|
|
|
| |
| |
2. Hoe kwam Kiliaans Etymologicum tot stand?
In zijn Etymologicum van 1599 vulde Kiliaan zijn Nederlandse woordenschat, zijn
Latijnse synoniemen, de nauwkeurige beschrijving van het Nederlands en de vergelijking met
andere talen nog aan; nieuw waren ook vooraan een lijst van geraadpleegde auteurs en
achteraan een lijst met aardrijkskundige namen en een met voornamen. Hoe bereidde Kiliaan
deze nieuwe uitgave voor?
| |
a) Kanttekeningen in werkexemplaren van woordenboeken
Het Museum Plantijn-Moretus te Antwerpen bezit een exemplaar van Kiliaans
Dictionarium van 1588 met kanttekeningen van hemzelf, die hij bijna volledig heeft
overgenomen in zijn Etymologicum van 1599. Andere kanttekeningen van Kiliaan, die
bewaard zijn in een exemplaar van het Dictionarium Tetraglotton (1562) en van de
Thesaurus Theutonicae linguae (1573), leren ons zijn werkwijze beter
kennen19.
Van Kiliaans kanttekeningen bij het Tetraglotton komt een | | | | vrij groot aantal
(volgens steekproeven ca. 58%) ook in het Etymologicum voor. Toch schijnt Kiliaan
vele woorden niet uit deze kanttekeningen in het Etymologicum te hebben
overgenomen, maar uit een gemeenschappelijke bron. In de rand van het Tetraglotton
is bijv. bijgeschreven: macer, macis. μακερ. folie. bloeme van
muscaet. gal. macis; in het Etymologicum staat:
folie, musckaet bloeme. Macer, macis, inuolucrum nucis
myriticae, flos nucis muscatae; Kiliaans Dictionarium van 1588 gaf reeds
hetzelfde, maar met de spelling mosckaet. De kanttekening bij het Tetraglotton
en de tekst van het Etymologicum (en van het Dictionarium van 1588) nu gaan
blijkbaar onafhankelijk van elkaar terug op de Nomenclator, die in de uitgave van 1567
op p. 121a schrijft: Macer vel macis. Μακερ ... cortex aromaticus, nucis
myristicae inuolucrum. ... B. Macis, foelie, bloem van moscaet. G. & It.
Macis
20. In de kanttekening wijzen de wending bloeme van muscaet en
de Griekse en Franse equivalenten immers op Juinius als de directe bron, terwijl in het
Etymologicum de Latijnse equivalenten en in 1588 de spelling mosckaet ook
direct op Junius schijnen terug te gaan. Wellicht heeft Kiliaan deze en andere aantekeningen
tweemaal gemaakt: eenmaal om een nieuwe uitgave van het Tetraglotton voor te
bereiden, in een werkexemplaar met het Latijn voorop, en eenmaal om een nieuwe uitgave
van zijn Dictionarium voor te bereiden, in een werkexemplaar met het Nederlands
voorop.
De meeste van zijn kanttekeningen bij de Thesaurus heeft Kiliaan opgenomen in zijn
Etymologicum van 1599, enige ook reeds in zijn Dictionarium van 1588. Ook uit
de tekst zelf van de Thesaurus nam Kiliaan heel wat over en daarnaast ook uit zijn
eerste, beknopte Dictionarium van 1574. Dit zien we in de volgende voorbeelden:
| | | |
|
Thesaurus
|
Kanttekeningen
|
Kiliaan
|
| / |
Achte. ger. sax. Annotatio rei absentis requirendi ut copiam sui praestet intra annum, ad se purgandum
Dicitur autem
Achte, quod primo anno Imperium reputet et perpendat causam ... .
|
[1588]: achte. ger. sax. sicamb. Proscriptio, deliberatum iudicium.
[1599]: achte, echte. ger. sax. sic. Sententia Imperialis, proscriptio, deliberatum iudicium. annotatio Rei absentis requirendi vt copiam sui praestet intra annum ad se purgandum.
|
| / |
Achten. echten. achtschen. proscribere.
|
[1599]: achten, echten.
Proscribere.
|
|
Achtsaem.
Estimable, notable, ou à
estimer. Aestimabilis,
obseruabilis, vel
obseruandus,
aestimandus.
|
Achtsaem.
Curam rerum gerere.
Contrarium est
onachtsaem j.
negligens
21. |
[1574]: Achtsaem. Aestimabilis, Aestimandus.
Achtsaem. Obseruans, Solicitus.
[1588]: / [1599]:
acht-saem. Obseruans, sollicitus, curam rerum gerens, & Aestimabilis, aestimandus, spectabilis, obseruandus.
|
| / |
Achterdeel segghen. detrahere alicui.
|
[1588] en [1599]: Achter-deel van yemanden seg ghen.
Detrahere alicui.
|
| / |
Achter-hoede.
vetus. Arriere garde.
|
[1599]: Achter hoede. vet. fland.
Subsidium, tertia acies, postrema acies. gal. arriere garde.
|
| | | |
|
Thesaurus
|
Kanttekeningen
|
Kiliaan
|
|
Achterstel.
Arrierage. Reliqua, orum. reliquatio.
|
Achter-stel.
Debitum. Reliqua non solutum.
|
[1574]: Achterstel.
Reliquatio.
[1588] en [1599]: achter-stel.
Reliqua, reliquatio, reliquum non solutum.
|
Gadde,
voyez
Wijtinck.
/ |
piscis genus. fris. Apua.
Gadinge. qualitas, forma, genus. ger. gattung.
Gadinghe, gherief. Commoditas, commodum.
|
[1599]: Gadde. fris. j. wijtingh. Apua.
[1574]:
Gadinghe. Forma, Qualitas, Genus. ger. gattung.
[1588]: Gade, gadinghe. Forma, figura: & Lubentia, voluptas: & Facilitas, commoditas, vtilitas.
[1599]: Gade j. gadinghe. Forma, &c.
gadinghe. Forma, figura, qualitas, genus: ger. gattung. & Lubentia, voluptas: & Facilitas, commoditas, commodum, vtilitas. & Couenientia, congruentia. & Res specie vel statura inter se
conuenientes.
|
| / |
Genen
subridere. Kemp. |
[1599]: Ghenen.
campin. Subridere.
|
| / |
Gast-baer.
hospitalis.
|
[1588] en [1599]: gast-baer. Hospitalis.
|
|
Gasp, een handtvol. Vne poignee. Manipulus.
|
fris. |
[1588]: Gasp,
gaps. fris. j. hand-vol. Manipulus.
[1599]: Gasp,
gaps. fris. j. hand-vol. |
| / |
Gasse. ger. Platea, publica via.
Gatte.
vetus. Vicus. sic. ger. gasse.
|
[1574]: Gasse.
ger. Via, Platea.
[1588]: / [1599]: Gatte.
vetus. Vicus, platea. ger. gass. ital.
chiasso.
|
| / |
water-eppe.
sium, lauer.
|
[1599] :
waetereppe.
Sium, lauer.
|
| | | |
|
Thesaurus
|
Kanttekeningen
|
Kiliaan
|
| / |
Water-noten.
Tribulus aquaticus
q.d. nuces aquaticae profert enim haec herba fructus, auellanis nucibus maiores et nigricantes. alio nomine
minckijsers. |
[1599]: waeter-not.
j.minck-ijser. Tribulus aquaticus ... profert enim haec herba fructus auellanis nucibus maiores, & nigricantes.
|
| / |
water-ponge.
j. Beke-punghen. Anagellis aquatilis.
|
[1599]: waeter-ponghe. j. back-ponghe. Lauer, anagallis
aquatica.
|
| / |
wijpre. fl. j. spijt.
taedium, molestia, contumalia.
|
[1588]: Wijper. fland. j. spijt. Taedium, contumelia, molestia.
|
| / |
Wijperen. fl. j.spijten. het wijpert ende deert mij dat ick dit sie. |
[1599]: Wijper. fland. j. spijt.
[1588] en [1599]: wijperen. fland. j. spijten. |
| / |
Wijsemoeder. vet. j. vroed vrouwe. obstetrix.
|
[1599]: wijse moeder. sicamb. Obstetrix.
|
| / |
Wijs-bol. tertius Cato. homo tetricus et grauis sermonis.
|
[1588] en [1599]:
wijs-bol. Aretalogus: tertius Cato: homo tetricus & grauis sermone.
|
Al is de overeenkomst tussen de kanttekeningen en Kiliaans woordenboeken van 1588 en
1599 duidelijk, toch heeft Kiliaan voor verscheidene van de hier geciteerde artikels nog
andere bronnen gebruikt, terwijl hij anderzijds ook niet alle kanttekeningen heeft opgenomen.
Voor deze kanttekeningen heb ik slechts weinig bronnen kunnen vinden. In de boven gegeven
voorbeelden was het Naembouck van Lambrecht de waarschijnlijke bron voor
gast-baer, het Cruyde Boeck van Dodoens voor
waeter-eppe en Die Teütsch Spraach van Maaler voor
gadinge. ... qualitas ...22. In dit laatste geval | | | | is het niet duidelijk
of Kiliaans aangevulde tekst van 1599 teruggaat op die van 1574 of op de kanttekening bij de
Thesaurus; ook niet of deze laatste twee onafhankelijk van elkaar uit Maaler komen.
Van de kanttekening Gadinghe, gherief had Kiliaan
vermoedelijk het Latijnse synoniem commodum overgenomen.
De toevoeging sicamb. (sic.) met nieuwe Latijnse synoniemen in 1588 en 1599 bij
achte, en sicamb. bij wijse moeder in 1599 kunnen op een nieuwe bron wijzen. Het geheel geeft de indruk van een
voortdurend bewerken, schiften en aanvullen.
De eerste bedoeling van de kanttekeningen bij de Thesaurus was waarschijnlijk een
nieuwe, aangevulde uitgave van de Thesaurus zelf voor te bereiden. Achteraan werd
immers reeds een geschreven kerkelijke goedkeuring van de nieuwe druk opgenomen. Deze
goedkeuring werd ondertekend door kanunnik Sebastianus Baer, die, naar Bouchery schrijft,
op 2 februari 1576 of 1577 stierf. Daarom ‘moet deze nieuwe uitgave vóór 1576 (of
1577) ontworpen’ zijn23.
Vermoedelijk heeft Kiliaan dit exemplaar dan verder gebruikt als een ‘werkexemplaar’
om er nieuwe aanvullingen in te schrijven, die hij daarna al dan niet in zijn woordenboek
opnam.
De meeste lemmata van zijn Dictionarium van 1574 heeft Kiliaan in 1599 behouden;
dit was blijkbaar wel de basis vanwaar hij uitging en die hij aanvulde. Volgens steekproeven
staan op 263 lemmata van 1574 er in 1599 nog 187 in het corpus van het woordenboek en 19
in de lijst van bastaardwoorden; 57 heeft hij er dus weggelaten. Daarbij komen echter 504
nieuwe lemmata in het corpus en 32 bij de bastaardwoorden, zodat het Etymologicum
in plaats van 263 lemmata er 187 + 504 = 691 in het corpus en 19 + 32 = 51 in de lijst van
bastaardwoorden telt. Ook de Latijnse synoniemen werden aangevuld, veel etymologische
verwantschap toegevoegd en gewestelijke aanduidingen opgenomen, zodat het
Etymologium
| | | | een heel ander uitzicht heeft dan het beknopte woordenboekje van
1574. Het Dictionarium van 1588 vormt hierbij een tussenstadium.
| |
b) Nieuwe bronnen voor het Etymologicum
Behalve het Dictionarium van 1574 en de Thesaurus Theutonicae linguae
van 1573 gebruikte Kiliaan nog heel wat nieuwe bronnen voor zijn Etymologicum. In
het voorwerk hiervan geeft hij een bronnenlijst met de namen van 99 geraadpleegde auteurs,
maar het is natuurlijk de vraag in hoeverre Kiliaan met deze lijst volledig wilde zijn. Van de
auteurs die Kiliaan excerpeerde voor zijn Dictionarium van 1574 vinden we er alleen
Joannes Frisius en Robertus Stephanus, niet Josua Maaler (Pictorius), Jean Thierry, Petrus
Dasypodius, Joannes Berckelaer en Joos Lambrecht. Nam hij misschien alleen de auteurs op
die hij na 1574 nog geraadpleegd had? Het is ook mogelijk dat Kiliaan juist niet de bronnen
voor het eigenlijke lexicografische deel van zijn werk vermeldt, maar enkel die voor
encyclopedische inlichtingen en etymologische verklaringen. Hiervoor vermeldt hij in elk
geval in de tekst zelf vaak door afkortingen zijn bron. Voor de letter a heb ik bijv.
gevonden: Adrianus Iunius (i.v. A), Iustus Lipsius (i.v.
Achtertocht en Ammare),
Ioannes Bocatius (i.v. Aerde), Conradus Gesnerus
(i.v. Al-mutse), Iosephus Scaliger (i.v.
Almanack), Ioannes Goropius Becanus (i.v.
aluen, ambachten en Amman),
Leuinus Lemnius (i.v. ambachtsheeren), Adrianus
Turnebus (i.v. Ame), Petrus Nannius (i.v.
Amman); in de lijst van bastaardwoorden: Guilielmus
Budaeus (i.v. annulleren de procedure); in de lijst van
aardrijkskundige namen: Beatus Rhenanus (i.v. A, Aa,Ha),
Ioannes Goropius Becanus (i.v. Antwerpen), Abrahammus
Ortelius en Adrianus Iunius (i.v. Antwerpenaers); in de lijst van
voornamen: Adrianus Iunius, Ioannes Auentinus en Martinus Islebius (passim), Beatus
Rhenanus (i.v. Adelgar en Ansgis), Iodocus VVillichius (i.v. Adelger), Andreas
Althamerus (i.v. Albrecht), Joannes Goro- | | | | pius Becanus
(i.v. Ambiorick, Ansgis en Arbogast).
Dat Kiliaans auteurslijst onvolledig is, bewijzen namen van auteurs die ik in de tekst vermeld
heb gevonden,. maar die niet in de lijst voorkomen: Aegyd. Schud. (= Tschudi; i.v.
Autrick en Baldweys, bij de
voornamen), Io. Stumpff. (passim bij de voornamen) en Anton. Muretus (i.v.
babeler).
G. de Smet, die in heel het Etymologicum heeft nagegaan welke auteurs Kiliaan in zijn
tekst vermeldt, heeft nog meer verwijzingen gevonden naar auteurs die niet in de bronnenlijst
voorkomen24. Hierbij zijn niet alleen oude Latijnse schrijvers, als bijv. Beda,
Cyprianus, Donatus, Festus, Plautus, Tacitus, Terentius en Ulpianus, maar ook: Antonius
Possevinus, Butelerius, Const. Caroli Magni, Frossardus, Glos. specul. Saxon., Legulus
Lazoladorum, Lex Ripuara, Lex Salica Francorum, Oronius, quaest. Magdeburgenses en
Sigonius.
De documentatie van De Smet toont ook aan dat Kiliaan verscheidene auteurs uit zijn
bronnenlijst in de tekst zelf niet vermeldt, nl. Baptista Fauolius, Burckhardus
Mangelfeldius, Carolus Bouillus, Carolus Stephanus, Christophorus Vladeraccus, Eckardus de
Rebkavv. Speculi Saxonici interpres
25, Franciscus
Brugensis, Gerardus Mercator, Guilielmus Rondeletius, Hubertus Thomas Leodius, Ioannes
Custos Brechtanus, Ioannes Murmellius, Ioannes Paludanus, Iornandes Episcopus Ravennas,
Mathias Schenckius, Petrus Diuaeus, Petrus Hansius Edammensis, Philippus Malerius,
Simon Pelegromius, Simon Verepaeus, Thomas Cantipratanus en Thomas
Thomasius.
Zeker is niet juist wat Kluyver in 1884 beweerde26, dat de Nomenclator
(1567) van Junius de enige lexicografische bron van Kiliaan is geweest. Verdeyen vooral
weerlegde deze bewering door verscheidene werken, vooral woordenboeken, met Kiliaan te
vergelijken: het Vocabulare (ca. 1530) van N. de Ber- | | | | laimont27, de Nederlands-Latijnse bewerking (1556) van het
Dictionarium van Dasypodius28, het
Naembouck (1562) van Lambrecht, het Dictionariolum (1544) van Paludanus en
de Flandria Commentariorum (1596) van Marchantius29, evenals een
Middelnederlands Herbarium (ca. 900)30.
In lezingen voor de Vlaamse Academie noemde Jacobs enige Middelnederlandse
woordenlijsten, de Sachsenspiegel en het Dictionarium trilingue van 1549, ten
onrechte toegeschreven aan Johannes Custos Brechtanus, bronnen van Kiliaan31. Fokkema vermoedde dat
Kiliaan verscheidene plantnamen gehaald heeft uit het Cruydtboek (1554) van
Dodoens32 en Michels
toonde aan dat de Synonymorum Sylva (1537) van Pelegromius een bron van Kiliaan
was33.
In een samenvattend artikel voegde Heeroma aan deze bronnen nog het Dictionarium
Germanicolatinum (1556) van Berckelaer toe34. De Smet tenslotte
bestudeerde de invloed van verscheidene werken van Junius op Kiliaan: de Batavia
| | | | (1588)35, de
Libri Animadversorum (1556)36 en de Nomenclator (1567)37, alsook de invloed van de Carolopolitae Franci Fastorum Libri duo
(1554) van Beuther38, van
de Nomenclator Latino-Saxonicus (1582) van Chytraeus38b, van Willirams Oudduitse Hoogliedparafrase
uitgegeven door Merula in 1598, en van De Origine, Situ, Qualitate et Quantitate Frisiae,
et Rebus a Frisiis olim praeclarè gestis, Libri tres (1598) van Cornelius
Kempius39. In een onuitgegeven lezing voor het
Colloquium van de Gentse germanisten toonde De Smet nog aan dat de vermelding
vetus ger. in enige gevallen teruggaat op Otfrid van Weissenburg en vetus sax.
waarschijnlijk op William Lambarde.
Van de hier vermelde auteurs staan in Kiliaans bronnenlijst Adrianus Iunius, Iacobus
Marchantius, Ioannes Custos Brechtanus, Ioannes Paludanus, Michael Beuterus, Nathan
Chytraeus, Rembertus Dodoneus en Simon Pelegromius, maar niet de
lexicografen Noël de Berlaimont, en, zoals ik boven al gezegd heb, Petrus
Dasypodius, Joos Lambrecht en Joannes Berckelaer. De invloed van verscheidene
auteurs die met name in Kiliaans bronnenlijst genoemd worden, verdient nog nader
onderzoek, bijv. die van de lexicografen Antonius Nebrissensis, Christophorus
Vladeraccus, Ioannes Murmellius, Matthias Schenckius, Petrus Apherdianus en Simon
Verepaeus.
|
19Cfr., ook over nog andere kanttekeningen van Kiliaan, mijn artikel Kiliaan,
de grondlegger van de Nederlandse lexicografie, in Wetenschappelijke Tijdingen,
28 (1969), kol. 200-204.
20Bij Junius betekent B.: Belgicè, vel Belgis; G.: Gallicè;
It.: Italicè.
21De afkorting j. of i. staat voor id est, zoals Vercoullie reeds heeft opgemerkt in zijn inleiding op de Synonymia Latino-Teutonica, deel III, p. VI; cfr. ook L.C. Michels, Kiliaen en Pelgrom, in Filologische Opstellen, II, pp. 72-73.
22Cfr. mijn artikel
Kiliaan, de grondlegger van de Nederlandse lexicografie, in Wetenschappelijke
Tijdingen, 28 (1969), kol. 204 en 200.
23
H.F. Bouchery, Latijnsche lexicographie der
XVe en XVIe eeuw in de Nederlanden, in De Gulden Passer, 22 (1944), p. 74.
24Ik dank Prof. G. de Smet, omdat hij me ongevraagd zijn documentatie ter
beschikking stelde.
25Vermoedelijk wordt deze in de tekst echter
bedoeld met: Glos. specul. Saxon. en Specul. Saxon.
26
A. Kluyver, Proeve
eener critiek op het woordenboek van Kiliaan, inz. p. 15.
27
R.
Verdeyen, Inleiding op Colloquia et Dictionariolum Septem Linguarum, deel I, p.
LXXXIV; deel II, pp. XIX-XXI.
28
R. Verdeyen, Petrus Dasypodius en
Antonius Schorus, in V.M.K.V.A., 1939, pp. 1019-1022.
29
R. Verdeyen,
Inleiding op Het Naembouck van 1562, pp. XXXVI-XCVI.
30
R. Verdeyen, bespreking van
J. Jacobs, Het Westvlaamsch van de oudste tijden tot heden, in Revue belge de
philologie et d'histoire, 8 (1929), pp. 362-364.
31
J.
Jacobs, Werden ook Middelnederlandsche teksten door Kiliaen geëxcerpeerd? in
V.M.K.V.A., 1932, p. 203; ID., Was de Sachsenspiegel een bron voor
Kiliaan's Etymologicum? in V.M.K.V.A., 1934, p. 314; ID., Was het
Dictionarium trilingue van Johannes Custos Brechtanus een bron voor Kiliaan's
Etymologicum? in V.M.K.V.A., 1935, pp. 469-470.
32
K. Fokkema, De Friese woorden bij Kiliaan, in
Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 54 (1935), pp. 210-235.
33
L.C. Michels, Kiliaen en Pelgrom, in Filologische
Opstellen, II, pp. 69-86.
34
K. Heeroma, Iets over
oude woordenboeken, in Album René Verdeyen, p. 240.
35
G. de Smet, Kiliaan en de Batavia van Hadrianus
Junius, in Handelingen van de Zuidn. Maatschappij, 8 (1954), pp. 61-73.
36
G. de Smet, Kiliaan en Hadrianus
Junius. De ‘Libri Animadversorum’, in Taal en Tongval, 8 (1956), pp.
1-12.
37
G. de Smet, Kiliaan en de
Hollandse en Brabantse dialektwoorden uit Junius' Nomenclator, in Handelingen van
de Zuidn. Maatschappij, 11 (1957), pp. 25-34; ID., Junius' Nomenclator,
Hollandse bron van Kiliaens Vlaamse woorden in Album Edgard Blancquaert, pp.
197-208.
38
G. de Smet, Een Duitse bron van Kiliaens
woordenboek, in Wetenschappelijke Tijdingen, 17 (1957), kol. 201-206.
38b
G. de Smet,
Zu den sächsischen Wörtern in den Wörterbüchern von Kiliaan, in Niederdeutsches
Jahrbuch, 82 (1959), pp. 181-188.
39
G. de Smet, Op zoek naar de bronnen van Kiliaans Friese
woorden, in Fryske Studzjes, pp. 145-151.
|
|