Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

M.

MA.

De Zaek-of Wortel-deelen.

MAECH, in † Machelen, Conjungere, Colligare; zie daer van bij MAEL, in deze Proeve:

 

MAED, in Made, vermis; en † Maden, metere; en Madelieve, ftos bellidis; en † Madélger, gentiana major; zie daer van bij MAEY, in de II. Pr.

 

MAEG, in † Magen, Coagulum; en Maeg, Mage, venter, stomachus; zie daer van bij 't volgende MYG, in deze Proeve; en in Maged, Maegd, virgo, ancilla, puella; Maegd-dom, virginitas, pudicitia; en Maegdelieve, ftos bellidis; † Maegd-toge, paedagogus, enz.; als mede in Magen, affines, cognati, conjuncti; en Maegschap, affinitas; bij MOOG, in deze Pr.

 

MAEY, in Mayen, metere; en Maye, vermis &c; zie daer van bij MAEY, in de II. Proeve.

 

MAEK, in Makelen, Conjungere, associare, conciliare, colligare; en Maken, facere, conficere; en Op-maken, en Vermaken &c, en Makelaer, mediator, interventor, &c; zie daer van bij ons MAEL, en bij ons MOOG, beiden in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

MAEL en MOEL &c, in ons MALEN, MAELDE (oul: MOEL of MOOL), GEMALEN, VI. CL: molere, in pulverem redigere, in minutas partes conterere; het Praet: Moel, is bij den Landman nog niet verstorven, in welke gedaente dit Verbum onder onze III. CL: 3 past, even als ons Dragen, droeg, gedragen &c, III. CL: 3.

Dus mede F-TH, Malan / muol / gimalan / III. CL: 3, molere; en fur-malan / III. CL: 3, demolire, conterere; en H-D, Mahlen / muhl / gemahlen / IV. CL: 1, molere; bij Bödiker, en von dem Spaten: en H-D, Mahlen / muhl / gemahlen IV. CL: 1, pingere, bij Schottel: dog Bödiker en von dem Spaten zetten Mahlen / I. CL:, pingere; gelijk ook bij Luthers overzetting, Galat: III. 1, gemahlet / depinctus. Wijders het Ysl: Mel / minutim tundo, in Praet: malde / tundendo confregi, IV. CL: 1, volgens welke Classis

[p. 289]origineel

het Praet: Part: malenn / moet zijn; en 't Ysl: Mil / in minutas particulas divido, in Praet: mulde / IV. CL: 2, zijn beiden nog overblijfsels van dezen Stam, dog in een verloopene Classis; het eerste omtrent in gelijker voege als thans bij Ons. Voorts in 't M-G, malandans / molentes; dog tot welke Classis behoorende, kan uit dit enkele voorbeeld niet blijken; waerom ik bij dezen de Cijffers I. CL: 1, welke ik te schielijk agter 't M-G, Malan / in de lijst der gelijkluidende Woorden in mijn uitgegevene Boekje van de Gemeenschap tusschen 't Gotthisch en Nederduitsch, gevoegt heb gehad, weder intrek.

Wijders, schoon ik met Bödiker vast stel, dat het H-D, Mahlen / pingere, even gelijk ook ons Malen, pingere, depingere; & tr: mente vaganti moliri aliquid; quin etiam, res nimis saepe cogitando recolare, in corde & cum animo volvere, wel gelijkvloeijend, en als I. CL: in gebruik is (waerom ook bij ons, zig af-malen, VI. CL: molendo se defatigari, dog zig af-malen, I. CL: semet depingere; en uit-malen, VI. CL: molendo evacuare, en uit-malen, I. CL: effingere depingere, en 't Ysl: Maela / I. CL: metiri), egter durf ik niet anders denken, dan dat Schottel, die zo vermaert en bedreven in zijne Moedertael was, ook uit eenig gebruik, en niet uit zijne hersens, dat H-D, Mahlen / IV. CL: 1, pingere, zal opgemaekt hebben; te meer om dat, met een gevoeglijke overdragt, deze zin van 't oude † Malen, III. CL: 3, molere, & in minutas partes frangere, kan ontleent zijn geweest, 't zij als zin spelende, of op het Verwmalen der Schilders, of liever op den gestadigen omloop van den Maelsteen, waer aen de hersenmaelders met hare gedagten eenigsints gelijk staen; vermits eene zelfde zaek menigwerf en van alle zijden bedenkende en herdenkende, zulks dat een spreekwijze daer van gekomen is, dat ymand het Hoofd omloopt als een Ros-meulen; en waer van ook ons Malinge, f: Phrenesis; en Malery, f: Phrenesis, & molitio, molimen. Deze zinspeling op de omwenteling, blijkt ook klaer genoeg in eenige takken van het oude Ongelijkvl: Malen, als naemlijk uit het Praes: bij ons Mael, vicem aut repetitionem indicans; éénmael, H-D, einmal / semel, unâ vice, voor Een-werf, eene keer; Dit- of deze mael, H-D, diszmal / bac vice; ons Veel- en menig-mael, saepe; Altemael, Allemael, omnis; H-D, allemal / jedes-mal / assiduò, ons Voormaels, H-D, vormal / olim, enz.

Op dezen voet dan, om niet boven behoefte de eerste Stamboomen te vermenig vuldigen, als mede, om niet, tegen den aert van de Grondlegging der Talen, twee evensgaende Ongelijkvloeijende Verba van verschilligen zin beiden als eerstelingen te onderstellen, wanneer die tweederhande zin gevoeglijk uit overdragt kan gesproten zijn, zo zullen we dit beiderleije H-D, mahlen / voor een enkelen stam aenzien, en den eersten zin van klein kneuzen, verbrijzelen, voor de Grondbeteekenis, en die van omloopen, omkeeren, en verder 't overwegen, en ernstig bedenken, en daer uit spruitende afschilderen, voor de Overdragtelijke beteekenissen houden.

 

Dog, om tot de Takken zelf te gaen, onder 't Wortel-deel van den Infin: of 't Praes: komen ons te voren, eerstelijk ons reetsgenoemde MAEL, f: & n: Vice, vicem, voor eene beurt, omkeer, of omwentelende afdeeling van tijd of beweging; A-S, mael / pars, spatium temporis; en in een andre Dialect met e / gelijk het Praes: van het Ysl: zijnde Mel / past ook hier op het M-G: Mel / tempus; als ziende op de omwenteling van dag, nagt, maenden en jaren: waer van wederom overdragtelijk gesproten schijnt het M-G, Meljan / gameljan I. CL: 1, scribere, en M-G, Meleins / scriptio, als doende een verslag of verhael van 't gebeurde; gelijk nog netter deze zin zig vertoont in ons Mélden, I. CL: en Vermélden, I. CL: memorare, mentionem facere, prodere; F-TH, meldan / I. CL: traducere; A-S, maelde / Concio, en meldian / I. CL: prodere. En, tot een teeken of vermelding van eenig merkwaerdigs, of gerechts-einde, het H-D, mahl / en Sax: † mael / A-S, mael / meta, terminus; en A-S, Cristes Mael / Crux Christi; en † Mael-bóóm, mael-stéén, m: Terminus, limes, arbor vel lapis terminalis; waer toe de Zwitserschen bijzonderlijk een wilden Eschen gebruikt hebben, en daer van Helvet: Mahl-baum / ornus; wijders, ver-

[p. 290]origineel

mits op de gebieds-grenzen tollen afgevordert worden, ook hier toe het oude † Mael-géld, † mael-tote, A-S, male / vectigal, exactio, census; en vermits men 'er te mets een molen zet, strekkende niet alleen tot een teeken van Gerechtscheidinge, maer tevens ook om 't koren van die beide ban-gerechten te malen, zoo mede het oude † Mael-stede, † mael-stad, mola publica intra terminos jurisdictionis; jurisdictio molaris, vicinia accolarum eadem mola utentium. En, op de tijdbeurte en 't vermelden van beids is betreklijk ons oude † Mael, n: & m: Jus, lex, judicium, & conventus juri dicendo deputatus, vulgò Mallum & mallus; waer van het A-S, mala / pactum, foedus; en ons † Borger-mael, Civium conventus; en † Boer-mael, agricolarum conventus; 't en ware men liever wilde, dat dit zag op de Maeltijd der Landdagen; hoewel'er, mijns agtens, deze Stam het zelfde regt van oorspronk zal blijven op behouden; want op den eersten zin van klein - kneuzen en verbrijzelen der spijze met de Tanden, past ook ons Mael, n: A-S, maele / pastus, refectio; en transl: ons Mael, n: Maeltyd, f: Cibandi tempus, Coena vel prandium; & Convivium; en Gastmael, n: Convivium; en † Eet-mael, nu contr: Et-mael, n: Coenam vel prandium sumendi diurna redintegratio vel revolutio; tempus viginti quatuor horarum; bij welk Etmael de zin van Tijdbeurte mede plaets heeft. Dog verder onder den zin van Klein of tot Stof maken, met den uitgang W agter 't Wortel-deel, het daer uit ontleende M-G, ga-malwjan / I. CL: 1, H-D, Malmen / ze-malmen / I. CL: conterere, confringere; als mede ons oude † Mael, nu met EE (ge-lijkaerdig aen het bovengemelde Ysl: Praes: Mel) bij ons Meel, n: Ysl: Miøl / N, H-D, Mäl / en mehl / N, A-S, Mele / meluw / melewe / meolowe / meluwe / Angl: Meale / meel / far, farina; vermits tot, stof gemalen; gelijk ook F-TH, melin / pulverem, Tat: p: 83; en ons Meel-peer, sorbum, fructus cujus farina polentae loco sumpta alvum sistit; en Meel-suiker, saccharum farinae non absimilis, gemeenlijk ook Poedersuiker genaemt; en mede met den uitgang WE, ons Meluwe, milwe, f: F-TH, miliwa / milwa / H-D, mülbe / milbe / F, acarus, tinea, ter zake van het Molsem- en Mot-stof, door deze kleene diertjes veroorzaekt: en hier van ons Meluwen, I. CL: ab acaris, tineis, sive teredine exedi; en Vermeluwen, I. CL: cariem contrahere.

Ons Mael, f: A-S, mal / F-TH, meila / en uit het Praet: het Angl: Moole / macula, nota, toont gemaklijk zijn afkomst uit den zin van 't oude ongelijkvloeijende Malen, pingere, beneffens ons Maler, m: Pictor, en Malery, f: Pictura, & Encaustum, inustaria; waer van ook het Fransche Esmail, bij ons voormaels † Mael, en † Malery, maer nu gemeenlijk op den Franschen Bastaerdtrant Email, emailjeersel, n: Encaustum; en waer van het Fransche Esmailler, en ons Emailjèren, I. CL: encausto pingere. Dog het H-D, Mackel / macula, agt ik een basterdkind van 't Latijn te wezen. Van ons Mael, macula, schijnt ook niet ongevoeglijk ontleent te zijn ons Mael-teeken, character, nota; en het oude † Mael, A-S, mael / signum, mensura; en onze oude Maetwoorden van † Duim-mael, Nagel-mael, stroo-mael, en vinger-mael &c, als de afgeteekende maten van een Duim breed, enz.

't Verdient ook zijne overweging, of niet contr:, en onder den zin van 't Malend-omloopen, mede uit dit ons Wortel deel gesproten zij ons Mal, insipidus, stultus, fatuus, & petulans; ais ymand die Malende van hersenen is, wien de bol omloopt, en die van de voorkomende zaken geen bescheiden oordeel kan vellen; gelijk men ook Mallaerd en molen, homo phantasticus, bij Kiliaen vind, 't gene deze afleiding bevestigt; en daer van ons Mallen, I. CL: ineptire, insanire, quin etiam lascivire; en ons Mal-kruid, n: Monia, herba insaniam ac saporem inducens: en ons Mal-molen, m: Mola, qua per aërem vehuntur homines circum axem, citissimo motu, is immers zo betrekkelijk op de Duizeling, die met dit snel omz wieren, ligtelijk in 't hoofd ontstaet, dan op de Dwaesheid.

Nog hebben we een Zaeklijk Deel † Mael, gemael, m: of f: H-D, gemahl / consors, socius, vel socia; waer toe ons Ee-gemael, conjunx, en het oude † Malen, I. CL: H-D, ver-mählen / I. CL: conjungere, conjugare, & connubio jungere, alles op het samen-voe-

[p. 291]origineel

gen ziende; dog dit behoort niet tot dezen Stam, maer is uit een insmelting van twee silben geboren; want dus vertoont het zig onder de Oudheid, als F-TH, mahela / conjunx, sponsa, consors; en F-TH, mahelan / I. CL: conjungere, reconciliare, & desponsare; als mede ons Makelen, I. CL:, ook eertijds contr:Malen, † méllen, I. CL: Conjungere, associare, conciliare, & colligare, & conjugari; waer van ons Makelaer, m: Mediator, interventor; & in re Architectonica, tholulus, associator contignationum; van welk Makelaer, of in 't F-TH, Mahelare / de Franschen gevormt of verdraeit hebben gehad hun Maquereau (leno, conciliator); en aengezien men meent, dat de Zeevisch, bij ons Makréél, Angl: Mackerell / Gall: Macquereau, Lat: Scomber genaemt, gewoon is in 't voorjaer de jonge Maegden-Elftjes te drijven na hare mannetjes, zo is die naem ook in 't Fransch, en in navolging van de Fransche Terminatie -eau (die voor 't Latijnsche -ellum komt, en met ons -éél beantwoord word) dus mede bij Ons en in 't Engelsch aen dezen Visch overgebracht. En wederom onder den zelfden zin van samenvoeging, en met inkortinge van de A, ons Makker, sosius; en A-S, maecca / meccea / par, en met insmeltinge van Makel of machel tot mael, schijnt ook hier van gesproten te zijn ons Malk voor malik, in malkander, en † melkander, mutuò, conjunctim, simul, zijnde zo veel als de een bij den ander gevoegt. Gelijk ook wijders ons Male, mael, f: Angl: Male / bulga pera, unde Gall: Male, Malle, f: en Malie, f: Angl: Mayle / orbiculus, fibula, hamus, annulus, vulgò Malia, unde Gall: Maille, Ital: Maglia, Hisp: Mala, geen quaden gemeenschap van zin vertoonen met het voorgemelde ingesmoltene † Malen, voor † machelen of makelen, Conjungere, colligare, als men denkt op de toe- of samen-bindinge der Buidels en der Oog-ringen daer toe van ouds gebruiklijk. Dog van dit Makelen, zie verder bij ons volgende Wortel-deel MOOG, in deze Proeve.

 

Tot het Praeter: Moel of in een andre Dialect Mol of mul of meul, is een andere Tak, die ook ettelijke Loten heeft uitgelevert, welke haer opzigt hebben op het Omloopen, Malen, of Verbrijzelen, als eerstelijk, het reedsgenoemde Molen, mallaerd, homo phantasticus; en ons Molen, meulen, m: & f: A-S, mylen / myln / myll / Alam: mulen / H-D, muhle / F, Dan: molle / Angl: mill / mola, molendinum; Graec: μύλη, mandibula sive maxilla; als mede het F-TH, farmulan / I. CL: Conterere; en Sax: molder / H-D, malter / mensurae aridae genus, quantum scilicet uno die commode moli possit; verder ons Molenaer, meulenaer, ook in andre Provincien Moller, molder, of mulder, m: H-D, müller / en mülner / M, molitor; dus mede Mollers-graeuw, cinereus color, als gelijkende na de bestovene Meulenaers - rokken; en Molster, molter, farinae portio quam molitor mercedis loco sibi sumit; en Molenaer, scarabeus cineraceus, blatta, pistrinaria, om de graeuwe koleur; en mooglijk ook om gelijke reden ons Strandvischje Molenaer, apua, alburnus. En, schoon het Latijnsche Mola of Gr: μύλη met ons Molen zo nae overeenkomt, egter is niet het onze, als van daer ontleent, te agten, vermits de ongelijkvloeijendheid van ons Verbum Malen, oul: III. CL: molere, aenwijst, dat het tot de eerste grondlegging onzer Tale behoort, en dat gevolglijk het Malen, 't zij zulks eerst door kneuzing of kleinstamping, en daer nae met eenig omloopend werktuig mogte geschied zijn, al van overoude tijden bij den Oudduitschen in zwang heeft gegaen: behalven dit, is de Terminatie EN, aen het onze, en niet aen 't basterd-woord eigen; beteekenende dit Molen dus zo veel als een werktuig tot het Malen behoorende; en zo 't van 't Latijnsche Mola quam, zou Molen beteekenen 't gene tot de Meulen behoort, dat nogte de kragt, nogte het oogmerk gantschelijk niet en treft. Niettemin stae ik toe, dat de overeenkomst tusschen 't Latijnsche Mola en Molere, en ons Malen en molen, mijte groot schijnt, om toevallig te zijn; dog de oorzaek daer van zoude ik aen de oude algemeene Moedertael, voor de verspreidinge der Volkeren, toeschrijven.

Wijders, gelijk het gemaelde fijn van stof is geworden, alzo heeft alle drooge stuivende aerde bij ons den naem gekregen van Mul,

[p. 292]origineel

gemul en † mol, f: H-D, Mull / M, M-G, mulda / F, Ysl: molld / F, Alam: of F-TH, molt / Kimbr: mold / Dan: mould / pulvis; en † Gemul, n: Pulvis, rudus, rudera; en A-S, Molde / mold / pulvis, humus, & sabulum; waer van ook 't Vlaemsche Bemullen, I. CL: aspergere pulvere; en Bemult, pulverulentus; en ook Ysl: Møl / spatium soli lapillis & scrupulis obsitum; en met den uitgang M, en SEM, ons Mólm, mulm, en mólsem, m: H-D, Mulm / M, Caries, pulvis, putredo, & quaelibet cariosa & contrita res; en daer van ons Mólmen, vermólmen, vermólsemen, I. CL: ook voormaels † Molen, I. CL: Cariem contrahere; en A-S, Molsnian / a-molsnian / I. CL: putrefacere: dog uit een Tak van 't Praesens het reedsgenoemde H-D, Malmen / zermalmen / I. CL: Conterere, confringere, comminuere, conculcare. Verder met de Terminatie TE of DE, het H-D, Molten / en milten en melden / F, bij ons mede Mélde, en Milde, f: Atriplex, om 't melige stof op de bladen van dit kruid; 't en ware dit op de mild- en zagtig-heid zag, alzo aen dit gewas de verzagting toegeschreven word: maer zie ook hier van bij SMELT, in deze Proeve. En wederom zonder aengevoegden uitgang ons Mól, m: & f: ook † Mól-of † Mul-worp, m: H-D, mul-worp / talpa, als levende in de Aerde, en werpende met den Muil de Mul-aerde om hoog, waerom hij nu meest in 't H-D, Maul-wurf genaemt word, en waer van ons Mól-hoopen, grumi, terrae tuberes; gelijk ook van dit Mól, ons Móllen-kruid, n: Ricinus; vermits men agt dat dit Kruid de Mollen verdrijft; bij Kiliaen vind men daer voor Molenkruid, ricinus; welke naem dan passen zou op de steel van dit kruid, zijnde een weinig wit, als of die met meel bestoven ware. Voorts de spreekwijze van Móllen-rooven, I. CL: venari talpas; 't welk men van de verstorvenen zeit, spruitende volgens Kiliaen uit een oud en zot bijgeloof, als of de geesten der begravenen onder de aerde omz worven, en met Mollevangst zig bemoeiden.

Ons Mollig, lenis, mollis, vermits de gemalene dingen en de fijne zagt voor 't gevoel zijn, en het bont der Mollen bij uitstek zagt is, schijnt aen dezen Tak niet qualijk te passen, egter is 't bij mij twijffelagtig, of 't niet van 't Latijnsche Mollis ontleent zij, om dat ik onder onze oude Vermaegtschapte, 't zij Duitsche of Kimbrische Talen, zo veel ik weet, dit niet ontmoet heb.

De Zaek-en Wortel-deelen.

MAEN, in Manen, vermanen, admonere; en Maen, Mane, Luna, & papaver, & juba, enz.; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MAEND, in ons Maend, mensis; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MAER, in Maren, vermaren, divulgare, praedicare; en Vermaert, Celebris; en in † Maren, remorari, tardare; en † Maer, † Maerse, † Maerasche, lacus, palus &c; † Maer-minne, syrena; † Maer-katte, cercopitheca; Maerkoet, fulica; en Maer, sed, tantum, solummodo, & incubus; en Mare-takken, muscus quercinus, enz.; zie daer van bij † MER, in de II. Proeve.

 

MAET, in Maet, Mate, mensura, Dérmate, ita, tantùm; en Uittermate, eximiè; en † Maten, I. CL: mensurare; en verder Matig, matigen, en Zich aen-matigen, zie bij 't volgende MEET, in deze Proeve. Dog in † Maten, I. CL: frangere labore; en 't oude Vlaemsche † Maten, I. CL: mactare, occidere, dissecare; en in † Mateman, homo vilis, pauper, & nullius pretii, & cellita; als mede Maet, socius, Maetschappy, societas, Maettroos, remex, Maetras, anaclinterium; zie daer van bij MééT, in de II. Proeve.

 

MAG, in Ik en hy mag, en 't oude † Mag-schien, forsan; en in † Magger, socius; zie bij 't volgende MOOG, in deze Proeve.

 

MAGT, in Magt, Magtig, Magtigen,

[p. 293]origineel

en Overmagtigen, bij 't volgende MOOG, in deze. Pr.

 

MAIL, in Email, en Emailjèren, zie daer van bij 't vorige MAEL, in deze Proeve.

 

MAK, in Makker, socius; Gemak, commoditas, Makréél, scomber, enz.; zie daer van bij 't vorige MAEL, dog voornaemlijk bij 't volgende MOOG, in deze Proeve.

 

MAL, in Mal, fatuus, insipidus; Mallen, ineptire; insanire, & lascivire; Mal-kruid, mania; Mal-molen, mola homines circumvehens; zie daer van bij 't vorige MAEL, in deze Pr.

 

MALK, in Malkander, invicem, mutuò; zie daer van iets bij 't vorige MAEL, in deze Proeve.

 

MALT, MALTSCH en MALSCH, zie daer van bij SMELT, in deze Pr.

 

MAN, in Man, Mannen, Manlyk, Bemannen, Overmannen, en † Mannig, multus, & multi; en Manier, ordo mos, enz; zie bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MANG, in † Manger, permutator, & mercator; † Mangeren, mutare, & mercaturam facere; Mangelen, commutare, & mercaturam facere; & certare, & circumvolvere, & polire lintea; & Deficere, deësse; en Mangel, defectus; en † Mange, † Mangenéél, ballista bellica; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MANK, in Mank, claudus; Mank, deficiens, & inter; † Manken, deficere, claudicare, & mutilare; en Mankeren, deficere, & cedere foro; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MAR, in Marren, tardare, remorari; en Marse, palus, &c, enz.; zie daer van bij MER, in de II. Pr.

 

MAT, in Mat het Praet: van Meten; zie bij 't volgende MEET, in deze Pr., en in Mat, fessus, & rudis, impolitus; en Matten, Af-matten, defatigare; Mats-hamer, malleus militaris; en † Matte, lac schiston, & pratum; zie daer van bij MééT, in de II. Pr.

ME.

MÉD, in Méd, en Méds; zie bij MYD, in deze Proeve.

 

MEED, in Mede, mulsum, & cum, &c; zie daer van bij MYD, in deze Pr.

 

† MÉÉD, in † Meede, pustula, tuber; & rubia; zie daer van bij MYD, in deze Proeve.

 

MEEG, in Mege, Megen, en Megel, coagulum; Meger-kruid, Gallium; zie daer van bij 't volgende MYG, in deze Proeve.

 

MEEL, in Meel, farina; Meluwe, acarus, tinea; Meluwen, ab acaris exedi; zie ons vorige MAEL, in deze Proeve.

 

MÉÉN, in Meenen, putare; en Geméén, communis, enz.; zie daer van bij MEYN, in de II. Proeve.

 

MEEN, Menig, multus, multi; en Menigte, enz.; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MEER, in Meer, lacus, stagnum, & olim palus, & piscina; en Meer-min, syrena; Meer-kat, cercopithecus; Meer-koet, sulica; Meer-radys, Meer-redik, raphanus marinus; Meersche, palus, & pratum palustre; en † Meren, remorari, tardare; zie daer van bij MER, in de II. Pr.

 

† MÉÉT, in † Meete, crena; & glastum; zie bij MééT, in de II. Pr.

[p. 294]origineel

Het Wortel-deel.

MEET &c, in ons METEN, MAT (in Plur: als mede in Subj: de lange A), GEMETEN, III. CL: 1, metiri, Graec: μετρειν; en ons Vermeten, III. CL: 1, vicissim metiri; en overdragtelijk Zich vermeten, III. CL: 1, sibi arrogare; M-G, mitan / mat (in Subj: metau) / mitans III. CL: 3, metiri. F-TH, mezan (mezzan) / maz (in Subj: mazi / gimezan of gimezzan / III. CL: 1, metiri, en widar-mezzan / III. CL: 1, comparare. A-S, Metan / maet / gemeten en meten / III. CL: 3, mensurare, & tr: pingere; H-D, messen / masz (in Subj: masse) / gemessen / IV. CL: 3, mensurare; en sich vermessen / IV. CL: 3, sibi arrogare. Ysl: meta / in Praet: matte / IV. CL: 1, aestimare, als of 't ware met de gedagten iets afmeten & schatten.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praes: ons Meter, m: Mensor; en 't M-G, mitads / F, mensura; en † Gemét, gemete, modus, mensura; en † Gemét, nu gemete lands, triens, tertia pars jugeri, Brab:; & tres quadrantes jugeri, Flandr:; en mooglijk het M-G, miton / I. CL: 3, cogitare; als met de gedagten iets afmeten, even gelijk het gemelde Ysl: meta / aestimare. Verder F-TH, mez / N, mensura, modius; A-S, mete / gemet / N, modus, mensura; metenysse / comparatio; metere / pictor; met-faest / modestus; met-fatu / mensurae; metung / depictio; en ons † Vermete, nu vermetelheid, f: Arrogantia; en ons Adj: Vermetel en vermeten, arrogans. En, mooglijk ook hier toe ons † Métse, mensura normalis, & tr: Constructio murorum vel parietum; en daer van † Métsen, I. CL: nu Métselen, I. CL: extruere muros, parietes, &c; † Méts-stéén, caementum; hoewel dezen ook eenigsints tot het Wortel-deel Méét, in de II. Proeve betrekkelijk zijn.

 

Tot het Zakelijke Deel van 't Praeter: ons Maet, mate, f: H-D, masz / N, en F, Dan: maade / mensura, modus, moderatio, temperamentum; ons Adverb: Dérmate of Diermate, ita, tantùm, tantoperè; en Uitdermate, uittermate, eximiè, extra modum, perquam, valdè, admodum; zijnde deze Adverbiale spreekwijzen uit den ouden Genitivus & Ablativus, met de R agter 't Leedwoordtje, ontleent geweest: en ons Toe-mate, f: Auctarium, mantissa; en Toemaet-hooy, n: Faenum cordum, serotinum, sicilimentum; nae-maeisel 't gene de maeijers hadden laten staen; en A-S, maet-faest / modestus, en maettre / mediocrior; en 't F-TH, gemaazon / I. CL: adaequare; A-S, maethian / I. CL: mensurare; en ons † Maten, I. CL: mensurare; en 't A-S, maethung / modus, mensura. Dat hier in 't A-S, th / gelijk ook in 't Deensch de d komt, is eene afwijking. Verder ons Matig, modestus, temperans, mediocris, sobrius, continens; waer van ons Matigen, I. CL: moderare, temperare; en Zich aenmatigen, I. CL: sibi arrogare, proprio arbitrio quid facere; en zoo voort.

 

Uit het Praet: Part: ons Vermeten, arrogans; en Onvermeten, non jactabundus; non gloriosus.

De Zek-en Wortel-deelen.

MEGD, in 't Geld: Mégd, virgo; zie daer van bij MOOG, in deze Pr.

 

MEID, in Meid, en † Meidsje, zie daer van bij MOOG, in deze Pr.

 

MEIN, in Meinen, putare; Gemein, communis &c; en in Mein-ééd, perjurium; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

† MEIR, lacus, mare; zie daer van bij MER, in de II. Pr.

 

MEIS, in Meisje, en † Meissen, puella &c; zie daer van bij 't volgende MOOG, in deze Proeve.

 

MÉLD, in Mélden, memorare, &c; en in Mélde, atriplex; zie daer van bij 't vorige MAEL, in deze Pr., en van 't laetste ook bij SMELT, in deze Pr.

[p. 295]origineel

Het Wortel-deel.

MÉLK &c, in ons MÉLKEN, MOLK, GEMOLKEN, II. CL: 6, mulgere, ubera pressare palmis, Graec: αμέλγειν; en overdragtelijk Ymand mélken, II. CL: 6, emulgere aliquem; en Duiven-mélken, II. CL: 6, allectare Columbas. A-S, Melcan / malc (in Subj: mulce) / gemolcen of molcen / II. CL: 3, mulgere. H-D, Melken / Molk en mulk / gemolken / II. CL: 3, mulgere.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Mélk, f: F-TH, milich) / en miloch / F, Ysl: mioolk / F, H-D, milch / F, Lac, A-S, milc / mioloc / Lac; en A-S, melce / Lactans, & faetus; en ons Mélk-hair, n: Lanugo genarum, barbula lacteola, tenerae genarum lanugines; waer toe ons Mélk-baerd, Mélk-muil, imberbis, impuber, depuber, als hebbende aen den kin nog niet dan van die tedere zagte Melkhaeren: en Mélk-stande, Labrum, lactarium; Mélk-wey, f: Serum, lactis pars aquea; en Mélk-weye, f: Sonchus, lactucina, een kruid welks steel gebroken zijnde, een melkgelijkend vogt uitgeeft, van welk soort ook is ons kruid genaemt Wolven-mélk, f: H-D, Wolfs-milch / F, Esula, Tithymallus, lactuca marina; verder ons Mélker, m: Lactans; en Mélker, mélkerling, lactes, lacteum intestinum, als welke gedrukt zijnde een wit Melkvogt loost, en waer aen men bij den visch de hommers onderkent.

 

Tot het Praeter: het A-S, molcen / H-D, molcken / F, Lac coagulatum, Lacticinia; het Geldersche Molken, zuivel, Lactarium; en 't H-D, molch / M, Geld: Molk, m: Salamandra, stellio, zijnde een soort van hagedilsen; of nu deze van zijne glinsterige Melkplekken op den rug, of zo anderen voor-geven, van zijne graegte tot melk, dien naem heeft, vind en laet ik onzeker.

De Zaek-en Wortel-deelen.

† MELK, in † Melk-ander, Conjunctim, mutuo; zie daer van bij MAEL, in deze Proeve.

 

† MÉLT, &c, in het oude Mélten, II. CL: 6, A-S, meltan / II. CL: 3, liquescere; waer voor wij, met eene voorwerping van S, gebruiken ons Smélten, II. CL: 6. En schoon 'er ook onder ons nog eenige takken zonder S voor op, overig zijn, egter verkiezen we dezen Stamboom bij 't Wortel-deel SMELT, in deze Pr: te verhandelen, om dat elk het daer en niet hier zou zoeken, ter zake dat dit oude Mélten zo onbekent is.

 

MEN, in ons Men, hominum pluralitas, Gall: on; als Men zeyt, dicunt, vel dicitur; en Ménnen, ducere, agere; † Ménnisch, nu Ménsch, homo; Ménnig, multi, multus; en Ménnigte, multitudo; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MÉNG, in † Ménge, multitudo; Méngen, † Méngelen, miscere; Méngele, heminarum mensura; en Ménger, permutator; & Mercator; en Ménge, agrimonium, eupatorium; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MÉNK, in † Ménke, defectus; en † Ménken, Verménken, mutilare; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MÉNSCH, homo; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MÉR, in ons Mérren, remorari, tardare, en † Mér, † Mérsche, palus, &c; en Mérlyn, aesalo; en Nacht-mérrie, incubus; als mede iets van Mérle, merula &c; zie daer van bij MER, in de II. Proeve.

 

MÉS, in ons Més, Culter; zie bij MÉÉT, in de II. Proeve.

[p. 296]origineel

MÉT, in Mét, Métte, Carnes porcinae delicatiores; en Mét-worst, lucanica; en ook iets van Métten, méttenen, horae sive preces matutinae; Ymand de métten voorlezen, objurgare aliquem; en Onder-métten, merendam sumere; zie bij MééT, in de II. Pr.: en in † Ge-mét, mensura; zie bij MEET hier voor in deze Pr.

 

MÉTS, in † Méts, Culter; en † Métsen, Métselen, extruere muros; en Méts-stéén, Caementum; zie daer van bij 't vorige MEET, in deze, en bij 't volgende MééT, in de II. Proeve.

 

MEUG, in Meug, appetitus; Meuglyk, cum appetitu, possibilis, & forsan; bij MOOG, in deze Pr.

 

MEUL in Meulen, en Meulenaer, bij 't vorige MAEL, in deze Pr.

MI.

MID, in Mids, Midden, Middel &c, zie daer van bij MYD, in deze Pr.

 

† MIEG, in † Mige, in † urina; zie bij 't volgende MYG, in deze Pr.

 

MIER, in Mierik, Raphanus marinus; zie daer van bij MER, in de II. Pr.

 

† MIG, in † Mig-schien, forsan; bij MOOG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

MYD, &c, in ons MYDEN, MEED, GEMEDEN, II. CL: 1, en ook I. CL:, vitare, cedere, effugere, parcere; dog word thans meest gebruikt als I. CL:; en Euphon: laet men de D ook wel hier uit.

F-TH, Midan (en bi-mitan) / meid / (in Subj: midi) / gimidan / II. CL: 1, vitare, latere. A-S, mithan / math (in Subj: mithe) / mithen / III. CL: 1, latere, abscondere, caelare. H-D, Melden / mied / gemieden / II. CL: 1, subterfugere; en vermeiden / II. CL: 1, evitare; dog ook H-D, meiden / I. CL.

 

Tot het Wortel-deel van den Infin: ons Mydzaem, vitans, parcens; en 't Vlaemsche Mydel, vitans, parcens; en 't H-D, meiden / I. CL: vitare.

 

Maer, even gelijk ons Wéék, mollis, van Wyken, cedere, ontleent is, alzoo vertoont zig ook met de S voorop, ons Smydig, smedig, gesmydig, en † gesmyd, mollis, lenis, mitis; F-TH, Smethelic / mollis; A-S, Smethe / mollis, planus; en smednesse / lenitas; waer van ons Smedigen, smydigen, I. CL: F-TH, smithan / I. CL: mollire mulcere, mitigare; en zonder S, het A-S, mythgian / I. CL: mitigare, 't gene deze afleiding t'eenemael bevestigt: en verder, om 't gedwee-maken, gelijk mulciber van mulceo, zoo mede hier toe ons Smid, † sméd, † smede, m: in Plur: als nog Smeden; en Al: of F-TH, Smith / smeth / M, H-D, schmidt / M, A-S, smith / Angl: smyth / mulciber, faber ferrarius; hoewel ik in 't A-S, Matth: XIII. 55, ook ontmoet heb A-S, smithes sunu / fabri filius, scil: Jesus, of nu die overzetter, die de Vulgata gebruikt heeft, verdwaelt zij geweest in de gemeene beteekenis van Faber dat voor een konstig werkman gaet zo wel in hout als metael, dan of in 't A-S, dat woord ook al overdragtelijk zulk een breeden zin bekomen had, is mij nog onbekent. Wijders behoort tot Smeed, ons Smeden, I. CL: F-TH, smithon / I. CL: A-S, smithian / I. CL: fabricare, cudere, conflare; Een Gróót wérk smeden, magnum opus moliri; en ons Smédse, smidse, Euphon: Smésse, smisse, f: H-D, schmidte / A-S, smiththa / smiththe / fabrica ferraria, conflatorium; Ysl: smyde / fabricatio; A-S, smithlic / fabrilis; en, als smeed-stoffe, het F-TH, gesmithe / metallum; dog, als konstig gesmede werken, ons Gesmyde, n: F-TH, smithes cirethe / smide ziereda / A-S, madmas / mathmas / monilia, cimelia, ornamenta, bullae, caelaturae ex auro vel argento; en A-S, madm-hus / Cimeliarchum, Gazophylacium, als een bewaerplaets der Juweelen of van 't Gesmijde;

[p. 297]origineel

en verder, als konstige toebereidsels, ons Gesmyde, n: Apparatus, machina, instrumentum, & loramentum fundamenti. Dit A-S, madm-hus / en madmas / is wederom zonder S voorop; gelijk mede op dien voet het A-S, methgian / I. CL: fumigare, te betrekken is, of tot het sterk rooken gelijk bij de smeden, of tot het berooken met kruid-dampen tot weekmakinge van verdikte verstoppingen: en het Sax: gesmijs / infecta, orum, schijnt mij ontleent te zijn uit de oude gewoonte van op het gesmijde veel al zulke vlinderbeestjes uit te beelden.

 

Voorts wederom zonder S, past ook niet qualijk hier bij, met gelijke overdragt als het Latijnsche Mulsum van Mulceo, ons Mede, mee, f: A-S, Medo / medu / meodu / H-D, matt / mulsum, om hare zoete verzagting; en A-S, maethe / defrutum, als zoet gekookte wijn, gelijkaerdig aen de Mede; en ons Meede, méé, f: Krap, A-S, maedere / rubia, als verzagtende de wonden en smerten van verscherpte en venijnige vogten; gelijk ook ons Meede, buile, pustula, tuber, welke verzagt behoort te worden; en Honds-meede, f: Pustula, aquam vesiculi modo continens; hoewel dit Meede tevens op den zin van Myden te passen is, vermits de puisten of builen in 't aenraken smert geven, en daerom gemijd worden; of anders om de bult-hoogte, als zinspelende op een oude beteekenis, gelijk het A-S, mithan / caelare, schijnt mede te brengen.

 

En als ik gedenk aen ons vorige Smedig, mollis, lenis; en aen ons Medewarig, en † Méd-zaem, † Geméd-zaem, comis; en het F-TH, mithewara / mitwara / suavis, mansuetus, zo schijnt mij in ons Mede, † Méd, Euph: Mét, A-S, mith / AL: mit / H-D, mitt / Dan: en Kimbr: med / en M-G, mith / cum, una, pariter, Graec: μετὰ, beneffens ons † Meds, † mids, cum, en Mids, † Meds dat, mids dat, midsdien, quan-doquidem, unà cum, en Midsgaders, † Medsgaders, simul, unà, pariter, de zoete onderlinge gemeenschap uitgebeeld te worden, even als bij 't zagte en Mij - zame; maer, gelijk dit Mede met het zelfde regt ook voegt bij ondereengeschikte zaken, zo vind men 't ook in dien zin al in 't M-G, mith / en misso / en A-S, mid / inter, Gr: μεθα; en in ons Midden, † mid, † mids, A-S, middel / middan / H-D, mitz / mitlest / medius, medium; Graec: μέσος; Ital: Mezzo; en ons Midlerwyle, interim; middag, A-S, mid-daeg / meridies, medius dies; en Mid-nacht, A-S, mid-niht / Alam: mittilodi naht / media nox, & Septentrio; en Alam: mittilodontera ahtodun / mediante octava; en ons Mid-rifte, middel-rift, n: A-S, mid-hrife / Sax: middelrif / Angl: mid-riffe / diaphragma; en ons Middelbaer, A-S, medme / midlen / AL: meta / mediocris; en ons Midden, n: A-S, midle / medium, centrum; en ons Middel, f: Ysl: mitte / N, A-S, midde sidan / medium hominis, lumborum circuitus; en Middel, n: H-D, mittel / medium, modus, ratio, causa, conditio; waer van verder ons Middelen, I. CL: A-S, medmian I. CL:, en midlian I. CL: mediare, moderari. Ondertusschen komt hier het Latijnsche en Grieksche met ons en onze Taelmakkers zeer nae overeen, dat ik aen de oude Verwantschap zoude toeschrijven.

Het Wortel-deel.

MYG, &c, in ons MYGEN, MEEG, GEMEGEN, II. CL: 1, mejere; en Ysl: myga / meig (en mie) / II. CL: 1, mejere; en volgens de anderen van die Classis, in Praet: Part: migenn. A-S, migan / gemigan / mingere; of nu dit A-S, Gelijk- of Ongelijk-vloeijend zij, is, bij gebrek van Voorbeelden, mij nog onbekent; dog de naeste gissing is voor 't laetste.

De Grondbeteekenis schijnt mij te zijn het overtollige vogt uitwerpen of afscheiden.

 

Tot het Wortel-deel van en Infin: het A-S, migga / Geld: Myge, mige, f: Urina; en A-S, migtha / lotium; en migolan drince / potio diuretica.

 

Uit een Tak van 't Praeter: schijnt gesproten te zijn het oude Vlaemsche † Meger, wei, serum lactis, unde & Gall: Megue, als uitgeperst uit het Kaes-runsel,

[p. 298]origineel

zulks dat 'er een strael uitloopt, als bij 't Water-maken, en Mege, megel, en megen, of ook met een A volgens de A-S, Dialect, † Magen, lebbe, coagulum; als doende de wei van het stremsel afscheiden; en Meger-kruid, walstroo, gallium, hebbende insgelijks de kragt van de Melk te stremmen. En, of niet onze Voorouders uit dit oude Praet: met A, meê den naem van Mage, maeg, m: F-TH, Mago / A-S, mage / H-D, magen / M, Ysl: mage / M, venter, stomachus, ontleent hebben, is zeer bedenkelijk, vermits zijn zuere klier-sap de spijze en drank tot een Chijl maekt, en bij een quade gesteltheid van overmatig zuer eene verkeerde stremming en weimaking verwekt, gelijk bij 't overgeven blijkt; waer uit de Voorvaderen mooglijk gegist hebben, dat het Maegschap aldaer dezelfde dienst doet als de Megel in de Melk; te meer om dat eigentlijk de Leb of Megel uit eenen Kalfsmaeg ontstaet, en door't zuer van deszelfs kliersappen hare stremkragt ontfangt.

Van een ander Zakelijk deel MAEG, zie verder bij ons volgende MOOG.

De Zaek-en Wortel-deelen.

MILD, en MILT, zie daer van bij SMELT, in deze Proeve, en ook van Milde, atriplex; bij MAEL, in deze I. Proeve.

 

MILW, in Milwe, acarus, tinea; zie bij 't vorige MAEL, in deze Proeve.

 

MING, in Mingele, heminarum mensura; en Oderminge, agrimonia; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MINK, in † Minken, Verminken, mutilare; en Mink-yzer, murex, machina bellica; & Tribulus aquaticus, herbae genus; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

† MIR, zie bij de II. Proeve.

 

MIS, in Mis-schien, forsan; zie daer van bij 't volgende MOOG in deze Proeve.

MO.

† MÓD, in † Módte, tinea; zie daer van bij MAEY, in de II. Proeve.

 

† MOEL, het oude Praeter: van MALEN, zie bij 't vorige MAEL, in deze Pr.

 

MOEST, zie bij 't volgende MOET, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

MOET, in ons MOETEN, MOEST of MOST, GEMOETEN, Onreg: debere, oportere. F-TH, Muozan / muoste / VI CL: No. 4, of Onreg: licere; A-S, motan / in Praet: most / V. CL: No. 8, of Onreg: debere, & licere; en A-S, mot / potest, & licet; Angl: to Must / debere; en H-D, Mussen / muste / gemust / Onreg: No. 13, debere, cogi. M-G, ga-mot / capit; en ga-mostedun / capaces erant.

De eerste Grondbeteekenis is (gelijk bij 't F-TH, en A-S, als mede eenigsints in het M-G:) Mogen, Vermogen, 't gene nog ten deele overig is in onze wenschende spreek wijze van Wel moet' het u bekomen, proficiat; gelijk ook in den zin van vrij te zijn, en te mogen doen wat men verkiest, ons † Moete, f: H-D, musz / ocium, tempus vacuum; en de Brabandsche spreekwijze Met goede moete, otiosè, cunctanter, tractim, commodè; en † Moetig, otiosus, vacuus, vacans, als vrij zijnde; en dus ook hier van het F-TH, sich muozegan / gemuozegan / en Al: muazzon / I. CL: vacare, se expedire. Sedert is dit in een onvrijen zin verwandelt, als bij 't A-S, 't Engelsch, en Ons, en voornamelijk bij 't H-D, en daer van ons Moet, m: Necessitas; waer van de spreek wijze 't Is een moet, necessitas urget.

 

Dog ons Zakelijke Deel Moet, in ont-moeten, gemoeten, I. CL: en M-G, motjan / ga-motjan / I. CL: 1, Angl: meete / A-S, metan / I. CL:, occurrere, obviam ire, weet ik hier niet thuis te brengen 't en ware het ontleent zij geweest van † Moete, otium, tempus vacuum, als ziende op de onderlinge ontmoetinge der zulken, die in ledigen tijd op een gemeene Wandelplaets of bij-

[p. 299]origineel

eenkomst daeglijks verschijnen; gelijk ook AL: an gemoten worten / in convenientibus verbis; en A-S, mot-ern / comitium; en motheal / conciliabulum.

De Zaek-en Wortel-deelen.

MOL, in Moller, Molder, molitor; Mollersgraeuw, cinereus color; Molster, en Molter, farinae portio quam molitor mercedis loco sibi sumit; en † Mol, pulvis; zie bij MAEL hier voor in deze Proeve.

 

MÓL, in Mól, Mól-worp, talpa; Mól-hoopen, terrae tuberes; Móllen-kruid, ricinus; en ook iets van Móllig, mollis; zie bij 't vorige MAEL.

 

MOLK, in Molken, lactarium; en Molk, salamandra; zie daer van bij 't vorige MELK, in deze Pr.

 

MÓLM, in Mólm, Mólsem, caries, pulvis &c; en Mólmen, vermólmen, cariem contrahere; zie bij 't vorige MAEL, in deze Proeve.

 

MÓLS, in Mólsem, caries, pulvis; en Vermólsemen, cariem contrahere; zie bij 't vorige MAEL, in deze Pr.

 

MÓLT, zie daer van bij SMÉLT, in deze Proeve.

 

MOM, in Momber, tutor &c; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MOMP, in Mompelen, mussitare; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

MOND, in † Mond-boor, † Mond-beur, tutor; † Vermondschap, admin stratio tutelae; Mondig, puber, sui juris; en Mond, os, oris; en Mondig, loquax; † Monden, † Vermonden, fari, loqui, mentionem facere; en † Mondpelen, mussitare; en Monden, facere ad palatum; en Mond, ostium fluminis, enz.; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

MOOG, en MEUG, en MAG, in ons MOGEN (of MEUGEN ook oul: † MAGEN), MOGT, GEMOGEN en GEMOGT, posse, valere, licere; in 't Praes: Indic: Ik en hy mag, zie bij de Onreg: Hulp-woorden No. 5. Dus ook Spyze mogen of meugen, aliquo cibo delectari, vel non aversari; en Mogen, † Vermogen, pati, tolerare; en ons nog gebruikelijke Vermogen, posse, & licere; en Ymand qualyk vermogen, niet wel ymand mogen lijden, niet wel ymand mogen zetten, aversari aliquem, enz.

M-G, Magan / in Praet: mahta / posse, potens esse; in Praes: Indic: 1, & 3 pers: ik en is mag / onder de Onregelm:; ook met het Verbum Wisan tot hulpwoord, als M-G, ni magt ist / non patest, ni mahta was / non poterat, en mahteig ist / possibile est. F-TH, Mogan / mohta en mahta / Onreg: posse, potens esse, & licere; in Praes: Ind: ich en her mag. A-S, magan / in Praet: miht (of myht) / Onreg: posse; in Praes: Ind: ic en he maeg, H-D, mogen (en mugen) / mochte of muchte / gemocht of gemucht / Onreg: posse; in Praes: Ind: ich en er mag. Ysl: meiga / in Praeteritum maatte / posse, & licere; in Praesens Ind: Eg en hann maa.

 

Tot het Wortel-deel van onzen Infin:, vooreerst ons † Moge, f: Potentia; en Vermogen, n: Potestas, divitiae; en Ysl: magn / megn / N, A-S, maegene / N, H-D, vermogen / N, potestas; en ons Mogelyk, mooglyk, meuglyk, possibilis; en Mooglyk, meuglyk, en † mag-schien, of met een A-S, dialectMig-Schien nu door-gaends welluidenshalven Mis-schien, forsan, fieri potest; en Mogendheid, potentia, potestas. Ten andere ons Moog, meug, appetentia, appetitus; waer van de spreekwijze Tegen heug en meug eten, adversante stomacho cibum capere; en Meuglyk, † mooglyk, cum appetitu; Meuglyke

[p. 300]origineel

spyse, cibus lautus; Meuglyk eten, edere cum appetitu; en uit het Praes: het A-S, mah / cum appetitu, procax; en mahlice, voraciter.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praes: MAG met A, niet alleen het zo evengenoemde A-S, mah / en mahlice / en 't Ysl: magn / megn / N, vires, potentia, robur; en megn / validus; maer ook het F-TH, gi-magan / I. CL: invalescere; en met den uitgang T, agter 't Zakelijke Deel, ons Magt, f: M-G, mahts / Ysl: magt / F, H-D, magt / F, A-S, maegth en megen / en ook uit het Praet: miht / myht / F, potentia, potestas, virtus, vis, robur, jus, imperium; † Gemacht, vires, potentia; & olim procuratio; en Gemachte, viriles partes; en † Macht-bode, legatus: en M-G, unmahtei / F, F-TH, unmaht / F, infirmitas; waer van het A-S, mihtan / I. CL: valere; en 't M-G, ana-mahtjan / I. CL: 1, vi detorquere; en ons Magtig, Ysl: mattugur / potens, dives; en daer van ons Magtigen, I. CL: potestatem dare; en Overmagtigen, I. CL: vi superare; en Volmagt, absoluta potestas, procuratio; waer van ons Volmagtigen, I. CL: dare absolutam potestatem. Het Subst: Magt, voor een ander Subst: geplaetst zijnde, word ook wel voor een Overgroote veelheid gebruikt, als Een magt van géld, eximia quantitas pecuniae.

 

Met de verlangde A, en den uitgang D, of bij andere Dialecten th / vertoont zig het zelfde Zakelijke Deel in ons Maegd, Maged, M-G, magath / F-TH: en Al: Magad / magath / mageth / A-S, maegden / Geldr: Mégd, en H-D, magd / virgo, 't welk Junius in zijn Glossar: Gothic:, mijnes agtens, niet ongevoeglijk hier van afleid, en dat om de waerdigheid die men al van overoude tijden toedroeg aen die genen, die ongehuwd en kuislijk leefden, brengende daer toe bij vooreerst eene plaets uit Servius, Ignorantes usum venereum, veteribus putabantur videre & numina; en verder, 't gezag der Vestaelsche Nonnen onder de Romeinen; gelijk mede, hoe bij de A-Saxen niet alleen maegden / maer ook heh-stald eene Maegd beteekende, welk laetste niet anders wil zeggen dan hoog van stand of waerdigheid en vermogen uit eerbied spruitende. Van Maegd nu komt het M-G, magathei / F, A-S, maegth-hade / F, F-TH, magath-heiti / F, H-D, magd-thum / bij ons Maegdom, m: Virginitas, & pudicitia; en Maegden-honing, mel non pressum; en Maegdekens-haring, halec prima, lactibus & ovis carens; en Maegde-palm, vinca pervinca; als waer mede men de Bruiden, en Bruidegoms, nog Maegd zijnde, op haeren trouw-dag uitstrooit; of waer van men ook kransjes voor de Maegden toebereid; en Maegdelieve, bellis, als waer meê de Veld-maegden zig oppronken, en kransjes daer van maken. De breedste beteekenis van ons Maegd heeft wel hare betrekking op de Ongehuwden van beider kunne, zonder bepaling van Jaren, dog word die naem egter ruim zo gemeenzaem toegepast aen de genen die Jong zijn; gelijk ook A-S, maegeth-hade / paedagogium, als een vertrek daer de Kinderen en Dienstmaegden haer verblijf hadden; en ons † Maegd-toge, F-TH, of Alam: mage-zogo / paedagogus; en 't VI: Maegd-aerd, m: Virgo mas; maer thans allergemeenzaemst word die naem gegeven aen de Jonge Huwbare van 't Vrouwelijke geslagt.

Vorder, gelijk onzer Voorouderen huifelijke schikking medebragt, even als ook nu nog, zig meer van zulken als van getrouwde Dienstboden te bedienen, zo quam ligtelijk hier uit de naem van Dienst-maegd, f: of om kortheids-wille enkelijk Maegd, maged, en † meged, f: H-D, magd / F, ministra, ancilla; en volgens onze V. Dialectregel wegens de EY, Euphon: Meyd, f: Puella, & ancilla; en Dienst-meid, f: Ancilla; gelijk ook A-S, maeden / F, puella; en A-S, en Angl: maid / maiden / F, virgo; en Ysl: mey / F, virgo; en verder Euphon: ons Meidsje, meisje, en † meissen, puella; en 't Oud-Vlaemsche Meissenye, f: Familia. Maer, gelijk deze huis-dienst wederom bij andere volkeren, en ook bij sommigen van Duitschen stamme door Jongers wierd waergenomen, zo past hier toe het M-G, magus / puer, magula / puerulus; en M-G, thiu-magus / puer, famulus; en A-S, maeg / puer, filius.

[p. 301]origineel

Wijders als ik denk op het Verhael van Tacitus Cap. XXI. dat bij den Oud-Duitschen in gebruik was, gemeenerhand alle leed aen 't Maegschap te Wreken, & ook Vriendschap zo te erkennen, of op een andre plaets, dat in den Oorlog, tot prikkel van Manhaftigheid, hunne benden uit Bloedverwantschap bestonden, terwijle Vrouw en Kinderen den Krijg verzelden; als mede, dat onder de Jaerlijksche Uitdeeling en verwisseling van Akkers de bloedverwanten bij elkander geschikt wierden, volgens Jul: Caesar Libr: VI, zo komt mij vrij bedenkelijk te voren, of dit niet rede mogt' gegeven hebben tot onze benaming van Magen, affines, conjuncti, cognati, als onder eene zelfde Magt en gemeenschap opgevoed en naeuw aen elkander verbonden; gelijk ook A-S, maeg-gemot / cognatorum conventus, en A-S, maeg-scipe / bij ons Maeg-schap, n: & f: Cognatio; en A-S, maegthe / prosapia, tribus; Ysl: maagur / M, affinis; en A-S, maeg / propinquus, filius, amicus, & uxor, meg / cognatus, mage / maga / propinquus, cognatus, cognata, & potens; en 't reedsgemelde A-S, megen / potentia; en 't Ysl: megn / en magn / N, potentia, vires, robur, en megn, validus; zo dat niet oneigentlijk de Magt en 't Maegschap onder eene zelfde gedaente hier voorkomt; 't gene ook onze spreuke bevestigt van Eendracht maekt Macht.

Verder op de Verbintenis ziende, en naeuwe Vrindschap, zo past ook hier toe het Deensche magger / socius; en 't A-S, maeg / amicus; waer voor, onder de zeldsame verwisseling van g in c of k / ook A-S, maecca / gemaecca / maca / socius, par, conjux, gelijk mede bij ons Makker, ook oul: † Magger, socius, par; uit welk Mak of mach niet ongevoeglijk ons Makelen, I. CL: F-TH, mahelan / I. CL: ook bij ons contr:Malen, I. CL: H-D, ver-mählen I. CL: conjungere, associare, & reconciliare, schijnt gesproten te zijn, en Makelaer, conciliator in contractibus; waer toe mede behoorende is ons Gemael, consors, en Éé-gemael, conjunx, enz.; van welke woorden wij onder 't Wortel - deel MAEL nog meerder Voorbeelden hebben aengehaelt, welken als hier gezet te rekenen zijn. Voeg hier bij, dat ook voormaels, zonder den Uitgang EL agter 't Zakelijke Deel, dit Verbum onder den zin van samenvoeginge in 't Alam: en Oud-Duitsch gebruikt is; dus bij Kero in zijne Glossa 't Alam: ze ke-machone / sociandus / ke-mahchot sin / sociari, si ki-machot / conjungatur; en in-mahchoen / disjungant; en ke-mahhoe / aptet, &c; zo dat dit Alam: ki-machon / I. CL: adaptare, conjungere, associare, conficere, & facere, even gelijk ook ons Maken, I. CL: H-D, machen / I. CL: en F-TH, machon / I. CL: A-S, Macan / macian / I. CL: facere, efficere, conficere, adaptare, eigentlijk beteekent iets bequaemlijk en welvoeglijk te samen schikken; waer van ook Gemaekt, factus, factitius; & tr: non ex animo, sed specie tantum factus, fictus, simulatus; en Op-maken, I. CL: extruere, perficere; en iemand op-maken, I. CL: instigare aliquem; en Toe-maken, I. CL: claudere, praeparare, & subornare; en Vermaken, I. CL: reficere; en transl: als ziende op een vernieuwing van Geest en Lichaem, even als het Latijnsche recreatio, ons Vermaek, n: Recreatio, oblectatio; waer toe ons Zig vermaken, I. CL: recreare se; dog in een bedervenden zin van het voorvoegsel VER, het oude † Vermaken iemand, deformare, calumniari aliquem; en Uit-maken, I. CL: absolvere, perficere, & subornare, & deformare, calumniari; en Volmaken, perficere, consummare; waer van Volmaekt, perfectus; dog Vòl-maken, plenum reddere, en Vol gemaekt, impletum; waer toe ook het A-S, gemaca / aequalis; en A-S, maccalic / opportunus; en ons Makkelyk en Gemaklyk, Alam: ki-mahher / aptus, facilis, commodus, als wel gepast en te samen geschikt; gelijk mede ons Gemak, n: H-D, gemach / N, commoditas, & locus commodus, & tr: conclave, latrina, & excrementum alvi. Ysl: mak / N, tranquillitas; en ons Ongemak, n: Ysl: ø-mak N, H-D, ungemach / N, molestia.

Van ons Maeg, in mage, stomachus, venter, hebben wij bij 't Wortel-deel MYG gesproken.

 

Tot het Praet: Part: ons Onvermogen, invalidus, impotens; en Onvermogen van Véttigheid, saburratus nimia pinguedine, enz.

[p. 302]origineel

De Zaek-en Wortel-deelen.

MOOL, in Molen, Molenaer, Mal-molen, en in 't oude † Molen, cariem contrahere &c; zie bij 't vorige MAEL, in deze Proeve.

 

† MOON, in † Monigen, admonere, bij MEYN, in de II. Proeve.

 

MOOR, in Moor, porca; en † Bemoren, conspurcare; zie daer van bij MIR, in de II. Proeve.

 

MOR, in † Morre, † Mor, os cum prominentibus labris, & porca, scropha; en Morren, murmurare; zie daer van bij † MIR, in de II. Proeve.

 

MORF, in Morf, os cum maxillis; en Morfen, Morfelen, ruminare instar caprae, mandere, remandere; zie bij † MIR, in de II. Pr.

 

MORK, in Morkelen, grunnire; zie daer van bij † MIR, in de II. Pr.

 

MORS, in Bemorsen, conspurcare; en † Morseel, Morselken, bolus; Morsele, mica, frustulum; en Morselen, in micas frangere, friare; & tr: in pulverem redigere, conterere; zie daer van bij † MIR, in de II. Pr.

 

MORW, in Morw, mollis, mitis; en Morwen, mullire, mitigare; zie daer van bij † MIR, in de II. Pr.

 

MOST, het Praet: van Moeten, zie bij 't vorige MOET.

 

MOT, in Mótte, tinoa; en Mótte-kruid, chrysocome; zie daer van bij MAEY, in de II. Pr.

 

MÓUT, in Móut, en Móuten, zie daer van bij SMELT, in deze Proeve.

MU.

MUID, in Muiden, Muda, oppidum ad ostium Vegtae; zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

MUL, in Mulder, molitor; Mul, † Gemul, pulvis; en † Mul-worp, talpa; zie bij 't vorige MAEL, in deze Pr.

 

MUM, in Mummelen, mussitare; zie daer van bij MEIN, in de II. Pr.

 

† MUN, bij MEIN, in de II. Pr.

 

MUND, in Munde, ten einde etlijker steden, als Roermunde, &c, zie daer van bij MEIN, in de II. Proeve.

 

† MUR, in † Murren, grunnire, murmurare; zie daer van bij † MIR, in de II. Proeve.

 

MURF, in Murf, os cum maxillis; bij † MIR, in de II. Proeve.

 

MURV, in † Murve, os cum maxillis; bij † MIR, in de II. Proeve.

 

MURW, in Murw, Murwen, Vermurwen, zie daer van bij † MIR, in de II. Proeve.

 

1717 4/m