Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. I]


illustratie
Te AMSTERDAM By R. en G. WETSTEIN. 1723


[p. *1r]

AENLEIDING Tot de Kennisse van het VERHEVENE DEEL der NEDERDUITSCHE SPRAKE. waer in

Hare zekerste Grondslag, edelste Kragt, nuttelijkste Onderscheiding, en geregeldste afleiding overwogen en naegespoort, en tegen het Allervoornaemste der Verouderde en Nog-levende Taelverwanten, als 't Oude MOESO-GOTTHISCH, FRANK-DUITSCH, en ANGEL-SAXISCH, beneffens het Hedendaegsche HOOG-DUITSCH en YSLANDSCH, vergeleken word.

 

door LAMBERT ten KATE Hermansz. eerste deel.

Tot AMSTERDAM, By RUDOLPH en GERARD WETSTEIN. mdccxxiii.

[p. *1v]
PLINIUS SECUNDUS,
In Praefatione Naturalis Historiae.
Res ardua, vetustis novitatem dare, novis auctoritatem, obsoletis nitorem, obscuris lucem, fastiditis gratiam, dubiis fidem. Omnibus vero naturam, & naturae suae vim, etiam non assecutis, solvisse, abundè pulchrum atque magnificum est.
[p. 1]


illustratie
Portret van Lambert ten Kate / Portrait of Lambert ten Kate


[p. 2]

Lambert ten Kate (1674-1731) en de taalwetenschap
Jan Noordegraaf & Marijke van der Wal*

1. Inleiding

Lambert ten Kate werd op 23 januari 1674 te Amsterdam uit doopsgezinde ouders geboren. Zijn vader, Herman ten Kate (1644-1706), was korenhandelaar. Hoewel Lambert in 1696 een van zijn vaders zakenpartners werd, lijkt het erop dat zijn hart niet erg uitging naar de handel. Waarschijnlijk trok hij zich omstreeks 1706 al uit de zaak terug. Desondanks bleef Ten Kate een welgesteld burger; vermoedelijk genoot hij een ruim inkomen uit de erfenissen van zijn ouders en stiefmoeder. De veronderstelling dat hij privé-lessen moest geven ‘in den angesehensten Häusern im Schreiben, Rechnen, Buchhalten und besonders in Geometrie und Algebra’ om zich ‘den nöthigen Lebensunterhalt’ (von Raumer 1870:139) te verschaffen, zou dan ook wel eens onjuist kunnen zijn (cf. Ten Cate 1987: 21-24). Lambert ten Kate bleef zijn hele leven ongehuwd; hij stierf op 14 december 1731, 57 jaar oud, ten gevolge van ‘eene slepende ziekte’; zes dagen later werd hij in de Noorderkerk te Amsterdam begraven.

Toen de Duitse jurist en boekenverzamelaar Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734) in februari en maart 1711 in Amsterdam verbleef, had hij ook de gelegenheid om Ten Kates uitgebreide kunstverzameling te bekijken. Ten Kate, zo noteerde hij, ‘handelt zwar eigentlich mit Korn, ist aber ein sehr höflicher, curiöser und dabey gelehrter Mann’. Lambert ten Kate schijnt een versatiele geest geweest te zijn. Hij was een autodidact, een kunstliefhebber en een Privatgelehrter die actief was op verschillende terreinen van kunsten en wetenschappen. Zo schreef hij een verhandeling getiteld Proef-ondervinding over de scheyding der coleuren (1716) in navolging van een ‘proef-ondervindinge in Newton's Gezigt-kunde’ (Opticks, 1704), maar ook vertaalde hij theologische verhandelingen uit het Frans en het Engels in het Nederlands. Hij was geen kamergeleerde, maar onderhield talrijke contacten met schilders, poëten en professoren. Wie uitsluitend Ten Kates positie als taalgeleerde wil schetsen, beseft dan ook dat daarmee maar één dimensie van deze veelzijdige persoonlijkheid aan de orde komt.1

[p. 4]

2. Het taalkundig werk

Voor hij begon aan het samenstellen van zijn ambitieuze Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake had Ten Kate zich al vaker met taal-studie bezig gehouden. In 1699 bijvoorbeeld voltooide hij een Verhandeling over de Klankkunde, waarin hij blijk gaf van zijn kennis van de fysische factoren die een rol spelen bij het voortbrengen van klanken. Deze tekst bleef ongepubliceerd, maar werd herzien en verwerkt in de twee delen Aenleiding.2 Bij zijn taal-kundig onderzoek heeft Ten Kate altijd aandacht besteed aan de studie van klanken. Hij was er zich van bewust dat ‘taal’ vooral inhield ‘gesproken taal’ (Van de Velde 1966: 212-213).

Daartoe geïnspireerd door zijn oudere vriend Adriaen Verwer (c. 1655-1717) schreef Ten Kate een studie over de Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche, een boekje dat in het voorjaar van 1710 verscheen. ‘Uwe zugt om den grond der zaeken, die gy by der hand neemt, zoo veel doenlyk tot in den éérsten oorspronk te doorsnuffelen, heeft ook my aengenóópt om eene Belgico-Gothike Lyste op te stellen van de woorden, die met de onze gelykluydig zyn’, zo begint hij zijn ‘Brief wegens de Gottische spraeke’. Deze brief, die het eerste deel van de Gemeenschap uitmaakt, is gedagtekend 25 maart 1708 en is gericht aan zijn vriend A[driaen] V[erwer], koopman te Amsterdam, die onder het pseudoniem Anonymus Batavus een in het Latijn geschreven grammatica van het Nederlands gepubliceerd had, Linguae belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica (17071, 17832). In de praefatio van zijn grammatica had Verwer erop gewezen dat het van groot belang was ‘linguam nostram ex origine nosse’, om onze taal vanuit de oorsprong te kennen, en dat dit mogelijk was geworden dankzij Franciscus Junius (1591-1677) en diens baanbrekende editie van de Gotische Codex Argenteus (1665, 16842).3 Verwer was een voorstander van de gothica-genetrix theorie volgens welke het Gotisch gezien werd als de moeder van alle Germaanse talen.

De Gemeenschap is geschreven ‘Tot Ophelderinge van den Ouden Grond van 't Belgisch’ - ‘En zie daer 't begéérde, en nog méér dan dat, tot voldoeninge van uw óógmerk volbragt’, kon Ten Kate trots aan Verwer berichten. In zijn studie immers werd de verwantschap tussen het Gotisch en het Nederlands (‘'t Belgisch’) aangetoond, in een brief, in een woordenlijst en op basis van voorbeelden van Gotische verbuigingen en vervoegingen.4 Onder meer wordt erin duidelijk gemaakt dat de vervoeging van de werkwoorden in het Nederlands en het Gotisch eenzelfde patroon volgen, een inzicht dat Ten Kate ertoe bracht om de Gotische werkwoorden in zes classes te verdelen (Van

[p. 6]

der Hoeven 1896: 15-56, Rompelman 1952: 8-15). In het systeem van de werkwoordvervoeging onderkende Ten Kate de regelmaat van de klinkerwisseling, wat hem bracht tot de ontdekking van wat Jacob Grimm later Ablaut zou noemen.

Toen Ten Kate het manuscript van zijn studie op basis van Junius' Gothicum Glossarium bijna klaar had, stuitte hij op George Hickes' (1642-1712) tweedelige Linguarum Veterum Septentrionalium Thesaurus (1705), waarin ook het Gotisch aan de orde komt.5 Ten Kate (1710: 12) besefte dat zijn eigen behandeling van de Gotische werkwoorden superieur was aan die van zijn Engelse collega, vooral wat betreft de ongelykvloeyende, d.i. de sterke werkwoorden (cf. Van de Velde 1966: 273).6 Ten Kate meende ‘dat die Héér [sc. Hickes] het ware onderscheid der Verba niet getroffen heeft’ en streefde daarom ernstig naar ‘de vervullinge van dit gebrek’ door een betere ‘verdeelinge van Classes’ voor te stellen (1710: 12-13). Bovendien trok Ten Kate interessante conclusies inzake de relatie tussen het Germaans en de andere Europese talen, in het bijzonder die tussen het Gotisch en het Nederlands, waarbij hij overigens de gothica-genetrix theorie afwees. Een andere belangrijke ontdekking was het feit dat in de Germaanse talen de klemtoon op de wortel valt, niet op prefixen of uitgangen. Ten Kate zag de klemtoonregel als een erfenis uit de voor-Germaanse tijd en niet als een Germaanse innovatie, wat het volgens onze huidige inzichten is.

In de jaren 1710-1723 volgde de uitwerking van deze en andere obser-

illustratie

Voorbeeld van de notities die Ten Kate maakte in zijn exemplaar van Kilianus Auctus, Universiteitsbibliotheek Leiden, signatuurnummer LTK.HS92, fol. 94r.
Example of Ten Kate's notes in his copy of Kilianus Auctus, Leiden University Library, call-number LTK.HS92, fol. 94r.


[p. 8]

vaties die resulteerde in de Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. In dat boek werd onder meer de classificatie van de Gotische werkwoorden uit 1710 toegepast op alle Germaanse talen die hij kende. De Aenleiding bestaat uit twee delen, elk van ongeveer 750 pagina's; samen bieden deze volumineuze kwartijnen de eerste historische grammatica van het Nederlands, de concepten ‘historisch’, ‘grammatica’, en ‘Nederlands’ opgevat in zeer ruime zin (Rompelman 1952: 15-16). Merk op dat dit werk ontstaan is en gegroeid in Ten Kates doorschoten exemplaar van de editie-1642 van een bekend Nederlands woordenboek, de Kilianus Auctus sive Dictionarium Teutonico-Latino-Gallicum, waarin Ten Kate vanaf 1712 uitvoerig aantekeningen maakte over taalopvattingen en etymologische verklaringen (Peeters 1990b: 152).7

Het eerste deel van de Aenleiding bevat een informatieve voorrede, waarin de inhoud van het boek wordt uiteengezet. Het boek is voor een belangrijk deel geschreven in de vorm van een veertiental dialogen tussen N. (Anonymus Batavus, d.i. Adriaen Verwer) en L. (Lambert ten Kate), waarin de gesprekspartners onder meer het belang van de taalkunde, de verspreiding van de talen in Europa, de Nederlandse spraakklanken, en de verbuigingen en vervoegingen van het Nederlands de revue laten passeren. Behalve acht aanhangsels, die gevarieerd materiaal bevatten, vindt men erin een diepgravende verhandeling (I: 542-696) die een volledige vergelijkende beschrijving biedt van het systeem van de onregelmatige werkwoorden in het Nederlands, Gotisch, Oudhoogduits, Angelsaksisch (Oudengels), Nieuwhoogduits, het Fries en het IJslands. Ten Kate toonde onomstotelijk aan dat deze werkwoorden zeker geen afwijkend type van vervoeging vormden, maar onderworpen waren aan regels die niet alleen op het Gotisch van toepassing waren, maar voor alle takken van het Germaans golden. Het ging dan ook om vocaalafwisselingen die moesten dateren van voor de opsplitsing in verschillende Germaanse talen. Door deze ontdekking kon hij de zogenaamde onregelmatige werkwoorden in verscheidene klassen indelen op grond van hun vocaalafwisseling. ‘Die Durchführung dieser Entdeckung [sc. daß die starken Verba den identischen Grundbau aller germanischen Sprachen bilden], bildet den wichtigsten Theil seiner Aenleiding’ (von Raumer 1870: 142).

Het tweede deel van de Aenleiding biedt een etymologisch woordenboek, opgezet op basis van het in het eerste deel verzamelde materiaal en volgens de beginselen die daarin waren toegepast. Twee inleidende verhandelingen met een honderd bladzijden tellende bespreking van de grondslagen van de wetenschappelijke etymologie worden gevolgd door twee lange, alfabetisch opgezette lijsten van Germaanse woorden die afgeleid waren van de wortels van sterke werk- 8

[p. 10]

woorden. Dit specimen van een Lexicon Etymologicum bevat zo'n 20000 Nederlandse woorden en zo'n 20000 woorden uit andere talen.8

In tegenstelling tot de veelal op betekenis gebaseerde etymologische werkwijze van veel voorgangers, die ad hoc letters toevoegden, weglieten, omzetten en veranderden om verbanden tussen woorden te leggen, ging Ten Kate uiterst systematisch te werk. Zijn etymologische benadering bestond volgens zijn eigen zeggen uit het verzamelen van feiten uit oudere en moderne stadia van de Germaanse talen, het analyseren van de betreffende woorden met gebruikmaking van de kennis over de vocaalwisseling bij de sterke werkwoorden en het rekening houden met betekenisverandering en met de regels van welluidendheid of euphonia (II: 7). De verbanden tussen woorden uit verschillende talen moesten verantwoord worden met regels voor bepaalde klankcorrespondenties. Zo stelde hij een dialectregel (een regel voor klankovereenkomsten in de verschillende talen) voor de vocalen en een voor de consonanten op (cf. I: 165). Zijn, voor die tijd bijzondere, fonetische kennis kwam hem hier ook te hulp: hij poneerde bijvoorbeeld dat P,V en F elkaar konden vervangen, omdat het alledrie labialen waren (I: 74).

3. Methodologische uitgangspunten

Junius, Hickes, en Ten Kate worden terecht gezien als de founding fathers van de Germaanse taalkunde. Maar door de weloverwogen aanpak en de methodologische gestrengheid die zo typerend zijn voor zijn werk (cf. Van de Velde 1980), staat Ten Kate veel dichter bij een negentiende-eeuws geleerde als Jacob Grimm (1785-1863) dan bij zijn oudere tijdgenoot, George Hickes, wiens werk gezien moet worden als de afsluiting van een periode. Ten Kates missie, om het zo maar eens te zeggen, was een inleiding te geven tot ‘het verheven deel van de Nederlandse taal’, d.w.z. tot de etymologie ervan. Om een stevig theoretisch fundament voor zijn etymologische activiteiten te leggen formuleerde hij de beginselen die naar zijn mening ten grondslag moesten liggen aan de geregelde afleiding, beginselen waaraan men zich strikt diende te houden wanneer men zich bezig hield met de etymologie van de Germaanse talen, eerder dan te vertrouwen op de klassieke additie, deletie, transpositie en mutatie van letters. Dientengevolge beloofde hij ‘Dat ik geen' eene Letter zoek te veranderen, te verplaatsen, nogte toe of af te doen, dan uit kragte van een' streekhoudende Rooi of Regel’ (I: 175; cf. II: 6). Ten Kate maakte korte metten met het werk van veel van zijn voorgangers: de enige manier om tot een gezonde etymologische werkwijze te komen was, zo betoogde hij, om alles te vergeten wat eerder beweerd was op dit gebied van de taalkunde.

Na afscheid genomen te hebben van de etymologische technieken van de oude school beschreef en onderbouwde Ten Kate zijn eigen onderzoeksmethoden met grote zorgvuldigheid. Hij stelde een empirische benadering voorop: de

[p. 12]

taalkundige moet de regels vinden, en ze niet bedenken (I: 13). De frontispice van de Aenleiding illustreert fraai Ten Kates uitgangspunten. Beneden in de linkerhoek is een lint te zien waarop staat qui quaerit invenit, wie zoekt die vindt; en centraal op de voorgrond onderaan scheurt een enigszins zwaarlijvig engeltje een stuk papier doormidden waarop te lezen staat: Daer is geen Regel zonder exceptie. Niet zonder genoegen stelde Ten Kate (I: x) vast dat, naar zijn bevindingen uitwezen,

het gemeene zeggen van daer is geen Regel zonder exceptie bij onze Tael geene proef meer kan houden, alzo de Uitzonderingen zo schaers zijn geworden, en, na de rijklijkheid der gevallen te rekenen, genoegsaem als tot niet zijn versmolten.

Ten Kate probeerde de verschillende streekhoudende dialect-regels (I: 165), d.w.z. consistente klankcorrespondenties, te formuleren. Zijn voornaamste doel was om regelmaat in de taal te vinden, zoiets als negentiende-eeuwse Ausnahmslosigkeit (Rompelman 1952: 26). Want Ten Kate, voor wie ‘Regelmatigheid [...] de kroone eener Tale’ (I: 543) was, kon niet geloven dat de zogeheten ongelykvloeyende werkwoorden zo onregelmatig waren als zijn tijdgenoten dachten. Voor hem was taal een ‘Goddelijke gave’ (I: 9); ‘gevoed met de melk der Rede’ was de ontwikkeling en uitbreiding ervan overgelaten aan de mens (I: 9-10). Aangezien de Rede ‘Voestermoeder’ van de taal was geweest (I: 14), moest de taal ook door regelmaat gekenmerkt zijn en een logische samenhang laten zien. Dus konden met behulp van de rede van de onderzoeker consistente regels aan het licht worden gebracht. Onderzoek naar het verleden van onze taal wijst uit dat ook het Nederlands gekenmerkt is door regelmaat.

In zijn onderzoek betoonde Ten Kate zich zo een aanhanger van het achttiende-eeuwse inductieve, functionele rationalisme, waarin de rede wordt ingezet voor het ontdekken en verklaren van de wetten van de taal (cf. Peeters 1990b: 154-155; Verburg 1952: 321 evv.; 1998: 337 sqq.). Zijn benadering kan getypeerd worden als inductief en empirisch. Het lijkt erop dat hij zich hiermee afzet tegen het Cartesianisme, mede op godsdienstige gronden. De achtergrond van Ten Kates visie is te vinden in de Newtoniaanse benadering die toen in Nederland de overhand had (cf. Peeters 1990b; Jongeneelen 1992: 210; Noordegraaf 2000: 49-50). Het is dan ook niet verrassend dat Ten Kates taalkundig werk wel als Newtonian linguistics is getypeerd (Salverda 2001).

4. De Aenleiding, een veelzijdig boek

Zoals gezegd, de Aenleiding is een veelzijdig werk. Het boek bevat onder meer beschrijvingen van vergelijkbare verschijnselen in diverse Germaanse talen, veronderstellingen over de verwantschap van talen, ideeën over taalverandering en taalvariatie, descriptie van Nederlandse taalverschijnselen en etymologie. We zul-

[p. 14]

len nu een aantal verschillende aspecten van de Aenleiding kort aan de orde stellen.

Ten Kates klemtoonregel en zijn belangrijke ontdekking van de regelmaat bij de sterke werkwoorden (Ablaut) zijn al aan de orde geweest. Zijn ideeën over verwantschap van talen hielden een indeling in drie hoofdgroepen in: het ‘Kimbrisch of Oud-Noorsch, ook Runisch genaemt’, de groep waartoe de Scandinavische talen behoren; het ‘Oud-Theutonisch of Oud-Duitsch’ dat het Gotisch, het Angelsaksisch, het Oudfries, het Oudhoogduits en het ‘Nederduitsch of Belgisch’ omvat; het ‘Keltisch’ waaronder behalve het Keltisch ook het Grieks en Latijn met de Romaanse talen vallen. Ten Kate maakt een indeling in de Germaanse talen waarbij hij het Gotisch bij de Westgermaanse talen (‘Oud-Theutonisch’) plaatst. Dat is een opmerkelijke verandering ten opzichte van de gedachte dat het Gotisch de moedertaal van alle Germaanse talen zou zijn.

Ten Kates klemtoonregel en zijn observaties over klemtoonverschillen in het Nederlands werden door tijdgenoten overgenomen; in diverse achttiende-eeuwse grammatica's zien we ook Ten Kates werkwoordensystematiek terug, soms met kleine aanpassingen (cf. Van der Wal 2000, 2002). Die aanpassingen betroffen overigens niet Ten Kates indeling van de werkwoorden in zes klassen en een restgroep voor de enig overgebleven onregelmatige werkwoorden (I: 543-574):

I.de ‘gelykvloeyende verba’, d.w.z. de regelmatige, zwakke werkwoorden (blaffen - blafte - geblaft; spelen - speelde - gespeelt)9.
II.de werkwoorden met éénzelfde klinkerverandering in praeteritum en voltooid deelwoord (onder meer blyven - bleef - gebleven; sluiten - sloot - gesloten; vinden - vond - gevonden).
III.de werkwoorden met één klinkerverandering in het praeteritum, terwijl het voltooid deelwoord dezelfde klinker heeft als de infinitief (onder meer geven - gaf - gegeven; raden - ried - geraden; dragen - droeg - gedragen).
IV.de werkwoorden met twee verschillende klinkerveranderingen in praeteritum en voltooid deelwoord (onder meer stelen - stal - gestolen; bidden - bad - gebeden).
V.de werkwoorden met klinker- en medeklinkerverandering resulterend in ocht/acht (onder meer koopen - kocht - gekocht; brengen - brocht/bracht - gebrocht /gebracht).
VI.de werkwoorden met zwakke praeterita en sterke voltooid deelwoorden als bakken - bakte - gebakken; weven - weefde - geweven.
restgroep voor de enige overgebleven onregelmatige werkwoorden zoals de praeterito-praesentia deugen, konnen en werkwoorden als doen, hebben.

Terwijl Ten Kate sommige werkwoorden zoals bakken - biek / bakte - gebakken bij twee verschillende klassen indeelt, een klasse op grond van een verouderde sterke

[p. 16]

praeteritum- vorm biek en een andere op grond van de gangbare zwakke verleden-tijdsvorm bakte, vindt men bij de grammaticus Jan van Belle (c. 1690-1754), die Ten Kates systematiek overneemt, een aanpassing in de vorm van een strikt synchrone benadering. Die synchrone aanpak resulteert ook in een onregelmatige status voor de werkwoorden gaan, staan, worden, die in Ten Kates systeem tot klasse III worden gerekend.

De nadruk die steeds is gelegd op Ten Kates belangrijk historisch-vergelijkend en etymologisch werk en het methodologisch belang ervan, moet ons niet de andere aspecten van de Aenleiding uit het oog doen verliezen. Ten Kate nam ook standpunten in ten opzichte van de standaardtaal die in de achttiende eeuw verder vorm kreeg. In het Gemeenlands dialect wilde hij oude klankonderscheidingen opgenomen zien zoals het onderscheid tussen ei en ij, die het prestigieuze Hollandse dialect van Amsterdam en omgeving (Amstel- en Rijnlands dialect) niet meer kende, maar de omgeving van Rotterdam (het Maaslands dialect) nog wel. In zijn tijd spraken de Amstel- en Rijnlanders de ij uit als de diftong ei, maar dat was een betrekkelijk recent verschijnsel: de oudere generatie in Amsterdam zou zich volgens Ten Kate nog herinneren dat er een onderscheid tussen de twee klanken was, en wel een onderscheid op de Zaanlandse manier, dat wil zeggen dat de ei werd uitgesproken als aai; de ij als ei; I: 155). Ten Kate had een goed oog (en oor) voor variatie in de eigentijdse taal: hij wijst niet alleen op de vele regionale verschillen, maar signaleert ook wat wij nu sociolinguistische verschillen zouden noemen; bovendien maakt hij bepaalde stijlonderscheidingen.

Ten Kate hanteert een in de taalbeschouwing nieuwe indeling in hoogdravende of verhevene, deftige of statige en gemeenzame stijl; een indeling die gelijkenis vertoont met de driedeling uit de retorica in hoge, middelbare en lage stijl, stijlen die afhankelijk waren van de stofkeuze. Volgens Ten Kates eigen omschrijving heeft de hoogdravende stijl kenmerken van ouder taalgebruik; het is een stijl die door geleerden gehanteerd wordt. De deftige stijl komt iets dichter bij de daeglijkse gewoonte, maar zij houdt zich aan de volledige en regelmatige orde en deftigheid des gezegs. In deze stijlsoort komen verkortingen zoals de apocope van -e, -en, of -er niet vaak voor. De gemeenzame stijl voegt zich naar de daeglijksche Taelvoering en Spreektrant met gebruik van verkortingen, maar dit laagste niveau, zo stelt Ten Kate nadrukkelijk, staat ver af van de platte Spreek- en Straettael (I: 334). De straat-taal is een typering voor taalgebruik dat zich dus ruim onder de laagste stijlonderscheiding bevindt (Van der Wal 1994).

Ten Kate verbindt taalkenmerken aan zijn verschillende stijlniveaus. Ze corresponderen met meer of minder naamvalsuitgangen zoals blijkt uit de volgende genitief- en datiefvoorbeelden (I: 337):

[p. 18]

genitief  
hoogdravende stijl: eener grooten of grooter vrouwe
deftige stijl: van eene groote vrouwe of vrouw'
gemeenzame stijl: van een' groote vrouw
datief  
hoogdravende stijl: eener grooter of aen eene groote vrouwe
deftige stijl: aen eene groote vrouwe of vrouw'
gemeenzame stijl: aen een' groote vrouw'

Zo nemen de naamvalsuitgangen bij lidwoorden, adjectieven en substantieven af naarmate de stijl lager wordt (Van der Wal 1992: 247) en zijn bepaalde pronominale vormen beperkt tot de gemeenzame stijl (de ongeaccentueerde pronomina me, we, je, ze) of tot de hoogdravende en deftige stijl (gijlieden, zijlieden) (I:469-70).

Voor wat het gebruik van de verschillende stijlen betreft, houdt Ten Kate duidelijk rekening met het publiek waarvoor iets bestemd is. Dat betekent dat hij zich zelfs soepel opstelt ten opzichte van de straattaal (de tael van de agterstraten):

Ik erken ook dat elk die voor alle Nederlanders Taelkundig en keurlijk tragt te schrijven, zig dient te quijten om aen de Gemeene-landse Dialect te voldoen, hoewel ijder voor zig volstaen kan met de Dialect van zijne eigene Stad, zo hij geenen anderen Lezer op 't ooge heeft, dan die van zijne Medeburgers; ja dat meer is, de tael van de agterstraten zou men voor genoeg konnen houden, bij aldien 't geschrevene niet anders zal dienen dan voor luiden van die buerten (I: 155; curs. toegevoegd).

Interessante informatie over eigentijds taalgebruik is meermalen bij Ten Kate te vinden. Zo zijn je en we (i.p.v. gij en wij), die tot de gemeenzame stijl behoren, vormen die gebruikt worden, ‘wanneer men tegen zijns-gelijke spreekt...’ (curs. toegevoegd). Hij constateert dat je (i.p.v. gij) tot dan toe nog geen ingang in de geschreven taal heeft gevonden:

Dit JE voor GY is zo gemeenzaem in de Praet-tael, dat'er GY ten eenemael gemaekt klinkt; en word'er ook zelf dit JE in de Verbogene Casus gebruikt, als VAN JE, en AAN JE; dog dit, als te laeg, te plat, en al te gemeenzaam, is tot nog toe buiten alle Schrijftael gehouden (I: 473; curs. toegevoegd).

Ten Kates nieuwe driedeling werd in een aantal achttiende-eeuwse grammatica's overgenomen, al is het soms in de vorm van een tweedeling waarbij de hoogdravende en deftige stijl tot één niveau zijn gereduceerd (cf. Van der Wal 2002).

Wanneer men Ten Kates Aenleiding een ‘historische grammatica van het Nederlands’ noemt, dan is het dus wel een historische grammatica met veel aandacht voor synchrone, contemporaine taalverschijnselen. Ook spelling, een onderwerp waar zijn tijdgenoten zich zo druk over maakten, komt aan de orde.

[p. 20]

Achttiende-eeuwse grammatici besteedden zoveel aandacht aan ondergeschikte spellingdiscussies dat Ten Kate spelling (spelkonst) typeerde als spil- of quelkonst, ‘want over al het Grammaticael word zo veel mondelinge kibbeling niet gemaekt, als over die beuzelarije alleen’ (I: 109). Hij pleitte zelf voor twee soorten spelling: de burgerlijk of gemeene (algemene, gewone) spelling, gebaseerd op de gewoonte, d.w.z. vooral op het gebruik van vooraanstaande schrijvers tegenover de natuerkundige en naeukeurige of critique (kritische) spelling, gebaseerd op het één klank – één teken - principe (I: 110-111, 114). Iedere klank moest zijn eigen teken hebben:

Tót de volmaakte úitvoering van de Critique Spélkúnde is slégts één éénige grondslag van nóóde, naamlyk, dat ijder bezondre Klank, zó korte als lange, zijn éigene Léttertééken hebbe [...] (I: 114-5).

Het is niet verrassend dat Ten Kate een spelling nastreefde die niet alleen afweek van de spellingpraktijk van eerdere grammatici als Moonen en Sewel, maar ook van die van zijn tijdgenoot Huydecoper (de Bonth 1998: 117). Ten Kates principe dat één klank correspondeert met één teken had een belangrijke rol kunnen spelen in de voordurende discussie over overtollige tekens als de GH in wegh. In de praktijk verwijzen grammatici herhaaldelijk in spellingkwesties naar Ten Kate en voeren zij hem als autoriteit aan om hun eigen mening kracht bij te zetten. Zij noemen soms zijn twee soorten spelling, maar zijn spellingprincipes, die de basis hadden kunnen vormen voor de Nederlandse spelling, werden niet serieus in overweging genomen (cf. Van der Wal 2000).

5. Receptie

Hoe werd Ten Kates taalkundig werk in zijn eigen tijd, in de achttiende eeuw, ontvangen en wat bleef er van zijn reputatie overeind in de negentiende eeuw? Enkele van zijn ideeën (de klemtoonregel, de indeling van de werkwoorden en zijn driedeling in stijlniveaus) hebben doorgewerkt, zelfs in een aantal minder vooraanstaande taalkundige publicaties en in redelijk eenvoudige grammatica's. De schatplichtigheid van Balthazar Huydecoper (1695-1778), die andere belangrijke achttiende-eeuwer, aan Ten Kate is bekend (Jongeneelen 1996; De Bonth 1998) en ook zijn herhaaldelijk loftuitingen en vermeldingen van Ten Kate als autoriteit aangetroffen.

De publicatie van de Aenleiding in 1723 bleef niet onopgemerkt. Een jaar later verscheen er in het tijdschrift Maendelyke uittreksels, of Boekzael der geleerde werelt (Amsterdam: Onder de Linden 1724, negentiende deel, oktober 1724, 493-506) een zeer lovende recensie met een uitgebreide inhoudsbeschrijving en een opsomming van Ten Kates belangrijkste resultaten. Ten Kate gold ook voor de na het midden van de achttiende eeuw sterk opkomende letterkundige

[p. 22]

genootschappen als belangrijk taalkundig leidsman (De Vries 2001: 88, 105), al is er een summiere aanwijzing dat aan die waardering een minder gunstige receptie is voorafgegaan. Zo merkt de Leidse hoogleraar Johan Lulofs (1711-1768) in 1758 op dat de Aenleiding ‘voor eenige jaaren, als een onnut boek op eene onvergeeflyke wyze door onkundigen, die te zeer met vreemde taalen en zeden zyn ingenomen, agter de bank geworpen’ was, maar hij kon eraan toevoegen dat het nu ‘tot blydschap van alle Taal kundigen in zyne rechte waerde begint gekend te worden by onze Landgenooten, die hunne oogen niet langer sluiten voor de kracht, rykdom en cierlykheid van onze Moeder-taal’ (cf. Ten Cate 1987: 164; Van der Wal 2000: 18). Inderdaad is in de kringen van de in 1766 opgerichte Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden de reputatie van Ten Kate onomstreden, en dat is altijd zo gebleven.

Ten Kates roem blijkt eveneens uit enthousiaste citaten zoals dat van de anonieme auteur van Aanmerkingen over den Oorsprong en verderen voortgang der Nederduitsche taale (Franeker 1780), die stelt dat hij het spoor van twee beroemde mannen wil volgen: ‘de diepdenkende L. ten Kate Hermz. en de onvermoeide B. Huidecoper, welke twee taalhelden elkander om den grootsten roem schijnen te kampen. Lambert ten Kate Hermantz een man zelvs bij Uitlanderen [cursief toegevoegd] gepreezen over zijne kundigheeden draagt bij Nederlanderen den naam van doorzichtig en vernuftig, wiens gezicht verder is doorgegaan dan dat van iemand der geenen, die zich ooit bemoeid hebben om der vaderlandsche spraake eenig licht bij te zetten’ (Inleiding, VI). Ten Kate werd inderdaad ook geprezen door buitenlanders zoals bijvoorbeeld de Schot James Boswell (1740-1795), die tijdens zijn verblijf in Nederland Ten Kates werk leerde kennen, en de Aenleiding een ware schat vond. Ook de Italiaanse kardinaal en polyglot Giuseppe Gaspare Mezzofanti (1774-1849) had grote waardering voor dit boek (Van der Wal 2002; Rizza 1987:78).

In het negentiende-eeuwse Nederland werd Ten Kate beschouwd als een taalkundig mirakel. Jan Beckering Vinckers (1821-1892), hoogleraar Engels in Groningen (1885-1892), wijdde in zijn Nederlandse vertaling van William Dwight Whitney's (1827-1894) Language and the Study of Language (1867, 18703), verscheidene bladzijden aan zijn landgenoot. Hij liet weten dat het Ten Kate was geweest, en niet Grimm, die de allereerste grondslagen had gelegd van de vergelijkende grammatica van de Germaanse talen: ‘Ik houd mij volkomen overtuigd, dat grimm aan de studie van ten Kate's werk niet weinig heeft te danken gehad [...] Wat Bacon was voor het wetenschappelijk natuuronderzoek in 't algemeen, dat was ten Kate voor de wetenschappelijke taalstudie’ (Beckering Vinckers 1877: 39). Op tal van plaatsen zag hij trouwens ‘een allerverrassendste overeenkomst’ tussen de denkbeelden van Ten Kate en die van de Amerikaan Whitney anderhalve eeuw na hem.

Volgens Hermann Paul (1891: 35) was het ‘unter allen älteren Forschern’ Lambert ten Kate die erin geslaagd was ‘dem Standppunkt J. Grimms [re Ablaut] am nächsten zu kommen’. Heeft Grimm Ten Kates verdiensten ooit erkend? Al

[p. 24]

in 1812 was de aandacht van Grimm gevestigd op diens werk, en wel door Hendrik W. Tydeman (1778-1863), een van zijn Nederlandse correspondenten, die hem nadrukkelijk op de Aenleiding wees (Martin 1884:173). Het was evenwel waarschijnlijk August Wilhelm Schlegels (1767-1845) strenge recensie van het eerste deel van Jacob en Wilhelm Grimms Altdeutsche Wälder (1813) in het Heidelberger Jahrbuch (1815) die Grimm ertoe bracht om Ten Kates werk te bestuderen. ‘Für die Geschichte unserer Grammatik’, zo vond Schlegel:

ist bisher durch Ausländern mehr geleistet worden, als durch deutsche Gelehrte. Wir nennen hier vorzüglich ausser Hickes und [Edward] Lye [1694-1767], eine holländische Schrift: Gemeenschap tussen de Gottische Spraeke en de Nederduytsche von Lambert ten Kate. Sie umfasst nicht die ganze gothische Grammatik, sondern bloss die Konjugation und Deklination, diese sind aber meisterlich behandelt. [...] Lambert ten Kate hat den Satz durchgeführt, die sämmtliche Zeitwörter des Ulfilas nach Klassen geordnet und ihre Analogie bis in die feinsten Verzweigungen nach-gewiesen (Schlegel 1847 [1815]: 406-407; cf. Jongeneelen 1992: 212).

Schlegels kritiek heeft, naar men meent, Grimm gebracht tot een ‘Wendung zu strenger Wissenschaftlichkeit’ (von Raumer 1870: 452). In elk geval moet deze kritiek voor Grimm een aansporing betekend hebben om Ten Kates voorbeeld van methodische gestrengheid in de historische taalkunde te volgen. Toen Tydeman in 1818 een exemplaar van de Aenleiding voor zijn Duitse vriend wist te bemachtigen, schreef Grimm hem op 15 december 1818: ‘Mit dem Ankauf des ten Kate für 6f. bin ich sehr zufrieden, zum Nachschlagen wird es mir immer nützlich seyn wiewohl ich seit dem halben Jahre, dass ich mir ihn von der Göttinger Bibl. kommen lassen, wenig daraus gelernt habe’ (Reifferscheid 1883: 67). Ondanks de wat kleinerende toon van deze opmerking, moet Grimm in later jaren het werk van Ten Kate met meer nauwkeurigheid bestudeerd hebben. Concrete verwijzingen ernaar zijn echter vrij schaars. Grimm zou enkele inzichten van Ten Kate met betrekking tot de problematiek van de grammaticale geslachten in zijn Deutsche Grammatik opgenomen hebben (Dibbets 1996: 74). Overigens gaf Grimm in diezelfde Grammatik (II, 1822-1837: 67) onomwonden te kennen: ‘Ten Kate hat die Ablaute zuerst in ihrer Wichtigkeit hervorgehoben, nur die vocalunterschiede nicht strenge genug, am wenigsten die der consonanten beobachtet’. Von Raumer heeft eens opgemerkt dat Ten Kate ‘auf Grimms grammatische Forschungen einen besonders tiefgreifenden Einfluss geübt (hat)’, maar deze bewering eist nadere onderbouwing (cf. Rompelman 1952: 27).

[p. 26]

6. Slotopmerkingen

Er is in de vakliteratuur herhaaldelijk opgemerkt dat Ten Kates ideeën een grotere verspreiding gekend zouden hebben, wanneer zijn werk niet in het Nederlands, maar in het Frans of Latijn, was geschreven (cf. Knol 1977: 105). Nu is Ten Kates invloed toch voornamelijk tot een Nederlandse context beperkt gebleven, ondanks het feit dat Jacob Grimm en andere negentiende-eeuwse historisch-taalkundigen met zijn werk bekend waren.

Een betrouwbaar informant aan het eind van de achttiende eeuw, de hoogleraar Everhardus Scheidius (1742-1794), stelde eens vast: ‘De ware systematische etymologie werd pas aan het begin van deze eeuw gevonden, voor het Grieks door T. Hemsterhuis, voor de Oosterse talen door A. Schultens en voor het Nederlands door L. ten Kate’.10 Deze uitspraak laat zien dat de autodidact Ten Kate op één lijn werd gesteld met internationaal vermaarde Nederlandse hoogleraren als Tiberius Hemsterhuis (1685-1766) en Albert Schultens (1686-1750).

Ondanks tekortkomingen die er ook zijn (Van de Velde 1966: 273), moet het werk van Ten Kate beschouwd worden als een ‘unieke’ (cf. Polomé 1983b: 165) achttiende-eeuwse bijdrage aan de studie van historisch-vergelijkende taalwetenschap, zowel qua inhoud als methode. Daarmee is zeker niet alles over de veel-omvattende Aenleiding gezegd. Ten Kates magnum opus zal, nu het in reprint gemakkelijker beschikbaar is, een uitdagend onderzoeksobject en een nog lang niet volledig geëxploreerde bron van kennis, inzicht, observaties en feitenmateriaal blijken te zijn.