|
|
|
| |
| |
| | | |
Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae
Inleiding1
In 1599 verscheen te Antwerpen bij Jan Moretus, schoonzoon en opvolger van Plantijn, het
Etymologicum Teutonicae linguae sive Dictionarium Teutonico-latinum van
Cornelis Kilianus of Corneel Kiel, meestal Kiliaan genoemd. Deze noemde dit woordenboek
de editio tertia van zijn Dictionarium Teutonico-latinum van 1574 en 1588; elke
uitgave had hij opnieuw grondig bewerkt en aangevuld. Zoals alle Nederlandse
woordenboeken tot ca. 1800 waren Kiliaans Dictionaria nog vertaalwoordenboeken, maar
toch ging zijn aandacht reeds in de eerste plaats uit naar het Nederlands en trachtte hij dit
vooral zo nauwkeurig en volledig mogelijk te beschrijven. Op dit standaardwerk zouden de
lexicografen van de zeventiende en de achttiende eeuw voor een groot gedeelte steunen; zo
gaan, zoals C. Kruyskamp in de voorrede op de achtste druk van Van Dale schrijft, vrijwel
alle latere Nederlandse woordenboeken terug op dit Etymologicum van
15992.
| |
1. Kiliaans werk voor het Etymologicum
a) Wie was Kiliaan?
Kiliaan, die eigenlijk Corneel Kiel of Van Kiel heette, werd geboren te Duffel, bijna in het
centrum van het oude hertogdom | | | | Brabant, tussen oktober 1528 en Pasen 1529, in ieder
geval in 1528 volgens de oude tijdrekening3. Op 29 augustus 1548 liet hij zich als student
aan de Leuvense universiteit inschrijven op de lijst van de ‘pauperes
Castrenses’4; te Leuven studeerde hij Latijn, Grieks en Hebreeuws aan het Collegium
Trilingue en ook rechtsgeleerdheid5.
Waarschijnlijk kwam Kiliaan in het begin van 1558 in dienst bij de bekende Antwerpse
drukker Christoffel Plantijn of Christophe Plantin, een geboren Fransman, die in 1548 naar
Antwerpen verhuisd was en hier in 1555 een drukkerij en uitgeverij opende. Het dagboek van
Plantijns drukkerij vermeldt Kiliaan voor het eerst op 5 februari 15586. Een maand later, op 6 maart, kwam
Kiliaan bij Plantijn inwonen met de opdracht ‘de prendre garde aux lettres pastes formats et
autres ustensiles de limprimerie’7. Pas op 24 juni 1565 noemt Plantijn in zijn boekhouding Kiliaan voor
het eerst uitdrukkelijk corrector en belooft hem vier florijnen te betalen voor elke maand
‘quil vacquera a la correction pour certaines presses et compositeurs’8. Kiliaan bleef
in dienst bij Plantijn tot aan zijn dood, op paasdag 15 april 1607.
Naast zijn gewone werk in de drukkerij hield Kiliaan zich | | | | ook bezig met vertaalwerk.
Op 8 december 1563 betaalde Plantijn hem ‘pour mettre la Grammaire de Brechtanus en
flameng et la corriger’9; deze vertaling van de Latijnse Syntaxis van Johannes Custos Brechtanus
werd blijkbaar echter nooit gedrukt. Andere vertalingen van Kiliaan verschenen wel bij
Plantijn, nl. de Historie van Coninck Lodouick van Vranck-rijck den elfsten... door
Mijnheer Philips van Commines (1578) en de L. Homilien oft Verclaringhen... door
den Heylighen Vader Macaris den Egyptenaer (1580); postuum verscheen te Amsterdam
in 1612 de Beschryvinghe van alle de Nederlanden, anderszins ghenoemt
Neder-Duytslandt, door M. Lowijs Guicciardijn. Verder schreef Kiliaan heel wat Latijnse
gedichten, meestal als onderschriften voor gravures; deze gedichten werden in 1880
uitgegeven door M. Rooses10.
| |
b) Lexicografisch werk van Kiliaan.
Kiliaan maakte zich echter het meest verdienstelijk door zijn lexicografisch werk. Zijn
werkgever Plantijn schrijft in zijn voorrede op de Thesaurus Theutonicae linguae
(1573) dat hij er eerst aan dacht zelf een goed Nederlands woordenboek samen te stellen
omdat hij al de bestaande woordenboeken veel te beknopt en onvolledig vond; bij gebrek aan
tijd liet hij dit werk echter tegen betaling over aan bekwame medewerkers. Zo gaf Plantijn op
25 september 1563 aan Kiliaan een Dictionarium Latinogallicum van Robert Estienne
‘pour en traduire le francois en flameng’; op 16 september 1564 was Kiliaan klaar met
deze opdracht11. Zo kwam een Dictionarium Latinogallicogermanicum tot
stand12,
dat echter nooit in druk verscheen. Dit vertaalwerk van Kiliaan beschouwde M. Rooses ten
onrechte als een bijdrage voor de Nederlands-Frans-Latijnse Thesaurus Theutonicae
linguae, waarvan volgens Plantijns boekhouding een an- | | | | dere corrector, André
Madoets, de voornaamste auteur was; er is geen enkel bewijs dat Kiliaan aan deze
Thesaurus heeft meegewerkt13.
Vermoedelijk had Kiliaan echter reeds vroeger voor Plantijn de Nederlandse tekst verzorgd
van het Latijns-Grieks-Frans-Nederlandse Dictionarium Tetraglotton (1562). In zijn
voorrede op de Thesaurus zinspeelt Plantijn immers blijkbaar op dit
Tetraglotton en ook op Kiliaans vertaling van Estiennes Dictionarium
Latinogallicum: ‘l'vn trouua bon de tourner tous les mots et quelques phrases du
Dictionnaire Latin-François en Flameng’. Ongetwijfeld was deze eerste medewerker
Kiliaan; na de taak van de andere medewerkers beschreven te hebben, gaat Plantijn verder:
‘Peu de temps apres, l'vn (comme pour arres de ses labeurs) me deliura les mots Latins
tournez en Flameng: desquels ie ne faisois qu'acheuer l'impression, y ayant entremis les mots
Grecs & François; quand certaine autre rencontre aduerse arresta derechef l'entier cours de
mes efforts’. Ongetwijfeld was dit het Dictionarium Tetraglotton, het enige
woordenboek dat Plantijn met deze vier talen, Latijn, Nederlands, Grieks en Frans, heeft
uitgegeven. De herhaling van ‘l'vn’ en het feit dat ook dit woordenboek van het Latijn
uitgaat, wijzen erop dat Kiliaan deze medewerker is, die, eer hij in 1563-1564 Estiennes
woordenboek vertaalde, ‘comme arres de ses labeurs’ de Nederlandse tekst van het
Tetraglotton (1562) bezorgde. Vermoedelijk was Kiliaan dus de auteur van het
Nederlands in het Tetraglotton
14.
| | | |
In zijn voorrede op het Dictionarum Tetraglotton noemt Plantijn de man die er
een Nederlandse tekst aan toevoegde, een ‘vir exercitatus’, een geoefend man.
Misschien wijst dit erop dat Kiliaan reeds vroeger lexicografisch werk had verricht. Het enige
woordenboek dat Plantijn vóór het Tetraglotton had uitgegeven, was het
Latijns-Franse Promptuarium Latinae linguae (1561), eigenlijk alleen maar een
licht aangevulde uitgave van het Dictionariolum puerorum Latinogallicum van Robert
Estienne, met als tweede deel, zeker in 1564, ook het Frans-Latijnse Les mots francois.
Het is dus niet uitgesloten dat Kiliaan ook deze uitgave voor Plantijn had verzorgd.
Van dit Promptuarium Latinae linguae verscheen in 1576 een drietalige uitgave met
ook Grieks; een druk hiervan uit 1591 zou Kiliaan bewerken tot een nieuw Tetraglotton
door er een Nederlandse vertaling aan toe te voegen, hoofdzakelijk overgenomen uit het oude
Tetraglotton van 1562 en uit geschreven kanttekeningen die Kiliaan bij een exemplaar
hiervan gemaakt had. Dit nieuwe woordenboek, dat als titel kreeg: Tetraglotton Latinè,
Graecè, Teutonicè et Gallicè. Collectore Cornelio Kiliano Dufflaeo, werd echter
nooit gedrukt; het wordt als handschrift bewaard in het Museum Plantijn-Moretus te
Antwerpen15.
| |
c) Kiliaans Dictionarium Teutonico-latinum van 1574 en van 1588
In 1574 gaf Kiliaan onder zijn eigen naam een beknopt Dictionarium
Teutonico-latinum uit; in zijn voorrede hierop schreef hij dat Plantijn hem tot het
samenstellen van dit Nederlands-Latijns woordenboek had aangespoord, toen deze aan
verscheidene personen had opgedragen verschillende Nederlandse woordenboeken voor te
bereiden. Hoewel dit Dictionarium voor veel Nederlandse trefwoorden en Latijnse
equivalenten overeenkomt met de Thesaurus Theutonicae linguae, die Plantijn een
jaar vroeger, in 1573, had uitgegeven, heb ik toch aange- | | | | toond dat de verwantschap
tussen beide woordenboeken voor het grootste gedeelte slechts indirect is16. Voor zijn Dictionarium excerpeerde Kiliaan gedeeltelijk dezelfde
bronnen als Madoets voor de Thesaurus, maar Kiliaan steunde in de eerste plaats op het
beknopte Dictionariolum puerorum Germanicolatinum (1554) van Frisius, terwijl
Madoets de uitvoerige Duits-Latijnse Die Teütsch Spraach (1561) van Maaler en het
Dictionaire francoislatin (1564) van Thierry als basis nam.
Het Dictionariolum puerorum Germanicolatinum van Frisius was een ‘omkering’
van het Dictionariolum puerorum Latinogermanicum, de Duitse bewerking die Frisius
gemaakt had van het Dictionariolum puerorum Latinogallicum van Estienne. In deze
beknopte uitgave had Estienne in principe enkel de alleenstaande woorden uit zijn uitvoerig
Dictionarium Latinogallicum opgenomen en de zinnetjes, zegswijzen en citaten
weggelaten. Zo volgde Kiliaan in zijn eerste Dictionarium het systeem van de beknopte
woordenboeken van Estienne, terwijl de Thesaurus via Maaler en Thierry terugging op
het uitvoerige Dictionarium Latinogallicum met zijn vele zinnetjes en zegswijzen en
bewijsplaatsen uit klassieke Latijnse auteurs.
Volgens mijn bronnenstudie heeft Kiliaan waarschijnlijk ongeveer een derde van de
trefwoorden in zijn Dictionarium van 1574 in een aangepaste vorm overgenomen uit
het Dictionarium van Frisius. Verder vulde hij deze bewerking zeer eclectisch aan uit
Die Teütsch Spraach van Maaler, het Dictionaire francoislatin van Thierry, het
beknopte Les mots francois van Estienne en Nederlandse woordenboeken. Behalve uit
de Thesaurus Theutonicae linguae, die voor hem een bron van secundair belang
was, nam Kiliaan ook trefwoorden over uit de Nederlands-Latijnse bewerking (1556) van het
Dictionarium van Dasypodius, het Nederlands-Latijnse Dictionarium (1556) van
Berckelaer en het Nederlands-Franse Naembouck (1562) van Lambrecht; andere bronnen
van Kiliaan waren | | | | waarschijnlijk de Teuthonista (1477) van Van der Schueren,
het Duits-Latijnse Dictionarium (1536) van Dasypodius en het Dictionarium
Tetraglotton (1562).
Naar aanleiding van zijn Duitse en Franse bronnen, maar blijkbaar nog meer uit persoonlijke
belangstelling gaf Kiliaan aan zijn Dictionarium een eigen, wetenschappelijk cachet
door een begin van etymologische vergelijking van het Nederlands met het Duits en het Frans.
Bij woorden van Duitse of Franse oorsprong die hij als in het Nederlands ongewoon
beschouwde (blijkbaar soms ook ten onrechte of bij vergissing), voegde Kiliaan onmiddellijk
na het trefwoord de afkorting ger. (Germanice of Germanis) of gal. (Gallice of
Gallis), bijv. bij Accollade. gal. Amplexus en bij
Gasse. ger. Via, Platea. Dergelijke woorden nam Kiliaan,
zoals hij in zijn voorrede schrijft17, soms
enkel op om Nederlandse woorden etymologisch te verklaren; dat dit ook voor sommige
gal.-woorden geldt, blijkt uit: Malade. gal. Aeger,
Morbidus, Aegrotus, waarop volgt: hinc fortè Malaedtsch.
Contagioso morbo laborans, Leprosus.
Bij andere, ingeburgerde bastaardwoorden of bij sommige gewone Nederlandse worden gaf
Kiliaan na de reeks Latijnse synoniemen een Duits of (soms: en) een Frans equivalent van
dezelfde stam als het trefwoord, bijv. Abel ... gal. abil,
habil,
Wijcken ... ger. vveychen en
Wijn ... ger. vvein. gal. vin; hierdoor wilde hij
blijkbaar alleen de etymologische verwantschap van die woorden met de Nederlandse
trefwoorden aangeven.
In 1588 gaf Kiliaan een zeer aangevulde en vermeerderde druk van zijn Dictionarium
in het licht, dat nu 765 bladzijden telde van iets groter formaat dan de 232 bladzijden tekst van
1574. Zijn etymologische taalvergelijking werkte Kiliaan hierin nog verder uit en zijn
wetenschappelijke belangstelling uitte zich ook in een zo volledig mogelijke beschrijving van
het | | | | Nederlands. De bastaardwoorden heeft hij nu in een afzonderlijke lijst achteraan
geplaatst, maar een belangrijkere vernieuwing zijn gewestelijke aanduidingen bij een aantal
trefwoorden, bijv. fland., holl., fris. en sic., die Kiliaan in zijn inleiding als volgt
verklaart: ‘Flandris, Hollandis, Frisiis, Sicambris (Gheldris nempe, Cliuiis & Iuliacis) ...
vsitatissimas’. Deze aanduidingen, die typisch zijn voor de Nederlandse lexicografie,
bracht Kiliaan vermoedelijk aan onder invloed van de Nomenclator (1567) van
Junius18.
|
1Mijn bijzondere dank gaat uit naar Dr. A.J. Persijn, die deze inleiding kritisch heeft willen doorlezen en die de citaten zoveel mogelijk heeft geverifieerd.
2
Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, achtste
druk, door C.Kruyskamp, Voorrede, p. VII.
3
C. Dom, Bescheiden over
Kiliaan, in Dufflaea, 1964, p. 692: E. Dom, Mededeelingen der
openbare boekerij van Duffel, Geschiedenis van Duffel, 37 (z.j., ca. 1930), p. 276; F.
Sillis, Proeve van een Bio-bibliografie van en over Kiliaan (in handschrift, op het
Gemeentearchief van Duffel), 1955, pp. 5-7.
4
Matricule de l'Université de Louvain. Publiée par A.
Schillings. Publications de la Commission Royale d'Histoire, nr. 32, IV. Brussel, 1961, p.
378.
5
C. Dom, Bescheiden over
Kiliaan, in Dufflaea, 1964, p. 693.
6
Archief van
het Museum Plantijn-Moretus, XXXV, f o 160.
7
Archief van het Museum Plantijn-Moretus,
XXXV, f o 148.
8
Archief
van het Museum Plantijn-Moretus, XXXI, f o 12; over het werk als corrector, dat
Kiliaan bijna vijftig jaar zou verrichten, heeft hij een gedicht geschreven Corrector
Typographicus, dat als volgt begint:
‘Officij est nostri mendosa errata librorum
Corrigere, atque suis prava notare locis...’
(cfr. Kilianus' Latijnsche
gedichten, uitgegeven en met een levensbericht voorzien door M. Rooses.
Uitgaven van de Antwerpsche Bibliophilen, nr. 6. Antwerpen, 1880, p. 17).
9
Archief van het Museum Plantijn-Moretus, XXXI,
f o 12.
11
Archief van het Museum Plantijn-Moretus, III, f o 4, f o 8,
f o 18.
12
Archief van het Museum Plantijn-Moretus, I, f o 18; IV, f o 63v.
13Zie hierover meer in mijn artikel De
verhouding van Kiliaans eerste Dictionarium (1574) tot de Thesaurus van Plantin, in
Handelingen van de Kon. Zuidn. Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en
Geschiedenis, XXIII (1969), pp. 27-39.
14Zie hierover uitvoeriger mijn inleiding op het
Dictionarium Tetraglotton (1972) in de reeks Monumenta Lexicographica
Neerlandica, en mijn boek De bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van
Plantin: het Dictionarium Tetraglotton (1562), de Thesaurus Theutonicae linguae (1573) en
Kiliaans eerste Dictionarium Teutonico-latinum (1574). Bouwstoffen en Studiën voor de
Geschiedenis en de Lexicografie van het Nederlands, nr. XII. Uitgave van het Belgisch
Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, 1970.
15Cfr. mijn artikel Kiliaan, de grondlegger van de Nederlandse
lexicografie, in Wetenschappelijke Tijdingen, 28 (1969), kol. 201-203.
16Zie mijn
artikel De verhouding van Kiliaans eerste Dictionarium (1574) tot de Thesaurus van
Plantin en mijn boek De bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van
Plantin.
17‘Reperiuntur enim quàm plurima Composita &
Deriuatiua, apud nos maximè vsitata, quorum Simplex aut Primitiuum nostratibus ferè
incognitum, è Germanico fonte Etymorum inuestigatoribus petendum est’.
18
G. de Smet, Junius' Nomenclator, Hollandse bron van Kiliaens
Vlaamse woorden, in Album Edgard Blancquaert, pp. 197-208.
|
|