Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Q.

QU.

De Zaek- en Wortel-deelen.

† QUAD, zie bij † QUEED, in de II. Pr.

 

QUAED, in ons Quaed &c. by † QUYD, in de II. Pr.

 

QUAEL, in Quael, Quale, en Qualik, enz. bij † QUEEL, in de II. Pr.

 

QUAEM, in Bequaem, by KOOM, in deze Pr.

 

QUAK, in Quak, Quakken, en Quakkelen, bij WEEG en WYK, in deze Proeve.

 

† QUAL, by QUEEL, in de II. Pr.

 

QUALM, bij WELL, in de II. Pr.

 

QUAM, bij KOOM, in de I. Pr.

 

† QUÉDS Malus; zie bij † QUYD, in de II. Pr.

 

† QUEED, in † Quedel, dica, garrula; en † Quedelen, garrire; canere, & modulari; en † Queden, dicere; bij QUEED, in de II. Pr.

 

QUÉÉD, bij † QUYD, in de II. Pr.

 

QUÉÉK, in Queeken, nutrire, fovere; bij WYK, in deze Proeve.

[p. 316]origineel

QUEEL, in Quelen, Languore tabescere; &c, zie bij QUEEL, in de II. Pr.

 

† QUEEN, in Quenen, languere, tabescere; & ineptire, garrire; en † Quene, quaevis foemina; tr: uxor; & mulier languescens, sterilis; & vacca sterilis; & tibia utricularis; & vestis lanea superior; zie daer van bij 't volgende QUYN, in deze Proeve.

 

QUEET, in Queet, Gequeten, bij 't volgende QUYT, in deze Proeve.

 

† QUEID, bij † QUYD, in de II. Proeve.

 

QUEIK, in Queiken, zie daer van bij WYK, in deze Proeve.

 

† QUÉK, in † Quéksen, zie daer van bij WEEG en WYK, in deze Proeve.

 

QUÉL, in Quéllen &c, by QUEEL, in de II. Proeve.

 

QUÉN, in Quéndel, Thymus agrestis; zie daer van bij 't volgende QUYN, in deze Pr. en bij WIND, in deze Pr.

 

QUÉT, in Quétteren, garrire; zie daer van bij † QUEED, in de II. Proeve.

 

QUÉTS, in Quétsen, &c, by † QUYD, in de II. Proeve.

 

† QUYD, zie in de II. Proeve.

De Wortel- of Zaek-deelen.

QUYN, QUEEN, &c, in ons QUYNEN, † QUEEN (nu meest QUYNDE), † GEQUENEN (nu meest GEQUYNT), II. CL: 1, en I. CL:, languere, diuturno morbo laborare; als men na den aert onzer letter-klanken, en niet na 't gebruik, gelykwe hier doen, zou spellen, moest het zijn Kwynen; even als ook A-S, cwinan / cwan / (in Subj. cwine) / cwinen / gecwinen III. CL: 1, Tabescere; en a-cwinan / III. CL: 1, extinguere. De zwakheid, bezwyking, en kragtsvermindering is de grondbeteekenis.

 

't Wortel-deel van den Infinit, is in ons Quyning, f: Languor, morbus epidemicus.

 

Tot het Praeter: Queen of Kween, of volgens de A-S, Dialect, cwan / behooren voor eerst het A-S, cwanian / I. CL: by ons Quenen, Kwenen, I. CL: Languere, tabescere; en gemerkt die zwakheid der nature bijzonderlijk eigen is aen de vrouwelijke kunne, zo past ook hier toe het F-TH, en AL: quena / quene / M-G, hwino (of wino) / hwen (of wen) / en hweins (of weins). A-S, cwen en quena / Ysl: kvinna en kona / Kimbr: Kun / F, en bij ons † Quene, f: Quaevis Foemina, mulier; & tr: uxor, & mater familias; en A-S, cwen-fugol / avis foemina; A-S, cwene / foemineus; en Ysl: kvenskur / effoeminatus. Dog gelyk ook de Noordsche Koningen van ouds, hoe groot van staat, hunne vrouwen met dien naem begroeteden, gelijk uit het graf-schrift, door den ouden Koning Gorm gemaekt, te zien is, luidende Gurmr Kunugr gerdi kubl dusi eft Turvi Kunu sina / Tanmarker but / (d: i: Gorm de Koning maekte of omtuinde deze Grafstulp voor (Turve zyne † Quene, of Vrouw, een cieraet van Denemarken; zie Junii Observat. in Willer: p: 263.) Zo is ook 't A-S, cwen / cwaen / en 't Angl: Queen / Regina, Imperatrix, als een eernaem geworden. Maer in tegendeel, op de zwakheid der nature ziende, ons oude † Quene, f: (Mulier languescens, & sterilis; quin etiam Vacca Taura, Vacca sterilis, juvenca sterilis), en A-S, quean / vacca sterilis. Dog, in nog erger zin, ons † Quene, Angl: queane / Mulier vana, procax; quin etiam, Meretrix; waer van ons † Quenen, I. CL: ineptire; en waer toe bij zinspelinge betrekkelijk is het Vlaemsche Quene, f: tibia utricularis. Nog was 'er een oud Vlaemsch † Quene, f: Loena, vestis lanea superior; of dit nu slegts een vrouwen-kleed, of bijzonderlijk een ligte-koois kleed, of een verslenskleed wil zeggen, elk past hier even zeer. Dog met den uitgang c / in den zin van 't bovengenoemde A-S, a-cwinan / III. CL: 1, is ook van dezen tak afgeleid het A-S, cwen-

[p. 317]origineel

can / I. CL: extinguere. Voorts schijnt ook hier toe betrekkelijk te zijn ons Quéndel, Thymus agrestis, serpillum; vermits de wilde Thym zeer hardsterkend en dienstig voor de quijnenden gerekent word; hoewel ook deze naem, als men op het Latijnsche serpillum, en den aert van 't voortkruipen denkt, even als ons Wéndel, involucrum; van ons Wenden, vertere, volvere, zou konnen gesproten zijn; want by de woorden met QU, of KW, is de Q of K als een Allemannisch voorvoegsel in stêe van ons GE te schatten, volgens onze Grondsl: II. Verhand: § XXVIII. Hierom past ook niet qualijk hier bij, met Z voor-op, ons Zwynen, verzwynen, I. CL: tabescere, decrescere, extenuari; Zwyn-puiste, inflammatio tumorque cum rubore; en Zwyn-en Quyn-ziekte, Phtisis, tabes.

 

Dus op dien zelfden voet vertoont zig hier ook, zonder c of K voorop, het A-S, wan / wanne / wannicht / Lividus, pallidus, wan and blaec / Luridus; waer van 't A-S, wannan / I. CL: pallescere; en A-S, wanung / syncopa, praeceps virium lapsus, als den quijnenden bijzonderlijk eigen; en Alam: Wenckii / miseria; gelijk mede op de zwakheid en kragtsbezwijking ziet het A-S, wancia / wancol / bij ons Wankel, debilis, instabilis, waer van ons Wankelen, † Wanken, I. CL: vacillare, labefactare, labascere; dog dit past nog ruim zo wel bij ons ZWENK, in deze Pr. Dus mede, om de vermindering van 't vermogen of bestaen, het M-G, wan / en ons † Wan, n; en op den Kimbrischen trant, zonder w voorop, het Ysl: aan / M, defectus indigentia; en 't Kimbr: aan / defectus & molestia; als bij de Kimbrische spreuk, Thad er minstur AAN / ad vera ills aan (Dat is 't minste Wan of gebrek, te zijn zonder quaed; zie Ol. Wormii lexic. Runicum bij 't woord aan); waer van nu 't A-S, wanian / I. CL: decrescere, minui, demere; en A-S, waning / damnum; en A-S, wordwanere / maledicus. Verder ons voorvoegsel Wan, H-D, wan / wahn; A-S, wana / wan; F-TH, wan / Kimbr: aan / deficiens, absque, sine; gelijk ook A-S, wana sie, absit; Angl: to want, opus habere, indigere; F-TH, wan wesan, bij ons Wan wezen, deësse; A-S, wan-spedig / en wanhafa / inops; bij ons Wan-spoedig, infaustus; en Wan-havig, nihil habens, inops; & tr: sordidus; en A-S, wan-hall / wanhale / debilis, aeger, morbidus; en F-TH, wana-hellen / debilis; en Ysl: van-megnugur / imbecillis; ons Wan-schapen, informis; en zo meer anderen. Wijders, of ook ons Wan, Wanne, f: en m: H D, wanne / wann / F. vannus, ventilabrum, Gall: / Van Ital: vanno, Angl: Fanne / (waer van ons Wannen, I. CL: evannare, en Wanne-wayer, m: Accipiter tinnunculus, een soort van Havikken, die zijn vlerken uitspreid gelijk een Wanne) gekomen zij van dit ons bovengenoemde Wan, defectus, of van 't Latijnsche vannus, schijnt mij twijffelagtig; als zijnde een werktuig, om 't gebreklijke van 't reine af te zuiveren: immers het A-S, winnung / wynung / palea, zizania, zeggende zo veel als kruid dat te wannen is, en 't gene de i voert even als een tak uit het praesens, pleit tegen de on-egtheid en basterdzijn van 't onze. Ten minste buiten alle twyffel behoort tot ons Wan, deficiens, het F-TH, drinkens wanig / potus indiga, en ons † Wannig, vacuus; en, zo 't my toeschijnt, het oude † Wennen, I. CL: nu speenen, Angl: weane / ablactare; als mede met EI of EE, volgens 't oude Praeter: van Ons en meer andren van Duitschen stamme, het F-TH, weineg / parvus, pusillus; en weniger / modicus; en ons Weinig, † Weenig, H-D, wenig / paucus, parum; & olim parvus, modicus; en A-S, hwene / hwon / en hwonlic / parum, paululum, vix.

 

Maer, gelijk het quijnen en 't vervallen stoffe tot droef heijd verschaft, zo komt mede hier niet onnatuerlijk ons † Wein, dolor; en het A-S, hwan / calamitas; het Alam: wenckii / calamitas; en het M-G, ijwainon / of wainon / I. CL: 3, F-TH, weinon / I. CL: A-S, wanian / I. CL: Dan: hvine / en ons Weinen, Weenen, I. CL: Lugere, plorare, ejulare; en 't A-S, waninge / bij ons Weening, f: lamentatio, luctus; en Gewéén, ploratus, fletus; en Weening, genus anseris, vario colore, semper strepitantis. Hoewel ook ons Wéé, M-G, wai / A-S, wa / wae / Alam: We (Vae,

[p. 318]origineel

Graec: {?}αι) dat na allen schijn een klank-nabootzend woord van 't natuerlijk jammeren der menschen is, eene gedaente en zin vervat, die men niet ongevoeglijk voor den oorspronk van ons Weenen zou mogen aenzien; dog eene Aenmerking wederspreekt dit eenigsints, naemlijk dat de N, in Ween hier dan te veel komt, en 't verbum Weeën, of Euphon: Weeden of Weejen zou behooren geweest te zijn; dewijle de D, of I, en niet de N, volgens onze Dialect en Euphonie, tot scheidinge dient tusschen 't Wortel-deel en den staert, als 'er geene Consonant plaets had.

De Wortel- en Zaek-deelen.

QUYT eu QUEET, in ons QUYTEN (of KWYTEN), QUEET, GEQUETEN, II. CL: 1, solvere, accepto ferre; & praestare; Den ééd Quyten, II. CL: I, jusjurandum remittere alicui; Zyne belóften Quyten, II. CL: 1, liberare fidem suam, praestare pollicita; en Zig wel Quyten, II. CL: 1, praestare se virum, gnaviter agenda perficere. De eerste gemeene grond-beteekenis schijnt mij het ontslaen te wezen, en daer van overdragtelijk zig ontslaen van schuld in 't quijten zijner beloften, en zig wel te quijten, enz.

 

Dus tot het Praesens, ons Quyt, solutus, amissus, perditus; waer toe ons Quyt maken, missum facere; Quyt raken, amittere, distrahere; Quyt zyn, destitui, disperdere, frustrari; Quyt schelden, II. CL: 6, remittere, gratiam facere debiti; unde Gall: quiter; en Quyt-brief, m: nu meest met een Franschen Basterdstaert Quitancie f. Apocha, qua creditor testatur sibi satisfactum à debitore, Gall: Quitance, Ital: Quitanza, Angl: Quittance / acquittance; en 't Kimbr: kvittun / en quittur / reconciliatus; en op den zin van 't wel quijten schijnt te zien het A-S, hwaet / hwaetscipe / virtus, celeritas; hwate / alacer, festinus; en hwaetlice / gnaviter; hoewel ook deze tot ons Wortel-deel WET, in de II. Proeve konnen betrokken worden.

 

Het M-G, Fre-weitan / fra-wait / fra-witans / II. CL: 1, vindicare, justitiam facere, 't welk Lucas XVIII. 3. 5. gebruikt word, toen de Vrouwe bij den Onregtvaerdigen Regter aendrong op kort regt of afvaerdiging, schijnt met dit ons Kwyten, II. CL: 1, mits agterlatende het voorwerpsel K, zeer groote gemeenschap te hebben; even of zij zeide, Kwyt my of maek my los van mijne tegenpartij, M-G, Fra-weit mik ana andastathja meinama / ἐκδίκησόν με ἀπό τ{?} αντιδίκ{?} μ{?}; waer op hij in zijn besluit bij zig zelven zegt, M-G Fra-weita tho / ἐκδίκήσω ἀυτήν, ik zal haer Kwyten, of regt doen, of ontslaen: Dog niettemin zie liever hier van bij ons volgende WYT, in deze I. Proeve.

Het Zakelijke Deel.

QUIK, in Quik, vividus; en Quikzilver, argentum vivum; en verquikken, recreare, enz. zie daer van bij WEEG, in deze Proeve.

 

1717 9/m