Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

M.

MA.

De Wortel-deelen.

MAEY of MAED, en MOEY of MOED, in het A-S, mawan / Angl: mowe / secare; en A-S, meowen / Angl: mowen / falcatus, messus; agter de III. CL: De eo of o by het Praet: Partic: even als in 't Praeter: Imperf: vind men, hoewel zeldsaem, meer by die van de III. CL: in 't A-S: De Oude Ongelijkvloeijendheid blijkt niet alleen uit de vocael-wisseling, maer ook uit de terminatie en in 't Praet: Part:. De onzen van de III. CL: passen 't naest hier op om dit te beantwoorden, en konnen daer uit herstelt worden onze Wortel-deelen MAEY of MAED, en MOEY of MOED. De grondbeteekenis mogt wel zijn af- of in-snyden en kerven.

Tot Maey of Maed behoort ons † Maye, † Made, A-S, maeth / falcatio; en A-S, maed / maede / pratum, pascuum; als om af te mayen, 't zy dat men zie op het hooimaeijen, of op 't afknagen van 't gras door het vee; gelijk ook A-S, maed-monath / Julius mensis, by ons Hooimaend; en Made-lieve, f: bellis, flos bellidis; als lieve weide-bloemen, waer mee de maegden wel eer zig oppronkten, gelijk men daerom wel Maeg-delieve; schrijft; ook wel Matelieve, om dat z'er kransjes' voor hare maet-gezellen van vlogten. Voorts van Maed en Maey ons Mayen, en † Maden, I. CL: H-D, maeyen / I. CL: metere, desecare foenum, tondere prata; en † Maey-land, n: pratum; en Maei-hóóp, schove, manipulus; Maei-tyd, messis, & foenisecium; en Maei-voet, m: valgus, in exteriorem partem pedesflectens, messoris instar. En mooglijk ook hier toe ons Made, Maeye, f: H-D, made / F,

[p. 667]origineel

M-G, matha / F, AL: made / Kimbr: madke / Ysl: madkur / Angl: maggot / vermis, vermiculus; en A-S, matha / insectum; en mathu / cimex; passende de zin van inkerving, even als het Lat: insectum, zo wel op de lijf-deeling der bloedelooze vliegen, als op de schild-agtige dwarskerven van 't lijf hunner maden of wurmtjes; of anders, vermits deze laetste soort het groen der bladen afscheert: gelijk ook hier niet qualijk by voegt ons † Madélger, H-D, modelger / gentiana major; een kruid zeer dienstig geschat om de inwendige wormen of mayen te verdelgen: stemmende de o by 't H-D, zeer wel overeen met het bovengemelde oude Praet:

Tot het Praeter: het A-S, mowe / muwa / acervus; namelijk een afgemaeide hooi- of gras-hoop; en daerenboven (even gelijk het bovenstaende A-S, matha / by ons Maeye) alzoo met het zelfde regt ook A-S, moth / Angl: moth / by ons † Módte, nu Euphon: Mótte, Mót, f: tinea, unde Gall: motte & mite; en ons † Gemót, Móttig, Mótatig, tineosus; en Mottekruid, n: chrysocome, verbascum, vulgò tinearia, blattaria; als tegens de mot gebruikt wordende; en Vermótten, I. CL: tineis exedi, corrumpi.

ME.

De Wortel-deelen.

MÉÉT of MÉT, en MAT, in het M-G, maitan / maimait / maitans / IV. CL: 2, secare, concidere; en af-maitan / IV. CL: 2, abscindere; en bi-maitan / IV. CL: circumcidere; zijnde van die Classis, die alleenlijk onder alle Oud-Duitschen eenigsints op den Griekschen trant verloopen is. De M-G, ai word beantwoord met onze EI of ÉÉ, contr: É, of ook wel A, volgens de takken.

 

Hier tegen dan vooreerst het H-D, meissel / M. scalprum, fabrile, tornus; waer van 't H-D, meisseln / I. CL: torno excidere; Kimbr: meitilberg / mons praeruptus; als afgesneden, of met kloven en reten; gelijk ook ons † Meete, f: kerve, crena; en Meete, weedekruid, glastum; zijnde een soort van weegbladeren by den Ouen gebruikt om 'er 't lichaem mede te besmeeren, en in dekerven en lijkteekens in te wrijven, zie Vossi Etymolog: by 't woord Glastum. Verder met de korte É, ons † Méts, nu Euphon: Més, n: H-D, messer / N, culter; als om te snijden of hakken; A-S, mettac / mattuc / en meottoc / bipalium, ligo; als strekkende de spade of houweel om de aerde uit- of af- te steken, by wijze van breede snijding of inkerving; en ook met A, het H-D, matzen / mätzen / mätzeln / en matschen / metschen / I. CL: Flandr: † Maten, I. CL: mactare, occidere, jugulare, dissecare, Hisp: matar; en Matshamer, malleus militaris; als hebbende eene scharpe zijde om mede te hakken en houwen. Nog ook ons Mat, doof van glans, rudis, impolitus, unde Gall: mat, mate; meest by de metaelstoffen in gebruik; wordende verwekt door 't snijdend inbijten der scherpe scheid-wateren, of gemaekt door grijnèring of sijne inkerving. Voeg hier by ons † Matte, † Matten, H-D, matten / lac schiston, caseosa pars lactis ab aquea parte separata, Gall: mattons; als welke men wegens de dikheid snijden kan: en wederom met ons † Mét, † Métte, carnes porcinae delicatiores; als welke klein gehakt, en tot worsten toebereid word, waer van ons Métworst, lucanica, farcimen ex came porcina.

Maer, gelijk de meeste spijze gekorven of gesneden word, zo schijnt overdragtelijk deze naem al van ouds gebruikt geweest te zijn, om de spijze in 't algemeen te verbeelden, want dus M-G, matjan / gamatjan / I. CL: 1, manducare; en M-G, mats / Ysl: matur / A-S, maete / mete / cibus; eu A-S, metegavel / cibanorum vectigal; mete-least / cibi inopia; met-socn / appetitus; met-seax / cultellus voor een spijs-mes; en A-S, metsan / metsian / I. CL: cibare; en mooglijk mede met S voorop, ons † Sméts comessatio, epulum; en † Smétsen, † Smétschen, I. CL: epulari, commessari, indulgere ingenio; Sméts-dagen, bacchanalia; en † Sméts, nauseam provocans nimia dulcedine, praedulcis; 't en ware dit op het besmullen en besmetten

[p. 668]origineel

van 't schoone lijnwaed zag, dat by de groote slemp-malen plaets heeft; zie daer van by SMYT, in de I. Proeve. Zoo schijnt ook op de spijze en de verzadiging van die te zien het Ysl: mettur / satur; en ons † Matte, H-D, matte / F, pratum; om 't af te mayene gras tot spijze voor 't vee: en mooglijk ook ons Zee-mans woord Maet, † Gemaet, socius; als een spijs-en disch-genoot; waer van verder Maet-schappy, f: societas; en Maet, Maettroos, m: remex, unde Gall: matelot; en Maetras, n: anaclinterium, vulgò Materassa, unde Gall: materas, Ital: materasso, Hisp: matelaz, Angl: mattresse / beteekenende by ons Ras, sericum rasile, bombycina levis. Wijders ons oude † Mate, vilis, non magni pretii, vulgò Matus; als afgesneden en verworpen; en ons † Mateman, H-D, matz / homo vilis, pauper, & nullius pretii, schijnt eigentlijk een mensch te beduiden die van alle gemeenschap afgesneden is; gelijk ook 't oude Antwerpsche † Mateman, cellita. Voorts ons Mat, H-D, matt / fessus, defessus, defatigatus, labore fractus, Gall: mat, waer van ons † Maten, nu Matten, Af-matten, I. CL: H-D, abmatten / I. CL: defatigare, frangere labore, schijnt eenigsints te zinspelen op het voorgemelde Vlaemsche † Maten, occidere, dissecare, en op de vermoeijenis daer uit spruiteude; vermits de groote krijgsdrift der Oude Duitschen, als welker voornaemste leven (volgens de getuigenis van Tacitus cap: 14, en van Jul: Caesar, lib: VI) in de jagt en krijgsoeffeningen bestond.

Dog wederom met E, en mooglijk op de, uit- en af-houwing ziende, zou hier uit zo wel als uit het vorige Wortel-deel MEET in de I. Proeve, konnen gesproten zijn het H-D, metz / stein-metz / M. coementum; als in de Mijnen uitgestoken of afgehouwen; en daer van het H-D, metzen / metzelen / I. CL: by ons † Métzen, nu Métzelen, I. CL: extruere, muros; als of het zag op de bergkalk van ouds daer toe gebruikt, en ook nog in vele plaetsen gemeen, of op het menigvuldig afslaen en afhouwen der metselsteenen.

 

Maer van 't Latijn dunkt my ontleent te zijn ons Matte, matta, teges vilior ex juncis, aut stramentis; gelijk ook ons Métten, Méttenen, horae sive praeces matutinae, vel nocturnalia; als ziende op de matutinae in de kloosters; en daer van de spreekwijze van Ymand de métten voorlezen, objurgare aliquem; zo veel als ymand een ongevallige les gevende; en insgelijks het Verbum Onder-métten, I. CL: merendam sumere; als tegens den nagt etende om te beter gesterkt te wezen tegens de Metten in 't Klooster.

De Wortel-deelen.

MEIN of MÉÉN, MAEN of MAN, MON of MUN, in het M-G, ga-munan / in Praet: ga-munda / in Praes: ik ga-man / VI. CL: recordari; dog ook M-G, munan / I. CL: 2 in Praet: munaida / cogitare, putare; en ufar-munnon / I. CL: 3, oblivisci. Voorts A-S munan / V. CL: reminisci; en munden / memoratus. Ysl: muna / in Praet: munde / in Praes: eg mann / Onreg: No. 2, en Angl: mind / reminisci. Het beloop van dit Verbum heeft veel gemeenschap met ons en der auderen Kunnen, Konnen, zo dat vooreerst de takken Mun en Mon, en uit het Praes: Man, en verder met een klein verloop van Dialect ook Méén of Mein en Mén hier uit gesproten kuunen zijn.

 

Onder den allereersten zin van denken, gedenken, hebben we tegens de A uit het Praes: de ÉÉ of EI, in ons Meinen, Meenen, I. CL: A-S, maenan / I. CL: F-TH, en AL: meynan / meinon en chi-meinan / I. CL: putare, sentire, computare; even gelijk uit het Wortel-deel MUN het reetsgemelde M-G, munan / I. CL: 2, cogitare, putare; &c.

Tot de takken Mun of Mon en Maen, het A-S, munegan / munigan / monian / monigean / mynegian / minegian / en manian / manigan / I. CL: en by ons Manen, en † Bemanen, nu Vermanen, I. CL: ook † Monigen, en † Muinigen, I. CL: en F-TH, manan / manon / I. CL: admonere, commonere; als doende ergens aen gedenken, en † Bemanen, † Uit-manen, I. CL: adjurare, conjurare, exorcizare; als door bezweringe vermanende de quade geesten om te vertrekken: en † Manen, I. CL: citare, voca-

[p. 669]origineel

re vulgò Manire, Mannire, in Lege Salica; en F-TH of AL: far-manon / I. CL: contemnere; als verwerpende de vermaninge; maer ook met den uitgang D, het A-S, mund / memoria; en AL: gi-muntigon / I. CL: memorare.

En overdragtelijk, ziende op de vermaning en 't ordentelijke bestier met den uitgang D agterop, ook A-S, mund / potestas tutelaris; waer van A-S, mundan / mundian / I. CL: tueri, pacare; en A-S, mundiend en mundbora / patronus, tutor; en by ons † Mond-boor, † Mond-beur, Mondber, Euph: Momber, m: tutor pupilli defensor, vulgò Manburnus; als die de vermaningen ten beste voordraegt, en de bezittingen of goederen van ymand bestiert gedurende deszelfs onmondigheid; zoo mede † Ver-mondschap, n: tutela, administratio; en ons Mondig, puber, sui juris, major annis; als die reets de wettige jaren of staet bereikt heeft om zig zelf en zijn eigene zaken te bestieren: dog ons Be-veur-monden, I. CL: tueri pupillum, agere tutorem, schijnt eigentlijker een voorspraek te verbeelden, en dezen tak van 't volgende Mond te willen afleiden.

 

Want ook schijnt ons Mond, m: M-G, munths / M, Ysl: munnur / M, H-D, mund / M. A-S, muth en muoth / Angl: mouth / os, oris, hier van ontleent te zijn, vermits het voornaemste werktuig van vermaning en bescherming, en om onze meening en gedagten uit te drukken, voornaemlijk by de Ouden, toen 't schrijven nog schaers of onbekent was; gelijk dan ook daer toe ons Mond-hóut, n: ligustrum; wiens bladen gekaeuwt zijnde de wonden in den mond genezen; en ons Mondig, loquax; en het oude † Monden, † Vermonden, I. CL: fari, loqui, dicere, narrare, mentionem facere; en mooglijk ook † Mondpelen, nu Euphon: Mompelen en Mommelen, Mummelen, I. CL: mussitare; hoewel dezen ook om de lipbeweging, onder de naeboots-woorden konden gestelt worden. Dog gelijk ook de Mond van den smaek der dingen ons berigt, zo sproot metter tijd mede hier uit het Verbum Monden, I. CL: facere ad palatum; en Wel of qualyk monden, I. CL: palato placere vel displicere. En verder gelijk ook de Mond de voornaemste ingang en opening tot het binnenste van 't Lichaem is, zo gaf dit rede tot die gelijkaerdige overdragt van den voornaemsten ingang van eenige Rivier of Haven, of buize, pijp, of zak &c, ook met den naem van Mond, A-S, muth / H-D, münde / F, os, ostium fluminis, &c: te verbeelden, en daer van onze plaetsen met -Mond of -Mund agteraen, als Yselmonde, Roermunde of Roermond; of ook wel zonder N, en op den A-S, trant in steê van muth / ons Muiden, Muda; Holland: oppidum ad ostium Vectae amnis.

 

Maer, onze gedagten wederom keerende tot den zin van vermanen of doen gedenken, vinden we ook in ons Maen uit het Praes: of volgens 't H-D, A-S, en Eng: in mon / uit den Infin: den gevoeglijken oorspronk van ons Maen, f: F-TH, mano / M, Ysl: mane / M. A-S, mona / myna / M. Angl: moone / H-D, mon en mond / M. luna, Graec: μηνη, Doricè μανα; als uit welker verschijning van af- en aen-wasch de Ouden allereerft hare afdeelingen vermaning der tijden geleert hebben, gelijk ook Virgilius zegt, Ipse Pater statuit quid menstrua luna moneret; en daer van verder ons Maend, m: en f: en het M-G, menath / menoth / M. Ysl: maanadur / A-S, monath / monoth / mouthe / M. F-TH, maneth / manod / M, H-D, monat / mond / M. Deensch, maaned / mensis. Maer van Maene, luna, ook transl: ons † Maene, wegge, libum lunatum; en verder alles wat na een waffende of krimpende maen gelijkt; en Maen-dag, dies lunae, septimanae secunda; en Maen-kind, n: partus lunaris, quarta silentique luna conceptus; & Saxon: mola, informis caro in utero graviditatis opinionem adferens; Maen-kruid, n: lunaria, herba cujus folia dimidiatae lunae formam praebent; en Maene in 't Hóófd, insania, furor, lunaticus morbus, Graec: μανια; en Maenig, Maenziek, Maenzuchtig, lunaticus, qui statis lunae temporibus insania vexatur, Graec: μανικος; en Maenzucht, Maen-en Maend-stonden, menstrua muliebria, proftuvium mulierum virus lunare. Maer ook nog heeft men by ons Maene, Maen-zaed, Maen-kóp, papaver, 't gene my, schoon Virgiel het le-

[p. 670]origineel

thaeum papaver noemt, en de vergetenis tegen onze grondbeteekenis van geheugen strijd, egter uit dezen zelfden stam schijnt gesproten te zijn, 't zy vermits dit slaep- en droom-kruid, als aen de Maen, de Godinne van de nachten, toegewijd gerekent word, 't zy vermits by 't droomen in den slaep het geheugen alleen zijne werkzaemheid pleegt, terwijle al de uiterlijke zinnen aen den band liggen; en de vergetenheid by den slaep is eigentlyk alleen betrekkelijk op het missen van de ware en aeneengeschakelde aendoeningen van de uiterlijke zinnen.

 

Wijders uit Man, (of in een gelijkwaerdige Dialect Men), onder den zin van bestieren, even gelijk by de voorgemelde takken met Mond &c, laet zig ook vinden ons Man, m: M-G, manna / M, F-TH, en Zw: man / M, A-S, man en mann / M, Ysl: madur / M, voor mandur / in Genit: mans / en H-D, mann / M. Dan: mand / homo, vir; als by uitstek voogd en opperste van den aerdbodem. De Plur: wierd eertijds ook met E gebruikt; dus A-S, men en maenn / homines; en dus, enkel op het bestier ziende, hier van ons Ménnen, I. CL: ducere, agere, vehere, unde Gall: Mener, Ital: menare; hoewel het thans doorgaends op het bestieren van beesten met eenig toom word toegepast; Voeg hier by het Middel-eeuwsche Mannire, manire, 't gene, volgens Nuenarius, in de Leg: Salic: Francor. voor bestieren, dirigere, administrare, gevonden word, en waer van het Fransche Manier (administrare), en ons Manier, f: ordo, mos; en daer van ons Manieren, I. CL: dirigere, moribus instruere; gelijk ook M-G, manwjan / gamanwjan / I. CL: parare, praeparare. En mooglijk ook hier toe ons Maene, Maen, f: H-D, mähne / F, juba, equorum crines à collo penduli; vermits van ouds voor den ruiter zeer dienstig tot bestier van 't paerd en zig zelf; of anders overdragtig van 't voorgemelde Mane, luna; vermits een halve maentrek op den krommen hals van 't paerd verbeeldende; gelijk ze ook alzoo by Martiael genoemt word Juba lunata. Van ons Man komt verder ons Manlyk, virilis; en het M-G, manaleik / manleik A-S, monlica / imago, statua; vermits aen een mensch gelijkende; en ons † Mannen, † Bemannen, I. CL: nubere viro; en † Mannen, Bemannen een stad, I. CL: urbem munire viris; en Overmannen. I. CL: superare, vincere; en A-S, mannian / I. CL: propugnare; waer in de zin van bescherming en bestier weêr naektelijk doorspeelt; en Manbaer, ephebus, nubilis; manschap, hominium, clientela; & viri, homines, clientes; en Manziek, viri appetens; Manslach, m: homicidium; en Manninne, virago; en † Vermannen, I. CL: nubere viro; en Vermannen, I. CL: vincere, superare; en Zig vermannen, I. CL: concipere animum viri lem.

 

Uit Men de Plur, is vooreerst ons algemeene Men, multi vel omnes homines in plurali sensu, & in singulari figura, Gall: on; als Men zeyt oul: ook † Man zeyt, dicunt dicitur; en 't M-G, manhun / nemo; en ten andere met de Adjectivale terminatie Isch ons † Ménnisch, nu Ménsch, m: en n: M-G, mannisk / AL: of F-TH, mennisgi / mannisgi / mennisko / M, H-D, mensch / M, homo, olim humanus; gelijk ook A-S, maennisc / mennisc / humanus; ziende, vermits uit het meervoud ontleent, op Man en Vrouw te gelijk; en ons Mansooren, asarum, Gall: oreille des hommes; alzoo de bladeren een gestalte maken van menschen ooren; en Mans-bloed, n: androsaemum; ter zake de bladen en bloemen rood sap als menschen-bloed uitgeven. Van dit Ménsch en Man, zie ook verder by onze XII. Redewiss: §. XI., en XIII. Redewiss: p: §. XXXVII; en onze Grondsl: II. Verhand: §. LX. Nog ook, als men op de veelheid denkt, zoo behoort hier toe het Oud Vlaemsche † Mene, en ons Ménnig, Menig en † Mannig, en † Meinkel, en A-S, menig / maenig en manig / M-G, manag / F-TH, manig / multus, multi; waer van ons Menigte, Ménnigte, contr:Ménge, en † Menie, f: F-TH, meniga / menige / F, M-G, managei / F. A-S, maenigeo / menigeo / F. en H-D, menge / F. multitudo; en ons Menigvuldig, multiplex; waer van ons Menigvuldigen, I. CL: A-S, manig-fuldian / I. CL: F-TH, manigfaldan / I. CL: multiplicare en Menigvóud,

[p. 671]origineel

multiplex; en Menigvóude, f: echinus, bovis ventriculus; van wegen de menigvuldige vlies-bladen, waerom het ook de huive, en 't boek met al de bladen heet.

Wijders by inkrimping van Méng voor Ménnig, ons Méngen en † Méngelen, I. CL: A-S, meugian / mengean / maengian / I. CL: H-D, menghen / I. CL: Angl: mingle / miscere; als veel onder-een doende; gelijk ook Sax; Fris: Sic: Mank, inter. Edog, gelijk der onden koophandel voomaemlijk in een wisseling en vermenging van waren bestond, zo is ook hier toe betrekkelijk ons † Ménger, † Manger, m: A-S, mangere / permutator, & mercator; waer toe mede 't A-S, mangian / I. CL: en 't H-D, en ons † Mangeren, Mangelen, I. CL: mutare, commutare; & mercaturam facere; en overdragtelijk Mangelen het lynwaed, I. CL: circumvolere ac polire lintea; om 't menigvuldig heen- en weder-rollen; en, om de wisseling van woorden of van slagen, ook † Mangelen, I. CL: commutare verba, litigare; & tr: certare, & pugnare; waer by niet qualijk voegt ons † Mange, f:Mangenéél, n: balista bellica, qua tela, lapides & ignes in hostium urbes jaculari solent, vulgò Manga, mangana, mango, mangenellum, magnellus; als mede Helvet: mange / tercular; & politura; & fullonica; waer van Helvet: mangen / I. CL: exercere fullonicam; en manger / fullo. Ons Méngele, Mingele, f: en n: heminarum mensura, schijnt uit een schep- of tap-kan, die om te mengen gebruikt wierd, de benaming gekregen te hebben; en gelijk zulk gereedschap by elk niet even kloek valt, zo is ook die mate van een Mingele by den een wel tweemael zo groot dam by den ander; in Braband is het slegts een pint, by ons en sommige andren twee pint, &c. Ons Ménge, Oder-minge, f: agrimonia, eupatorium, zo 't geen basterd is, kan zijn naem gekregen hebben van de menigte der Wortel-vezelen, wijd heen door den grond zig verspreidende:

 

Nog ook onder den zin van veelheid, (dog wederom met ae of a / of ei / gelijk ook het voorgenoemde A-S, maenig / manig en manigeo, het F-TH, manag, en M-G, manag en managei / waer op onze ÉÉ of EI, past) het M-G, ga-mains / F-TH, gi-mein / A-S maene / gemaene / by ons Gemein, Geméén, communis; en M-G, ga-manum / fociis; en A-S, gemana / confortium; waer van ons Geméénte, Gemeinte, Geméénschap, Gemeinschap, f: communio, focietas, eeclesia, consortium; en 't Oud-Vlaemsche Geméén-tógt, genus; & universum, universitas; en 't A-S, maensum / AL: ka-masam / ca-mainsam / en ke-meinsam / by ons Geméénzaem, communis, familiaris; waer van het A-S, maensuman / I. CL: en AL: ar-meinsamon / I. CL: communicare. Verder ons Méénte en † Gemeinte, † Geméénte, f: of in eene Vriesche Dialect Mient, f: ager civibus communis; als waer in aen yder burger vry staet een zeker tal beesten ter weide te zenden; en † Gemeintenaer, m: plebi favens, populumque colens. By die van Worms is Al-menne / Al-mende / locus silvae, agri, territorii, vel civitatis, communis aut publicus. Dat wel-eer onder de Oud-Duitsche Volkeren voor elk in 't bezonder geen vasten eigendom van grond of woonstee was, maer een onderlinge gemeenschap, en jaerlijksche beurtwisseling van bouw-akkers, wordende door hunne Overheden de uitdeeling bestiert, en yder geslagt by den ander geschikt, zulks vermeld Tacitus, in zijn Germania, Cap: XXVI. en Juls Caesar, Libr: VI. waer uit Georg: Eccard in zijne Catech: Theotisca, p: 113 en 114. niet ongeleerdelijk gist, dat de onde naem van Alle-mannen / als Volkeren die een onderlinge gemeenschap van Land hadden, mogte gesproten zijn.

Dog, gelijk het Heilige, om den eerbied niet te benadeelen, afgezondert, en voor weinigen handelbaer geschat en gehouden word, zo is al van ouds het gemeenzame voor onrein, en als besmet gerekent, waer van dan het M-G, ga-mainjan en ga-gamainjan / I. CL: 1, profanum reddere, coinquinare. Gemeen goed word ook doorgaends slegt gehavent, en gaet veeltijds verloren; ja zelfs heeft het ook weleer ten volle den zin van quaed gekregen, gelijk in ons † Mein, H-D, mein of main / en A-S, maene / communis; & malus; en A-S, man / fraus, facinus, soelus; man-weorc / malum, nefas; man-full / nefandus, publicani; en A-S,

[p. 672]origineel

man-ath / maen-ath / en man-swara / F-TH, mein-eida / H-D, mein-eid / by ons Mein-ééd, m: perjurium; en A-S, manswerian / I. CL: pejerare; en A-S, mansummunge / excommunicatio.

Waer toe verder met den uitgang G, agter 't Zakelijke Deel, ons Mangel, n: H-D, mangel / M. defectus, vitium, unde Gall: manque, en daer van ons Mangelen, I. CL: H-D, mangelen / I. CL: deficere, deesse, carere; en met den uitgang K past ook hier op, ons Mank, claudus, mancus, deficiens, Gall: manchot, Ital: en Hisp: manco; waer van † Manken, I. CL: claudicare; en mooglijk van overoude tijden uit een zelfden tak het Latijnsche mancus, vermits, zo verre het my voorkomt, niet gemakkelijk tot eenig Latijnsch Verbum thuis te brengen. Immers ons Mank, deficiens, en daer van † Manken, I. CL:, nu met een Walschen bastertstaert Mankeren, I. CL: deficere, carere, vulgò Mancare, unde Gall: manquer, Ital: mancare, en tranfl: Mankèren, I. CL: cedere foro, voegen beter op het onze als op 't Latijnsche. Tot Mank, deficiens, en † Ménke, † Minke, defectus, mutilatio, laesio, behoort ook ons † Manken, † Ménken, † Minken, I. CL:, nu Verménken, en in een Vlaemsche Dialect nemende I voor E, Verminken, I. CL: mutilare; en Mink-yzer, n: murex, tribulus, asteriscus aculeatus; yzere starpunten met vlerkantige spitsen, welke gestrooit worden op dat 'er de vyanden in treden zouden, en de voeten quetsen: en transl: Mink-yzer, tribulus aquaticus; om de doornpunten aen deszelfs vrugt, gelijkende na de voorgemelde Minkyzers.

De Wortel-doelen.

MER of MEER, MAR of MAER, in 't Ysl: mer / minutim dissipo; in Praet: marde / IV. CL: 1, zijnde van de verloopene Classis; uit welke egter de Zakelijke Deelen MAR of MER of MAER of MEER, volgens onze Dialect zig naekt genoeg vertoonen.

 

Tot een en ander (want A of E voor de R komende loopen veeltijds onder een zelfde Dialect) schijnt vooreerst betreklijk ons Mare, Maer, f: F-TH, of AL: maara / marida en marthe / F, M-G, meritha / F. H-D, märe / F, rumor, fama, celebritas; A-S, maerth) / magnitudo, majestas, celebratio, gloria; en A-S, maere / magnus, clarus; en maerest / celeberrimus; vermits het gerucht zig allengskens herwaerts en derwaerts verspreid; en daer van ons † Maren, nu Vermaren, I. CL: AL: en F-TH, maran / ar-maran / I. CL: A-S, ge-maeran / I. CL: M-G, merjan en us-merjan / I. CL: divulgare, praedicure; en AL: of F-TH, chi-maran / I. CL: declarare; en M-G, waila-merjan / I. CL: euangelizare; en M-G, waja-merjan / I. CL: blasphemare, van 't M-G, wai (vae, by ons Wee); en F-TH, gi-maran / I. CL: diffamare; M-G, marzjan / ga-marzjan / af-marzjan / I. CL: 1, scandalizare. Kimbr: maera / carmine celebrare; en maerd / carmen encomiasticum; Ysl: maerd / F, eloquentia; en A-S, martha / mirabilia; en uit het Praeter: Part: ons Adj: Vermaert, celebris.

 

Ten andere, dewijl de afloopende of affijperende wateren, in een laegte van grooten omtrek verzamelende, zig in een breeden plas verspreiden, zo schijnt ook niet ongevoeglijk hier uit gesproten te zijn ons Meer, en † Mér, † Meir, en † Maer, f: en n: lacus, stagnum, & olim palus, & piscina; F-TH, mere / mare; A-S, mere / M. palus, locus, & mare; M-G, marei / F. lacus, & mare; en marisaiw / stagnum; insgelijks het H-D, meer / Sax: maere / N. mare, Gall: mer, Hisp: mar; als zinspelende op het inslorten der Rivieren, die zig aldaer in 't breede verspreiden; gelijk ook A-S, merring / essusio; en verder ons † Maer-, nu Meer-minne, A-S, mere-men / syrena, nereïdes, marina venus; en Meer- en ook † Maer-katte, Maerte, cercopithecus, simia caudata, Gall: marmotte, Flandr: marotte; als van over zee met de Indische schepen aengebracht, en van 't gemeen, om zijn staert en klauteren een kat genaemt, of voor een vreemde kat aengezien; en Meer- en † Maer-spinne, sepia, piscis; Meer- en † Maer-zwyn, A-S, mere-swyn / delphinus, tursio, unde Gall: marsouin; en Meer-

[p. 673]origineel

en Maer-koet, fulica; een soort van waterhoenders, aen moerassen en meren zig onthoudende; ook is 'er een soort by de Vrieden markol / Sicambr: maerkolf genaemt, pica glandaria vulgò Marcolphus; en Meer- ook † Maer-wortel, eryngium marinum; een kruid dat de Zee-lucht-bemint, en daerom ook welig groeit op Eilanden aen Zee; en Meer-radys, Meer-redik, en Euphon: Mierik, f: H-D, meer-rhettich / raphanus marinus, sinapi persicum; als van over-zee eerst aengevoert. Voorts ons † Maertsche, Maerasch, Mérsche, Meersche, Marse en Maerse (palus; & pratum palustre, Gall: marez, marescage, A-S, mersc / en Angl: marishe / marsch); en 't H-D, meer-skate / Angl: squate / squatina piscis planus cartilagneus. Dat het Latijnsche mare aen dit H-D, zo nae komt, is mooglijk nog een overblijfsel van de Oude gemeenschap voor de verspreiding; immers de oorspronk van 't Latijnsche, zo veel ik uit Vossii Etymologicum kan bemerken, is duister, en niet als van verre te halen.

 

Maer, gelijk de wateren, uit eene engte in eene groote breedte vervallende, aldaer of zeer vertragen, of vertoeven in haren loop, (gelijk by ons Maer-water, aqua stagnans, refes), zo gaf ook dit aenleiding tot ons Verbum Marren, Mérren, I. CL: ook † Maren, † Meren, I. CL: remorari, tardare, detinere, & alligare; en 't A-S, meran / I. CL: impedire; en A-S, maran-land / terra firma; en † Ontmeren, † Ontmaren het schip, solvere navem; Gall: desmarer. En mooglijk ook † Maere, Nacht-mérrie, f: A-S, mara / incubus, ephialtes; een zeer benaeude spanning aen 't middelrift even of 'er een allerzwaerste last op den buik van den lijder perste, die hem de vrije en tedere ademhaling in den slaep weerhoud, en daer door schijnt te verstikken; komende, na mijn vermoeden deze quael te ligter by nagt om de dommeling van 't verstand in den slaep; want schoon de dierlijke bediening van den adem, buiten 't verstands-behulp, en daerom ook in den slaep, haren gang gaet, egter is ze niet t'eenemael (gelijk wel de beweging van het hart, den bloedloop, en darmschuiving &c.) van alle wils-bestier vry, maer kan ook verslerkt en verzwakt, en zelf ook voor een tijd in- of op-gehouden worden na onze keur. Gewoonlijk word dit woord afgeleid van † Mare, Merrie, A-S, maera / mere / equa; 't zy vermits de paerden dik daer mee gequelt zijn, zo men voorgeeft, 't zy vermits de buikpersing zo zwaer schijnt als of ons een paerd op 't lijf ware gevallen; dog onze uitlegging, ziende op 't belet van de ademhaling, dunkt my, schildert de quael nog netter af. Voorts ons rede-wikkend Maer, Ne-maer, Néén-maer-óók, en † Mér, at, ast, sed, atqui, unde Gall: mais, Ital: ma, Hisp: mas; als stuitende en verminderende het vorige gewigt van redenen; en overdragtelijk op de vermindering of weinigheid voornaemlijk ziende, ons Maer, tantummodò; Maer ééns, semel tantûm; Doe het maer, fac solummodo; zijnde dit tegenstellende Maer (fed) in de uitspraek ligtelijk van de anderen te onderkennen, dewijl het een merkelijken accent ontfangt, en die niet. Voeg hier by ons Mare-takken, viscus vel muscus quercinus; een soort van grooten mosch, van welks Kleine beziën vogellijm gemaekt word, waer op dan de zin van ons gemelde † Maren, detinere & alligare, past. Niets was 'er Heiliger by de Oud-Gallische Druïden dan de maretakken, en de eikeboom waer op ze groeiden. Men wil, dat het zaed van dezen mosch niet voort-telen zal, 't en ware het eerst in den buik of 't gedarmte van een lijster of een ringduif eene verdouwing ontfangen hebbe; en dewijl de lijsters zeer gratig zijn op deze beziën, van welke de lijm daer ze mede gevangen worden, word toebereid, zo zeit Plautus niet onaerdig hier op, turdus exitium sibi cacat. Om van deze beziën lijm te bereiden, plukt men dezelven groen, droogt en stampt haer, daer na twaelf etmael in 't water geweekt en gerot zijnde, zuivert men die tot alle vuil daer uit zy, blijvende 't overige de vogellijm. Voorts ons Marren-vlucht, Mar-vluchte, f: tricae; capilli pedibus pullorum gallinaceorum involuti, quibus gressus impediri solet. Als mede om 't vertoeven is wederom hier toe betreklijk ons Mérlyn, f: en, met vooraenneming van de S, ons Smerlyn, m: aesalo, vulgò Smerlinus, & Merlina; unde Gall: esmerillon, & smerlin, Angl: merlyn / een soort van kleine havikken, omtrent onze

[p. 674]origineel

Nederduitsche oorden verblijvende, terwijl de andere havikken, tegens den Winter na elders vertrekken. Dog ons Mérle, f: merula, Gall: merle; schijnt my van 't Latijnsche afkomstig te zijn.

MI.

De Wortel-deelen.

MIR, MUR of MOR, in het Ysl: mir / mordeo; in Praeter: murde / IV. CL: 2, zijnde meê van de verloopene Classis.

Met het Zakelijke Deel MOR of MUR komt overeen, vooreerst ons † Morre, f: os cum prominentibus labris; en met den uitgang F of V, ons Murf, Morf, Murve, os cum maxillis; ziende voornaemlijk op den bek der beesten; waer van ons † Morfen, † Morfelen, I. CL: ruminare instar caprae, mandere, remandere; als herkaeuwende de spijs: en verder overdragtelijk het H-D, en Geldersche Morre, Mor en † Moor, porca, scropha; als by uitstek met de murf in den drek wroetende. En wederom, vermits gelijkende aen 't ongeneuglijke knorren der zwijnen, niet oneigen hier uit ons Morren, † Murren en † Morkelen, I. CL: grunnire, murmurare; dog in een zagter zin het F-TH, mornan / I. CL: en A-S, murnan / I. CL: lugere, moestum esse; en Het M-G, maurnan / I. CL: 2, curis torqueri. En dewijl de verkens by uitstek morsig vallen, zo past hier op ons † Bemoren, Bemorsen, I. CL: maculare luto, & conspurcare; en Morsig, sordidus. Voorts op het kleinbrijselen, even als by 't kaeuwen, past ons † Morseel, n: en Morselken, n: Angl: morfell / bolus; frustum, vulgò Morsellum, unde Gall: morceau; en Morsele, f: mica frustulum; waer van ons Morselen, I. CL: Vermorselen, I, CL: friare, frangere in micas; & tr: conterere, in pulverem redigere. Wijders gelijk men de spijze kaauwt om die met het speekfel tot eene zagte bry te maken, alzo mede met den uitgang W, ons Adj: Murw, Morw, mollis, mitis, tener; A-S, merwe / mearwa / myrwe / tener; en daer van ons Morwen, Murwen, Vermurwen, I. CL: mollire, emollire, mitigare; het A-S, past op een tak van 't Praesens ten opzigte van de y en e / dog op het verloopene Praeter: ten aenzien van de ea.

 

1717 4/m