vlammen te laten verschijnen. Droeg het
titelblad van de eerste bundel slechts de initialen van de auteur, op dat van
het tweede boek stond zijn naam voluit: Jonkheer M. van de Merwede, Heere van
Clootwijk. Dat sterk erotische poëzie en religieuze verzen uit de pen van
één dichter vloeiden, is in de zeventiende eeuw een niet ongewoon
verschijnsel (een ander voorbeeld vinden we in Joan Blasius die korte tijd na
zijn Fidamants kusjes uit 1663 een stichtelijke bundel het licht deed
zien). In sommige gevallen is sprake van een ‘bekering’, een enkele
maal bovendien van een verloochening (Justus de Harduwijn en zijn Weerliicke
liefden tot Roosemond, Jan Luiken en zijn Duytsche lier). Zie voor
de ‘bekering’ van Bredero: J.A. Emmens, ‘Ay Rembrant, maal
Cornelis stem’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 7 (1956),
141-143; voor die van Cornelis Pietersz. Biëns: Te Winkel, o.c. (noot 82)
1, 323-324.
84Zeeusche nachtegael… door verscheyden
treffelijke Zeeusche poëten by een ghebracht…, Middelburg 1623
(herdrukt in 1632, 1633 en 1651), 7-13.
86Ibidem 13. Zie ook Nicolaas Beets, Alle de
gedichten van Anna Roemers Visscher I, Utrecht 1881, 117 e.v.
87Van Rijnbach, o.c. (noot 24) XXVIII en LXVIII,
heeft de aandacht gevestigd op het feit dat ‘zelfs een vrouw als
Margaretha van Navarre behagen had in het thema van de klucht van de
Molenaar.’ Zie ook Elias, o.c. (noot 78) I, 244-245, over een
‘practical joke’ met een zesjarig meisje, georganiseerd door
zeventiende-eeuwse Franse hofdames, een duidelijk voorbeeld van een
‘anders’ gelegen schaamtegrens. Verrassend in dit opzicht is ook de
brief, gedateerd 23 mei 1624, die Huygens ontving van zijn vriendin Dorothea
van Dorp, een in hofkringen verkerende freule uit Den Haag. In deze brief wordt
over Anna Roemers als volgt geschreven: ‘Anna Rommers is hier met haren
man. Joffrou Dimmers heeft haer gesien. Sy is soo versiert met den man als ofse
een jonghe malote waer. Al bevrucht - de siekelijcke vrou! Ick en sal haer niet
verwachten om te sien. Ick sou qualijck worden om sulken ouwen crijng soo mal
te zien.’; zie J.A. Alberdingk Thijm, ‘Constantin Huygens en de
familie van Dorp’, De Dietsche Warande 1864, 485.
88Worp, o.c. (noot 83) 328-329.
90Ibidem 329. Het Latijnse vers is uitvoeriger:
Anguis Barlaeâ quidam veteranus in herba
Arrecto tumidus vertice colla levans
In latebris, incauta, tuis, in valle rosarum
Muscosi gestit fontis inire Specum.
91Zie over Oudaans kritiek de door Eymael bezorgde
editie van Tryntje Cornelisdr., o.c. (noot 5) 93 e.v. Verder Te Winkel,
o.c. (noot 82) I, 508.
92G. Kalff, ‘Trijntje Cornelis’, De
gids 1913, 499; Knuvelder, o.c. (noot 83) 227-228.
93Zie verder bijv. G. Kalff, Studiën over
Nederlandsche dichters der zeventiende eeuw, Haarlem 1915, 363-364 (over
Huygens). Typerend is ook Van Vlotens irritatie over Van Baerle's ‘hoogst
minzieken aard’: (Van Vloten), o.c. (noot 20) 15 e.v.; en Van Moerkerkens
inleiding bij de door hem uitgegeven kluchten (‘Vele zijn walglijk vies,
vuil en obsceen’): Van Moerkerken, o.c. (noot 83) 1, 1-10. Andere
voorbeelden in H.J. Eymaels inleiding tot Tryntje Cornelisdr.
94Starter, o.c. (noot 26) Voorreden; Kalff,
o.c. (noot 83) IV, 179.
95Opmerkelijk, door de voor ons gevoel inderdaad
scherpe contrasten, is de in 1662 te Amsterdam uitgegeven bundel
d'Amsterdamze kordewagen, waarin vijf religieuze gedichten geheel
willekeurig verspreid staan tussen een groot aantal dikwijls obscene verzen
(123-124: Morgen-zangh; 125-126: Avont-zangh; 182-186: Zangh, op Christi
Besnijdenis; 228-230: Op de Geboorte Christi; 239-240: Op de Geboorte Christi).
Zie voor Bredero: Van Rijnbach, o.c. (noot 24) XXVII, XXVIII, 3 en 46.
96Worp, o.c. (noot 83) 3-5.
97A.C. Crena de Iongh, G.C. van Santen's Lichte
Wigger en Snappende Siitgen, Assen 1959, 287.
98J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en
van het tooneel in Nederland II, Groningen 1908, 102. Zie ook Kronenberg,
o.c. (noot 82) 83-116, over ‘vriend en vijand’ van Nil Volentibus
Arduum.
99G. Kalff, Literatuur en tooneel te
Amsterdam in de zeventiende eeuw, Haarlem 1895, 182-183; Worp, o.c. (noot
98) II, 102; Te Winkel, o.c. (noot 82) II, 438-442.
100Andries Pels, Gebruik én misbruik
des tooneels (1681), ed. Amsterdam 1718, 35-36. Zie ook idem, Q.
Horatius Flaccus dichtkunst op onze tyden, én zéden
gepast…, Amsterdam 1677. Voorts Knuvelder, o.c. (noot 83)
375-380.
101Pels, Gebruik én
misbruik…, o.c. (noot 100) 28.
102A.G. van Hamel, Zeventiende-eeuwsche
opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland, 's-Gravenhage
1918, 90, 179-181; zie ook H.E.H. van Loon, Nederlandsche vertalingen naar
Molière uit de 17de eeuw, 's-Gravenhage 1911 (diss.), 64-66.
103J.C. van Holten, ‘Een opvoering van
Bredero's Moortje in 1689 en 1691’, De nieuwe taalgids 45 (1952),
227-228; en J.P. Naeff, De waardering van Gerbrand Adriaenszoon Bredero,
Gorinchem 1960 (diss.), 37-38.
104Worp, o.c. (noot 98) II, 90-103; en H.A. Enno
van Gelder, Getemperde vrijheid. Een verhandeling over de verhouding van
Kerk en Staat in de Republiek der Verenigde Nederlanden en de vrijheid van
meningsuiting inzake godsdienst, drukpers en onderwijs, gedurende de 17e
eeuw, Groningen 1972, 151-163.
105Wittewrongel, o.c. (noot 79) 1186 c.v.; Te
Winkel, o.c. (noot 82) II, 256-261.
106(Gerard van Hasselt), Kronijk van
Arnhem, Arnhem 1790, 269.
107Theodore Rodenburgh, Eglentiers
poëtens borst-weringh, Amsterdam 1619, 189.
108Ibidem 190, 211-212, 237.
109Ibidem 189. Zie ook Van Hamel, o.c. (noot
102) 88-89.
110I.H. Krul, Pampiere wereld ofte wereldsche
oeffeninge (1644), ed. Amsteldam 1681, Het derde deel, 217.
111Giov. della Casa, Galatéus óf
welgemanierdheid, Amsterdam 1715, 81; zie ook ibidem 88-89 (‘Van de
onëerbaare woorden’).
112Somaize, Le dictionnaire des Precieuses
(1661), ed. Livet, Paris 1856.
113Zie Veenstra, o.c. (noot 36) 209. Van belang
is ook de Nederlandse vertaling van Gracián's Oráculo manual:
de konst der wijsheit, In 't Frans gebragt door A. de la Houssai en nu
vert. door M. Smallegange, 's-Gravenhage 1700. Later in de achttiende eeuw
verschenen nog verscheidene andere gedragsboeken, waaronder De hoofsche
welleventheid…, Amsterdam 1733; en C.V.L., Het groot
ceremonieboek der beschaafde zeeden…, Amsterdam (1735).
114Baldazar de Castiglione, De volmaeckte
hovelinck…, Amsterdam 1662, 521.
115John Charles Nelson, Renaissance theory of
love. The context of Giordano Bruno's Eroici furori, New York 1958,
75-84.
116Reeds in het eerste van de zestien boeken
waaruit zijn Pegasides Pleyn is samengesteld, zet Houwaert uiteen
‘hoe meest alle menschen tot welde gheneghen zijn, ende hoe
aenlockelijck, bedrieghelijck, ende onghetrou, die luxurieuse Venus met haeren
soone Cupidine is, ende hoe sorghelijck, perijculeus, ende variabel d'eerdsche
vreucht is, ende hoe naer cleyn welde oft vreucht ghemeynlijck volght groote
allendicheydt, swaericheydt, ende bitter lijen: ende hoemen die wijsheydt
behoort gheloove te gheven, ende te volghen, en d'eerdsche vreught, Venerem
ende Cupidinem te verlaten’: Jehan Baptista Houwaert, Pegasides Pleyn
ofte den lust-hof der maechden (1583), ed. Delft 1615, xiiii.
117Den bloem-hof van de Nederlantsche
ieught, Amsterdam 1608 en 1610; ed. Van Dis-Smit, Amsterdam etc. 1955, X,
31-32, 52-53 en 112-121. De tegenstelling liefde-minne komt hier onder steeds
andere benamingen voor.
118D.V. Coornhert, Zedekunst dat is
wellevenskunste (1586), ed. B. Becker, Leiden 1942, 30; Cats,
Houwelick, o.c. (noot 18) 158; Pels, Gebruik én
misbruik… o.c. (noot 100) 18, 35, 36, 59.
119Coornhert, o.c. (noot 118) 29.
121Zie hiervoor S.F. Witstein, Bronnen en
bewerkingswijze van de ontleende gedeelten in Rodenburghs Eglentiers
poëtens borstweringh (1619). Het proza-betoog en de emblemata,
Amsterdam 1964, 36 e.v. De ‘ Digressio liefde-min’ wordt door
de schrijfster uitvoerig behandeld: 32-42.
122Rodenburgh, o.c. (noot 107) 122-123. Vgl. voor
Kruls standpunt ten aanzien van de dichotomie liefde-minne: N. Wijngaards,
Jan Harmens Krul. Zijn leven, zijn werk en zijn betekenis, Zwolle 1964,
272 e.v.
123F. Veenstra, ‘Hooft: enkele aspecten van
de levens- en wereldbeschouwing der Renaissance’, in: Geestelijke
achtergronden bij enkele grote schrijvers, Den Haag 1958, 82-105. Tevens
Veenstra, o.c. (noot 36) 155-156.
124Veenstra, ‘Hooft: enkele
aspecten…’, o.c. (noot 123) 95.
126Zie Meertens, o.c. (noot 3) 267-281.
127Het Houwelick beleefde 25 herdrukken;
zie W.C.M. de Jonge van Ellemeet, o.c. (noot 3) 15-18. De vraag of Cats soms
niet zijn doel voorbij is geschoten, dan wel een hypocriet is geweest, heeft de
nodige discussie opgeleverd. Wantrouwen wekte vooral Cats' Selfstryt, dat is
crachtighe beweginghe van vlees en gheest, poëtischer wijse verthoont in
den persoon ende uytte ghelegentheyt van Joseph, ten tyde hy by Potiphars
huys-vrouwe wiert versocht tot overspel…, Middelburg 1620. Ook
enkele tijdgenoten hebben twijfel geuit over de invloed van Cats' werk. Zo
bijv. Johan van Heemskerck, Minne konst. minne baet, en verscheyde minne
dichten (1622), ed. Amsterdam 1660, 318:
Sluyt Cats gedichten op: syn soete sinne beelden,
Ik weet niet wat voor soet in mijne sinne teelden.
Sijn Joseph overwint, de geest behout het velt;
Maer ick ly niet te min door Sephira gewelt.
Voorts Jacob Westerbaen, Nieuw-Avond-School…,
's-Gravenhage 1667, 37:
Wie denckt de woorden nae
Die de beroemde Cats de geyle Sephyra
Voor haere lusten in syn Selfstrijd heeft doen spreecken,
Die niet een viertjen in zijn boezem voelt ontsteeken
Of niet een kleyne bres in sijne kuysheyd lijdt,
Schoon den Hebreeuwer knecht daer dapper tegen strijdt.
(Iets dergelijks schrijft ook Pels, Gebruik én
misbruik…, o.c. (noot 100) 26: ‘…Die ritze tokkeling
moog' Jozefs hette dooven; / Maar 'k durf dat wonder van den kyker niet
gelooven’). Het oordeel van Kalff, die bestrijdt dat Cats een huichelaar
is geweest, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat zijn werk de lezer soms
erotiseerde, lijkt mij in het algemeen aanvaardbaar. Kalff steunt zijn
argumentatie o.a. met passages uit Houwelick: Studiën…, o.c.
(noot 93) 250 e.v. Zie tevens Meertens, o.c. (noot 3) 386, noten
290-291.
128Cats, Houwelick, o.c. (noot 18) 148
(‘Ghy, wilt u jeugdigh lijf met geen blancketsel
strijcken…’) en 168 (‘Is 't niet een selsaem stuck, dat,
oock in onse dagen, / De groote van het lant den boesem open dragen?’).
Vrouwelijke opmaak, blanketsel, ‘ghemaeckte Schoonheyt’ worden
eveneens gehekeld in Stefano Guazzo, Van den heuschen burgerlycken
ommegangh… Alkmaar 1603, 242-243 (zie hierboven p. 50). Vgl. verder
Huygens' Kostelick mal uit 1622, opgedragen aan Cats, vooral vs. 213
e.v. (‘…'t zijn grouwelicker sweeren / Die ick ontplaesteren gae:
De schilders van de kleeren / Verstouten op het werck; men valt'er aen de huyt,
/ Die drinckt verw en vernis meer dan een' nieuwe Luyt…’).
129Jacob Cats, Harders-clachte, in:
Monita amoris virginei… Maechden-plicht…, Amstelredam
1622, 114. Dit verhaal wordt herhaald in Jacob Cats, Spiegel vanden ouden
ende nieuwen tijdt, 's-Gravenhage 1632, 52 e.v.
130Cats, Houwelick, o.c. (noot 18) 157 en
158.
131Zeer uitvoerig aan het einde van het boek
‘Bruyt’, Houwelick, o.c. (noot 18) 72 (‘Kort begrijp
van de plichten des houwelijcks’).
132Voor de zestiende en zeventiende-eeuwse
Nederlandse vertalingen van de Colloquia, zie Bibliotheca
Erasmiana, Nieuwkoop 1961, 68-69. Huwelijkskwesties: zie de diverse
commentaren in Craig R. Thompson, The colloquies of Erasmus, Chicago
etc. 1965, 86-87, 99 e.v., 111-112, 114-115, 401-403.
133Elias, o.c. (noot 78) I, 230-241; en P.N.M.
Bot, Humanisme en onderwijs in Nederland, Utrecht etc. 1955, 213-219.
Bot geeft ongewild een nuttige correctie op Elias die, zestiende- met
negentiende-eeuwse opvattingen contrasterend, geheel voorbij gaat aan de
contemporaine, ‘pedagogische’ kritiek op de Colloquia. De
Colloquia werden door een commissie te Rome voor schoolgebruik verboden
en op de Index geplaatst. Ook het Concilie van Trente sprak er zijn
veroordeling over uit. Een Nederlands verbod volgde op de diocesane synode te
Utrecht in 1562. ‘Luther wilde er niet van horen’, aldus Bot (214),
‘dat het kinderen in handen werd gegeven en Melanchthon beval dat men
slechts die colloquia zou lezen, waar voor de kinderen niets schadelijks in
stond.’ Zie tevens Thompson, o.c. (noot 132) XXIX e.v.
135Cats, Houwelick, o.c. (noot 18) 156. Zie
noot 126. Vgl. De Brune de Jonge, o.c. (noot 78) ‘Aan den lezer’
(4-6), die zich over deze kwestie minder zorgen maakt.
136Cats, Houwelick, o.c. (noot 18) 162;
Aristoteles, Politica, lib. 7, cap. 17; Propertius, Elegiarum
Libri IV, lib. 2, eleg. 4 (moet zijn: 5).
137Cats, Houwelick, o.c. (noot 18)
161-162.
138A. Meesters, ‘Didericus Camphuysens
verhouding tot de schilderkunst’, Vondelkronick 1939,
277-287.
139D.R. Kamphuyzen, Stichtelyke
rymen… (1623), ed. Amsterdam 1713, 396-410 en 411-467. In zijn
proefschrift Daar moet veel strijds gestreden zijn. Het leven van Dirk
Rafaelsz Camphuysen (1586-1627), Meppel 1967, 242-248, telt H.G. van den
Doel in totaal vierendertig zeventiende-eeuwse drukken van de Stichtelyke
rymen. De ‘Idolelenchus’ komt in deze dissertatie overigens
slechts terloops ter sprake (o.c. 74).
140Kamphuyzen, o.c. (noot 139) 396-398.
141Ibidem, 411, 418-419, 421-422.
143Coornhert, o.c. (noot 118) 31. Vondel, o.c.
(noot 18) 1642-1645, 163. In andere gevallen heeft Vondel, die zich hier aan
een topos lijkt te conformeren, een minder puriteinse houding
aangenomen.
144Gerard de Lairesse, Het Groot
Schilderboek II, Amsterdam 1707, 12.
145J.J.M. Timmers, Gerard Lairesse I,
Amsterdam 1942 (diss.), 10 en 12.
146De Lairesse, o.c. (noot 144) I,
106-107.
147Horatius, De arte poetica, vs. 180-182:
‘Segnius inritant animos demissa per aurem / quam quae sunt oculis
subiecta fidelibus et quae / ipse sibi tradit spectator…’
148De Lairesse, o.c. (noot 144) I, 108.
149Arnold Houbraken, De groote schouburgh der
Nederlantsche konstschilders en schilderessen, II, Amsterdam 1719, 120.
(Vgl. noot 127 over Cats' Selfstryt.)
150Ibidem II, 117-122; Houbraken, o.c. (noot
149) I, Amsterdam 1718, 137-139.
151Zie over Torrentius de samenvatting van A.G.
van der Steur, ‘Johannes Torrentius’, Spiegel Historiael
1967, 217-224.
152Houbraken, o.c. (noot 149) II,
119.
155Andries Pels, Gebruik én
misbruik…, o.c. (noot 100) 27.
156Houbraken refereert in dit verband bovendien
aan Junius en aan zijn leermeester Van Hoogstraeten (resp. Houbraken, o.c.
(noot 149) I, 138 en II, 121-122). Zie Franciscus Junius, De Schilderkonst
der Oude, Middelburg 1641, 230; en Van Hoogstraeten, o.c. (noot 53) 184.
Houbraken beschrijft zijn leermeester als zedemeester (o.c. II, 121-122):
‘My gedenkt ook noch, als ik by hem woonde om de Konst te leeren, dat
toen de Minnebrieven van Nazo door A. Valentyn vertaalt, waren in druk gekomen,
en ik uit leeslust, die ter leen verzocht, maar tot antwoort kreeg, Zulks is
niet dienstigh; den Dichter is 'er om gebannen geweest in Pontus, en de
Vertaalder behoorde daarom voor altyd in 't Rasphuis verbannen te worden, om
dat 'er dingen in zyn die nutter waren verzwegen, of verduistert, dan ontdekt,
en over zulks die nooit geweten, nooit ter proef zouden zyn gestelt geweest,
tot bederf van de wulpse en losse jeugt.’
157Zie voor de smaak van Huygens, De jeugd
van Constantijn Huygens door hemzelf beschreven. Uit het Latijn
vertaald… door A.H. Kan, met een bijdrage van G. Kamphuis, Rotterdam
etc. 1946, 66-88 en 141-147 (G. Kamphuis, ‘Constantijn Huygens als
kunstcriticus’).
158Het begrip ‘vulgariteit’, onder
welke benaming ook gebruikt, varieert bij de diverse classicisten, zoals
bijvoorbeeld blijkt wanneer men de standpunten van auteurs als De Bisschop, Van
Hoogstraeten en De Lairesse met elkaar vergelijkt. Volgens een classicistische
opvatting weerspiegelde het milieu van een kunstenaar zich in diens werk. Zie
hiervoor J.A. Emmens, Rembrandt en de regels van de kunst, Utrecht 1964
(diss.) 57 e.v., 82-83, 119-121.
159Worp, o.c. (noot 98) II, 103.
|
|