Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 321]origineel

Van de algemeene tael-deelen.
Tiende Redewisseling. N. en L.

N. EEne optelling te doen van de Algemeene Deelen eener Reden (Partes Orationis), is wel onnoodig voor elk die in 't Schoolsche niet onbedreven is; maer, dewijl alle Volkeren die Tael-deelen gemeen hebben (de Articuli uitgezondert, want deze zijn alleen bij sommige Volkeren in gebruik), en dewijl alle onze gedagten door die weinige Deelen worden uitgedrukt, zo moet zekerlijk in dezen een Philosophische scheiding onzer Denkbeelden opgesloten liggen; waerom die stoffe mij wel dubbelwaerdig toeschijnt, om door ons nader beschouwt te worden.

 

L. Van die zelfde bevatting aengedaen zijnde, heb ik, niet lange be vorens onze eerste Redewisseling opquam, een klein opstel deswegen bij een geschikt gehad, bestaende in XIII. Afsnijdingen, naemlijk aldus.

I.

+De Tael strekt niet anders, als om, door bijeengevoegde Klanken, of door Letterteekenen, die de Klanken verbeelden, onze Gedagten of Beschouwingen te kennen te geven.

II.

Alle onze Beschouwingen hebben tot onderwerp een zekere Zaek, het zij eene wezendlijke of waerlijk zelfstandige (als Mensch, &c.) het zij eene denk-kundige of beschouwlijke, en even of die zelstandig ware, bij de Spraek en de gedagten ingevoert, als Geregtigheid, enz. Hierom kan 'er geene verstaenbare reden ge-uit worden, die niet zulk een Onderwerp, dat men gewoonlijk een Naemwoord (Nomen Substantivum) noemt, ofte bevat, ofte anders door bijteekens of bekende omstandigheden aenwijst.

III.

+Maer hoewel de eigene zelfstandigheid der dingen door ieders benaming

[p. 322]origineel

word aengewezen, onze meeste bedenking nogtans is bezig omtrent de Toevalligheid, welke bestaet, of in de beweging, of in de hoedanigheid, of in beiden te gelijk.

IV.

+De beweging drukken wij uit door Werk-woorden (Verba), die men ook gevoeglijk Tijd-woorden kan noemen; want door de Beweging word de Tijd, en die door dezen onderkent. Men kan ook de Verba's aenmerken als Bevestig-woorden, overmits alle Gezeg zonder eenige Bevestiging of Verbum zijnde, zonder sloten gebrekkig is; de Ontkenning moet men in dezen gevalle mede voor een bevestiging van het Niet rekenen. Deze +Werk-woorden zijn, of Bedrijvende (Activa) als Slaen, of Lijdende (Passiva) als Geslagen worden, of Onzijdige of Bestaende (Neutra) als Blyven. Of anders, bij aldien men de bevestiging der zaken beschouwt +zonder opzigt van beweging of rust, zo bedient men zig van 't zogenaemde Zelfstandige of Bestaende Werk-woord Zyn of Wezen. +En, wanneer de werking tot de Persoon zelf wederom straelt, zo noemt men die Werk-woorden Wederkeerig; als Zig Bedienen, enz.

V.

+De Hoedanigheid der zaken vind men verbeeld in de Bijnamen (Adjectiva): het zij opzigt hebbende op de Gedaente en de Gestalte (Figura & Forma), ofte op de Soort en 't Geslagt (Species & Genus), of op de Hoegrootheid en de Hoezwaerheid (quantitas & gravitas), of op de Waerde en Deugd (Dignitas & Virtus): De laetste liggen alleen gegrondvest in de Vergelijkinge en 't Beschouwlijke.

VI.

+De Hoedanigheid, naemlijk den Aert, de Hoeveelheid, Tijd, en Plaets der Beweginge of Daedelijkheid geeft men te kennen door Bij-werk-woorden (Adverbia): Dog de soort der Beweginge door het Werk-woord zelf.

VII.

Dus dan, even gelijk het Adjectivum ten dienste is van het Nomen Substantivum, alzoo is het Adverbium tot het Verbum.

Deze zijn de natuerlijke Deelen in welken onze Denkbeelden bestaen: de verdere Deelen eener Reden, als het Pronomen, & Participium, de Praepositio, Conjunctio, Interjectio, & Articulus, zie ik aen als nutte Konstleden, door aenwasch van Tijd, om de verandering en 't gemak in de leidinge onzer gedagten, ingevoert. Tot bevestiging van 't welke ik zou kunnen bijbrengen, dat de Praeposit:, Conjunct: &c. in onze Vermaegtschapte Talen van ons en van elkander meer verschillen, als de Verba of Nomina; waerschijnlijk vermits later en sedert de verspreiding eerst ingevoert zijnde.

VIII.

+De Pronomina (of Voornaemwoorden) zijn als Stedehouders der Nomina Substantiva & Adjectiva, strekkende om 't verdriet van de herhaling der eerstgenoemde namen te voorkomen.

[p. 323]origineel

IX.

+Het Participium (ofte Deelwoord) is afgeleid van een Verbum, en stuit in zin eene bepaelde of onbepaelde tijd en dadelijkheid in, zonder opzigt van Persoon, dog betreklijk op een Zaek: hierom word het in de Valbuigingen (casus) behandelt en verandert, even gelijk een Adjectivum; en voert alzoo den naem van Deelwoord, als in zin en veranderinge deel hebbende aen de eigenschap van het Verbum en 't Adjectivum teffens, en zijnde in dezen opzigte een zeker Adjectivum Verbale, ofte Bedrijvend Bijnaem-woord.

X.

+De Praepositiones (ofte Voorzetsels) zijn een zeker slag van plaetselijke Adverbia, die ook dikwijls hunnen opzigt hebben op het Einde, het Middel, de Oorzaek, en Plaets der bewerkte zaken, als wanneer ze ook bij de Nomina of bij de Pronomina geschikt worden, en van die eene verbuiging' van Casus begeeren (als, Onder den duim, Binnen's Huis, Met Hem, enz:), terwijle de andere Adverbia gemeenlijk op geene verandering van Casus zien. Dog wanneer de Praepositiones op de Werkinge toegepast, en daerom bij de Verba koppelsgewijze gevoegt zijn, zo schikt zig het Substantivum niet na de Praepositio, maer na 't Verbum: als Hy onderving Hem, alwaer Hem van 't Verbum Vangen bestiert word, en niet van de Praepositio Onder.

XI.

+De Conjunctiones (of Koppelwoorden) verstrekken alleenlijk tot gemak van de Leiding der Reden, tot voorbereiding van den aert des Gezegs, en tot verbindinge der Leden. Deze zijn ten dienste van een Gezeg, even gelijk het Adjectivum ten dienste van het Substantivum is. En, vermits onze gedagten veelal op de beweging der dingen bezig zijn, zo strekt het gebied van die genen, die eenige onderstelling, voorwaerde, ofte wensch te kennen geven zig ook uit over de Wijzen der Werk-woorden (Modi verborum).

XII.

+De Interjectiones (ofte Tussenwerpsels) zijn in zig zelf een soort van Adverbia, die, als bij Uitgalming, de Ontroeringe des Gemoeds uitdrukken.

XIII.

+De Articuli (ofte Naem-leden, ook wel Leed-woordtjes genoemt) zijn een soort van Pronomina) die men bij Oude Talen zelden vind, dog die thans bij de meeste spraken van Europa gebruikt worden. Deze strekken om den netten zin en opzigt op de min- of meer-bepaeltheid der woorden duidelijk te onderscheiden; terwijle zulks in 't Latijn, vermits de Articuli aldaer geen plaets hebben, uit de Omstandigheden moet gegist worden. Zie daer Mijn Heer dit mijn kleine Opstel.

 

+N. Om de beknoptheid, Mijn Vriend, zou ik het beminnen, en om 't gewigt en de Waerde dezer Kennis zou ik het zoeken. Maer onder deze Negen Deelen, zo Natuerlijke als door Konst-bedagte, zijn 'er Vier,

[p. 324]origineel

als naemlijk de Articulus, het Pronomen, het Nomen Substantivum & Adjectivum, en 't Participium, die ten opzigte van hun Getal (Numerus), Geval (Casus), en Geslagt (Genus), hunne Verbuiging (Declinatio) onderworpen zijn; en nog een Rede lid of Tael-deel is 'er, naemlijk het Verbum, dat ook ten opzigte van 't Werken, 't Lijden, en 't Zijn; en ten aenzien van de Zeg-wijzen (Modi), van de Tijd-deelingen (Tempora), van het Getal (Numerus), en van de Persoon (Persona, zijne Verbuigingen, of Veranderingen of Vervoegingen (Conjugatio) onderhevig is. De andere Vier, te weten het Adverbium, de Praepositio, Conjunctio, & Interjectio zijn Onverbuiglijk.

Schoey dan dog dit gezeg van de verbuigsaemheid der Deelen eens op de vorige leest, om te vertoonen uit welke leiding onzer denkbeelden die gemeene verdeeling gesproten zij; mij dunkt ook dat het wel bevatten van deze zaek den grondslag ontdekken moet van 't opzigtelyke Bestier der Woorden, dat men gewoonlijk onder den naem van Syntaxis betrekt.

 

+L. Zo doet het, want zo dra men zijnen aendagt vest op de Zaken zelfs, en op hare Hoedanigheden (dat is, volgens de II. en V. Afsnijding, op de Nomina Substantiva, en op de Adjectiva), zo komt ons ten eersten de billijkheid te voren van die Algemeene Tael-regel naemlijk, dat de ADJECTIV A, vermits toevoeg sels van de SUBSTANTIV A zijnde, zig te +schikken hebben na die, zo wel in GENUS, als NUMERUS en CASUS.

Maer, belangende den waren dienst en kragt der Verbuigsame Deelen, toen ik die zocht te kennen, liet ik mijne gedagten weiden over de toevallige Verandering der dingen in 't algemeen, en over derzelver onderlinge opzicht en naeste gemeenschap: en de verdeeling die ik daer op vond was de volgende.

Het heeft weinig in te weten, eerstelijk, dat we in de beschouwingen der Zaken op de Eenheid of Veelheid ziende, het onderscheid van den +Numerus of het Getal (bestaende in den Singularis of het Eenvoud, en den Pluralis of het Meervoud) zoeken aen te duiden; hoewel sommige Volkeren ook eenen Dualis (of Tweevoud) in gebruik hebben: en ten andere, datwe de Zaken in hare Geslagten aenmerkende, het zij als +Manlijk (Mascul:), of als Vrouwlijk (Foemin:), het zij als Geenerlei (Neutrum), het Onderscheid van 't Genus daer in vinden: Maer de natuer of den aert der Casus te beschrijven vond ik vrij wat moeilijker; niet +zo zeer omtrent den Nominativus, in welk geval de Persoon of zaek is die werkt (als de Man loopt), of die bezit (als de Man heeft), of die bestaet (als de Man is, of word): nogt' ook niet omtrent den Dativus, die de Begiftigde, of Aen iet toegeëigende Zaek of Persoon verbeeld (als Dien Man, of Aen dien Man wierd gegeven of toegeeigent); gelijk ook +niet omtrent den Accusativus, in welk geval de bewerkte of Lijdende Zaek of Persoon zig bevind (als Betoom uwen Drift): en nog minder omtrent den Vocativus, in welk geval de Aengeroepene staet (als Gy, of ò Groote Vorst); maer allermeest omtrent den Zoogenaemden Genitivus & Ablativus: Want (1) als ik zeg, Een Liefhebber van Geregtig-

[p. 325]origineel

heid (dat is zo veel als Een die liefde heeft tot Gerechtigheid), of als men zegt De Liefde Gods (voor de Liefde tot God), zo komt in den Casus Genitivus de zaek of Persoon die bezint is, en dat gene waer toe de werking der bijgaende zaeke is uitgestrekt. (2) Wederom, als men zegt, De Kinderen Gods, of De Huisgenooten van dien man, zo komt de Genitivus, als een Toebehoorend, of Eigen bezittend geval: (3) Ten derde, als men zegt Het werk van zyn Hand (dat is, het werk door zijn hand gewrocht), of Gods Liefde, Barmhertigheid enz: (d: i: de Liefde, Barmhertigheid enz: die God bewijst), zo komt in beiden de Genitivus als Veroorzakende of Medewerkende. Hoe zal men nu deze driederhande gevallen van den Zoogenaemden Genitivus onder een betrekken? welke gemeenschap is 'er tussen hen?

 

N. Ik bekenne dat die duister is, en nogtans, dat te verwonderen is, vind men immers bij meest alle Talen deze driederhande Genitivi gemeenlijk op eene wyze uitgedrukt.

 

L. De Gemeenschap, welke ik in deze Genitivi bespeurt heb, is deze, dat bij ijder van hen twee zaken, of, dat hier het zelfde is, twee Substantiva's zoodanig bij een verbonden worden, dat die te samen in eene soortelijke veranderen; want bij de woorden Liefhebber van Geregtigheid word de algemeene zin van Liefhebber enger ingetrokken tot een' bijzonder soort van Liefhebbers; zoo geschied mede bij de woorden Huisgenooten van dien Man; en Het Werk van zyn hand: en hier op zinspeelt mooglijk de Latijnsche naem van Genitivus, als het Genus tot eene Species veranderende; zo dat men dit Geval als het Soortelijke, of Enger-intrekkende, of 't Geslagtelijke kan aenmerken; ofte ook, dewijl bij zulk een' Samenkoppeling van twee zaken, altijd vereischt word, datze onderling eenige gemeene Eigenschap met elkander hebben, vermits ze anders tot geen soort konden overgaen, zou men 't aenzien konnen als het Eigenschap-hebbende geval, voor zo veel men op de gemeenschap ziet, of anders, als het Verknogtende of Zaken-koppelende geval, als zinspelende op de bijeenvoeging der zaken.

 

+N. Maer hoe staen we met den Ablativus, die gewoonlijk Afnemer vertaeld word? Dit Geval komt mij niet minder duister te voren: Want wat voor een Afneming is 'er, wanneer men zegt In dat Huis, of Ten +zynen Huize? alhier is de Ablativus vertoevende of verzellende (Commorativus); of Dit wierd volbragt door, of met hem, aldaer is de Ablativus +Veroorzakende of Medewerkende (instrumentalis).

 

+L. Nog is 'er ook een Ablativus Narrativus (van Verhael), als, Men +spreekt Van Hem. Dog de vierde Ablativus, namelijk de Discretivus (of 't Afscheidende Geval) heeft den naem van Ablativus niet oneigentlijk; als Van Hem, Van Hem af, Uit het Huis, zonder dat, enz.

Deze Vierderhande Ablativi zijn zo strijdig van aert als In en Uit; en

[p. 326]origineel

ik bekenne gaerne dat ik tot nog toe na mijn genoegen geene gemeenschap heb konnen uitvinden die haer alle vier insluit. Bij gebrek van die kan men zig ondertussen behelpen met den gewoonen naem van Ablativus, nemende dien, voor 't gene het gebruik hem doet beteekenen, en niet voor 't gene hy na de Letter zou beduiden.

 

N. Uit het voorverhaelde is ligtelijk op te maken, dat de Latijnsche benamingen van de Casus meestendeel niet zeer eigentlijk de zaek uitdrukken, maer nog minder de gewoone vertalingen van die, als Noemer, Baerer, Gever, Aenklager, Roeper, en Nemer: immers zou het den zin van Vertaling nader komen, als men zette, het Noemelijke, 't Soortelijke, 't Begiftigde, het Betigtlijke, 't Aenroepelijke, en 't Afnemelijke geval. Dog het twisten over de Namen is maer tijd spillen, men kan, gelijk je zegt, die gebruiken voor 't gene 'er thans mede gemeent word.

Maer onder welk geval betrekje 't, als we zeggen, Om Hem, Van wegen en voor Hem, tegen Hem, over Hem, en Tot Iet, enz?

 

+L. Dit kan men noemen, het Toe-strekkende Geval, of het Bewerkte Beweegmiddel, of in 't Latijn den Accusativus motivus. Zoo bedient men zig ook van nog andere Praeposit: bij den Accusativus localis, die het +plaetselijk bewerkte geval bekleed, als men zegt, Bij, Om, Rontom, omtrent, naest, nabij Hem, nae Hem, voor, agter, tussen, en boven Hem, Op Hem, Boven op Hem, beneden, onder, en Over Hem, tegen Hem aen; door Dat, en door Dat heen, en Binnen, en Buiten Dat; hoewel men dit Binnen en Buiten, ook eertijds bij den Genitivus gevoegt heeft, als toebehoorende; en hier van zegt men nog Binnen en Buiten 's Huis, even of het ware In 't binnene des huizes.

 

N. Genoegsaem kan ik nu uit uwe beschrijving van de driederhande Genitivi, en vierderhande Ablativi begrijpen, waerom in sommige gevallen de Genitivus en Ablativus de zelfde schijnen te zijn, als 'T is een Werk van Hem; en Dat werk komt van Hem: zijnde de eerste een Genitivus, en de laetste een Ablativus, dog hier in elkander gelijk, dat ze beiden in 't Veroorzakende en Medewerkende geval zijn.

 

L. Evenwel is 'er nog een kennelijk onderscheid tussen die twee, want bij dien Genitivus komt alomme een ander Substantivum, aen 't welke die behoort en toe-ge-eigent is, terwijl deze Ablativus altijd aen 't Verbum zig verknoopt.

 

N. Ik heb ook aengemerkt, dat je, bij den Genitivus in de eerste plaets zet Liefde Gods voor Liefde tot God; en in de derde plaets Gods Liefde, voor De Liefde die God bewyst. Is in deze verzetting zo veel kragt van onderscheid?

 

L. Geene wezendlijke, dan dat het eerste, als de Liefde Gods, wel

[p. 327]origineel

in beide de zinnen gebruikt word, namelijk voor de Liefde tot God, en de Liefde die God bewyst, terwijl het derde, te weten Gods Liefde, alleen de laetste beteekenis heeft; Hierom kan men ook de Woorden van het derde omkeeren, en zetten daer voor zo wel Liefde Gods, als Gods Liefde, maer bij 't eerste niet, want Gods Liefde beteekent nimmer bij ons, de Liefde tot God.

 

N. Was het dan niet gevoeglijkst, dat men voor het eerste altijd zette Liefde tot God (Amor erga Deum?) dit is buiten alle twijffelzinnigheid.

 

L. Die onderscheiding is gants niet onbillijk; en voor het derde kan men ook bij ons zonder eenige zinverandering zetten niet alleen, De liefde Gods, maer ook De liefde van God, zo wel als Gods liefde (Amor Dei).

 

N. Als ik alle de onderscheidene Gevallen optel die hier aengewezen zijn, zo vind ik 'er in stêe van de gewoonlijke zes, ten minsten elf, als 1 Nominativus, 3 Genitivi, 1 Dativus, 1 Accusativus, 1 Vocat: en 4 Ablativi; of zo wij den Accusativus ook in driën kloven, dertien.

 

L. Ja ten naeusten genomen, zou men konnen zeggen dat onze Voorouderen niet meer dan Vier gevallen onderscheidentlijk gebruikt hebben; want Vocat: en Nominat: was eveneens, zo mede Dativ: en Ablat: Maer onder sommige andere Volkeren vind men 'er die van meer als Zes gevallen zig onderscheidentlijk bedienen: zo komt volgens de Armenische Grammatica, in de schrijftael, de Casus Ablativus, & Narrativus, & Commorativus, & Instrumentalis elk bijzonder; gelijk ook een Casus circumlativus, als Ghakumb (circa oculum), welke plaets onze Accusativus localis bekleed.

Maer alvorens we van de Casus afscheiden, zo laet ons die nog eens op eene andere wijze meer à priori beschouwen.

+Eene zaek is, of enkeld, of Verbonden.

Enkeld is ze, als ze op zig zelf aengemerkt word, gelijk bij eene Aengeroepene Zaek of Persoon; en dit maekt den Vocativus.

Verbonden of te samengezet zijn de Zaken, eerstelijk als 't Zaken met Zaken zijn, en ten anderen als de Zaken verkeeren met zulke dadelijkheden of bezittingen, die wij door Verba uitdrukken.

Een Zaek word aen een' Zaek verbonden, al ze aen die zodanig word toegeëigent, dat ze te samen tot een soort overgaen; als Des Volks Genegentheid; en hier uit word een Genitivus geboren; of zo de Zaek werkende en ergens toe uitgestrekt is, als, Liefde tot Wellust, zo komt de bezinde zaek als een Accusativus motivus; of zo de zaek werkende en begiftigende is, als Opdragt aen Hem, zo komt 'er een Dativus uit.

Dog zo wanneer de Zaken met Verba verkeeren, zo komt ons te voren. (1) De Bedrijver, of Bezitter, of die Bestaet, als, Hy slaet, heeft, of is: dit noemt men den Nominativus. (2) Wat 'er bewerkt of beze-

[p. 328]origineel

ten word, als, Men vervolgt, of heeft Hem: dit noemt men den Accusativus. (3) Aen en voor wien de werking geschied en toegeschikt word, als, men gaf of schreef Hem; of ten opzigte van wien of welke zaek iet in gelijkheid bestaet, als, Aen Hem gelijken; en deze gevallen noemt men den Dativus. Eindelijk (4) Waer door, waer meê, waer van, waer in, waer uit de werking geschied; en hier in is de Ablativus begrepen.

 

N. Mij dunkt dat ik in deze laetste Verdeelingen den grondslag van onzen Syntaxis voor 't meestendeel opengeleit vinde.

 

+L. Maer, mijn Heer, laet ons de verbuigsame Deelen vervolgen. Uit het gezeide is ligtlijk te zien, dat de Pronomina, die in plaets van Nomina komen, en de Articuli die een soort van Pronomina uitmaken, als meê de Participia die voor Adjectiva dienen, dezelfde beschouwingen, en gevolglijk dezelfde gevallen van verbuigingen onderworpen zijn, van wegen de gelijkheid van aert.

 

N. Mij schiet ook te binnen, dat je nog niet gemeld hebt van de toevalligheid die sommige Nomina Adjectiva te beurt valt, ik meene de Vergelijking of Vergrooting; als, de trap van Stelling (Positivus), van Vergrooting (Comparativus), en de Oppertrap, Superlativus.

 

+L. Waerlijk ik had dit bijna vergeten: Dat nu dezen insgelijks, vermits Adjectiva zijnde, de Verbuiging en de waerneming van Genus & Numerus even als de andere Adjectiva onderworpen behooren te zijn, leert eenigsints de natuer van de zaek. Nogtans wil 't gebruik onzer Tale dat de Comparativus onverbuigsaem blijve in alle de Genera, zo wel in Singul: als in Plur: niettegenstaende de Positivus en Superlativus even als de andere Adjectiva in de verbuiging behandelt worden. Op wat rede dit gebruik steunt, of waer uit het bij ons gesproten zij, heb ik nog niet konnen begrijpen.

 

+N. Den aert der Declinatien dus beschouwt hebbende, laet ons nu overgaen tot de Conjugatien.

 

L. Als we onze gedagten wenden tot de Beweginge der Dingen, zo vinden wij daer bij te beschouwen, niet alleen, (1) gelijk ik gezegt heb, of 'er iet Bedrijvende, of Lijdende, of Bestaende zij, welk onderscheid den Aert der Werk-woorden, gemeenlijk Genus Verborum genaemt, aenwijft: maer ook (2) of de Werking door een of door meer Personen +of zaken geschied; 't welk door den Singular. en Plural: onderscheiden word, hoewel bij sommigen ook nog eene Dualis (of tweevoud) in gebruik is. (3). Dog onder de Personen zijn, Ik en Wy, de Werkers die spreken; Gy en Gylieden, zijn 't aen wien men spreekt: Zy, Hy, Men, en Het, en verder alle Nomina zijn 't van wien of van

[p. 329]origineel

welken men spreekt. Ondertussen bekleed bij ons het woordtje Men de plaets van 't algemeen - persoonlijke, en ons woordtje Het verstrekt om het Gezeg of de Zaek in 't algemeen aen te duiden: maer in plaets van ons Men, waer voor de Franschen On gebruiken, kunnen we ook door het Passivum, even gelijk de Latijnen, dit algemeen-personelijke uitdrukken, mits we 'er 't woordtje Daer bij voegen; want het is bij ons het +zelfde, of we zetten, Men zegt (Gall: on dit), of, Daer word gezegt (Dicitur). (4) Ten vierde valt aen te merken of de werking Dadelijk, of Voorbij, of Aenstaende zij; en dus komt 'er bij de Verba, een Tegenwoordige (Praesens), een Voorledene (Praeteritum), en een Toekomende tijd (Futurum). (5) Enten vijfde, op welke wijze de werking geschiede, +het zij Onbepaeld (Infinitivus modus), zonder aenmerking van Personen of getal; het zij Bepaeldelijk, als Bevestigende of Aentoonende (Indicativus), of Gebiedende (Imperativus), of Onderstellende (Subjunctivus).

 

N. Ik vind datje onder 't optellen van de Tijden niet vermeld van ''t zoogenaemde Praeteritum Imperfectum, & Plusquamperfectum.

 

+L. In de Natuer zelf is 'er eigentlijk geen meer nog ander opzigt der Tijden dan het Tegenwoordige, het Voorledene, en het Toekomende.

En, aengezien wij beneffens de anderen van Duitschen Stamme het Futurum, als mede het zoogenaemde Praeteritum perfectum, & Praeteritum plusquamperfectum, niet zonder Hulpwoorden (Verba Auxiliaria) kunnen uitdrukken, zo blijkt dat ook onze oude Voorvaderen, zo in Indicativo als in Subjunctivo, even als de andere Oud-Duitschen, zig alleen bedient hebben van het Praesens, en van dat Praeteritum, 't welk men nu gewoon is Praeteritum Simplex, of Praeter: Imperfectum te noemen, terwijl Futurum & Praesens ook even eens klonken.

Zoo vind men 't bij het Moeso-Gotthisch van omtrent de 4: Eeuw; zoo mede bij 't Angelsaxisch en Frankduitsch van de 8: en 9: eeuw, als naemlijk, bij het Evangelium in 't A-S, dat Junius neffens het Gotthische heeft gevoegt, en bij de Oud-duitsche vertaling van Tatiani Harmonia. Het Futurum word daer aengeduid door 't Praesens, en onze Praeterita Composita (als 't Praet: Perfect: & Praet: plusquamperf:) die 't hulpwoord Hebben ten dienste nemen, is 'er buiten gebruik; evenwel is bij elk daer van, hoe zeldsaem 't zij, eene proef te vinden, als een voorteeken van eene gewoonte, die eer lang in 't schrijven stond door te dringen; gelijk die mooglijk op de tonge toen al zo nieuw niet meer was; want de Schrijftrant volgt gemeenlijk de veranderingen van de daeglijkse Spreektael niet als traeglijk: De zeldsaeme Voorbeelden daer ik op zie zijn dezen. In 't A-S, Da hig haesdon gesungene (Cum cantassent) Matth: XXVI. 30. en Ic hoebbe getholod (Passus sum) Matth: XXVII. 19. Wijders bij Tatiaen vond ik het F-TH, Habet forlegana in sinemo herzen (Moechatus est in suo corde) Tat: Cap: XXVIII. 1. pag: 62.

Dog bij 't Frankduitsch van omtrent twee eeuwen jonger, te weten

[p. 330]origineel

bij Willer: Abbatis Paraphr: in Cant: Cantic:, vind men doorgaends de Verba met de hulpwoorden Hebben en Zullen diergelijk als nu bij ons gebruikt.

 

N. Het onderscheid van Praeteritum Perfect: en Praet: Plusquamperf: kon men, beken ik wel, ligtelijk missen, want met het Praeteritum simplex wierd het natuerlijke vereisch om de voorledene zaken uit te drukken genoeg voldaen, even gelijk ook bij 't Hebreeusch: maer dat het Futurum geene bijzondere uitdrukkingen had is vreemd.

 

L. Het klinkt nog ruim zo vreemd, dat in 't Hebreeusch, alwaer niet anders +als 't Praeteritum & Futurum dient, het Praesens oneigen is, zulks dat het of door 't Participium of door 't Praeteritum en 't Futurum word aengewezen. De Taelgebruiken hebben te mets wonderlijke oorzaken: Immers is 'er weinig rede voor te vinden, waerom men de tegenwoordig zijnde zaken als toekomende zoude uitbeelden? Dog in tegendeel, dat men voor Toekomende zaken geen uitdrukking bijzonder had, kan men, wel ingezien zijnde, niet wel anders duiden als tot onzer Voorouderen lof: want de Toekomende zaken, zo ze buiten het pligtelijke zijn, komen gemeenlijk zoo onzeker voor 't geringe menschelijke verstand, dat weinig of niet 'er van te willen bevestigen, een teeken is van zedigheid en voorzigtigheid: maer zo men 't Pligtelijke tot onderwerp had, 't zij eene verbintenis, 't zij een belofte van iet te zullen doen, daer in vond men, volgens alle getuigenis, zo veel trouw en degelijkheid bij de Oud-duitsche Voorouderen, dat hun woord hun Zegel was; zo dat zij van zulk toekomende als tegenwoordig konden spreken; dus getuigt ook Tacitus van de Germanen in 't algemeen, *dat bij hen de Goede Zeden meerder dan elders de goede Wetten vermogten.

 

N. Heb ik niet bij het Moeso-Gotthisch in uw vorige boekje, agter aen, al eenige voorbeelden gezien van dat Pligtelijk Toekomende door een Hulpwoord uitgedrukt?

 

L. Ja, mijn Heer, hoewel zeschaers zijn: dus komt **aldaer in 't M-G, Ik skal waurkjan Joh: IX. 4. voor Ik moet werken; en Skulda & skuld was / voor Moest, en Skulda & skuld ist qiman / voor Hij moet of zal komen. Zoo komt mede in 't Alamannisch van de VIII. of IX. eeuw, bij eene Vermaning voor 't Kristenvolk, aldus, Diu ir hapen sculut (quam habere debetis); en bij Tatiaen Mesan scolta (fieri deberet). Zo dat de eerste grondbeteekenis van ons Zullen, dat in 't M-G, Skulan / in 't AL: en F-TH, Sculan / en 't A-S, Sceoldan of sceolan (debere) klinkt, een pligtverbindend woord is geweest, en ons Ik zal eertijds zo veel zeggen wilde, als, Ik verpligte en verbinde mij, of houde mij verbonden, zijnde korts daer na, of genoegzaem al in dezelfde tijd, dit Zal, Zoude, en Zullen in gebruik geraekt om den tegenwoordig-algemeenen zin van het Futurum uit te

[p. 331]origineel

beelden; eerst vind men 't al, in dezelfde Vermaning, in een twijffelagtig geval, daer 't pligtelijke en toekomende even zeer op past, (als ibid: p: 75.) AL: Dera er caheilit scal sin (qua salvandus est); en (p: 76.) AL: reching gepan scal (rationem redditurus est). Dog in een Verklaring over 't Onze Vader van omtrent die zelfde eeuw bij 't zelfde boek p: 82. vond ik het Futurum al volledig; als F-TH, da mir gesehen sculen / unde haben sculen / (ubi videbimus & habebimus). Hoewel de Hoogduitsers nog heden voor 't pligtelijke hun sollen (oportere), en voor 't andere Futurum hun werden tot hulpwoord gebruiken.

Nog een zeidsaemen uitdruk van Futurum ontmoette ik in 't zelfde boek bij eene Oud-Allamannische Vertaling' van het zoogenaemde Symbolum Athanasii, alwaer van de Opstandinge gezegt word, *Alle man ci arstandanne eigun (Omnes homines resurgent), welke Spreekwijze uit het pligtelijke ontleent schijnt, even gelijk bij ons ook nog gezegt word, Ik heb te doen (Oportet me facere); want het AL: Eigan / gelijk ook het M-G, Aigan / beteekende het zelfde als ons Hebben, en 't zelfde als 't AL: en F-TH, hapen / haben / en 't M-G, haban / (habere). En, niet minder zeldsaem is 't, het geen ik nog bij de bovengem: Oud-Al: Vermaning +vond, naemlijk, Wanta ir den Christan nom infangun eigut (d: i: Want Gijl: den Christen-naem ontfangen hebt), alwaer 't AL: Eigan zelf voor hulpwoord van 't Praeteritum gebruikt word, even gelijk ons Hebben tegenwoordig. Dog dit alles was van dien tijd, toen de hulpwoor-woorden bij de Verba nog in geen vast gebruik waren, ten minsten in 't schrijven niet.

 

N. 't Zou wel niet ongevoeglijk komen, dat we hier nu tegenstelden ons Hedendaegse gebruik; dog de avondtijd is reets verloopen, daer en boven zal zulks beter voegen hier na, als we van de verbuiglijke Deelen ieder in 't bijzonder zullen handelen; want om elke zaek te gereeder te kunnen zoeken op haer plaets, was ik voornemens mijne Vragen en Voorstellingen te schikken volgens de gewoone Grammaticale orde van de Deelen eener Reden: waerom ik dan ook verzoek, dat op onze naeste bijecnkomst de Aenmerkingen wegens de Articuli een beurt mogen krijgen; en zo 'er tijd mogt overschieten, dan die van de Pronomina.

 

L. Hier op heb ik een tegenverzoek, dat de omtrek der zaken niet te wijd genomen werde, op dat het werk mij niet overgroeye, en op dat het Vertoon van de Regelmaet en Rangschikking der Verba, beneffens de Proeve van een Geregelde Afleiding, die genoegsaem 't eerste beweegmiddel van dit schrijven zijn, niet te verre agter de bank raken: ook begin ik al te haken na rust in die stoffe, ten einde de Gedagten, die hier in als eenigsints van huis zijn, tot een wezendlijker vermaek eens mogen wederkeeren.

 

N. Uw tegenverzoek meen ik in agt te nemen. Maer ik denk immers niet, dat je de Oeffening in de Theologische Verschilpunten voor uw be-

[p. 332]origineel

ter vermaek rekent, vermits Zaken, welker duisterheid meest veroorzaekt is, of door Waen, of door Onkunde, of ook grootelijks door Gloriezucht van de genen die deze Geschillen eerst op de baen brachten, en die sedert van velen met zo veel bitterheid van wederzijde aengestookt zijn: ik denk ook niet, dat het die hooge Metaphysique beschouwingen zijn, die van velen zo stoutelijk ondernomen en mislijk voorgestelt worden, dat men hen vergelijken mag bij die genen, die verwaendelijk met strakke oogen het Zonnelicht willende bezien, zo verblind raken, dat ze, 't gene voor hare voeten ligt, naeulijks onderscheiden konnen.

 

L. Beschouwingen die tot een vrolijk Gemoed behooren, hebben mijnes agtens vrij wat heerlijkers in, dan 't gene gij daer noemt; de zulken namelijk, die ons helpen tot het voornaemste en nutste gebruik van al 't Zichtelijke, en van alle Wetenschappen, om overal zo binnen als buiten ons die Goddelijke Prediking van al 't Geschapene te verstaen, die den Schepper groot maekt en ons klein en nederig. Wat mag tog eenige Letterkundige Kennis daer bij vergeleken worden?

 

N. Dog op dien voet kan ook de Natuerkundige Beschouwing van de Spraek- en Tael-gebruiken voor geen gering voorwerp verstrekken, niet alleen voor zo verre ze aenleiding geeft om netter te leeren denken en spreken, maer voornamentlijk, om dat ze ons de Waerde en Heerlijkheid onzer Tale, en vooral het Vermogen in 't Letter-vormen en Spraekvoeren doende kennen, ons even als al het andere Geschapene, en alle andere Gaven van den Schepper aen ons geschonken, zeer kragtig tot onzen Weldoender trekt; en dat te meer, om dat we de Tael in al onzen handel nergens kunnende missen, gestadig-aen deze prediking voor ons krijgen.

 

L. Dat mijn Heer het dus opvat, zal mij met te meerder lust dit Werk doen vervolgen.

 

1713 3/m.