Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 20]origineel

Volk- en tael-verspreiding over Europa.
Eerste Verhandeling.
Vierde Redewisseling. L. en N.

L. INdien mijn Heer met geen ander voornemen komt dan onze laetste afspraek inhield, zo zal ik verslag doen van mijn' Schetse wegens de Tael-verspreiding' over Europa, zijnde bij mij in het rouwe opgemaekt, zo uit aenmerkingen van 't gene ik omtrent die stoffe heb gelezen, als uit het gene ik uit de overeenkomst der Talen zelf heb konnen besluiten.

 

N. Ik wagt' al op 't begin.

 

+L. Deze beschrijving moet op tweederhanden grondslag rusten, als eerstelijk op de tegenwoordige bevinding van 't beloop der Talen, en ten andere op de bekende verspreiding der Volkeren in de Historien vermeld; als die beiden éénstemmig zijn, doen ze elk-ander grooten dienst. Het eenigste en opperste ligt van 't begin dezer Verspreiding geeft, gelijk mijn Heer weet, ons de Heilige Schrift aen de hand, in de boeken van Mozes de oudste Schrijver van allen die onder de geleerdheid bekent staen, hoewel hij niet dan schetsgewijze daer van meld; de Grieksche Oudheid stak zeer lang en laet onder Schilder-Sprookjes (Fabulae) verwart, zelf op dien tijd nog, toen de Joodsche Republijk al eenige eeuwen gestaen had.

 

N. Maer dewijl Volk en Land niet altoos juist zodanig bij Mozes benoemt staen, dan ze wel sedert bij de Grieken en Romeinen, en door die bij ons in de Wereldlijke Historien bekent zijn geworden, zo dunkt mij dat 'er vrij wat werk in dat onderzoek steekt.

 

L. Mijn Heer, het zij dat dit verschil ontstaen is uit verandering van naem die de landen te mets bij omkeering van Staet, of bij nieuwe Volkplanting aennemen, of het zij dat die oude namen op de vreemde en jonger tongen eenen anderen draeij gekregen hebben, het zij hoe het bijkomt,

[p. 21]origineel

+ik beken dat de reddering werk vereischt; maer die duisterheid zullenwe, zo verre wy 't van nooden hebben, of immers zo verr' ik het zocht, konnen ophelderen uit de kennis der Vreemde Talen, en derzelver overeenkomst: Want, Gelijkheid van Talen (die niet meer dan in Dialect verschillen) geeft gelijkheid van af komst te kennen; en schoon wy, die nu van agteren komen, de overeenkomende Talen te mets in eenige grondwoorden verschillig vinden, en zelfs in zulke die men niet voor bastaerd- of vermengde woorden kan aenzien, zulks is niet anders te wijten als aen 't verloop der tijden of aen een bijzondere toevalligheid: want bij den een geraekt een woord veel eer in onbruik, dan bij den ander; en de overdragt van zinbeteekenis word bij elk volk niet even eens aangelegd en opgenomen; gelijk ook, bij voorval van nieuwe zaken, en gevolglijk van nieuwe benamingen, de een van dit en de ander van dat stam-woord zijne afleiding (derivatio) ontleenen zal en mag; indien men nu hier nog bijvoegt, hoe de Volkeren na de land- en lucht-streek, die ze komen te bewoonen, een verschillige driftsbeweging en gematigtheid aennemen, waer door ook 't eene volk, dat zagt van aert word, een zoetvloeyenden tongeslag en woordleiding in zijn spraek zal betragten en beminnen, terwijl het andere, dat streng is van ommegang, de hardigheid als iets manlijks in zijne taelvoering behartigt, zo is ligtelijk te begrijpen dat door lankheid van tijd na 't uitbreiden der Volkeren niet alleen een onderscheid van Dialect moet ontstaen, maer ook een onderscheid in de Uitdrukkingen en Spreekwijzen, verschil in de Overdragt en Zinbeteekenis, verschil ook zelf in voor- en agter-lassing van 't begin en de uiteindens der woorden. Dus gebeurt het metter tijd, dat het eene volk voor het ander, dat wel eer van de zelfde Voorouders afdaelde, onverstaenbaer word; ja de Talen verloopen ook in haer zelf te mets zoodanig, dat, ter oorzake van 't verslijten der woorden, en 't invoeren van Nieuw-afgeleide, de oude Tael duister is voor den nakomeling: dog wanneer deze Volkeren, welke door verloop van tijden zo verwijdert zijn geworden van zitplaets en van Sprake, zig namaels, 't zij vredig of geweldigerhand onderéén vermengen, zo zal 'er ook vermenging van Tael uit geboren worden; en wel zoodanig dat de Sprake van de geoeffentste in konsten en wetenschappen meest zal doorsteken, zelfs schoon de beschaeftste door krijgsmagt verwonnen worden, hoe veel te meer zo ze verwinnaers zijn.

Op deze natuerlijke veranderingen, die de Talen met de tijden onderworpen zijn, moet men agt geven, wanneer men de overeenkomst tussen de Oude en Nieuwe, tusschen deze en gene Talen overweegt en beschouwt.

 

N. Ik heb 'er niet tegen, dat de Spraken zulk een verloop onderhevig zijn, en dat hier op moet gegist worden, maer hoe zal men dat oude wezen der Talen overeenbrengen met het tegenwoordige, terwijl 'er sedert zo veel verandering van stand en staet opgekomen is, en terwijl ons van velen van die 't Historiael ontbreekt? Ik weet wel dat de agtbaerste geleertheid eenstemmiglijk, uit een vergelijking van de heilige en wereldlijke

[p. 22]origineel

schriften aen de nakomelingen van Sem toeschrijft de bevolking van 't Zuider-Asia, van Syriën af tot in de Indiën toe; aen de Kinderen van Cham het land van den Eufraet af, door Arabiën, Palestina, Egiptenland, en verder gantsch Afrika; en aen het huis van Japheth gantsch Europa, behalven het gene ten noorden in Asia was: Ik weet ook dat de H. Schrift leert, dat de zeven Kinderen van Japheth hare bevolking na hare geslagten wijd uitgezet hebben, en dat zeer vele geleerden in hare uitleggingen over die Text bij na eenparig stellen dat afkomstig zijn van

+GOMER, de Phrygiers, de Kimbren (of Noormannen) en de Theutonen (of Duitschen), namelijk de Gotthen, Wandalen, Almannen, Saxen, en Belgen.
MAGOG, de Schythen, sedert in Asiatische en Europische verdeelt, van welke laetsten ook sommige Geleerden meenen dat de Theutonen afgedaelt zijn.
MADAI, de Meden.
THIRAS, de Thraciers.
JAVAN, de Grieken en Italianen, en die van de Eilanden der Middellandse Zee.
TUBAL de Oulinkse Kelten, als Spanjaerts, Gallen en Brittons.
MESCHECH de Moschi, ter plaetse daer nu de Moscoviten of Russen zitten.

Maer dunkt u dat deze verdeeling wat gemaklijk overéén is te brengen met het verschil en de eigenschappen der Talen zo als men ze tegenwoordig in Europa bevind?

 

+L. Ik vind niets van belang dat 'er tegenstrijd, mits dat men zijne rekening make op de verandering die de oorlogen, overstroomingen, en verdeeltheden der Volkeren (ten minsten voor zo verre die genoegsaem algemeen bekent zijn) sedert aen Europa hebben toegebragt: als dan vind ik niet alleen niets dat 'er tegenstrijd, maer alles schijnt, als van zelf, na dien weg heen te willen, ja zelf in zulker voege, dat indien men 't natuerlijke verloop en de verwijderingen, die de Talen door de tijd onderworpen zijn, daer onder betrekt, zo schijnt alles wonder wel te slaen op de gemeene tijdrekening der Geleerden wegens die eerste Volkverspreiding van 't Japhetsche huis; want voor ruim 8 eeuwen was de Tael tusschen Engeland, Belgiën, Germaniën en de anderen van 't Noorden vrij wat minder verschillig dan nu, en wel zoodanig, dat als men, na natuerlijke begissing, dat toenmaelse verschil bij verder te ruggang van oudheid al nader

[p. 23]origineel

en nader tot één wilde brengen, men zou, zo ik agt, geen gevoeglijker tijd daer aen kunnen toepassen dan die van Babels torenbouw, en de verstrooijingen der Volkeren, dat is, omtrent 38 eeuwen vroeger als nu, volgens de gemeene tijdrekening der Geleerden.

 

N. Maer, ongetwijffelt is die eerste Volkscheiding bij voorname Familien geschied die zig sedert taksgewijze over den Aerdkloot verspreid hebben; en mondeling verstond ik onlangs van u, datje in drie voorname takken de Europische Volkverspreiding begiste, laet ons daer van uw schets wat nader inzien, en voeg zo 't lukken wil, het Historiael met de gemeene tijdrekening daer bij: kunnen wij het in geen eenen avond af, laet 'er ons drie toe nemen; het zal niet onvermaeklijk bij deze stoffe zijn, een korten inhoud van 't gebeurde in Europa in klein beslag bij één te zien.

 

+L. 't Is waer, ik gisse dat deze Verspreiding van Volk en Tael die haer begin uit Asië nam, en in Europa zig gezet heeft, voornaemlijk in drie Takken bestond; als, eene langs de Middellandse zee van over den Bosphorus tot in Thraciën, Griekenland met zijne eilanden, Illyriën, Dalmatië, oud Italiën, Hispaniën en Galliën, en verder tot in Groot-Brittanniën; de twee andere takken beiden van agter het Meotische Meer en de Zwarte Zee om, door 't Europische Schythiën (nu klein Tartaryën genaemt) west- en noord-westwaerts aen, waer van de eene zig gewend heeft na, agter, en langs de Balthische Zee, nu Oostzee geheeten, terwijl de andere zig uitzette westwaerts door het hart van Europa heen door Daciën, Moesiën, en Pannoniën, tot Germaniën en Belgiën.

+Den eersten noem ik den Keltischen Tak vermits de Keltische Volkeren onder dien streek gelegen hebben; want Spanjen noemde men oulinks Kelt-Iberiën, en een groot deel van Galliën voerde nog ten tijde der Romeinen den naem van Gallia Celtica; en dat ook van deze twee het Groot-Brittanje eertijds bevolkt is geweest, blijkt niet alleen uit de nae-gelegentheid van 't land, maer ook uit het overschot der oud-Brittonsche en oud-Spaensch en Gallisch-Keltische Spraken:

+Den tweeden Tak noem ik den Kimbrischen, om dat de oude noordsche Volkeren, die uit dezen hoek quamen, en door uitloopen vermaert wierden, onder den naem van Kimbren (Cimmerii en Cimbri) bekent staen.

+Den derden noem ik den Theutonischen, of Theutschen, dat is, in onze dialect overgebragt zijnde, den Duitschen. Deze Theutonische nogtans deelt zig eenigsints in tweeën; want langs de Oostzee door Pomeren, Pruissen, en langs de Saxische Kusten, vermits deze Volkeren altijd met de Kimbrische veel te doen hadden, trekt de Tael meer na 't Kimbrisch: onder dezen tel ik dan de Moeso-Gottische, Wandaelsche, en Angel-Saxische (als hebbende die Volkeren certijds aldaer haeren zeet gehad) en voorts de Oud-Friesche Sprake, dog onder de andere uitscheute, die het hart van Duitsland en nederwaerts in Belgiën tot aen de Noordzee toe, in 't breede ter wederzijde den Rijn besloeg, behoort het oude Alamannisch en 't hedendaegse Hoogduits; wijders het oude Frank-duitsch, en ons oud- en tegenwoordig Belgisch (of

[p. 24]origineel

Nederduitsch) dat zeer na met het Frank-duitsch overeenkomt. Tacitus verdeelt de Germanen in drieën, als Ingaewonen, Istaewonen en Hermionen: de eerste en tweede behoorden onder onze eerstgemelde uitscheute, dog de eerste van die twee naest herwaerts aen; de derde komen overeen met onze laetste.

+Zoo van den Kimbrischen als van den Theutonischen Tak hebben wij ten opzigte van de oudheid en staet-verandering niet veel bescheid; nogt' Griek nogt' Romein wist ons veel daer van te zeggen; want bevorens de Romeinen en Grieken de Volkeren van Galliën en Germaniën te regt leerden kennen, speelden ze verwardelijk met de namen van Gallen en Kelten. Dit egter weten wij nu van agteren, dat 'er, zelfs tot de bloeitijd der Romeinen bijna geene Steden onder Kimbrische en Duitsche Volkeren gevonden wierden; men leefde meest al op het land, ruuw, zonder schatten, zonder omslag: 't is dan niet te denken, dat'er voor de geboorte van Christus merkelijke verandering van Tael bij deze kan geweest zijn, wijl geene Vreemdeling om buit te halen derwaerts gelokt wierd; en bij 't landleven verloopen de Talen minder dan in de Steden; hierom vind men de Spraek bij den Boer altijd ouderwetscher dan bij den Steêman. Dit ook is 'er wegens de Kimbrische en Thoutonische (of Duitsche) Talen merkwaerdig, dat ze tot op heden van elkander alleen in een wijd verschil van dialect onderscheiden zijn: want hoewel de behandeling der Artikelen eenigsints verschilt, en hoewel vrij wat woorden bij den een in zwang gaen, die bij den ander versleten of in onbruik zijn, de grond nogtans is genoegsaem dezelfde, en, dat iets bijzonders is, de Verba, zo Gelijk- als Ongelijk-vloeijende, houden omtrent eenerleije rooij, terwijl voor 1000 jaren deze Spraken elkander nog nader quamen; dus dan merke ik die aen, als een oudverspreide tak met twee kloeke armen.

Dog de Keltische is door verscheidene vreemde Volkplantingen, en door zware slagen van oorlog zo menig een verandering onderworpen geweest, dat niet dan in hare afgelegenste hoeken en landstreken de overblijfselen daer van te vinden zijn, naemlijk in Cantabricia (nu Biscaijen genaemt) gelijk ook in Gascogne, als mede in Armorica (nu Bas-bretagne geheeten), en in Cambrobrittannia (of de Provincie van Wallis in Engelland) en wijders ook in Ierland en in 't Hooge Schot-land bij de Berg-Schotten. 't Biscaeisch evenwel heeft iets van 't Spaensch aengenomen; de andere zijn minder verbastert.

 

N. Dewijlje, mijn Vrind, de Grieken en Latijnen onder den Keltischen stronk betrekt, zo zullen mooglijk hare Schriften ons verslag kunnen doen van de verandering die in de eerste tijden onder haer geschied is.

 

L. Eenigermate ja, want hoewel alle hare oudheid met fabelkleeden louter omhangen is, daer schuilt nogtans eenige ware geschiedenis onder, die het Lichaem en 't onderwerp van dien opschik is, en die de geleerde oogen zo verre het in dit stuk noodig is, hebben weten te ontdekken. Maer, eerwe 't Historiael ondernemen, zou 't netter onderscheid geven, dat we 't werk in voorname Tijdperken (εποχαι) afdeelden: de eerste

[p. 25]origineel

zij van de Babelsche verwerring tot op de Geboorte van Christus behelzende omtrent 22 eeuwen: de tweede zij van dien tijd af tot op 't jaer 800, dat is, 8 eeuwen; de derde zij van daer tot op onzen tijd, bevattende ruim 9 eeuwen.

+Belangende het eerste Tijdperk, hier in tel ik ten opzigte van het Keltisch twee voorname veranderingen van Tael en Volk.

De Oudste was toen Cecrops en Danäus uit Egyptenland, Cadmus uit Phoeniciën, Pelops uit Phrygiën, en de Heracliden uit Lydiën niet lang na den ander Griekenland met volk-plantingen bezet hebben, en toen de Grieken, en voornamelijk de AEolen, kort daer na wederom in Italiën en Siciliën met Volk overstaken, verjagende vele van de oude ingezetenen. En, dewijl deze landwinnaers alle uit beschaefder oord quamen, zo is 't geen wonder, dat die oude en eerste Grieksche en Latijnsche Sprake, die men uit het huis van Javan stelt gekomen te zijn, door deze vermenging met Volkeren uit Asia en Africa uit het nageslagt van Sem en Cham, vrij wat kreuk gekregen hebben: Evenwel het groote getal van overeenkomende woorden in de sedert bloeijende Griekse en Latijnse en in de oude en tegenwoordige Duitsche Talen geeft genoegsaem te kennen, dat al het oude van die Japhetsche Sprake niet t'eenemael te leur is geraekt geweest. Hier van verhaelt vander Myle in 't agtste Capittel van zijne Lingua Belgica, dat Theod: Bibliander wel 4/3 van de Germanische Grondwoorden met de Griekse en Latijnsche oordeelt overeen te komen; dog hy vander Myle neemt de rooying' vrij wat heuscher, namelijk op ½; en deze overeenkomst, al stelt men die nog vrij wat minder, (hoewel dat niet behoeven zou wanneer men elks Dialect na vereisch overwoog) is evenwel bewijs genoeg van 't gezeide; maer nog nader blijkt zulks, als men opmerkt, dat de Grondwoorden van de nog in wezen zijnde overblijfsels van 't oude Keltisch, naemlijk in Biscayen, in Gascogne, in Bas-Bretagne, in Wallis, en in Ierland, aen de Grieksche en voornaemlijk aen de Latijnsche nader komen dan onze Germano-Belgische, gelijk te zien is bij de naelezing en overweging van den Tit: VIII. in de Archaiologia Britannica door Edw: Lhuid Ao. 1707. uitgegeven.

 

N. Maer zouden de oude Grieken en Latijnen, die men van Javan afkomstig rekent, wel net dezelfde tale gehad hebben als de oude Kelten; te weten de oude Spanjaerts,> Brittonnen, en Gallen, die men voor nakomelingen van Tubal houd?

 

L. 't Schijnt mij wel toe, dat hier van niet regt zekers te vinden is; maer dewijl Javan en Tubal beide kinderen van Japheth waren, zo is het te denken, dat die beide geslagten toen ze eerst gescheiden waren niet meer dan in Dialect zullen verschilt hebben.

 

N. Evenwel Gomer was ook een Zoon van Japheth, zo wel als Tubal en Javan, en nogtans verschillende de Keltische overblijfselen merkelijk, volgens uw zeggen, van de Kimbrische en Theutonische, die uit den stam van Gomer of Magog komen.

[p. 26]origineel

L. Het grootste verschil egter bestaet in de zeer verdraeide Dialect, en 't onderscheid van Letter-spelling: Daerenboven dewijl de kinderen van Tubal, volgens de gemeene rekening, dezelfde streek van verspreiding hebben gehouden als die van Javan, naemlijk eerst langs de Middellandse Zee, dat reden gaf van eenige onderhouding van gemeenschap tusschen die Geslagten, zo is 't niet onwaerschijnlijk, dat het verschil, ten minsten in 't eerst, niet zeer groot zal geweest zijn; te meer om de gemelde gelijkheid van grondwoorden. Hoe groot nogtans of hoe klein 't verschil eertijds was, weet ik niets van te verzekeren bij gebrek van oude proeven zo van den een als van den ander; ik neem 'er ook niet veel belang in, of men van dezen of van dien van Japheths kinderen den afkomst rekene: ik heb evenwel de Grieken en Latijnen onder den Keltischen arm betrokken, om dat die Tak van over die landstreek was uitgeschoten, zonder dat ik mij daer voor sterk zou willen maken, dat het Overoude Grieksch en Latijn net Oud-Keltisch zij geweest; hoewel de geleerde Du Pezron (wiens boekje genaemt Antiquité de la Nation & de la Langue des Celtes ik met vermaek gelezen heb) niet schroomt het stoutmoedig te verzekeren.

 

N. Maer als die Heer met die verzekering niet beter staet als met zijn bewijs, dat de Allemannen en Teutonen van de Kelten of Gallen zeer vele woorden ontleent hebben, zo is 't niet breed.

 

L. Die ziekte van alles tot zig te willen trekken is aen vele Volkeren eigen. Wanneer sommigen der Duitschers en eenigen van onze Nederduitschers willen staende houden dat de oude Kelten (als Gallen, Spanjaerts, en Brittonnen) ten tijde der Romeinen onze Oud-duitsche tael zouden gesproken hebben, gaet het dan al beter? Maer, laet die goede Lieden rusten, hoe belachelijk het zij, 't is evenwel onder de zotheden eene vrolijke, alles zig eigen te rekenen: Mij aengaende, de overblijfselen van dat Keltisch +geven mij ander berigt; en Tacitus getuigt ook dat de Gallische Sprake den Gothinen overstrijd dat ze geen' Germanen zijn; De Duitsche Vorst Ariowist kon Gallisch spreken, om dat hij 14 jaren onder de Gallen verkeert had; en Caligula dwong eenige Gallen om Duitsch te leeren, op dat die in zijn triomph voor Duitschers zouden doorgaen; zekerlijk was dan de Germanische en Gallische Tael kennelijk verschillig, ik zegge kennelijk om dat Tacitus, met de andere Romeinen, Vremdelingen zijnde, het vermerkt moeten hebben; en het groote onderscheid van Tongeslag en Gedaente tussen onze en die gemelde Spraken is tegenwoordig zelf zo groot, dat men den oorspronk en scheiding van die takken van nu af ten minsten wel ruim 3000 jaren te rug zou mogen rekenen; want, zo een Volk van Vreemden niet verheert word, kunnen niet, dan door een lang verloop van tijd, verschillige Dialecten tot onderscheidene talen overgaen. Maer laet ons onzen vorigen text vervolgen, eer we te wijd-heen verdwalen.

De tweede voornaeme Verandering, die den Keltischen tak te beurt'

[p. 27]origineel

+viel, is geweest, niet zo zeer toen de Carthaginensers Spanjen inkregen, als wel toen omtrent 2 eeuwen daer na de Romeinen Spanjen en Galliën overwonnen, en aldaer hare zeden, Oeffen-scholen en Wetten invoerden, zulks dat Strabo, die onder Augustus en 'Tiberius geleeft heeft, al ontkende, dat men de Gallen meer Barbaren mogt noemen, als die reets zo in Tael als Levenswijze, ja ook zommigen in 't Burgerlijk-bestier tot het Roomsche gebruik waren overgegaen. Als toen kreeg die ware Keltische tak en Tael daer zulk een' andere gedaente en omkeering, dat die Sprake allengskens in een Bastaert- of Boeren-latijn verwisselde, dat men sedert de Romansche Tael noemde; hoewel die van Cantabriën (nu Biscayers) meerendeels haer eigene oude tael en ook eenigsints hare vrijheid tot op heden hebben weten te houden.

 

N. Heeft ook niet al vroeg, toen de Roomsche Republijk', nog naeulijks uit den dop quam, de Keltische Tak van zijn kant een uitzet van volk gedaen? zijn niet de Boyen uit Galliën tot diep in Germaniën, en zijn niet eenige Galliën daer nae in Italiën, Griekenland, Thraciën, en zo verder tot in Asia gedrongen?

 

+L. Zoo melden de Historiën, zeggende dat omtrent 6 eeuwen voor de geboorte van Christus de Boyen uit het Keltisch-Galliën, onder 't geleide van eenen Segowes, over den Rijn, diep in Germaniën, tot in het Hyrcinishe Bosch trokken, en aldaer hare zitplaets hielden, welke hier uit den naem kreeg van Boyenheim, daer de Romeinen van maekten Bohemia. Men zou mogen twijffelen of deze Volkeren waerlijk van den ouden Gallis-Keltischen stam zijn geweest, dan of ze wel eer van de Germannen uitgegaen, en in Gallia Belgica, en van daer in Gallia Celtica gekomen waren. Uit de tegenwoordige Tael der Bohemen kan men niet zeker besluiten wat Spraek deze oude Boyen gebruikten, Duitsch of Keltisch: want de tegenwoordige Bohemen zijn een deel Slavoenen, en een deel van de Marcomannen die de oude Boyen van daer hebben doen verhuizen, gelijk we onder het tweede Tijdperk te zeggen zullen hebben: evenwel de eerste naem van Boyenheim pleit 'er voor, dat haer' Sprake Duitsch of Belgisch was; want Heim beteekende oulinks bij ons een Wooning, Verblijf. Immers verscheidene Volkeren uit Duitschland hebben in dat eerste Tijdperk in Galliën zig neergezet, en voornamelijk in Gallia Belgica, dat naest aenlag en bijna ⅓ van gantsch Galliën besloeg, strekkende zig eertijds vrij wat hooger op en breeder uit dan nu; want niet alleen de uitgestrektheid van de tegenwoordig genaemde tien Spaensche Provincien, maer een' gantsch breede streeke langs den Rijn op, tot aen 't Lac van Geneve toe, was daer onder begrepen: en dat men in dit gedeelte van Galliën Belgisch (of Nederduits) sprak wijst niet alleen de naem uit, maer ook haer oorspronk, vermits zij wel eer uit Germaniën van over den Rhijn in deze Landstreken getrokken waren, en volgens de getuigenis der oude Gallen zelf, bij Julius Caesar in 't begin van zijn tweede Boek te vinden, de vorige Gallische ingezetenen van daer verdreven hadden.

[p. 28]origineel

+Ruim 3 eeuwen later geschiedde een tweede uittocht der Gallen. Eene groote menigte van dat Volk, uit haer land optrekkende, drong in Italien, nam Romen in, alleen 't Capitolium bleef buiten haer magt, en hebbende van daer tot in Illyrïen, Pannoniën, Thraciën en Griekenland hare wapenen gevoert, en roemrugtig ontzag verkregen, is eindeling door Nicomedes Koning van Bithyniën genoodigt om uit Griekenland in klein-Asiën over te steken, en om met haer behulp, onder beding van gemeene bedeeling, Paphlagonien zijn buermans land, aen den Pontus Euxinus of zwarte Zee gelegen, te vermeesteren; en dit gelukt zijnde, zo hebben deze Gallen dat deel gekregen, 't welk sedert na haer, als uit Griekenland komende, volgens de Griekse naemgeving Gallo-graecia, of, na dezer Gallen eigene tael Galatiën genoemt is geworden.

 

N. Wat Tael zouden dan deze gevoert hebben? om dat je zegt na haer' eigene Tael Galatiën.

 

L. Neem dit niet verder op dan gissing; maer drie redenen heb ik, die elk mij zeggen willen, dat deze Galaten meerder Teutonisch ofte Belgis-duitsch zouden gesproken hebben dan Keltisch. Eerstelijk, om dat de Oudvader Hieronimus in zijn Voorreden over den Zendbrief van den H. Paulus aen die van Galaten getuigt, dat deze Volkeren nog ten zijnen tijde, behalven het Grieksch ook hare bijzondere Tael spraken, welke overeenquam met die van Trier, zijnde van ouds af de hoofdstad van Gallia Belgica geweest, alwaer men tot op onzen huidigen dag nog Duitsch of Belgisch spreekt. Dit word bevestigt met de Tweede reden, naemlijk dat één van dezer Gallen Oversten, die, kort na den tijd van Alexander, de dappere en strijdkundige Macedoniers versloeg, den naem voerde van Belgus, +als waerschijnlijk een Vorst van Gallia Belgica geweest zijnde. Ten derden stemt hier mede overeen eene Duitsche Afleiding van dien naem, als vervattende de Uitnoodiging van deze Gallen: Want gelijk eertijds in 't Moeso-Gottisch Lathon / Galathon beteekende Nooden (invitare) en gelijk dus ook in 't Angelsaxisch the Galathode waeron (de genoodigde mannen) Matth. XXII. 8. zoo zeide men oulinks daer voor in 't Belgisch Laden / Geladen; gelijk ook nu nog in dien zelfden zin het woord Laden bij de Hoogduitschers gebruikt word: dus beteekende dan Galatai of Galathai de Genoodigde.

 

N. Dog hier lijkt nog aan te schorten dat de T bij 't woord Galátai in plaets van TH of D komt; en uwe eigene aenmerkingen brengen meê dat de Gotthise *TH bij ons in D verwisselt: óók hoorde ik eens van u, dat ijder letter haer rekenschap vereischt, zoo men voorzigtig afleiden wil.

 

L. Dat beken ik; maer vooreerst hebben wij die T, in dit woord niet ontfangen uit de egte hand, dog uit die van de Griekse en Latijnsche schrijvers; waer op in 't stuk van vreemde woorden weinig te bouwen is, gelijk ook de Geleerde Isid: Hispalensis (in zijne Grammatica Cap:

[p. 29]origineel

xxviii.) getuigt, Sunt enim pleraque Barbara Nomina incognita Latinis & Graecis: ten anderen is 't ook niet onmoglijk dat wel eer die Galaten door lang omzwerven van de zagte Belgische Dialect tot een scherper mogten overgegaen geweest zijn: immers dit heb ik bevonden bij onze Hollandse inboorlingen, die zeer vele jaren agtereen in allerleije Landen omzwurven, datze de zagtigheid van onze uitspraek bij de D, Z, en V, verloren hadden; sprekende die bij na zo scherp uit als de T, S. en F. De reden agt ik, om dat verre de minste volkeren zo zagt een Dialect hebben als wij.

 

N. Uit deze uwe uitlegging over den naem der Galaten kan ik nu ligtlijk gissing maken, hoe 't bijkomt dat sommigen van jonger tijd als dit voorval, hoewel andersints oude schrijvers, den naem van Gallen en Galaten zonder onderscheid gebruikt hebben, noemende ook die Gallen, die in Europa en in haer eigen land gebleven waren, verkeerdelijk Galatai: want terwijle de Grieken hoorden dat deze nieulings in Asia gekomene Gallen zig zelven Galathen noemden, zo hebben zij, als onkundig van de beteekenis van dezen nieuwen naem, die na den ouden vrij wat zweemde, met geen' quaden glimp en met schijn van nettigheid en verbetering zig kunnen verbeelden, dat de egte naem zo wel van de Volkeren die in Gallien, als van deze die in Asia zaten, was Galatai, vermits deze van die waren uitgegaen.

Maer, mij schiet te binnen, dat je nog eenige Volkverhuizingen, hoewel +van klein belang, hebt overgeslagen, want eenige Griekse Phocensen hebben, volgens de getuigenis der Schrijvers, ruim 5 eeuwen voor Christus, zig aen de Gallische kust uitgezet, te Massilien naemlijk, nu Marseille genaemt; welke stad omtrent één halve eeuw daar na met een nieuwe troep Griekse volkeren vermeerdert is. Wijders hebben ook, zo men wil, de Spaensche +kusten eenige Phoeniciers gekregen, om haren koophandel daar te drijven, alvorens de komst der Carthaginenzers, daer gij van meldde; Mooglijk zweegje van deze gevallen, om dat niet waerschijnlijk is, dat de bevolking van een Stad, of het aenleggen van koopmanschap, eenige verandering van belang aen den Keltischen Tak hebben toegebragt.

 

L. Daer treft mijn Heer de rede: deze gevallen van geringe verandering spaerde ik tot op 't laetst, om die onder één besluit te trekken; en hierom zweeg ik ook tot nu toe van onzen verschrikkelijken Noordsen Watervloed; hoewel die ten opzigte van 't Historiael gewigtig genoeg is om niet voor bij te gaen. Deze schrijft men dat, ruim 3½ eeuw voor +Christus, de Noordse kusten en die van Germanien geweldig aantaste, vele stukken van 't vaste land tot Eilanden, en vele laegtens tot Meren maekte, waer door ontallijke menschen sneuvelden, terwijl die genen, die'er van onze en eenige verdere Noordsche kusten overschoten, dieper in Duitschland inweken, om door de woede der zee niet telkens ontrust te worden, vermits dijken en Terpen (dat is hoogtens) te maken toen nog onbekent was in die streken. Sedert evenwel, waerschijnlijk toen de nako-

[p. 30]origineel

+melingen dien ramp der Voorzaten niet meer indagtig waren, zakten wederom na dien grond, die ledig, en door 't afloopen van het water weder fris geworden was, eenige Nedersaxische volkeren, na allen schijn Engelsaxische, volgens de overeenkomst dier spraken. Deze zijn bekent geworden en gebleven onder den naem van Friesen of Vriezen.

't Is ook mooglijk niet lange daer nae geweest, toen de oude Batavieren en Caninefaten, mede Nedersaxers dog minder ten noorden gelegen, +om huislijk geschil haere gebroeders de Katten ontweken, en herwaerts-aan den ledigen grond innamen, die sedert Betauwe of Batauwe, of, op 't Romeinsch, Batavia genaemt wierdt, liggende langs Gallia Belgica, en tusschen de armen van den Beneden-Rijn, hebbende den Oceaen van voren, de Friezen ter regter, de Gallen ter linkerhand: Omtrent dezen tijd reken ik ook dat vele Belgen aen de Britannische kusten zig neêr gezet hebben, daer Jul. Caesar van meld. zie Cluv: Introd: Geograph: pag. 85.

 

N. Nu kan ik beseffen mijn Vriend, waerom de Oud-friesche Spraek aen de Engelsaxische zo wél gelijkt, terwijlze nogtans veel in Dialect verschilt van onze Belgische of Nederduitsche, die merkelijk meer overeenkomt met de Frankduitsche.

 

L. Maer, dit zal en kan eerst nader blijken, alsmen onder het volgende Tijdperk bevinden zal, dat 'er des aengaende geene wezendlijke veranring is voorgevallen.

En, dewijl ik, mijn Heer, nu 't voornaemste, dat ik over deze stoffe mij te binnen kon brengen, heb afgeschetst, zo stel ik het vervolg uit tot ons tweede Tydperk, dat een nieuwe bijeenkomst vereischt, en, ter oorzake van 't werkelijke Historiael, vrij wat tussentijd tot overweging en schikking van zaken van nooden heeft.