Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake.
Eerste deel

Lambert ten Kate Hz.

editie Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal

bron

Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)

codering DBNL-TEI 1
dbnl-nr kate002aenl01_01
logboek

- 2008-09-19 CB colofon toegevoegd

verantwoording

gebruikt exemplaar

exemplaar universiteitsbibliotheek Leiden, signatuur: VGB. Ned. 16 8953

 

algemene opmerkingen

Dit bestand biedt een diplomatische weergave van het eerste deel van Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake van Lambert ten Kate Hz. uit 1723, in een facsimile-editie van Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal uit 2001.

 

redactionele ingrepen

De inleiding van deze tekst bestaat uit afwisselend de Nederlandse en de Engelse versie op pagina's naast elkaar. In deze digitale uitgave is eerst de Nederlandse inleiding van p. 2 tot en met 26 en daarna de Engelse inleiding van p. 3 tot en met 25 weergegeven

Inleiding, p. 8: noot 8 heeft geen nootverwijzing in de tekst, deze is door redactie geplaatst

Tekst, p. I: kop ‘[Tekst]’ toegevoegd

p. 105: noot 6 heeft geen nootverwijzing in de tekst, deze is door de redactie geplaatst

 

Bij de omzetting van de gebruikte bron naar deze publicatie in de dbnl is een aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn weggelaten. Ook de blanco pagina's (p. 540 en 542) zijn niet opgenomen in de lopende tekst.

 

[pagina II]

Deze facsimile-editie van Lambert ten Kate Hermansz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake (1723); met een tweetalige inleiding Lambert ten Kate en de taalwetenschap/ Lambert ten Kate and linguistics door Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal, verscheen in december 2001 bij Uitgeverij Canaletto/Repro-Holland BV te Alphen aan den Rijn.

 

The present facsimile reprint of Lambert ten Kate Hermansz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake (1723); with an English and Dutch introduction Lambert ten Kate and linguistics/ Lambert ten Kate en de taalwetenschap by Jan Noordegraaf and Marijke van der Wal, was published December 2001 by Canaletto/Repro-Holland BV at Alphen aan den Rijn.

 

De editeuren en de uitgever zijn de volgende instanties zeer erkentelijk voor hun financiële steun:

 

The editors and publisher gratefully acknowledge the financial support of the following institutions:

 

M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting

K.F. Heinfonds

Dr Hendrik Muller's Vaderlandsch Fonds

Faculteit der Letteren Vrije Universiteit Amsterdam

Algemeen Steunfonds van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs

Van Coeverden Adriani Stichting

Thijssen-Schoute Stichting

Vereniging van Oudgermanisten

 

ISBN 90 6469 766 3

 

[pagina ****1v]

INHOUD van 't EERSTE DEEL.

I. Redewisseling.


I. Aenleiding van deze Onderhandeling. Pag: 1
II. Oogmerk van de Onderhandeling en 't Werk. 2
III. Twijffelingen van Opschorting. 3
IV. Tegen-redenen. 3
V. Zwarigheid omtrent de manier van behandeling. 4
VI. Oplossing, en Besluit over de behandeling. 4

 

II. Redewisseling.

 

Wegens de Lof der Spraken, of Heerlijkheid en Waerde der Spraekvoering.


I. Waerde van 't Gebruik der Sprake. 6
II. Verwonderlijkheid der Klankvorming. 7
III. Heerlijkheid van de Geboorte der Sprake. 9
IV. Aenwasch en volle bloei der Spraken. 10
V. Toepassing op onze Tael. 11

 

III. Redewisseling.

 

Wegens de Beschaving der Talen.


I. Tweederhande Beschaving der Talen. 13
II. Agting der Voornaemste Mannen omtrent de Taelkunde. 17
III. Vrugten der Lettergeleertheid. 18
IV. Hoe 't ijder Volk past zijn' eigene Tael op te bouwen. 18

 

IV. Redewisseling.

 

Wegens de Volk- en Tael-verspreiding over Europa,

 

I. Verhandeling.


I. Tweederhande Grondslag dezer Verhandeling. 20
II. Natuerlijk beloop van de toevallige Verandering der Talen. 21
III. Gemeene stelling van de Bevolking van Europa door Japheths Kinderen. 22
IV. Overeenkomst tussen 't Verloop der Talen en de Gemeene Tijdrekening wegens de eerste Volkverspreiding. 22
V. Volkverspreiding over Europa in drie Takken. 23
VI. Keltische Tak. 23
VII. Kimbrische Tak. 23
VIII. Theutonische Tak. 23
IX. Van den Kimbr: & Theuton: of Duitschen Tak tot op CHRISTUS. 24
X. Eerste Tijdperk Van den Keltischen Tak. Volkplanting van de Asiaten in Griekenland, en van de Grieken in Italië, tussen de VIII. & XI. Eeuw na den Zundvloed van Noach; of tussen  

 

 

[pagina ****2r]


  de XVI. & XIII. Eeuw voor CHR: geboorte. 25
  Omtrent 260 jaren voor CHR: de Carthaginensers in Spanjen. 27
  Omtrent ½ Eeuw voor CHR: de Romeinen in Spanjen en Galliën. 27
XI. Veranderingen van minder belang, als, De Boyen uit Galliën in Germamaniën, omtrent 6 Eeuwen voor CHR. 27
  Op- en Uit-togt eeniger Gallen tot in Asië, alwaer ze den naem van Galaten kregen, ruim 270 jaren voor CHR:. 28
  Begiste Oorspronk van den naem der Galaten. 28
  Grieken in Marseille, ruim vijf Eeuwen voor CHR:. 29
  Phoeniciers in Spanjen, omtrent 3 Eeuwen voor CHR:. 29
XII. Verschrikkelijke Watervloed in 't Noorden omtrentEeuw voor CHR: Geboorte. 29
XIII. Komste der Vriezen in Vriesland. 30
XIV. Komste der Batavieren en Caninefaten aen den Beneden-Rijn. 30

 

V. Redewisseling.

 

Wegens de Volk- en Tael-verspreiding,

 

2. Verhandeling.

 

Tweede Tijdperk van Ao: 1 nae CHR: tot Ao: 800.


I. Vernieuwing van Broederschap tusschen de Romeinen en Batavieren. 31
  De Romeinen in Britannia. 31
  De Romeinen in Vriesland en verder in Germaniën, in de II: Eeuw. 31
  Pictische Wal. 31
II. De Gotthen in Daciën en Moesiën in de II: III: en IV: Eeuw. 32
III. De Franken in de III. en IV. Eeuw. 32
  De Franken onder de Batavieren in de IV: Eeuw. 32
IV. De Marcomannen, Boyen en Beyerschen in de I: Eeuw. 33
V. Britten in Armorica &c., in de IV: Eeuw. 33
VI. Wandalen in Spanjen en Afrika in de V. Eeuw. 34
VII. Inval der Hunnen in Europa in de V: Eeuw. 34
VIII. De Westergotthen door Italiën in Opper-Galliën, en daer na in Hispaniën, en verder ook in Afrika in de V: Eeuw. 35
IX. De Batavieren onder de Franken vermengt in de V: Eeuw. 35
X. Opkomst van 't Franksche Rijk in de V: Eeuw. 35
XI. De Oostergotthen in Italien in de V: Eeuw. 36
XII. De Angel-Saxen in Brittanniën, sedert Engelandt genaemt, in de V: Eeuw. 36
XIII. De Picten, Britten en Caledoniers in de V: Eeuw. 37
XIV. De Slavoenen en derzelve Tael in Europa, door gantsch Sarmatien, &c., in de VI, VII: en VIII: Eeuw. 37
XV. Hunnen en Avaren ook Hunnivaren genaemt, in Daciën en Pannoniën. 38
XVI. Korte duer van 't Oostergotthische Gebied in Italien van Ao: 493 tot Ao: 552. 38
XVII. Longobarden in Italien, in de VI, VII: en VIII: Eeuw. 38
XVIII. De Franken in de VI. VII. en VIII. Eeuw. 39
XIX. Opkomst van het Mahometaendom. 39

 

 

[pagina ****2v]


  Het Saraceensche Gebied in Asia en Africa in de VII. Eeuw. 39
  De Mooren in Spanjen en Aquitaniën in de VIII. Eeuw. 40
XX. De Frankschen in Vriesland, in de VIII. Eeuw. 40
XXI. Toestand der Europische Spraken in de V, VI, VII, en VIII. Eeuw. 40

 

VI. Redewisseling.

 

Wegens de Volk- en Tael-verspreiding,

 

3. Verhandeling.


  Derde Tijdperk van Ao: 800 tot nu toe. 42
I. Rusland of Moscoviën, sedert Ao: 800. 42
II. Polen, sedert Ao: 800. 43
III. 't Boheemsche Rijk, sedert Ao: 800. 43
IV. Het Turksche Rijk, sedert Ao: 800. 43
V. De 8 Optochten en Kruisvaerten na 't Heiligeland. 43
VI. Het Constantinopoolsche Keizerrijk in de handen der Franken omtrent Ao: 1200. 44
VII. Het Grieksche Keizerrijk Ao: 1261. 44
VIII. Het Grieksche Keizerrijk in handen van de Ottomannen of Turken Ao: 1453. 44
IX. Toestand der Talen onder de Oost-Europianen. 45
X. Spanjen en Portugael, sedert Ao: 800. 45
XI. Italiën, sedert Ao: 800. 46
XII. Duitsland, sedert Ao: 800. 47
XIII. Vrankrijk, sedert Ao: 800. 47
XIV. Holland, sedert Ao: 800. 47
XV. Vriesland, sedert Ao: 800, en deszelfs Taelverandering. 49
XVI. De Kimbrische of Noordsche Volkeren als Denen, Zweden, &c: in de IX. Eeuw. 50
XVII. Van hare uittogten, als de Noorwegers in Ysland, in de IX. Eeuw. 52
XVIII. De Yslanders in Groenland, in de X. Eeuw. 52
XIX. De Denen in Engeland, Zweden, Vrankrijk en Vriesland, in de IX. Eeuw. 52
XX. De Denen in Normandyën in de X. Eeuw. 53
XXI. De Noormannen in Engelland, in de XI: Eeuw. 53
  Ierland onder de Engelschen in de XIII. Eeuw. 53
  Schotland aen den huize van Stuart in de XIV. Eeuw, en Engeland en Ierland in 't begin van de XVII. Eeuw. 53
XXII. De Noorweegsche, Zweedsche, en Deensche Rijken, sedert de IX: Eeuw. 54
XXIII. Van de Runische Letteren. 54
XXIV. Van 't Beloop der Verandering onzer Tale, en van hare naestverwantschapten. 55
XXV. Van 't Moeso-Gotthisch, en zijn Overblijfsel. 55
XXVI. Van 't Frankduitsch en Alamannisch, en hare voornaemste Overblijfsels. 57
XXVII. Van 't Angel-Saxisch, en deszelfs voornaemste oude handschriften. 57
XXVIII. Van ons Belgisch of Nederduitsch en zijne voornaemste oude Geschriften. 57
XXIX. Europische Tael-boom. 60
     
  Een Landkaert wegens de Volk- en Tael-verspreiding over Europa, volgens de bekende Historiën, vergeleken tegen de oude en hedendaegsche Europische Spraken. 62

 

 

[pagina ****3r]

Bijlage No: 1

 

Vervattende de

 

Proeven der Europische Spraken; beneffens omstandige Aenmerkingen wegens derzelver Gemeenschap. van pag: 63,

tot pag: 76

 

Bijlage No. 2.

 

Vervattende een

 

Oud-Noordsch Gedigt van Koning Regner Lodbrog. van pag: 79 tot pag: 108

 

VII. Redewisseling.

 

Onderzoek over onze Nederduitsche Letterklanken.

 

I. Verhandeling.

 

Wegens de Schikking der Letteren gewoonlijk Spelkonst genaemt.


I. Verdriet en nutteloosheid van de gewoonlijke Letterkrakkeelen over de Daeglijkse Spelling. 109
II. Onderscheid tussen de Burgerlijke (of daeglijkse) en tusschen de Critique en Physique Spelling. 110
III. Nut en Vermaek der Critique Spelkunde. 111
IV. Edelheid van de Vinding van 't Onderscheid der Letter-klanken. 112
V. Aenmerking of de Lettervinding ouder zij dan de Zundvloed. 112
     
  Eene Tussen-lage vervattende de Aanmerkingen over de Critique Spelkunde onzer Hollandse Spraake. 114
1. Voor-verhael. 114
2. Onderwerp en Oogmerk van de Spelkunde volgens 't Critique. 114
3. Eenigste Grondslag van de Critique Spelkunde. 114
4. 't Vereisch hier toe. 115
5. Tweederhande Middelen om het Vereisch te bekomen. 115
6. Onderscheid tussen de Vorming der Klinkers en Medeklinkers. 115
7. Van de Vorming der Klinkers ie; i, en y (of ij); e en ee; é, en éé; a en aa (of ae); ó en óó; o en oo; en ú; en ; uu (of ue) en oe. 116
  Dat & oe zuivere Enkel-klinkers zijn. 117
  Van de Gemeenschap tussen ú & . 117
  Waerom de ie, de oe, en de uu (of ue) geen' eigene Kort-klinkers hebben. 117
  Van 't Noodelooze Verschil tussen aa of ae, en tussen uu of ue. 117
  Van 't Vereischte Onderscheid tussen ee & éé, en tussen oo & óó 118
  Van 't Vereischte Onderscheid tussen y, & ey (of ei). 119
8. Van de Vorming der Dubbelklinkers. 119
9. Van 't Onderscheid van de Vorming der Mede-klinkers. 120
10. Van den Onderscheiden' aert van Mede-klinkers. 120
  Van de Neusletters M, N, NG, & NK, en de stomme Mede-klinkers D, T, B, P en K. 120
  Van de Schelle L & R, en Heesche G & CH, J, S & Z, V & F, & W: welke Schellen ook Smelt-Letters (liquidi) genaemt worden. 120
  Van de zagte, en scherpe (of harde) Mede-klinkers. 120

 

 

[pagina ****3v]


  Van 't onderscheidene Gebruik van S & Z. 121
11. Van de Vorming-plaetsen der Mede-klinkers, als mede hun Verschil. 121
  Van de Lip-letters W, M, B & P. 121
  Van de Lip- en Tand-tetters V & F. 121
  Van de Tand- of Tandvleesch-letters R, L, N, S, Z, T, & D. 121
  Van de Verhemelte-letter J. 122
  Van de Keel-letters K & NK, G, CH & NG. 122
  Van de H. 122
  Van 't Onderscheid der Sissingen en trapsgewijze Klankveranderingen der Medeklinkers. 122
12. Van de Enkele Mede-klinkers die door dubbelledige Letterteekens verbeeld worden. 122
  Van de CH. 122
  Ook van de SG in steê van SCH. 123
  En van onze NG & NK. 123
13. Van de Overtollige. Letterteikens, die veelal in gebruik zijn, als C, Q en X. 123
14. Van de Voortdrijving en Overrolling onzer Mede-klinkers. 124
15. Van onze Teikenen boven de Letters. 125
16. Van 't Vereisch in de Critique Letterschikking. 125
17. Van 't Verschil tussen de zagte en harde Mede-klinkers ten einde eener Silbe. 126
  Hoe de Euphonie een zagte Letter doet verscharpen. 126
18. Van U ten einde eener Silbe in plaets van W. 127
19. Van de uitspraek onzer N ten einde der zagte onzakelijke uitgangen van een Woord. 128
20. Besluit. 128
  Toegist vervattende een nieuwe natuerkundige uitbeelding van alle de Letterklanken door maer zesderhande Characters.
van p: 128 tot
131

 

VIII. Redewisseling.

 

Onderzoek over onze Nederduitsche Letterklanken.

 

2. Verhandeling.

 

Wegens de Natuerkundige Oorzaek van 't Geluid, en de Toonveranderingen in de Zangkunst, en bijzonderlijk van de Letterklanken.


I. Onderwerp van deze Verhandeling. 132
II. Onderzoek waer in de Klankbeweging der Lugtdeelen bestaet. 133
III. Waerom de Klanken zig aen alle kanten verspreiden. 136
IV. Van de Kragt en Duerzaemheid van 't Geluid. 136
V. Van de verscheidene Middelen en wijzen der Klankvorming. 136
VI. Waer in het Onderscheid van hooger en lager toon bestaet. 136
VII. Van de snelheid der Klankvernieuwingen. 137
VIII. Van de zekerheid omtrent het onderscheid der Vernieuwingen bij de hooger en lager Toonklanken; en wegens de ware proportie der Klankvernieuwingen. 137
IX. De Proportie van de Verdeeling eener snaer, en van hare onderscheidene spanning. 137
X. De Proportie van de onderlinge diktens der Snaren. 138
XI. Oorzaek en Proportie van de Toonverandering bij de Stem en Blaesinstrumenten. 138
XII. Van de Tonen of Trappen van Klank  

 

 

[pagina ****4r]


  welke in de Muzijk gebruikt worden. 139
XIII. Van de Stem- en Zang-vorming. 141
XIV. Van de Letterklank-vorming. 144
XV. Van het Onderscheid tussen den eenen Klinker (of Vocael) en den anderen. 145
XVI. Van 't Physique Onderscheid tussen Klinkers en Medeklinkers. 145
XVII. Van 't onderscheid tussen den eenen Medeklinker en den anderen. 145
XVIII. Waerde af Gelding of Overeenkomst van uitspraek onzer Letteren, vergeleken tegen de Fransche Italiaensche en Hoogduitsche. 147
XIX. Van onze Zuiverheid van Uitspraek der Letteren, en 't Voorregt der Hollanders om vreemde Talen te Leeren. 149
XX. Wegens de Spelling der Bastaertwoorden. 150

 

IX. Redewisseling.

 

Onderzoek over onze Nederduitsche Letterklanken.

 

3. Verhandeling.

 

Ten Opzigte van het Onderscheid tussen de Gemeen-landse Dialect, en die van ons Amstel- en Rynlanders.


I. Afvordering van nader berigt en van bewijs wegens het onderscheid tussen de lange éé en ee; óó en oo; ey en y. 152
II. Welke orde in dezen gehouden staet te worden. 153
III. Bewijs van 't Vereischte onderscheid tussen ey en y, en deszelfs Oudheid. 155
IV. Bewijs van 't onderscheid tusschen éé en ee, en tusschen óó en oo, en wegens deszelfs. Oudheid. 157
V. Gewigtige toepassing, en bewijs wegens de zorge onzer Voorouderen omtrent het bestendig bewaren der Grondklanken hunner Tale. 159
VI. Verhael van 't Gebruik der Oud-Agtbaerste Geleerden, op wat wijze zij het Onderscheid tussen de harde en zagte lange e en o gewoon zijn geweest in 't spellen uit te drukken. 160
VII. Vrugten van 't Onderscheid door 't verhoeden van dubbelzinnigheid. 160
VIII. Vereisch van 't Onderscheid zelf buiten aenmerking van die vrugten. 160
IX. Verhael der voornaemste Autheuren, die dit Onderscheid van Klank in 't spellen hebben getragt aen te wijzen. 161
X. Van de Middelen om dit Onderscheid op ijder woord te leeren kennen. 162
XI. Korte Dialect-Regel, op welke wijze bij de Oude Vermaegtschapte Talen onze Vocalen beantwoord worden. 165
XII. Lijstje van Vergelijking tussen onze Tale en de Ouden die met ons vermaegtschapt zijn, ten opzigte van 't gemelde Onderscheid van Klank. 165
XIII. Maniere van 't behandelen der Regelen of Aenmerkingen wegens deze Gemeenelandse Dialect. 175

 

 

[pagina ****4v]

Bijlage No: 3.

 

Vervattende de Regelen van de Gemeenlandsche Dialect; te weten,

 

Eerstelijk, de Regelen wegens de y en ei (of ey), als,


I. Reg: wegens de y, bij de Verba van de II. CL:. 177
II. Reg: weg: de ey en de y, bij de Verba van de I. CL:. 182
III. Reg: weg: de ey (of ei) van de Term: HEID en LEY. 195
IV. Reg: weg: de y, van de Term: op YE. 195
V. Reg: weg: de ey (of ei) voor eg. 197
VI. Reg: weg: de ey (of ei) bij de Bastaert-terminatien. 197
VII. Reg: weg: de y bij de Bastaert-woorden of Bastaert-gelijkenden. 199
VIII. Reg: weg: de ey en y vergeleken tegen de Oudheid. 201
  Besluit-lijsten wegens de ey en y. 206

 

Ten Tweede, de Regelen wegens de Harde en Zagte Lange ee; als,


I. Reg: wegens de lange zagte e (of ee) bij de Oneenparigvloeyende Verba. 211
II. Reg: wegens de zagte lange e bij de dubbelstaertige Verba van de I. CL:. 233
III. Reg: wegens de zagte lange e, bij inkort: in é verwisselende. 237
IV. Reg: weg: de zagte lange e in HEDE, de verbogene Terminatie van HEID. 241
V. Reg: weg: de zagte lange e, bij de Bastaert-terminatien der Verba op èren 241
VI. Reg: weg: de zagte lange e bij de Bastaertwoorden of Bastaertgelijkenden. 242
VII. Reg: van de harde lange éé, bij -de woorden die tevens met ey (of ei), of ook ie, gebruikt worden. 243
VIII. Reg: de harde lange éé, bij de woorden op ééu of ééuw. 250
IX. Reg: weg: de harde lange éé, bij de Uitgangen op éél. 251
X. Reg: weg: de scharpe lange éé, bij de woorden die teffens met aa (of ae) in gebruik zijn. 252
XI. Reg: weg: de harde en de zagte lange ee, vergeleken tegen de Oudheid. 254
  Besluit-lijsten, wegens de e (of ee) en de éé. 263

 

Ten Derde, wegens de Harde en Zagte lange oo; als


I. Reg: weg: de zagte lange o (of oo) bij de Ongelijkvloeyeude Verba. 266
II. Reg: weg: de zagte of doffe lange o (of oo) bij de woorden, die teffens met eu of oe gevonden worden. 279
III. Reg: weg: de zagte lange o bij inkort: in ó verwisselende. 285
IV. Reg: weg: de zagte lange o (of oo) bij de Bastaertwoorden of Bastaertgelijkenden. 289
V. Reg: weg: de scharpe lange óó bij de Bastaertwoorden. 291
VI. Reg: weg: de o en óó bij de woorden op ooy en oor accenterende. 292
VII. Reg: weg: de o en óó, vergeleken tegen de Oudheid. 293
  Besluit-lijsten wegens de o en óó. 309

 

Bijlage No: 4.

 

Zijnde een Opzameling van Woorden, die in Gemeenlandse Dialect onderscheiden klinken, dog bij den Amstel- en Rijn-lander gelijkluidig, en gevolchlijk dubbel- of twijfelzinnig, zo de omstandigheden zulks niet redden.

 

van 313, tot 320

 

[pagina *****1r]

X. Redewsseling.

 

Van de Algemeene Taeldeelen.


I. Natuerkundige Ontleding van de Deelen der Taelkunde in 't Algemeen; wat plaets die onder onze Denkbeelden bekleeden. 321
  als van 't Nomen Substantivum Reale, en 't Mentale of Formale. 321
  Van 't Verbum. 322
  Van 't Nomen Adjectivum. 322
  Van de Adverbia. 322
  Van 't Pronomen. 322
  Van 't Participium. 323
  Van de Praepositio. 323
  Van de Conjunctio. 323
  Van de Interjectio. 323
  Van den Articulus. 323
II. Van de Verbuigsaemheid der Deelen. 323
III. Van de Verbuigsaemheid der Naemwoorden (Nomina), en van hun Getal (Numerus), en hun Geslagt (Genus). 324
  Van den Aert, en Onderscheiden Zin der Casus (of Val-buigingingen), als van den Nominativus, van den Dativus, van den Accusativus, en van den Vocativus. 324
  Van driederhande Genitivi. 324
  Van vierderhande Ablativi. 325
  Van nog tweederhande Accusativi. 326
IV. Andere wijze van de Casus te beschouwen. 327
V. Van de Verbuigsaemheid der Pronomina, Articuli, en Participia. 328
VI. Van den Comparativus en Superlativus. 328
VII. Van de Verbuigsaemheid der Werk-woorden (Verba). 328
  als, Van 't Genus, Numerus, en de Personen. 328
  Van de Tijden (Tempora). 329
  Van de Wijzen (Modi). 329
VIII. Van het Oude Duitsche gebruik in het uitdrukken van het onderscheid der Tijden. van p: 329, tot 332

 

XI. Redewisseling.

 

Van de Declinatien.

 

1. Verhandeling.

 

Van de Articuli, &c.


I. Onderwerp en Aenleg van deze Verhandeling. 333
II. Welke verandering in het Declineren bij ons vereischt word, na het driederhande Onderscheid van Stijl. 333
  Van den Hoogdravenden of Verheven', van den Deftigen of Statelijken, en van den Gemeenzamen Stijl. 334
III. Van de Bescheidentheid in 't behandelen van ijder Stijl. 334
IV. Eerste Voorbeeld van Declinatie, zijnde een Substant: met een Adjectiv: zonder Articulus. 335
V. Tweede Voorbeeld van Declinatie, zijnde een Subst: met een Adjectiv: beneffens den Artic: Indefinitiv: EEN voorop. 336
VI. Derde Voorbeeld van Declinatie, zijnde een Subst: met een' Adject: beneffens den Artic: Definit: DE en HET, of een Pronom: Possess: als MYNE, enz:. 338
VII. Van de merkwaerdige Kragt en  

 

 

[pagina *****1v]


  beteekenis der Articuli, of Voorleden. 341
VIII. Wonderlijke Kragt der Articuli bij de Verknogte benamingen, die één of meer woorden tot nader bepalinge bij zig hebben. 344
IX. Tusschen-uitweiding aengaende 't Vermogen en de Waerde van 't Wel-accenteren in de Stemleiding'. 345
X. Verdeeling van de Verknogte Benamingen. 347
XI. Waerom het Adjectivum agter het Substant: komende, bij ons onverbuiglijk blijft. 348
XII. Onderscheid tusschen de Konstelijke en Natuerlijke Stelling van een Verknogte Benaming uit twee Substant: bestaende. 348
XIII. De drie Voorbeelden van Verbuiging' der Verknogte Benamingen van Konstelijke Stelling. 348
XIV. Zin en Kragt van de Konstelijke Stelling in vergelijking van de Natuerlijke. 350
XV. Waerom of men zegt HENDRIK JACOBS, en niet Hendrik van Jacob. Dog DE ZEGENINGE JACOBS en VAN JACOB: en wederom OPHELDERING VAN VERSTAND, en niet Opheldering Verstands. Dog wel OPHELDERING VAN HET VERSTAND, en DES VERSTANDS. 351
XVI. Waerom of men zegt GRAEF DIDERIKS AENSLAG, en niet Graefs Dideriks, enz. 353
XVII. Naeukeurigheid onzer Voorouderen omtrent de Zuiverheid der Denkbeelden. 353
XVIII. Van de Oudheid der Articuli, en haren Oorspronk. 354
  Moeso-Gottisch Pronomen, Ains (unus). 356
  Frank-Duitsche Articulus en Pronomen Ein. 356
  Hedendaegsche Hoogduitsche Artic: Indefinit: Ein. 356
  Angel-Saksisch Pronomen An. 356
  Oud-Hollandsche Artic: Indefin Een / ten tijde van de XIII. Eeuw. 356
  Articulus Definitivus, in 't Moeso-Gottisch, Angel-Saxisch, en Frank-Duitsch. 358
  En in 't Oud-Friesch, en hedendaegsche Land-Fries. 358
  En in Oud-Hollandsch. 359
  En in 't Hedendaegsche Hoogduitsch. 359
XIX. Van 't willen invoeren van DEN in Nomin: Singul: Mascul: 360
XX. Ael-oude algemeene Regelen wegens de Verbuiging' en de Gedaente der Articuli Definitivi. 361
XXI. Van de Noordsche behandeling der Articuli. van p: 362 tot 364

 

XII. Redewisseling.

 

Van de Declinatien.

 

2. Verhandeling.

 

Wegens de Nomina Adjectiva & Substant:.


I. Van de Nomina Adjectiva en hare Verbuigingen. 365
II. Van hare Gedaente, wanneer, of wanneer niet, de E in Nominat: daer agter-aen behoort. 365
III. Regel wegens het Adjectivum, staende voor een Substant: Foemin:. 365

 

 

[pagina *****2r]


IV. Regel wegens het Adjectivum, staende voor een Substantivum Neutr:. 366
V. Regel wegens het Adjectivum, staende voor een Substant: Mascul:, mits zonder Articulus, of agter den Artic: DE of de Pronomina MYN, DIE, enz. 366
VI. Regel wegens den Plural: van de Adjectiva. 366
VII. Zeer aenmerkelijke Regel wegens 't plaetsen van E agter onze Adjectiva Masculina, wanneer die onzen Artic: EEN, of ons Eenig, Zeker, Menig, of Sommig voor zig hebben: te weten, waerom of men zeit, Een goed Man, dog niet Een goede Man; en wederom Een goede Jongen, dog niet Een goed Jongen, enz. 367
VIII. Rede en Oorzaek van dit Gebruik; en bewijs van de schranderheid der Voorouderen in 't invoeren van 't zelve. 368
IX. Gissing waerom bij 't Foemin: dit Gebruik geen plaets heeft. 370
X. Waerom of het dus agter den Articulus EEN, en zoo agter DE, onder houden word. 371
XI. Gissing waerom agter MAN, MENSCH en KAREL dit gebruik plaets heeft. 371
XII. Hoe de Oudheid bestond, en hoe 't in 't Hoogduitsch is, met het onderscheidentlijk behandelen van de Adjectiva, wanneer die den Articul: Definit: of al of niet voor zich hebben. 373
XIII. Hoe 't Moeso-Gotthische Adjectiv: gaet. 374
XIV. Hoe het Frank-duitsche. 374
XV. Hoe het Angel-Saksische. 375
XVI. Van een Yslandsch Adjectivum. 376
XVII. Wegens onze N, in Genit: Singul: agter 't Adjectiv: Foemin:. 376
XVIII. Van de Adjectiva Comparativa. 377
XIX. Van de Agterafwerping van NE bij de Participia Passiva die op EN uitgaen. 377
XX. Van de Plaetselijke Adjectiva op -ER en -SCHE, als Amsterdammer en Amsterdamsche; en van de Onverbuiglijkheid van de eerste soort, zoo die als Adjectiva dienen, en van hare Verbuiglijkheid, zo ze voor Substanstantiva verstrekken. 378
XXI. Hoe de Adjectiva gedeclineert moeten worden, wanneer ze 't ampt van een Substantivum bekleeden. 379
XXII. Van ieder Woord zoodanig te behandelen als die soort, welker plaets het bekleed. 379
XXIII. Waerom of de Adjectiva & Participia's, agterstaende, onverbuiglijk bij ons zijn, als Vorsten, afgerigt, enz: dog niet Afgerigte. 379
XXIV. Waerom of men te regt zeit Een gantsch byzondere Zaek, en Een lief ruikende bloem, dog niet een gantsche &c., nogte een lieve, &c., en wederom al, Een groote stinkende Bloem. 380
XXV. Van onze Adjectiva of Adverbia Gelyk en Ongelyk, wanneer of ze een Nomin: of Dat: voor of agter zig vereischen. 380
XXVI. Dat onze Comparativa geenen Dat: regeren als in 't Latijn. 380
XXVII. Dat de Plural: van onzen Comparativus op ER genoeg-  

 

 

[pagina *****2v]


  saem buiten gebruik is, ten zij zonder Articul: en hierom De, of Zyne dingen, die beter zyn, dog niet De, nogte Zijne beter dingen; maer wel Beter zaken bragt hy voort. 380
XXVIII. Dat de Ablativus Absolutus strijd tegen ons Taeleigen. 381
XXIX. Voornaeme Proefsteen om te weten welken Casus eenig Nomen of Verbum bij ons regeert. 381
XXX. Van de Substantiva. 382
XXXI. Van de Verwisseling van den Singul: in een Pluralis. 382
I. Bij de Staerteloozen Naemwoorden, of Stuiters. 382
II. Bij de Sleepers. 384
III. Bij de Klemstaertigen. 385
XXXII. Twee Aenmerkingen omtrent de Stuit-woorden. 386
I. Van de Verdubbeling der agterste Consonant in Plur: 386
  En van den oorspronk der Uitzonderlingen, als Bad, Baden, enz:. 387
II. Van de Verwisseling van F & S bij den Sing: in V & Z bij den Plur:. 388
XXXIII. Wegens D of T als zij de Accent-silb sluiten. 389
XXXIV. Van de Verandering der Substant: in de Verbogene Casus. 391
XXXV. Van den ongewonen Uitgang EN in Genit: Sing: Mascul: als Des Heeren, Des Menschen. 392
XXXVI. Van de Terminatie EN agter de Nomina Propria, en agter de Stoffelijke Adject: van Substant: ontleent; als Gouden, Silveren, enz:. 392
XXXVII. Van 't onderscheid tussen Myn Heers en Mynes Heeren. 393
XXXVIII. Frankduitsche Declinat: van eenige Nom: Subst: 393
XXXIX. Angelsaxische Declinat: van eenige Nomina Substantiva. 394
XL. Van de S in Genit: bij Substant: Foem:, als Zyn Moeders Vader, Geregtigheids handhaving, enz:. 394
XLI. Waerom of men agter de Meervoudige Talwoorden somtijds het Substant: in Singul: somtijds in Plural: zet, als, TWEE LAST, Drie Pint, Honderd Man, enz: dog TWEEBROODEN, enz:. 395
XLII. Fraeiheid van dat gebruik. 396
XLIII. Van 't Genus of de Geslagten der Substant: 396
  Gissing rakende den Oorspronk der Geslagten bij de Naem-woorden, die van natuere geen onderscheid van Kunne erkennen. 397
  Tusschen-bedenking. omtrent de oorzaek der Poëzy. 397
  Wegens een weinig verloop der Geslagten. 398
XLIV. Van de Bestendigheid der Geslagten. 399
XLV. Merkwaerdige Oud- en Egtheid van de Grondlegging onzer Genera. 401
XLVI. Van de Regelen omtrent de Geslagten der Substantiva. 402
XLVII. Waerom of sommige Composita, en sommige niet, het Genus van het agterste Lid volgen. En de schranderheid der Voor-Ouderen in dit stuk. 406
XLVIII. Van de verdere Hulpmiddelen, om de Geslagten te lee-  

 

 

[pagina *****3r]


  ren kennen omtrent de Woorden, die nog onder geene Regels betrokken zijn. 410
XLIX. Van de Bescheidenheid omtrent Vergrijpingen in de Geslagtkennis. 410

 

Bijlage No: 5.


GESLACHT-TOETSE van ruim 750 Woorden, ter proeve gestelt tegen het Oude Moeso-Gotthisch, Angel-Saksisch, & Frank-Duitsch, en 't Hedendaegsche Yslandsch, & Hoogduitsch. van pag: 411 tot 468

 

XIII. Redewisseling.

 

Van de Declinatien.

 

3. Verhandeling.

 

Wegens de Pronomina.


I. Gewigtigheid van 't wel-kennen der Pronomina. 469
II. Verbuiging van de Pronom: Personal: IK, GY, HY, en ZY. 469
III. Van het oude Du in Singul: en van het Hedendaegsche GY in Sing: en Plur: teffens. 471
IV. Van ons Lieden agter GY en ZY. 472
V. Van ons Pron: Reflectiv: ZICH. 472
VI. Van ons JE & WE in steê van GY & WY. 473
VII. Van ZE in Acc: Singul: & Plur: in plaetse van ZY of HAER. 473
VIII. Of men de Articuli & Pronomina in 't Neutr: stellen moet, als ze Relatief zijn op Wyf, en op de Verkleinwoorden van Vrouwelijke Persoonen, als Meisje, enz:. 474
IX. Volgens 't Gebruik, onze Pronom: Possessiva ZYN en HAER Relatief te nemen op het waerlijke geslagt van de Persoon, en niet op 't Grammaticale. 475
X. Declin: van ons WIE? m: & f: en ons WAT? n: elk als Substantivum. 475
XI. Declin: van ons DEZE? m: & f: en ons DIT, n: elk als Substantiv:. 477
XII. Van ons DIE, m: & f: (iste, ista), & DAT, n: (istud), als Substantiv. 478
XIII. Declin: Van ons WELKE? m: & f: (quis? quae?) en WELK? n: (quod?) als Adjectiv:. 478
XIV. Declin: van ons WAT? (quis, quae, quod?) m: f: & n: als Adjectiv:. 479
XV. Van ons Welk één? Hoedanig één? Wat voor één? (qualis), en Zulk één, Dusdanig één, Zoodanig één (talis), en Diergelyk één (similis), elk als Adjectivum. 480
XVI. Declin: van de gemelde Pronomina als Substantiva. 481
XVII. Declin: van ons DIE, m: & f: (ille, a, iste, a) en DAT, n: (illud, istud) als Adject:. 482
XVIII. Van ons DEZE, m: & f: & DIT, n: als Adjectivum. 484
XIX. Van ons GENE, m: & f: (ille, a) en DEZE en GENE, m: & f: (hic & ille, haec & illa) elk als Adjectiv:. 484
XX. Van ons DEZEN en GENEN, als Subst:. 484
XXI. Van ons Geene & Niet eene, m: & f: (nullus, a) &  

 

 

[pagina *****3v]


  Géén, & Niet één, N. (nullum); en ons Eene, M. & F. en Eén, N. (unus, a, um, & idem, eadem, idem); als mede ons De eene, M. & F. en Het eene, N. elk als Adjectiv:. 485
XXII. Van ons Een, Géén, & Niet één, en De Eén en de Ander, M. & F. en Het Eén en 't Ander, N. elk als Subst:. 485
XXIII. Van onze Possessiva Myne, Uwe, Onze, Zyne, Haere (of Heure), en Hunne, als Adjectiva. 485
XXIV. Declin: van een der Possessiva, naemlijk De Myne, M. & F. en Het Myne N. als Substant:. 486
XXV. Van ons Onderscheid tusschen de Terminatie van 't Pronomen Adjectivum en die van 't Nomen Adjectivum, als ieder van een Neutrum gevolgt word. 486
XXVI. Van ons Mynes, Uwes, Zynes, enz: als Substant: 487
XXVII. Tusschen-inval, hoe de S in Genit: somtijds Nomina en Pronomina in Adverbia doet verwandelen. 487
XXVIII. Van ons Ulieder en Onzer. 487
XXIX. Van het Onderscheid tusschen ons ZYNE, en HAERE (of Heure), en HUNNE. 487
XXX. Van het Onderscheid tusschen ons Zyne en Hare Majesteit. 488
XXXI. Declin: van onze Pronom: Relativa Die, Wélke, De Wélke, M. & F. en Dat, Wélk, Het Wélke, en 't Gene, N. als mede ons Wie in de Verbogene Casus, elk als Substantiv:. 489
XXXII. Dat onze Relativa Welke, M. & F. en Wélk, N. en De Welke, M. & F. alleenlijk op iet voorgaende, en niet op iet volgende betrekking hebben. 492
XXXIII. Van ons Daer van, en Waer van, en Daer aen, en Waer aen; en van ons Onderscheid wanneer elk van die, of als een Demonstrativ: of Interrogativ:, of als een Relativum komt. 492
XXXIV. Van ons Eén en De Andere, &c:, als, Adject: en van ons Eén Ander, Substant:. 492
XXXV. Van ons Elke, M. & F. en Elk, N. als Adjectiv:. 492
  Van ons Elk als Substant:. 493
  Van ons Elkander, Malkander, Iemand, en Niemand als Subst: 493
XXXVI. Declin: van ons Ieder, als Adjectiv:. 493
  Declin: van ons Ieder, Ieder-éen, ElK-één, en Een Ieder; en Een Iegelyk (quilibet), als Substant:. 493
  Van ons Een Iegelyk als Adject:. 493
XXXVII. Declin: Van ons Alle of Alle de (of Al de) als Adject: Plurale. 493
  Van ons Alle, als Adjectivum Singulare. 494
  Waerom of men zeit Alle Man, voor Alle Menschen, en nogtans Alle Man is, dog Alle Menschen zyn. 494

 

 

[pagina *****4r]


  Van ons Alles, als Subst:. 494
XXXVIII. Declin: van ons Eenige (Aliquis), en Menige, Etlyke, Sommige, en Vele, elk als Adjectiv:. 494
  Van ons De en Een Eenige (unicus, solus); als mede De en Een Zulke, Zoodanige, Dusdanige, en Diergelyke, als Nomina Adjectiva. 495
  Van ons Eenigen (Aliqui), Etlyken, Sommigen, Menigen, en Velen (in Plur:), en Menig, en Veel (in Sing:) als Substant:. 495
XXXIX. Declin: van ons De of Die gene, M. & F. en Het, of Dit, of Dat Gene, N. als Substant: zijnde Voorloopers van een volgend Relativum. 496
XL. Van ons De-zélve, en -Zélfde; Die-zélve, en -Zélfde; en Deze-zélve, en -Zélfde. M. & F. en Het-, Dat-, en Dit-zélve, en -Zélfde N. elk als Substant: en ook als Adjectivum. 497
  Van ons Eén-zélve, en Eén-zélfde, als Adjectiv: en ons Eén en Dezélfde als Adject: en Substant:. En van ons Eén- en De Eérste, enz:. 498
XLI. Declin: van ons Ik-, Gy-, Hy-, Zy-, Wy-, en Zich-zélve; en van ons De Man zélve of Zélf elk als Substant:. 499

 

Bijlage No: 6.

 

Zijnde een

 

HERZAMELING VAN DE PRONOMINA.

 

als Substantiva.


I. Van de Personalia. 502
II. Die op een Persoon of Zaek 't opzicht hebben. 503
III. Die door al de Geslagten eveneens zijn. 505

 

als Adjectiva.


I. Die in 't Geslagt onderscheiden zijn. 507
II. Die door al de Geslagten eveneens zijn. 509
III. Die eveneens gaen als de Nom: Adj:. 509

 

XIV. Redewisseling.

 

Wegens ons Hedendaegsche onderscheidentlijk uitdrukken van de Tijden der Verba in 't Algemeen.


I. Van ons tweederhande Praesens Indicativi, als Ik Slae, en Ik bén Slaende. 511
II. Van ons tweederhande Praet: Imperf: Indicat:, als Ik bezat, en Ik was bezittende. 512
III. Van 't natuerlijke Onderscheid van kragt tussen het Praeterit: Imperf: & Perfectum. 512
IV. Van nog een derde wijze van Praeter: Imperf;, als Hy quam te slaen. 513
V. Van ons Gaen en Komen voor een Infinitivus Rectus, als, Ik kom of Quam gaen; en Hy gaet of Ging loopen. 513
VI. Van ons Praeterit: Perfect: Indicat: als Hy heeft Geslagen, en Hy is gebleven. 513

 

 

[pagina *****4v]


VII. Van ons Praet: Plusquamperfect: als Hy had Geslagen, en Hy was Gebleven. 514
VIII. Van ons mengsel van 't Perf: & Plusquamperfectum, als Hy heeft Geslagen gehad. 514
IX. Vans on tweederhande Futur:, als Hy zal Slaen, en Hy staet te Slaen. 514
X. Van ons Futurum met een Praeterit: gemengt, als Hy zal gedaen hébben. 514
XI. Tussen-inlasch van 't Onderscheidene gebruik van den Infinitiv: Rectus & Obliquus agter eenige Voorloopende Verba, naemlijk wanneer niet of wanneer al het Woordtje Te tussen twee Verba's in moet geplaetst worden; als, Ik wil Loopen, en Ik begéér te Loopen. 515
XII. Van de merkwaerdige Rede en Oorzaek van dit Onderscheid. 516
XIII. Opmerkelijke Regel in 't onderscheidentlijk behandelen van de Praeterita dezer tweederhande Voorlopende Verba, als Ik héb begéért te Loopen, en Ik héb willen Loopen. 519
XIV. Van onzen Imperat: in 't Praef: Gaet, en in 't Futur: Gy zult gaen; en van ons Laet hy gaen, of Laet hem gaen. 521
XV. Van ons tweederhande Laten, als Laet ik gaen, en Laet my gaen. 522
XVI. Van den Modus Subjunctivus of Conjunctivus. 523
XVII. Van 't Praesens Subjunctivi. 524
XVIII. Van 't Praet: Imperf: Subjunct: 525
XIX. Van 't Praet: Perfect: Subjunct:. 526
XX. Van 't Praet: Plusquamperfect:. 526
XXI. Van ons Perfect: Subjunct: met het Plusquamperfect: vermengt. 527
XXII. Van 't Futurum Subjunctivi. 528
XXIII. Van de Gedaente der Vraegwijzen; en van de aenmerkelijke Woordverschikking niet alleen daer bij, maer ook bij de Adverbia en vele Conjunctiones en Nomina gebruiklijk. 528
XXIV. Van den Infinit: Rectus & Obliquus. 530
XXV. Van onzen Pligtelijken Infinitivus, of 't Gerundium. 530
  Van ons Gerundium of onzen Imperativus, in de Gedaente van een Infinitivus Obliquus; als te Doen, of 'er is te doen (agendum est). 530
XXVI. Van onzen Infinitiv: Rectus, als Substant: Definit:; als Het Willen. En van onzen Infinit: Obliquus, als Substant: Indefinit: en ook als Adjectiv: als Niet te Willen is strafbaer, enz:, en wijders De te doene zaken, &c. 530
XXVII. Van 't Praeter: Infinitivi. 531
XXVIII. Van ons Futurum Infinit:. 531
XXIX. Van ons Participium Praes:, Praeter: Perf:, Plusquamperf:, Futur:, & Fut: met een Praeter: vermengt. 531
XXX. Van ons Passivum. 531
XXXI. Van onze aerdig-onderscheidene behandeling omtrent de Praepositiones Separabiles & Inseparabiles, als die voor de Verba gevoegt staen; en wanneer niet of al ons GE in 't Praeterit: moet plaets hebben; wijders, van 't Onderscheid in den Accent, en in den Infinit: Obliquus, als bij Aen-dringen, Aen-gedrongen, Aen te Dringen; dog Overdringen, Overdrongen, te Overdringen. 533
XXXII. Van de Aenmerkelijke en menigvuldige Plaetswisseling van de Praeposit: Separabiles, als Ik overlég, considero; dog Ik lég over, transpono, enz:. 535
XXXIII. Van 't Onderscheid in 't  

 

 

[pagina ******1r]


  schrijven ten opzigte van de Verba met Praeposit: Separab: & Inseparabiles. 537
XXXIV. Van de Onderscheidene Behandeling der Hulpwoorden bij onze Verba Activa, Passiva, Neutra, & Communia. 538
XXXV. Besluit van deze laetste Redew:. 538

 

REGELMAET EN RANGSCHIKKING.

 

Der

 

Nederduitsche Werkwoorden.

 

I. HOOFDDEEL.

 

Voorbereiding.


Gewigt en Waerde van de Regelmatigheid, voornaemlijk bij de Verba. 543
Dat tot nog toe, hoewel ten onregt, onze ONGELYKVLOEYENDE VERBA voor onregelmatig gehouden zijn geweest. 543
Dat deze Regelmatigheid der ONGELYKVLOEYENDE VERBA zig niet alleenlijk vertoont in 't Nederduitsch, maer ook in 't oude Moeso-Gottisch, Frank-Duitsch, Angel-Saxisch, en 't Hedendaegsche Hoogduitsch en Yslandsch. 544
Oogmerk en Beweegrede van dit Opstel. 544
Dat de Kennis van de Regelmaet der ONGELYKVLOEYENDE VERBA grooten dienst kan doen bij eene Geregelde Afleiding. 545
Van de Schriften, waer uit de Voorbeelden der Oude en Verwante Talen bijeen-gezamelt zijn. 546
Van 't voornaemste Character onzer Verba, bestaende in den Infinit:, in 't Praeterit: Imperf:, en in 't Praeterit: Participii. 547
Van 't onderscheid tusschen GELYK- en ONGELYKVLOEYENDE VERBA. 547
Van het onderscheid tusschen de Verba Activa, Neutra, en Impersonalia. 547

 

II. HOOFDDEEL.

 

Van den Eersten Rang onzer Nederduitsche Werkwoorden.


Van onze GELYKVLOEYENDE VERBA, als Blaffen, blafte, geblaft, enz:. 548
De Regelmaet van 't Character dezer Verba. 548
De Regelmaet der Terminatien. 550

 

III. HOOFDDEEL.

 

Van den Tweeden Rang (of Classis) onzer Nederduitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE VERBA, wisselende van Wortelvocael thans eveneens in Imperf: als in 't Praeterit: Participii. 552
Regelmaet van die Vocaelwisseling.
bij No: 1, als Blijven, Bleef, Gebleven, &c.
No: 2, als, Sluiten, Sloot, Gesloten, &c.
No: 3, als Schieten, Schoot, Geschoten, &c.
No: 4, als Wegen, Woog, Gewogen, &c.
No: 5, als Vinden, Vond, Gevonden, &c.
No: 6, als Bérsten, Borst, Geborsten, &c.
552
Regelmaet der Uitgangen. 553
Lijsten der Verba, tot deze II. CL: behoorende. 554

 

 

[pagina ******1v]

IV. HOOFDDEEL.

 

Van den Derden Rang onzer Nederduitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE VERBA verwisselende alleenlijk in Imperfecto van Wortelvocael. 560
De Regelmaet van deze Vocael-verruiling  
bij No: 1, als, Geven, Gaf, Gegeven &c. 560
No: 2, als, Raden, Ried, Geraden, &c, 561
No: 3, als, Dragen, Droeg, Gedragen. 562
No: 4 als, Vallen, Viel, Gevallen, &c. 563
No: 5, als, Hangen, Hing, Gehangen. 563
No: 6, als, Houwen, Hieuw, Gehouwen. 563
De Regelmaet van de Uitgangen. 564

 

V. HOOFDDEEL.

 

Van den Vierden Rang onzer Nederduitsche Werkwoorden.


Van de ONGELYKVLOEYENDE VERBA, beiden in Imperf: en in Praeter: Participii van Wortelvocael verwisselende, dog elk bijzonder. 564
De Regelmaet van deze Vocaelwisseling, bij die van  
No: 1, als, Nemen, Nam, Genomen, &c. 564
No: 2, als, Bidden, Bad, Gebeden, &c. 565
No: 3, als, Helpen, Hielp, Geholpen, &c. 565
No: 4, als, Scheeren, Schoer, Geschoren, &c. 566
De Regelmaet van de Terminatien. 566

 

VI. HOOFDDEEL.

 

Van den Vijfden Rang onzer Nederduitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE VERBA veranderende bij 't Imperfect: en Praeter: Participii in acht of ocht, als Denken, Dacht, Gedacht, &c. 567

 

VII. HOOFDDEEL.

 

Van den Zesden Rang onzer Nederduitsche Verba.


Van de Vermengde, thans GELYK- en oulinks ONGELYK-VLOEYENDE VERBA; als  
Laden, Laedde (oul: Loed), Geladen, &c. 568

 

VIII. HOOFDDEEL.

 

Van onze weinige Onregelmatige Verba.


I. Van de Verloopene, als, Deugen, &c. en Doen, Deed, Gedaen, enz:. 569
II. Van de Hulpwoorden, als Hebben, Had, Gehad, enz:. 571

 

IX. HOOFDDEEL.

 

Van de Regelmaet der Moeso-Gotthische Werkwoorden.


Van de GELYKVLOEYENDE, zijnde van de I. Classis. 575
De Regelmaet van 't Character dezer Verba. 576
De Regelmaet van hare Terminatien. 576
Lijsten van deze Verba, als voor  
No: 1, Dailjan / dailida / dailiths / &c. 577
No: 2, Fastan / fastaida / fastaiths / &c. 581
No: 3, Salbon / salboda / salboths / &c. 583

 

 

[pagina ******2r]

X. HOOFDDEEL.

 

Van de II. Classis der M-Gotthische Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, hebbende hunne Vocael-wisseling in 't Imperf: Indicat: en 't Praet: Participii elk bijzonder. 584
De Regelmaet van deze Vocael-wisseling. 584
De Regelmaet der Terminatien. 585
Lijsten van dit soort, van  
No: 1, als, Greipan /graip / gripans; &c. 586
No: 2, als, Bindan / band / bundans; &c. 586
No: 3, als, Niman / nam / numans; &c. 587
No: 4, als, Biudan / baud / budans; &c. 587
No: 5, als, Babairan / gabar / Gabaurans; &c. 588
No: 6, als, Wairpan / warp / waurpans. 588

 

XI. HOOFDDEEL.

 

Van de III. Classis der M-Gotthische Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, alleenlijk in Praeter: Imperf: van Wortel-vocael veranderende. 588
De Regelmaet van die Vocael-wisseling. 588
De Regelmaet der Terminatien. 589
Lijsten van  
No: 1, als, Haldan / hold / haldans; &c. 589
No: 2, als, Bidjan / bad / bidans; &c. 589
No: 3, als, Giban / gab / gibans; &c. 589
No: 4, als, Faran / for / farans; &c. 590
No: 5, als, Standan / stod / standans; &c. 590
No: 6, als, Lukan / lauk / lukans; &c. 590

 

XII. HOOFDDEEL.

 

Van de IV. Classis der M-Gotthische Verba.

 

Naemlijk van die genen, die in 't Praet: eene gantsche Silbe voor-op-nemen;


als 1. Tekan / taitok / tekans; &c. 591
en 2. Slepan / saislep / slepans; &c. 591

 

XIII. HOOFDDEEL.

 

Van de V. Classis der M-Gotth: Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, die in Praet: op hta uitgaen; als Bringan / brahta / brahtans; &c. 593

 

XIV. HOOFDDEEL.

 

Van den Zesden Rang der M-Gotth: Werkwoorden.


Zijnde de Min- of On-regelmatigen; als, Magan / mahta; enz. 594

 

XV. HOOFDDEEL.

 

Van 't Passivum in het M-Gotthisch.


als, Dailjan / dividere.  
en Dailnan of Dailiths wairthan; dividi, enz. 595

 

XVI. HOOFDDEEL.

 

Van den Eersten Rang der Frank-Duitsche Verba.


Van de GELYKVLOEYENDE; als Teilan / teilida / geteilit; &c. 598
Regelmaet van 't Character dezer Verba. 599
Regelmaet van hare Terminatien. 599
Van 't Passivum in 't algemeen, met behulp van Werthan / en Siin of Wesan. 601
Lijste van Verba tot deze CL: behorende. 601

 

XVII. HOOFDDEEL.

 

Van den Tweeden Rang der Fr-Duitsche Werkwoorden.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, zo wel in Praet: Partic: als in 't  

 

 

[pagina ******2v]


Praet: Indic: van Wortel-vocael wisselende dog elk bijzonder. 613
Regelmaet van die Vocael-wisseling. 613
Regelmaet der Terminatien. 614
Lijsten van  
No: 1, als, Stiigan / steig / gestigan; &c. 615
No: 2, als, Biudan / boud / gibodan; &c. 616
No: 3, als, Bindan / band / gibundan; &c. 617
No: 4, als, Werfan / warf / giwurfan; &c. 617
No: 5, als Neman / nam / ginoman; &c. 618

 

XVIII. HOOFDDEEL.

 

Van de III. CL: der Frank-Duitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, alleenlijk in Praet: Imperf: van Wortel-vocael veranderende. 619
Regelmaet van die Vocael-verruiling. 619
Regelmaet van de Terminatien. 620
Lijsten van  
No: 1, als, Lesan / las / gilesan; &c. 620
No: 2, als, Fangan / fieng / gifangan;}
en Blasan / blies / giblasan;}
620
No: 3, als, Faran / fuor / gifaran; &c. 621
No: 4, als, Wahsan / wohs / giwahsan. 622
No: 5, als, Loufan / liof / giloufan; &c. 622

 

XIX. HOOFDDEEL.

 

Van de IV. CL: der Fr-Duitsche Verba.


Verwandelende in Praet: Imperf: op hta / als Bringan / brahta / gibraht; &c. 622

 

XX. HOOFDDEEL.

 

Van de V. CL: der Fr-Duitsche Verba.


Met de Terminatie ta in Imperf: en de Verwisseling van de Wortel-vocael e in a; als
Nemnan / namta / genemnit; &c.
623

 

XXI. HOOFDDEEL.

 

Van de VI. CL: der Fr-Duitsche Verba.


Waer onder de Onregelmatigen, als de Hulpwoorden  
Wesan (of Siin) / was / giwesan; &c. 624

 

XXII. HOOFDDEEL.

 

Van den Eersten Rang der Angel-Saxische Werkwoorden

Zijnde de GELYKVLOEYENDEN.


Regelmaet van 't Character dezer Verba. als Daelan / daelde / daeled (of gedaeled). 629
Regelmaet der Terminatien. 630
Van het Hulpwoord in 't Praet: Perfect:. 631
Van de Insmelting en Inkrimping. 632
Van het Passivum in 't generael. 633

 

XXIII. HOOFDDEEL.

 

Van de II. CL: der A-Saxische Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, Vocael-wisselende in Imperf: en in Praet: Partic: elk op eene bijzondere wijze. 634
Regelmaet van deze Vocael-wisseling. 634
Regelmaet der Terminatien. 635
Lijsten dezer Verba, van  
No: 1, als, Beodan / bead / geboden.}
en Lucan / leac / gelocen.}
636
No: 2, als, Bindan / band / gebunden; &c. 637
No: 3, als, Belgan / bath / gebolgen; &c. 638
No: 4, als, Beorgan / boerg / geborgen. 638
No: 5, als, Beran / bar / geboren; &c. 639
En van Biddan / liggan / sittan; &c. 639

 

XXIV. HOOFDDEEL.

 

Van de III. CL: der A-Saxische Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, al-  

 

 

[pagina ******3r]


leenlijk in Imperf: Vocael-wisselende. 640
Regelmaet van deze Vocael-wisseling. 640
Regelmaet van de Terminatien. 641
Lijsten van dit soort, voor  
No: 1, als, Bitan / bat / gebiten (of biten). 641
No: 2, als, Bacan / beor (of bor) / gebacen. 643
No: 3, als, Etan / aet/ ge-eten; &c. 644
No: 4, als, Feallan / feol / gefeallen; &c. 645
No: 5, als, Fangan / feng (of foh) / gefangen; &c. 645

 

XXV. HOOFDDEEL.

 

Van de IV. CL: der A-Saxische Verba.


Verwandelende in Imperf: op hte; als Bringan / brohte / gebroht; &c. 646

 

XXVI. HOOFDDEEL.

 

Van de V. CL: der A-Saxische Verba.


Waer onder de Ongeregelden; als de Hulpwoorden
Haban / hoefde / hoefod.
647
en Beon (of Wesan) woes / enz. 648

 

XXVII. HOOFDDEEL.

 

Van de I. CL: der Hoog-Duitsche Werkwoorden.


De Regelmaet of 't Character dezer Verba, als  
Salben / salbete (of Salbte) / gesalbet. 653
De Regelmaet van de Terminatien. 654
Van het Passivum. 654

 

XXVIII. HOOFDDEEL.

 

Van de II. CL: der H-Duitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, verwisselende van Wortelklinker in Imperf: en Praet: Participii beiden eveneens. 658
Regelmaet van die Vocaelwisseling. 658
Regelmaet der Terminatien. 659
Lijsten van dit soort; van  
No: 1, als, Bleiben / blieb / geblieben.}
en Reiten / ritt / geritten.}
659
No: 2, als, Fliegen / flog / geflogen; &c. 661
No: 3, als, Flechten / flocht / geflochten. 662
No: 4, als, Sauffen / soff / gesoffen; &c. 662

 

XXIX. HOOFDDEEL.

Van de III. CL: der H-Duitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, Vocael ruilende in Imperf: en in Praet: Part: elk bijzonder. 663
Regelmaet van die Vocael-wisseling. 663
Regelmaet der Terminatien. 664
Lijsten van  
No: 1, als, Binden / band / gebunden. 664
No: 2, als, Sterben / starb / gestorben. 665

 

XXX. HOOFDDEEL.

 

Van de IV. CL: der H-Duitsche Verba.


Van de ONGELYKVLOEYENDE, verwandelende alleenlijk in Imperf: van Wortel-vocael. 666
Regelmaet van die Vocael-ruiling. 666
Regelmaet der Terminatien. 667
Lijsten van  
No: 1, als, Graben / grub / gegraben. 667
No: 2, als, Blasen / blies / geblasen. 667
No: 3, als, Ruffen / rieff / geruffen}
en Stoffen / stiesz / gestoffen.}
668
No: 4, als, Geben / gab / gegeben. 668

 

XXXI. HOOFDDEEL.

 

Van de V. CL: der H-Duitsche Verba.


Verwandelende in Imperfecto op chte; als Bringen / brachte / gebracht / &c. 669

 

 

[pagina ******3v]

XXXII. HOOFDDEEL.

 

Van de VI. CL: der H-Duitsche Verba.


Verwisselende mede de Wortel-vocael e bij 't Imperf: en Praet: Partic: in a / zijnde andersints aen die van de I. Classis gelijk. 669
als Brennen / brannte (en brennte) / gebrannet (en gebrennet) / &c. 670

 

XXXIII. HOOFDDEEL.


Van de weinige Ongeregelde H-Duitsche Verba. 670
Aenmerking wegens 't gebruik der Hulpwoorden in Infinit:. of in Praet: Participii. 673

 

XXXIV. HOOFDDEEL.


Van de Yslandsche Verba in 't Algemeen. 676
Van 't Yslandsche Passivum. 678

 

XXXV. HOOFDDEEL.

Van de Yslandsche Hulpwoorden.


als, Verda / vard / vordenn / &c. 679

 

XXXVI. HOOFDDEEL.

 

Van de Yslandsche GELYKVLOEYENDE VERBA (als I. CL:.)


Gelijk Baka / bakade / en in Praet: Part: Act: Bakad / en Pass: Bakadur / &c. 683

 

XXXVII. HOOFDDEEL.

 

Van de Yslandsche ONGELYKVL: VERBA, die in Praet: Indic: en in Praet: Part: Pass: elk eene bijzondere Vocael-wisseling aennemen:

 

(als II. CL:) dus


No: 1, Grypa / greip / grippen. 686
No: 2, Bioda / baud / bodenn. 687
No: 3, Finna (Finda) / fand / fundenn. 688
No: 4, Bera / bar / borenn, enz. 689

 

XXXVIII. HOOFDDEEL.

 

Van de Ysl: ONGELYKVL: VERBA, die in Praeter: Indic: van Vocael verwisselen, dog niet in Praet: Part:.

 

(als III. CL:) dus


No: 1, Gefa / gaf / gefenn / &c. 690
No: 2, Fara / foor / farenn / &c. 691
No: 3, Blasa / blies / blaasenn / &c. 692

 

XXXIX. HOOFDDEEL.

 

Van de Ysl: ONGELYKVL: VERBA, gelijkende na die van de I. CL: en die van de andere Class: te gelijk:

 

(als IV. CL.) dus,


No: 1, Ber (pulso), barde / barenn / &c. 693
No: 2, Dryn (boo), drunde / &c. 694

 

XL. HOOFDDEEL.

 

Van de Ysl: Onregelmatige VERBA, als


Naa (apprehendere), naade / naadur.}
Grooa (germinare), graere / grooen.}
Kem (venio), kom / komenn.}
Thuo (lavo), thuode / thueigenn.} enz:.
695

 

 

[pagina ******4r]

Bijlage No: 7.

 

Van de LAND-VRIESCHE Dialect, vergeleken tegen de NEDERDUITSCHE.


Inleiding. 699
Van de Scherpheid en Tongdraying van die Dialect:, benevens het veranderlijke beloop van dezelve. 699
Lijstje van de Land-vriesche Woorden. 703

 

Van de LAND-FRIESCHE VERBA.


Van de GELYKVLOEYENDE, tegen onze I. CL:.  
als Bejaerjen (begeeren), bejearde / bejeard.}
Fielen (voelen), fielde / field / &c.}
706
Van de ONGELYKVLOEYENDE, tegen ons II. CL:. 707
als Bytten (Bijten), biet / bytten.
Lyen (Lijden), lit / lynne.
Schrieuwen (Schrijven), schreau / schreauwn.
Genietjen (Genieten), geneat / genotte.
Bynnen (Binden), buwn / buwne / enz.
 
Tegen onze III. CL:. 708
als Ferren (Varen), foer / faerne; enz.  
Tegen onze IV. CL:. 709
als Nimmen (nemen), naem / nomme; enz.  
Tegen onze V. & VI. CL:. 710
als Bringen (Brengen), brocht / brocht / &c. Schieden (Scheiden), schaet / schaet.  
Tegen onze Onregelmatigen. 710
als Dwaen (Doen), die / dien; enz:.  

 

Bijlage No: 8.

 

CXXVI. WAERNEMINGEN op de HOLLANDSCHE TAEL, te saamengestelt door

 

Pr: Cfz: HOOFD.

 

Beneffens

Eenige Aenmerkingen over dezelve.

van pag: 711 tot 743.