auteur: J.J. Kloek
bron:
Joost Kloek, ‘Burgerdeugd of burgermansdeugd? Het beeld van
Jacob Cats als nationaal zedenmeester.’ In: Remieg Aerts en Henk te
Velde (red.), De stijl van de burger. Over Nederlandse burgerlijke cultuur
vanaf de middeleeuwen. Kampen, 1998, p. 100-122.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2001 dbnl / Joost Kloek

|
|
| | | | | |
Burgerdeugd of burgermansdeugd?
Het beeld van Jacob Cats als nationaal zedenmeester
1
Joost Kloek
Jacob Cats (1577-1660) is de geschiedenis ingegaan
als de belichaming van de Nederlandse burgerlijkheid.
2 Geen wonder: zijn werk excelleert in kwaliteiten die
voor ons in het begrip ‘burgerlijk’ liggen besloten. Het is kunst
die geen hoge vlucht neemt maar die put uit het leven van alledag. Zij bezielt
niet tot idealisme, tot heroïsche gevoelens, maar levert hechte zedelijke
beginselen en praktische levenslessen. Zij is niet roekeloos en niet gedreven
maar bezonnen, nuchter en tolerant. Dit is de ene pijler van Cats' burgerlijke
reputatie: het pragmatische karakter van zijn literaire werk. De andere pijler
is zijn populariteit. Jacob Cats is ook de geschiedenis ingegaan als dichter
voor zijn volk - een volk van burgers. Anders dan de andere grote dichters van
zijn tijd -
Vondel,
Hooft,
Huygens - richtte hij zich niet alleen tot de elite
maar ook en vooral tot de brede massa. Schama bijvoorbeeld noemt hem een auteur
‘voor alle Nederlanders’ en stelt zijn publiek voor als ‘een
uitgebreide familie’.
3 Beide aspecten,
pragmatisch moralisme en brede verbreiding, zijn verenigd in een beeld dat mag
gelden als stereotype van de nationale burgerlijkheid. In alle vaderlandse
huiskamers, zo wil de overlevering, lagen twee monumentale | | | | boeken
onder handbereik op de schoorsteenmantel: de bijbel en Vader Cats.
4
Over het feit dat
Cats een stempel heeft gezet op de Nederlandse
beschaving bestaat dus weinig verschil van mening. Omstreden is echter de
heilzaamheid van zijn invloed. Lange tijd heeft men de dichter bewierookt als
een van de grote voorbeeldfiguren van de zeventiende eeuw. Daaraan kwam een
eind in 1863 toen
Conrad Busken Huet in een verwoestend opstel Cats aan
de kaak stelde als ‘inkarnatie van den nederlandschen daemon’, bij
wie burgerlijkheid in benepenheid is ontaard, en deugdbetrachting in
fatsoensbekommernis. Als er iemand verantwoordelijk is voor het platte,
berekenende en schijnheilige in het Nederlandse volkskarakter, zo foetert Huet,
dan is het Jacob Cats.
Tegen dit vonnis leek lange tijd geen appèl mogelijk; de
nuancerende kanttekeningen die latere neerlandici erbij plaatsten, hebben niet
echt tot rehabilitatie geleid. Sinds enige tijd toont de koers van
Cats echter tekenen van herstel. Zo speelt zijn werk
een bijzonder prominente rol in Schama's al aangehaalde
Overvloed en onbehagen. Schama kenschetst de
Nederlandse samenleving van de zeventiende eeuw als fundamenteel burgerlijk,
waarbij hij die kwalificatie bedoelt in de klassiek republikeinse zin. In Cats
ziet hij degene die meer dan wie ook de burgerlijkheid in deze betekenis
verbeeldde in zijn werk en via dat werk verbreidde. Cats - als schrijver
uiteraard - is voor Schama veeleer de robuuste civis dan de platte
bourgeois zoals getekend door
Huet. Ook in de neerlandistiek tekent zich een eerherstel
voor Cats af. In enkele recente publicaties wordt hij voorgesteld niet als de
bederver van zijn volk maar juist als voorman van een burgerlijk moreel
offensief waarmee weer richting werd gegeven aan een samenleving die door
politieke, sociale en religieuze breuken gedesoriënteerd was.
5
Het feit dat
Cats vereerd, veroordeeld en weer gerehabiliteerd | | | | is kunnen worden als erflater van de Nederlandse burgerlijkheid, roept
natuurlijk vragen op: interpretatieve vragen aangaande de betekenis van zijn
werk, historiografische vragen omtrent de herleiding van een collectieve moraal
tot de invloed van individuen, semantische vragen omtrent de elasticiteit van
de kwalificatie ‘burgerlijk’. En ook dringt zich de vraag op - en
die zal ons hier verder bezighouden - wanneer het beeld eigenlijk is ontstaan
van
Cats als degeen die bij uitstek vorm gaf aan ‘de
stijl van de burger’, en waarom de dichter in die hoedanigheid zulke
tegengestelde appreciaties heeft opgeroepen. De geschiedenis van Cats'
reputatie kan misschien enig licht werpen op de vanzelfsprekendheid waarmee de
kwalificaties ‘Nederlands’ en ‘burgerlijk’ traditioneel
worden verbonden.
| |
De zeventiende eeuw
Gold
Cats al bij zijn leven als een soort morele vader des
vaderlands? Troffen zijn tijdgenoten zijn werken al aan in ieder huishouden?
Zagen zij hem als iemand die brede kringen verenigde in een nieuwe burgerlijke
ethiek? Het zijn voor de hand liggende vragen maar het antwoord erop kan
slechts verkennend zijn. De dichter aan wie in onze literatuurgeschiedenis een
ongeëvenaarde invloed is toegeschreven, is nog niet tot onderwerp gekozen
van een receptie-historisch onderzoek.
6 Vooropgesteld kan
worden dat
Cats in de zeventiende eeuw zeer populair is geweest.
In de reacties op zijn werk - voornamelijk lofdichten van collega-dichters -
wordt verscheidene malen gewag gemaakt van zijn vermogen om jong en oud en
geleerd en ongeleerd aan zich te binden.
7 Een anonymus kent hem zonder
aarzelen de publieksprijs toe: | | | |
‘Syn Rymen, die hy schreef met klaeren heldren int
Die hebben hem gemaeckt by duysenden bemint. (…)
So boven andere de Dicht-kunst is te prysen,
Die 't meeste volck behaegt, so is de Heere Cats
(…) de Lof-krans toe te wysen.’
8
Ook het feit dat
Cats' werken relatief vaak en in verschillende
uitvoeringen herdrukt zijn, wijst op een brede verbreiding.
9 Bovendien zijn er enkele imposante
oplagecijfers overgeleverd:
Jan Jacobsz. Schipper, een van Cats' uitgevers, schat
in 1655 dat er in totaal vijftigduizend exemplaren van
Houwelyck zijn gedrukt en van enkele andere
titels de helft daarvan of meer.
10
Dit alles bewijst overduidelijk dat
Cats een grote lezerskring heeft gevonden. Aan de
andere kant moeten we die ook weer niet verabsoluteren. Dat Cats meer werd
verkocht dan
Vondel en
Hooft, zoals onder anderen Schama beklemtoont, kunnen
we op voorhand aannemen maar het is een weinig zinnige vergelijking. Vondel,
Hooft en Cats zijn door de literatuurgeschiedschrijving in één
canon verenigd maar ze bespeelden onvergelijkbare registers. De literaire
omgeving van Jacob Cats is niet de sfeer van de ‘hoge’ genres maar
die van de didactiek en het onderhoudende verhaal.
11 In deze literaire
grensgebieden, die pas de laatste jaren in de belangstelling van boek- en
literatuurhistorici zijn komen te staan, waren frequente herdrukken geen
zeldzaamheid. Ook verscheidenheid in de uitvoering van hetzelfde werk, van
luxueus en verfijnd tot goedkoop en slordig, blijkt in deze regionen een
bekende strategie te zijn geweest om zowel | | | | gefortuneerde als minder
vermogende klanten te winnen.
12
Dat is één relativering:
Cats was niet de enige populaire schrijver. Een tweede
is: de voorstelling dat Cats in ieder huishouden te vinden zou zijn geweest,
kan natuurlijk nooit meer zijn dan een hyperbool. Allereerst kwamen in de
zeventiende eeuw brede lagen van de bevolking nooit in contact met welke vorm
van boekcultuur ook. Maar zelfs als we deze veertig, vijftig of misschien wel
zestig procent van de Nederlanders buiten beschouwing laten, waren de door
Schipper opgegeven cijfers bij lange na niet
toereikend om alle huishoudens van een werk van Cats te voorzien.
13 En we
spreken dan over individuele titels, en niet over de zeer kostbare folio- en
kwarto-edities van de verzamelde
Wercken die volgens de overlevering de bijbel
plachten te flankeren.
Het is ook niet zo dat Cats' tijdgenoten hem voorstellen als
iemand die een stempel op de Nederlandse beschaving zou hebben gedrukt. Zeker,
zij prijzen hem als dichter van stichting, deugd en | | | | een enkele maal
ook van ‘de Burgerlyke Plicht’. Dit laatste is overigens een
woordelijke echo van de voorrede van
Sinne- en Minnebeelden, die immers amoureus,
burgerlijk - dat is: maatschappelijk - en stichtelijk konden worden uitgelegd.
Of hij als zodanig diepgaande invloed heeft uitgeoefend laten ze echter in het
midden. Het meest pertinent is nog
Jeremias de Decker als hij stelt
‘Dat Cats alleen door zijn gedicht
Meer blinde zielen brocht tot licht,
Meer dertele tot schamen,
Als all ons' Dichters t'samen.’
14
Daartegenover staan sceptici die vrezen dat met name de jeugd
minder aangetrokken wordt door
Cats' stichtelijke lering dan door zijn veelal
amoureuze stof. Het is natuurlijk het risico van de Catsiaanse formule
‘wormcruyt met suiker’ dat slechts de suiker wordt afgelikt. Zo
merkt
Jan de Brune in 1644 op: ‘Ik hoorde onlanx de
boeken van Heer de Raad-pensionaris Cats, de Bibel des jeugts noemen.
Gewisselik zijnder honderden van jonge lui, dewelke die schriften neerstiger
doorneuzelen, dan zy de heilige blâren doen.’
15 En een ander maakt melding van ‘Het tochtig jeuken dat den
armen hals voor dezen, / Al Katsig [= krols] had gemaakt van veel in Kats te
lezen.’
16 Daarmee zijn we geattendeerd op een derde reden om
Cats' invloed niet te verabsoluteren: uit de gretigheid waarmee hij werd
gelezen mag niet zonder meer een even grote begerigheid naar zijn deugdleer
worden afgeleid.
Bovenstaande aanhaling uit De Brune is trouwens om nog een andere
reden interessant: het is de enige zeventiende eeuwse plaats | | | | waar de bijbel en
Cats in één adem worden genoemd. Er
wordt ongeveer het tegengestelde mee bedoeld van wat de overlevering
suggereert… En om dan ook maar meteen af te rekenen met een ander
geliefd cliché: er zijn nauwelijks aanwijzingen dat de koosnaam
‘Vader Cats’ al tijdens het leven van de dichter in brede
lezerskringen gebruikelijk zou zijn geweest. Het waren zijn collega-dichters
die hem ermee als hun nestor huldigden.
17 De conclusie
van deze verkenning moet zijn dat het beeld van Cats een eigen leven is gaan
leiden. De Jacob Cats van het nageslacht is een gemythiseerde versie van Jacob
Cats zoals hij door zijn tijdgenoten werd waargenomen. De vraag is dan: hoe kon
die overlevering tot stand komen?
| |
De achttiende eeuw
Tot zeker het eind van de zeventiende eeuw lijkt de ster van
Cats niet of nauwelijks te zijn verbleekt. Daarna
vinden we aanwijzingen dat hij uit de gratie begint te raken. In 1726 verscheen
er nog een folio-editie van
Alle de Wercken, daarna was het voor lange tijd
gedaan met de monumentale verzameluitgaven. Ook de stroom van herdrukken van de
afzonderlijke werken werd allengs dunner. Bovendien schijnt het in literaire
kringen omstreeks deze tijd bon-ton te zijn geworden om op Cats neer te
kijken. In het voorbericht bij de voorlaatste folio-uitgave, in 1712, wordt
voor het eerst schamper gesproken over ‘opgeblazene windbuylen’ die
slechts ‘als met geschorte neuzen’ over de dichter spreken. Van
vier jaar later dateert een terloopse mededeling van de dichter Claas Bruin dat
er | | | | velen zijn die zich smalend uitlaten over
Cats' ‘heerlyk dichtwerk’. Puur dichterlijke
kinnesinne, denkt
Bruin.
18
Iets uitvoeriger is in 1720
Lambert Bidloo in het
Panpoëticon Batavum. Cats, zo stelt hij, is
een toonbeeld hoe het ‘veranderlyk geval’ [= lot] ook dichters
treft. Eertijds gelauwerd als geen ander, wordt hij nu veracht en
beschimpt:
‘Wat gaat men schots [= schamper], en vuyl den Man in 't
graf verwyten!
“Dat zyn Gedigt slechts is tot Kind'ren
tydverslyten;
“Der Vrysters Bybel, daar een Man zich stomp aan leest;
“Waar in de Poësy noyt schonk yts van haar
geest.’
19
De huidige dichtliefhebbers, aldus Bidloo, eisen een hoge vlucht van
de verbeelding en een verheven taalgebruik; zij verachten daarom eenvoudige
stichtelijke en vertellende poëzie. Hijzelf wil echter graag een lans
breken voor Cats' zedelijke nut, zijn geestelijke stichting, zijn welbewuste
keuze om ‘voor een laag Verstand niet al te hoog te dryven’.
Daarbij prijst hij Cats' wijsheid en zijn levendige schildering.
Op vergelijkbare wijze neemt ruim een decennium later, in 1732,
Justus van Effen Cats' eenvoud in bescherming tegen
opgeblazen poëtische pretenties. Hoe is het mogelijk, zo vraagt hij zich
in het zevenendertigste vertoog van de
Hollandsche Spectator af, dat de hoog vereerde
Cats ‘by de hedendaagsche Digters en liefhebbers van
de konst’ zo in diskrediet is geraakt.
20 Van Effen wil best erkennen dat Cats gebreken heeft:
de dichter is te woordenrijk en grijpt te gemakkelijk naar de stoplap.
21 Maar wat Cats níet mag | | | | worden verweten, is dat
‘zyne uitdrukkingen naar de Poëtische Godentaal niet swemen, dat ze
te gemeen [= gewoon], te verstaanbaar zyn, en door niets hoogdravens magtig, 't
gehoor te verrukken’ (51-52). De modieuze jacht op het verhevene, aldus
Van Effen, ontaardt maar al te vaak in duisterheid en doet
vergeten dat er soorten poëzie zijn waarbij ‘hoogdravende’
taal niet past. En in juist díe soorten acht hij
Cats de onovertroffen meester, met zijn vermogen om door
levendige voorstellingen in het hart van de lezer, van welke leeftijd ook,
‘naar zyn welgevallen de beoogde passien en driften te verwekken’
(54).
Tot zover zijn Van Effens beschouwingen zuiver poëticaal. Maar
helemaal aan het einde van zijn apologie geeft hij, min of meer bij wijze van
appendix, ook nog een niet-poëticale reden voor zijn waardering: ‘Ik
zal hier nog byvoegen, dat 'er in het werk van onzen Poëet, een
allerwegens doorstralend Character wordt ontdekt, 't welk aan 't zelve voor een
deugdlievend hart een wondere aangenaamheid byzet. Men vind 'er over al de
baarblykelyke tekenen van eene ouderwetsche ongevynsde eenvoudigheid; men kend
hem voor een trouw Vaderlander, een gedienstig vriend, een kuisch minnaar, een
deftig [= zedig] en teder gemaal en huisvader, en dit alles is in hem gestaafd
en vercierd met eene standvastige, en altyd tot groter volmaaktheid strevende
Godvrugt’ (56). Het is hier voor het eerst dat we
Cats als belichamer van de burgerdeugd in het licht zien
gesteld.
Van Effen gebruikt de kwalificatie
‘burgerlijk’ niet maar hij kent aan Cats wel precies die deugden
toe die hij elders in de ‘fatzoenlyke burgerman’ zo waardeert:
godsvrucht, oprechtheid, eenvoud, ijver, vaderlandsliefde, huiselijkheid.
22 Het zijn
de karaktereigenschappen die hij in de bovenlaag verloren ziet gaan, mede als
gevolg van een Frans - dus onvaderlands - georiënteerde levensstijl.
Als
Van Effen uitwassen van wuftheid, spilzucht, trots en
dergelijke aan de kaak stelt, dan staat steeds op de achtergrond de ideale
vaderlander, zoals belichaamd door
Jacob Cats. Dat betekent overigens nog niet dat Van
Effen al een scherp contrast aanbrengt tussen de burgerlijke deugdzaamheid van
weleer en de eigentijdse verdorvenheid. Zijn kritiek is eer
ironisch-afstandelijk van toon dan fel geëngageerd. Zijn lofprijzingen van
de burgerlieden zijn niet | | | | altijd vrij van de
superioriteitsgevoelens van de man van de wereld.
23 Dit werd anders bij de volgende generatie. Deze
zag de politieke en economische macht van de Republiek steeds duidelijker
afkalven. Vrijwel zonder uitzondering werd de oorzaak daarvan in een moreel
verval gezocht, in een vervreemd raken van het oorspronkelijke vaderlandse
karakter. De enige manier om de neergang fundamenteel te keren, zo meende men,
was dan ook een terugkeer naar de eertijds in ere gehouden deugden.
Het is in deze discussies over verval en herstel dat de woorden
burger en burgerlijk een soort sleutelfunctie krijgen. Hierbij verschuift de
betekenis in de richting die zich al bij
Van Effen aftekende. De burger zoals die in de
achttiende eeuw als ideaal gestalte krijgt, verenigt in zich de traditionele
republikeinse verantwoordelijkheid van de civis met de huiselijke
deugdzaamheid van de middenlaag, de ‘fatzoenlyke burgerman’. Juist
op die huiselijke deugden werd steeds meer nadruk gelegd, in allerlei
spectators, in genootschapsverhandelingen en in het bijzonder in het programma
van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Dat had zijn reden. Dit
appèl maakte het immers mogelijk om groepen die geen politieke of
maatschappelijke verantwoordelijkheid droegen te mobiliseren: ook de
handwerksman kon zijn steentje bijdragen door op zijn niveau en in zijn kring
een goed ‘burger’ te zijn. Het mes sneed zo aan twee kanten: brede
lagen van de bevolking konden worden ingeschakeld om aan het nationale herstel
bij te dragen en bovendien ging het daarbij om groepen waarin de oude deugden,
zij het veelal in ongepolijste vorm, naar algemene overtuiging het best bewaard
waren gebleven.
In dit hersteloffensief was begrijpelijkerwijs behoefte aan
inspirerende voorbeelden uit de tijd van de grote bloei. Zo ontstond een
keurkorps van zestiende- en zeventiende-eeuwers in wie men de eigentijdse
idealen herkende of projecteerde. Het hoeft weinig verbazing te wekken dat in
dit gezelschap aan
Jacob Cats een vooraanstaande plaats werd toegekend. Hij
had zich immers een trouw dienaar van zijn vaderland betoond en bovendien had
hij zich niet te goed gevoeld om in eenvoudige taal ‘oud en jong,
geleerd | | | | en ongeleerd’ van de deugden van alledag te
doordringen. Daarmee belichaamde hij het ideaal van de burger in republikeinse
en in huiselijke zin - de burger die als gids de achttiende-eeuwse nazaten weer
op het spoor kon zetten. Alle zeilen werden dus bijgezet om de dichter aan de
dreigende vergetelheid te ontrukken. Juist het versmaden van
Cats werd als bewijs opgevat dat het Nederlandse volk
afvallig was geworden aan zijn oorspronkelijke identiteit.
In het hier gegeven bestek kunnen slechts enkele belangrijke
promotoren van Cats de revue passeren. Allereerst had de dichter een toegewijde
groep aanhangers in de medewerkers aan het eerste Nederlandse letterkundige
tijdschrift, de
Bydragen, rond 1765. Hun waardering voor Cats
kwam overigens niet voort uit zorg over het zedenverval maar uit hun
opvattingen over de waarde van de zeventiende-eeuwse dichters; net als
Van Effen keerden zij zich tegen poëtische
hoogdravendheid.
24 Maar een van hun
argumenten gaat een belangrijke rol spelen in de canonisatie van Cats als de
nationale, alle standen en groepen omspannende dichterlijke leermeester. De
grootheid van Cats, zo betoogt onder meer Bydragen-medewerker
Jan Macquet, is mede daarin gelegen dat hij verstaanbaar
was voor iedereen, ongeacht leeftijd, rijkdom, ontwikkeling: ‘Maar Cats
heeft voor alle menschen, jong, oud, rijk, arm, verstandigen, gemeene lieden
geschreven, en dat alles zoo eenvoudig, zoo naturelijk, dat men 'er zich over
moet verwonderen. Hierom kan ik tot nog toe geene gegronde reden vinden, waerom
Cats van sommigen als een veracht Dichter, zonder zwier
wordt aengezien.’
25 In weerwil van die ‘sommigen’ stelt
Macquet met genoegen vast dat er nog steeds geen dichter is die zo
‘algemeen behaegt’. Zijn mede-Bijdrager
Paludanus is echter pessimistischer: ‘Cats ligt
thans by de meesten, indien men de kinderen en oude luiden uitzonderd, achter
de bank’.
26
| | | |
Tien jaar later vinden we
Paludanus' taxatie bevestigd door de jonge
Willem Bilderdijk. Bilderdijk, naar eigen zeggen een
bewonderaar van Cats sinds zijn allerprilste jeugd
27, stelt onomwonden vast dat de eertijds zo
geliefde dichter ‘thands zijne wettig verkreegene achting bijna ten
eenenmaale verlooren heeft, en naauwlijks meer dan van het plompe gemeen
geleezen wordt’.
28 Dit laat geen ruimte
voor misverstanden.
Cats had, zo mogen we concluderen, omstreeks 1775 echt
helemaal afgedaan, althans in de kringen waarin van enige beschaving sprake
was. Het waren nog slechts marginale groepen die zich door de dichter wilden
laten vermaken of stichten: kinderen, ouden van dagen en de cultureel onmondige
massa. De curve van Cats' reputatie verliep langs een onverbiddelijk neergaande
lijn.
Mogen we dit inderdaad concluderen? Dan toch niet zonder voorbehoud.
Opmerkelijk is dat de steeds weer bestreden critici van
Cats zelf geen spoor hebben nagelaten. Van niemand uit
deze periode is een negatief oordeel over de dichter bekend. Het zijn zonder
uitzondering bewonderaars die zich roeren. Betekent dit dat Cats in
werkelijkheid onverminderd in ere werd gehouden en dat zijn voorvechters
imaginaire vijanden bestreden? Dat is hoogst onwaarschijnlijk: waarom zouden
ze? We zullen mogen aannemen dat Cats in cultureel toonaangevende kringen
inderdaad uit de gratie was geraakt als plat en eentonig. Dat is ook wel
voorstelbaar: zijn poëzie kan weinig bekoorlijks hebben gehad voor de
liefhebbers van de verhevenheid en het gepolijste vers van het heersende
classicisme. Cats liet hen mogelijk zo onverschillig dat niemand een openlijke
desavouering nodig vond. Maar waarschijnlijk is het ook zo dat naarmate Cats
meer symboolwaarde kreeg in de strijd voor het nationale herstel, naarmate hij
meer de belichaming werd van de oudvaderlandse eenvoud en oprechtheid, ook
de | | | | neiging groeide om de verachting waarin hij was geraakt in de
meest schrille kleuren af te schilderen. Cats' verdedigers miskenden, al dan
niet bewust, hun eigen solide apologetische traditie. Daarmee werd de algemene
verguizing van de dichter een van de vaste ingrediënten in het
standaardbeeld van het zedelijk verval: hoe diep was een natie gezonken die
haar leermeester zo algemeen verloochende!
In de dialectiek van deze voorstelling van de zinkende natie past
dat de betekenis die aan Cats' leermeesterschap wordt toegekend, evenredig
stijgt. Interessant is dat
Bilderdijk in dit verband een nieuw woord gebruikt. Zijn
voorgangers hadden steeds gewezen op de populariteit die
Cats had genoten. Bilderdijk spreekt als eerste over
zijn invloed: ‘hij, die mooglijk door zijne schriften meer invloed
op het algemeen gehad heeft dan iemand’ (272).
De neiging om de miskenning van
Cats te verabsoluteren en om bij wijze van contrast zijn
vroegere gezag te idealiseren vertoont kort daarop ook onze volgende getuige:
Onno Zwier van Haren. In 1779 grijpt deze de herdenking
van de Unie van Utrecht aan om in een
Proeve van eene nationale zedelijke leerrede, van een oud man
aan de jeugd van Nederland zijn diepe zorg over de toestand van het
vaderland te verwoorden. Het stuk doet een dramatische oproep om terug te keren
naar het verleden. Alleen herstel van de teloorgegane nationale
karaktereigenschappen biedt enig perspectief voor de toekomst. Vol nostalgie
schetst Van Haren een idyllisch tafereel van de eenvoud en zuiverheid van zeden
die de zeventiende eeuw van laag tot hoog zouden hebben gekenmerkt. Dit is geen
fantasie, zo beklemtoont hij, het beeld is gewaarmerkt door
Jacob Cats. Vandaar: ‘Pleegt raad met dat boek,
hetwelk uwe voorouders als den zedenmeester van hoofdstad en provinciën
aanzagen, en 't geen nu tot lezing der dienstmaagden wordt overgelaten door
ouders, die het niet kennen, en door een jeugd, die eist [= ijst] op de
gedachte, dat de levenswijs van hare overgrootmoeders ooit weder zoude kunnen
ingevoerd worden.’
29 Herstel van het gezag van Cats in
de hogere kringen, zo suggereert
Van Haren, zou een wezenlijke | | | | bijdrage kunnen
leveren aan de herleving van de oude deugden.
Met dit pleidooi voor een terugkeer tot de Catsiaanse pedagogiek
stond
Van Haren niet alleen. Een jaar eerder had een spectator
met de karakteristieke naam
De Borger al terloops iets dergelijks geopperd,
in een vertoog getiteld ‘Middelen om de natie tot haar oud karakter weder
te brengen’.
30 En enkele jaren later gaat
Rhijnvis Feith - ook weer in een spectator - een stap
verder als hij een rechtstreeks verband legt tussen de waardering voor
Cats en het peil van het nationale karakter: ‘Ach!
zo wy thans ongelukkig genoeg zyn van Cats lomp en onbeschaafd te vinden, 't is
een treurig, maar zeker bewys, dat wy van ons volkskarakter en deugden
afgeweken zyn, en juist zo ver als wy Cats onverdraaglyk vinden. Eens vormden
zyne schriften onze jeugd, en zo lang ze het algemeene handboek van dezelve
waren, bleven wy onze gelykenis aan onze braave voorvaderen behouden.’
31
Feith werd op zijn wenken bediend. Rond deze tijd nam de Amsterdamse
uitgever
Allart het initiatief tot een nieuwe uitgave van
Cats' verzamelde werken. Of ook hij werd bewogen door
maatschappelijke betrokkenheid kan worden betwijfeld; allicht rook hij in de
Cats-revival commerciële mogelijkheden. Maar hij nodigde
Rhijnvis Feith uit de tekstbezorging voor zijn rekening
te nemen en die zag in ieder geval een gulden kans om het nationale herstel
daar te beginnen waar het meeste resultaat was te verwachten: bij de opvoeding.
Met deze nieuwe volledige uitgave, de eerste in zestig jaar, werd het immers
mogelijk om Cats weer als voorheen ‘het algemeene handboek’ voor de
jeugd te maken. Om het werk aantrekkelijk te maken voor de doelgroep werden
nieuwe illustraties gegraveerd en werd de aloude, onhanteerbare uitvoering in
een of twee delen in folio- of kwartoformaat vervangen door een reeks van
negentien handzame deeltjes in duodecimo. En zo kon een nieuwe generatie zich
spiegelen aan wat Feith noemt ‘dit meest oorspronglijk Nederlands Werk,
dat wij bezitten’, dit ‘Heiligdom, daar de schimmen onzer
doorluchtige Voorouderen nog in rond zweeven, in alle derzelver eenvou- | | | | wigheid
en grootheid, in alle derzelver nijverheid en waare
gelukzaligheid’.
32
| |
De negentiende eeuw
Het wat naïeve vertrouwen dat de zeventiende-eeuwers de weg
zouden kunnen wijzen naar herstel tot de vroegere grootheid van Nederland,
moest het al snel afleggen tegen de werkelijkheid van eerst de Franse tijd en
vervolgens het herschikte Europa. Niemand kon meer geloven in een Nederland dat
zich met de grote naties kon meten. De morele oriëntatie op de zeventiende
eeuw werd daardoor eerder versterkt dan verzwakt. Juist het gegeven dat
Nederland klein en kwetsbaar was geworden, zo redeneerde men, maakte het des te
noodzakelijker om de nationale identiteit zorgvuldig te bewaken en te bewaren.
In zijn meest zuivere vorm had die identiteit zich in de zeventiende eeuw
gemanifesteerd. Al had Nederland tegenwoordig dan politiek en economisch
onherroepelijk aan prestige ingeboet, het kon in ieder geval respect afdwingen
door te tonen dat het oude volkskarakter nog niet verloren was gegaan.
Sinds het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1795 werd deze
cultus van het zeventiende-eeuwse verleden en van het nationale karakter niet
meer alleen gedragen door particulieren en genootschappen. Voor het eerst zag
de overheid een taak voor zichzelf weggelegd in de volksopvoeding, wat
resulteerde in de organisatie van het lager onderwijs. Met lessen in
vaderlandse geschiedenis en het zingen van vaderlandse liederen moest de geest
van weleer worden gereactiveerd en verbreid.
In dit grootschalige proces van aankweken van nationale waarden
kon
Jacob Cats, juist ook door de toegankelijkheid van
zijn taal en het pragmatische karakter van zijn moraal, anderhalve eeuw na zijn
dood gecanoniseerd worden als de verpersoonlijking van de alle rangen en
standen omspannende Nederlandse volksaard. De door
Feith gegeven karakteristiek van zijn oeuvre als het
‘meest oorspronglijk Nederlands Werk, dat wij bezitten’ werd
algemeen | | | | overgenomen. Zo gaf de eerste generatie
literatuurgeschiedschrijvers, aangetreden rond 1810,
Cats een hechte positie als een van de top-drie van de
Nederlandse letterkunde, naast
Vondel en
Hooft.
33 Toegegeven, de eerste was verhevener en de tweede
rijker in zijn taal, maar Cats zong in een authentieke toon die de beide
anderen misten.
Willem de Clercq zegt het in zijn befaamde
verhandeling over de buitenlandse invloeden op de Nederlandse literatuur aldus:
‘niettegenstaande de navolging der vreemden in bijna alle zijne verhalen,
is misschien niemand oorspronkelijker geweest in het voorstellen van het echt
Nederlandsch karakter, waarvan hij den afdruk geeft.’
34
Op een schaal als nooit tevoren wordt de dichter in de eerste
helft van de negentiende eeuw voor het voetlicht gehaald in wetenschappelijke
studies, bloemlezingen, genootschapsverhandelingen, tijdschriftartikelen,
literaire voordrachten, schoolboeken. Het beeld van
Cats als de nationale figuur bij uitstek krijgt in
1829 ook materieel gestalte als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
hem met een standbeeld vereert in zijn geboorteplaats
Brouwershaven. Het is het eerste standbeeld in Nederland voor een
dichter.
Maar met Cats wordt ook steeds zijn zeventiende-eeuwse publiek
gehuldigd, dat hem zo voorbeeldig in ere hield. De voorstelling hiervan kreeg
steeds idealiserender trekken en stolde tenslotte in het beeld dat elk
huisgezin, van hoog tot laag, ‘Vader’ Cats naast de bijbel onder
handbereik hield.
35
In de woorden van de Utrechtse | | | | hoogleraar en Nutsredenaar
Jan Kops: ‘Langer dan eene eeuw werd hij door
geheel Nederland voor deszelfs Zedemeester erkend, en zijne gedichten waren het
Hand- en Huisboek in de zalen der Edellieden; in het studeervertrek der
geleerden; in de woonkamer der burgeren, bovenal in de slaapvertrekken der
gehuwden en in hunne kinderkamers; in het stookhuis der Landlieden, en in het
schamele verblijf der behoeftigen. (…) Hij deelde in de achting en
toegenegenheid van het algemeen, en men drukte dezelve op de gevoeligste en
hartelijkste wijze uit, door hem vader
Cats te noemen. Deze eerbiedwaardigen naam heeft hij
nog onder ons behouden. Hoe zelden spreken wij in onze gezellige kringen van
den Dichter Cats, van den Ridder Cats, of van den Raadpensionaris Cats; maar
vader Cats heeft elk in den mond. Dit denkbeeld verwekt terstond
heugchelijke en vertrouwelijke gewaarwordingen: van den vaderlijken vriend laat
men zich het liefst onderrigten, vermanen en bestraffen. Cats was dit alles
eenmaal voor elken Nederlander; is het nog voor velen; och mogt hij dit wederom
voor allen worden!’
36
Hier, bij
Kops, is het beeld van de zeventiende-eeuwse receptie
van
Jacob Cats gefixeerd, nadat het gedurende de
voorafgaande negen decennia tot ontwikkeling was gebracht uit fragmentarische
overleveringen en was ingekleurd met eigentijdse idealen. Cats als vader van
zijn volk is een staaltje invention of tradition, een traditie die werd
uitgevonden om in een actuele behoefte te voorzien. Het burgerlijke
beschavingsoffensief van de late achttiende en vroege negentiende eeuw, met
zijn mengeling van behoudzucht en idealisme, kan nauwelijks pregnanter worden
geïllustreerd dan met de door Kops uitgesproken wens dat edellieden en
behoeftigen, burgeren en landlieden, zich opnieuw verenigen tot
één grote familie onder het vaderlijke gezag van Jacob Cats.
Nog steeds waren er echter Nederlanders, zo maakt
Kops duidelijk, die
Cats' gezag niet wensten te erkennen. Het duurde tot
1844 voor de eerste van hen openlijk zijn tegenstem verhief - de | | | | eerste in anderhalve eeuw Catsreceptie. Het was
Potgieter, in zijn bekende opstel
Het Rijksmuseum te Amsterdam. Ook Potgieter -
juist Potgieter - was graag bereid om aan de negentiende eeuw de
zeventiende als spiegel voor te houden. Wat hem ergerde was dat de gangbare
voorstelling daarvan zo benepen braaf was - zo Catsiaans. In het
Rijksmuseum stelt hij
Hooft,
Vondel,
Huygens en
Cats op voor hun zeventiende-eeuwse publiek:
‘Het zijn de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van
eenen krachtigen tijd, mannelijk in hunne uitspanningen en goedrond bij den
beker; de burgers, die Spanje in drie werelddelen hadden overwonnen.’
37 Maar
eigenlijk, zo suggereert
Potgieter, detoneert
Cats in dit gezelschap. Hoe weinig heeft een dichter
die louter zong van min en huwelijk deel genomen ‘aan de bewegingen zijns
tijds, woelig als die was’! Akkoord, Potgieter is bereid Cats' zin voor
huiselijk heil, zijn liefde voor het landleven en zijn godsdienstig gevoel te
eren en hij raakt zelfs tot enthousiasme over Cats' vermogen om de Hollandse
vrouwen voor ogen te stellen, ‘vrouwen, welker wedergade de wereld buiten
Holland niet had’ (80). Maar wat hem ergert is dat aan deze dichter van
het huiselijke zo'n prominente plaats is gegeven in de nationale eregalerij:
‘Alles wat wij tegen
Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige
ophemeling zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort doet;
vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de zijne, welker
leven en lied om strijd getuigden van kracht’ (80).
Potgieters poging om de ‘onoordeelkundige ophemeling’
van
Jacob Cats tot meer adequate proporties terug te
brengen, lijken weinig effect te hebben gehad. Zo weinig dat zijn vriend en
Gidsgenoot
Conrad Busken Huet twintig jaar later een veel
radicalere afrekening nodig achtte. Intussen was de stroom van nieuwe uitgaven
van en bloemlezingen uit Cats' werken, in kostbare en goedkope gedaantes, in
uitvoeringen die mikten op een sobere zucht naar lering of stichting dan wel op
een voorkeur voor lief | | | | vormgegeven ontspanning, alleen maar
aangezwollen.
38
Misschien heeft
Cats in de negentiende eeuw meer en breder verbreiding
gevonden als ‘Hand- en Huisboek’ voor rijk en arm, geleerd en
onontwikkeld, dan ooit in de zeventiende. Illustratief is in dit verband de
gestage regelmaat waarmee nieuwe edities van zijn complete oeuvre op de markt
werden gebracht. Na de editie van
Feith, die uitgesproken duur was geweest, volgden in
1828 een betrekkelijk goedkope uitgave, in 1830 en volgende jaren een zeer
dure, in 1843-1854 een middelmatig geprijsde (en enigszins gekuiste), in 1852
een zeer goedkope in zakformaat, in 1862 nog een heel goedkope maar nu in een
ruimbemeten gedaante. Datzelfde jaar 1862 bracht bovendien de voltooiing van
Alle de wercken in twee reusachtige, rijk
geïllustreerde delen, die alle andere edities in de schaduw stelden en
wedijverden met de folio's van de zeventiende en vroege achttiende eeuw. Dit
was de uitvoering die
Cats en zijn lezers verdienden! De Zwolse uitgever
Tijl en de tekstbezorger
Johannes van Vloten leken daarmee een monumentum aere
perennius voor de dichter te hebben opgericht. In feite dolven zij zijn
graf: het was dit nieuwe hoogtepunt van de Cats-cultus dat
Busken Huet de gal deed overlopen en hem bracht tot zijn
befaamde afrekening.
Huets opstel over
Cats heeft naam gehouden als een staaltje superieure
polemiek. Nog steeds bekend zijn striemende zinnen als: ‘Deze
godvreezende moneymaker is de inkarnatie geweest van den nederlandschen
daemon. Met zijne door en door laaghartige moraal, zijne leuterlievende
vroomheid en keutelachtige poëzie heeft hij onnoemelijk veel kwaad
gesticht. Zijne populariteit is een nationale ramp geweest. (…) De val
onzer nationaliteit moet niet het minst hieraan worden toegeschreven, dat
Cats erin geslaagd is het nederlandsch karakter te
herscheppen naar zijn eigen beeld. Hij heeft een wawelend en geniepig volk van
ons gemaakt, heeft onzen smaak bedorven, heeft onzen kunstzin uitgedoofd, heeft
geen hoogere eerzucht bij ons gewekt dan om, met Gods naam op de lippen en | | | | eene
aalmoes in de uitgestrekte hand, te sterven als een millionair.’
39
Het is
Cats aan wie, volgens
Huet, het Nederlandse volk zijn platheid van geest
verschuldigd is. Naar de letter genomen wordt Cats zo opgezadeld met een
onherstelbare schuld. In werkelijkheid gelooft Huet natuurlijk niets van die
herschepping ‘naar zijn eigen beeld’. Het is andersom: alleen een
‘wawelend en geniepig volk’ kan een platte geest als
Jacob Cats eren als zedelijk leidsman en als dichter van
de eerste rang. Au fond is het bij
Huet net als bij
Potgieter: het gaat hem minder om Cats zelf dan om de
‘onoordeelkundige ophemeling zijner talenten’, en dan nog weer
minder om die ophemeling als zodanig dan om de geest waarvan zij een symptoom
is. Het zou echter onjuist zijn om
Huet in dit opzicht als een geradicaliseerde
Potgieter voor te stellen. De inzet van Potgieters
attaque was een morele: Cats vertegenwoordigt voor hem gebrek aan durf en aan
allure. Huet gaat het om de kunst. Hij associeert Cats in de eerste plaats met
artistieke benepenheid en banaliteit. De resonantie die de inzet van zijn stuk
heeft gewekt, heeft ertoe geleid dat de rest wat in de vergetelheid is geraakt.
De populariteit van Cats blijkt daar aanleiding om een principiële kwestie
aan de orde te stellen, en wel de onverenigbaarheid van kunst en burgerlijke
moraal.
40 Kunst, zo formuleert
Huet hier voor het eerst expliciet zijn artistieke credo, is niet stichting,
kunst is passie.
‘[W]at komt een dichter al niet te kort die hartstogt mist!
Misschien geeft men er zich over het gemeen niet genoeg rekenschap van, dat
hartstogten op te wekken de eigenaardige roeping is der kunst, en dat eene magt
die bestemd is driften te doen ontwaken, ook uit driften moet geboren zijn. In
zichzelve is de kunst nooit onzedelijk; doch het ontroerend vermogen waarover
zij beschikt ondermijnt ligt in ons gemoed het zedelijkheidsgevoel. (…)
Een | | | | volkomen onschuldig genot levert de dienst van het schoone
alleen voor hen op, die niet te eenemaal onervaren zijn in de zelfbeheersching;
en daar de groote meerderheid der menschen op dit gebied wel altijd tot de
klasse der dilettanten zal blijven behooren, zal men het nimmer te kwade kunnen
duiden indien er zich waarschuwende stemmen verheffen tegen eene eenzijdige
ontwikkeling van het schoonheidsgevoel. Niettemin zijn ze doodgeboren, de
kunstgewrochten waarin het gevaarlijk vuur van den hartstogt, zoo het niet
opvlamt en blaakt, niet ten minste zachtkens sluimert. (…) De
schouwburg, - en in ruimer of beperkter zin kan men hetzelfde zeggen van
koncerten, van tentoonstellingen, van romans, van bundels poëzie - de alle
uitingen der kunst in zich vereenigende schouwburg is onuitstaanbaar indien hij
verveelt; hij kan alleen belangstelling wekken door in het gemoed te tasten.
Een apathisch tooneel is als een visch op het drooge. Passie is hier het eerste
vereischte, passie het tweede, passie het derde. Doch hartstogten zijn geen
olie in de heilige lamp der deugd, en ligter zal iemand door den schouwburg
gevormd worden tot een held dan tot een braaf mensch.’
41
Het is niet met de zeventiende-eeuwse dichter
Jacob Cats dat hier wordt afgerekend, het is met de
triviale, pragmatische kunstopvatting die heerste in het negentiende-eeuwse
Nederland. Een esthetica waarin van kunst veeleer werd gevergd dat zij
‘brave mensen’ voortbracht dan ‘helden’. Huets pleidooi
voor uit hartstocht geboren en hartstocht wekkende kunst betekent een breuk met
het burgerlijke beschavingsideaal, zoals ook de consequentie dat kunst daarmee
een zaak voor weinigen is, regelrecht ingaat tegen het culturele harmoniemodel
dat juist in
Cats de grote vereniger van de standen had gehuldigd.
Tot dusver had in Nederland nauwelijks een wrijving bestaan tussen artistieke
en maatschappelijke idealen.
42 Het zal niet alleen aan
Huet te danken zijn geweest maar kort na diens aanval | | | | op
Cats begint zich zo'n frictie duidelijk af te tekenen.
Het ‘goede’ en het ‘schone’ worden niet meer als
eenheid gezien. De volgende generatie, die van de Tachtigers, zet de
definitieve stap: allereerst in de kunst door het l'art pour l'art te
proclameren, maar ook maatschappelijk door een provocerende levenswijs
à la bohème. Het woord ‘burgerlijk’ krijgt
negatieve connotaties als ‘benepen’, ‘hartstochtloos’,
‘het veilige midden houdend’.
43 Het krijgt veelzeggend genoeg in deze betekenis ook een nieuw
antoniem: ‘artistiek’.
In dit proces van autonomisering van de kunst was het met het
prestige van
Jacob Cats gauw gedaan. Dat wil niet zeggen dat hij in
de vergetelheid raakte: uitgaven van zijn werken bleven verschijnen en zijn eer
werd nog regelmatig verdedigd.
44 Maar symptomatisch
is inderdaad dat de Catsbewonderaars zich zo evident in de verdediging
gedrongen voelden. In zekere zin was daarmee een cirkel gesloten: ook in de
achttiende eeuw was de teneur van de meeste Catsbeschouwingen defensief
geweest. Een verschil is echter dat degenen die op Cats neerkijken zich nu wel
en zeer zelfbewust manifesteren. Onthullend zijn in dit verband de woorden
waarmee in 1872
Jonckbloet in zijn prestigieuze literatuurgeschiedenis
aan Cats slechts historisch belang toekent: ‘Voor ons is hij
ongenietbaar’. Onder erkenning van zijn goede bedoelingen
‘meesmuilen wij als men hem ons nog voor een groot dichter wil
opdringen’.
45
‘Voor ons’. ‘Meesmuilen wij’.
Er moeten op dat moment nog tallozen zijn geweest die
Cats met liefde ter hand namen. Voorlopig was het debiet
van zijn werk verzekerd. Niettemin sluit
Jonckbloet de Cats-adepten hautain uit van zijn
implied audience. Waardering voor literatuur die in het teken van de
burgerdeugden staat is voor hem a priori onverenigbaar met esthetisch
onderscheidingsvermogen.
| | | | | |
Besluit
Het is opvallend dat sedert
Huet en
Jonckbloet literair-historische studies over
Cats steevast een apologetische ondertoon hebben.
Telkens weer lijken wie zich met hem bezighouden enigszins bezorgd voor hun
literaire reputatie. Klaarblijkelijk is Cats nog steeds niet helemaal
gehistoriseerd.
46
Het recente onderzoek naar de betekenis van
Cats voor de beschavingsgeschiedenis van de
zeventiende eeuw geeft wat dat betreft een nieuwe onbevangenheid te zien. De
voortrekkers ervan zijn niet bang zelf burgerlijk (in de nu gangbare betekenis
van het woord) te lijken als ze zich interesseren voor de burgerlijkheid (in
een oudere betekenis) van Cats. Iets minder onbevangen betonen ze zich als ze
bij voorbaat uitgaan van de enorme betekenis die Cats zou hebben gehad voor het
burgerlijke karakter van de Nederlandse samenleving. Daarmee sluiten ze immers
naadloos aan bij een visie die pas in de loop van de achttiende eeuw tot
ontwikkeling is gekomen, in de tijd dat dit burgerlijke karakter voor het eerst
werd ‘ontdekt’. Cats leverde de achttiende- en in nog sterkere mate
de negentiende-eeuwer het ideaal dat deze zich had gevormd van het
zeventiende-eeuwse volkskarakter. Toen in de late negentiende eeuw dit ideaal
als verouderd werd ervaren, met name in de kunst, moest dezelfde Cats het
ontgelden als de grote boosdoener.
De tijd lijkt rijp voor een nieuwe definiëring van de
zeventiende-eeuwse Nederlandse burgerlijkheid. Het zou verstandig zijn om te
beginnen met ons te ontdoen van de ballast van een generatie na generatie
aangeslibte beeldvorming. Misschien is het een aardige gedachte om eens niet te
stárten met
Cats, maar in plaats daarvan de confrontatie met hem
zo lang mogelijk uit te stellen. Dat zou wel eens allerlei perspectieven kunnen
openen waarop het zicht tot dusver werd belemmerd door de schaduw van de
onvermijdelijke Vader Jacob.
|
1Met dank aan Marijke Meijer Drees die
bereid was de tekst kritisch door te lezen.
2Onlangs nog M.A. Schenkeveld,
Dutch Literature in the Age of Rembrandt. Themes and
Ideas (Amsterdam/Philadelphia 1991) 31: ‘in many ways
“Father Cats” is really the embodiment of Dutch Christian bourgeois
culture’.
3S. Schama,
Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de
Gouden Eeuw (Amsterdam 1988) 564-565.
4Bijv. D. ten Berge,
De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob
Cats ('s-Gravenhage 1979) 77.
5A. Agnes Sneller en B. Thijs,
‘Nawoord’ in: Jacob Cats,
Huwelijk (Amsterdam 1993). P. Dijstelberge,
‘De vergeefse strijd tegen het lichaam’ in: Idem, J.
Bos en J.A. Gruys ed.,
Cats Catalogus. De werken van Jacob Cats in de Short-Title
Catalogue, Netherlands (Den Haag 1996) 7-22.
6Wel is er al veel documentatie verzameld
door G. Kalff, ‘Jacob Cats’ in: Idem,
Studiën over Nederlandsche dichters der zeventiende eeuw 2 dln.
(Haarlem 1901) I, 129-267 en vooral door H. Smilde,
Jacob Cats in Dordrecht: leven en werken gedurende de
jaren 1623-1636 (Groningen 1938) hfdst. X.
7Lofdichten zijn verzameld in
De Zeeusche Nachtegael ende des selfs dryderley
gesang (Middelburg 1623), in de edities van
Alle de wercken en in
Lof- en rouwgedichten en grafschriften op den heere J.
Cats (Z.p. z.j., [ca. 1660]).
8Lof- en
rouwgedichten V5. Een - eveneens anonieme - tegenstem levert
dezelfde bundel overigens ook: ‘Hy werd wel in ons land, maar buyten meer
geprezen, / Daer hy meest is geacht, daer hy meest werd gelesen, / Ons land is
veel te kleyn, op dat het hem besluyt’ (V3).
9Dijstelberge, Bos en Gruys ed.,
Cats Catalogus. Een volledige bibliografie
van Sinne- en Minnebeelden in Jacob Cats,
Sinne- en Minnebeelden, H. Luijten ed. 3
dln. (Den Haag 1996) III, 1-58.
10Alle de wercken (…) van Jacob
Cats (…) (Amsterdam 1655) voorbericht.
11E.K. Grootes, ‘De
bestudering van populaire werken uit de zeventiende eeuw’,
Spektator 12 (1982-83) 3-24, aldaar 20.
12Enkele frequent herdrukte titels komen
ter sprake bij B. van Selm, ‘“Almanacken, lietjes, en
somwijl wat wonder, wat nieus”. Volkslectuur in de Noordelijke
Nederlanden (1480-1800): een onbekende grootheid’,
Leidschrift 5 (1988/89) 33-68, aldaar 57-58. Over verscheidenheid in de
uitvoering van een zelfde werk bijv. L.P. Grijp, ‘Voer voor
zanggrage kropjes. Wie zongen uit de liedboekjes in de Gouden
Eeuw?’ in: Th. Bijvoet e.a. ed., Bladeren in andermans hoofd.
Over lezers en leescultuur (Nijmegen 1996) 96-125. Vgl. ook E. Stronks,
Stichten of schitteren. De poëzie van
zeventiende-eeuwse gereformeerde predikanten (Houten 1996)
85-87.
13De door
Schipper geschatte getallen, die betrekking hebben
op een periode van dertig jaar, zijn door Van Selm omgerekend tot
één werk van
Cats per 1,7 huishoudens (‘Almanacken’
48-49). Op deze berekening en op de conclusies die Van Selm eraan verbindt valt
het nodige af te dingen. Onhoudbaar is de aanname dat de verkochte exemplaren
hun weg vonden naar even zoveel huishoudens; dit zou immers betekenen dat er
normaliter niet meer dan één titel van Cats in een huishouden
werd aangeschaft. Verder ignoreert Van Selm de export naar de Zuidelijke
Nederlanden, die volgens dezelfde Schipper zeer aanzienlijk was. Bovendien is
de schatting van een half millioen huishoudens een momentopname; over dertig
jaar genomen zijn het er natuurlijk veel meer. (Daar staan wel weer
overgeërfde exemplaren tegenover.) In dit verband kan ook nog op de
reeds aangehaalde anonymus gewezen worden die spreekt over ‘by duysenden
bemint’ en niet over tien-, laat staan honderdduizenden.
14In een lofdicht, opgenomen voor
Tachtigh-jarige bedenkingen, in Schippers editie van
Alle de wercken van 1658.
15Jan de Brune de Jonge,
Wetsteen der vernuften, oft bequaem middel, om van alle
voorvallen zaken, aardighlik te leeren spreken 2 dln. (1644-1659)
I, 49.
16Het citaat bij Kalff, ‘Jacob
Cats’, 262, helaas zonder bron. Vooral
Self-stryt (…) verthoont in (…) Joseph,
ten tijde hy by Potiphars huys-vrouwe wiert versocht tot overspel
riep kritisch commentaar op. Zie Ten Berge, Cats, 62 en E. de Jongh,
‘Erotica in vogelperspectief. De dubbelzinnigheid van een reeks
17de-eeuwse genrevoorstellingen’, Simiolus 3 (1968-69)
22-74, aldaar 62.
17Johanna Coomans noemt Cats
in 1623 de ‘Vader der Poëten’ in
De Zeeuwsche Nachtegael. Met deze bundel
namen de Zeeuwse dichters afscheid van de naar Dordrecht
vertrokken Cats, door hen als hun hoofdman beschouwd. Dezelfde eretitel krijgt
Cats twee keer in de
Lof- en rouwgedichten, terwijl
één dichter hem aanspreekt met ‘Doorluchte Vader’.
Voorts roept Lescaille in zijn lofdicht in
Alle de Wercken uit: ‘Groot-achtbre
Vader Cats (…) Gij zijt mijn Vader in de kunst’. De eerste
suggestie van een nationaal vaderschap is te vinden in de folio-editie van
Alle de wercken uit 1712: ‘de gemeenzame, en goed rond, goed
Zeeuwsche naam, van VADER CATS, zal, zo lang Nederlandt, Nederlandt is, by
deszelfs inwoonders in een dierbaer geheugen blyven’.
18Claas Bruin,
Kleefsche en Zuid-Hollandsche Arkadia
(…) (Amsterdam 1716) 70.
19Lambert Bidloo,
Panpoëticon Batavum (…)
(Amsterdam 1720) 123-124. Cursivering Bidloo.
20De Hollandsche
Spectator nr. 37 (1732) 50. Het vertoog is min of meer een vervolg
op nr. 3 en nr. 24.
21Dezelfde tekortkomingen waren een paar jaar
eerder ook al genoemd door Abraham Luiscius in zijn verder buitengewoon lovende
bespreking van Cats in
Het algemeen historisch, geographisch en genealogisch
woordenboek 8 dln. ('s Gravenhage 1724-1737) III (1726),
273.
22Bijv. de vertogen 3 en 40.
23Over deze ambivalentie P.J. Buijnsters,
Justus van Effen (1684-1735). Leven en werk
(Utrecht 1992) 266-267.
24Over het debat rond deze kwestie: E.M.
Wiskerke,
De waardering voor de zeventiende-eeuwse literatuur tussen
1780 en 1813 (Hilversum 1995) hfdst. 2.
25J. Macquet, ‘Verhandeling over
de voortreffelijkheit der oude en hedendaegsche poëten’,
Nieuwe Bydragen tot Opbouw der Vaderlandsche Letterkunde 2 (1766)
79-150, aldaar 114.
26U.D.B. [Petrus Paludanus], ‘Over
de navolging’, Nieuwe Bydragen 1 (1763) 75-136, aldaar
95.
27Hij zou al op anderhalf-jarige leeftijd de
embleembundels hebben verslonden, ‘die my zoo oneindig veel te denken
gaven’. Aangehaald bij R.A. Kollewijn,
Bilderdijk. Zijn leven en werken 2 dln.
(Amsterdam 1891) I, 27.
28W. Bilderdijk, ‘Dichtkundig
onderzoek van 's Heeren Jacob Cats “Cupido verloren en
uitgeroepen”’ (1776), Tael- en dichtlievende Oefeningen
van het Genootschap ter spreuke voerende: Kunst wordt door Arbeid
verkreegen 3 (Leiden 1780) 271-302, aldaar 272.
29J. van Vloten,
Leven en werken van W. en O.Z. van Haren
(Deventer 1874) 503-521, aldaar 513.
31De Vriend van 't
Vaderland (1787) 204. In een vertoog ‘Over de blinde
ingenomenheid van zommige Nederlanders voor de fransche taal’.
32Alle de werken van Jacob
Cats, Rhijnvis Feith ed. 19 dln. (Amsterdam 1790-1799) I,
iv.
33Wiskerke, Waardering, hfdst. 5.
Vgl. E.J. Krol,
De smaak der natie. Opvattingen over huiselijkheid in
de Noord-Nederlandse poëzie van 1800 tot 1840 (Hilversum 1997)
112-116, 128-129.
34W. de Clercq,
Prijs-verhandeling over de vraag: welken invloed heeft
vreemde letterkunde (…) gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde,
sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen? (Amsterdam
1824) 163.
35De iconische situering van ‘Cats
naast de bijbel’ dankt haar oorsprong mogelijk aan
Jeronimo de Vries, die de hierboven aangehaalde
observatie van
Jan de Brune over Cats als ‘de Bibel des
jeugts’, recht tegen de strekking in, interpreteerde als blijk gevend van
een vrome eerbiediging van Cats ‘als een heiligen Schrijver’ en van
zijn gedichten ‘als godgewijde werken’ ( Proeve eener
geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde (Amsterdam 1810) 118-119).
36J. Kops, ‘Redevoering over Jacob
Cats, als verlichter des volks en bevorderaar van het nut van 't
algemeen’ in: Idem, Proeven van uiterlijke welsprekendheid
(…) (Haarlem 1818) 61-121, aldaar 70-71. Cursivering
Kops.
37E.J. Potgieter, ‘Het
Rijksmuseum te Amsterdam’ in: Idem, Afrid ter Valkenjacht en
Het Rijksmuseum te Amsterdam, G.M.J. Duyfhuizen ed. (Rotterdam 1981)
61-112, hier 75. Oorspronkelijk verschenen in De Gids, 1844.
38J.J. Kloek, ‘De afdeling
negentiende eeuw van het Museum Catsianum - De canonisatie van Jacob
Cats’, De Boekenwereld 11 (1994-95) 221-228.
39Cd. Busken Huet, ‘Jacob
Cats’ in: Idem,
Litterarische fantasien en kritieken I
(Haarlem 1881) 37-66, aldaar 38. Oorspronkelijk verschenen in De Gids,
1863.
40G.-J. Johannes, ‘Poëzie
is mannetaal. Conrad Busken Huets visie op de dichtkunst’,
Maatstaf (1986) nr. 4/5, 23-35; O. Praamstra,
Gezond verstand en goede smaak. De kritieken van Conrad
Busken Huet (Amstelveen 1991) 127-134.
41Blz. 48-49. Aldaar ‘ten minste
zachtkens sluimert’ in plaats van ‘niet ten minste…’.
Dit is een vergissing, die in de voorrede bij Huets roman
Lidewyde, waar deze passage wordt aangehaald,
is hersteld.
42N. Maas, ‘Kunstenaarsleed.
Verhalen over kunstenaars in de Nederlandse letterkunde van plusminus
1860-1885’, De Negentiende Eeuw 14 (1990) 59-75; A.
Hoogenboom,
De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders
in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993) hfdst.
2.
43Deze semantische verschuiving is nog niet
gedocumenteerd. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal III (1902)
omschrijft burgerlijk in deze zin in betekenisafdeling 4 als ‘Zonder
vrijheid van geest, t.w. volgens het karakter van den burger, die angstvallig
gehecht is aan zijne begrippen van “fatsoen”’. De oudste
opgegeven vindplaats is uit de Ideeën van Multatuli en dateert uit
1873.
44Bijv. Abraham Kuyper, die in
Het Calvinisme en de kunst (Amsterdam 1888)
30, Cats huldigt als de calvinistische hoofddichter.
45W.J.A. Jonckbloet,
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
(Groningen 1868-1872) II, 384-386. Cursivering Jonckbloet.
46B. Luger, ‘Gezicht en
vergezicht. Perspectiefproblemen in het beeld van de zeventiende en negentiende
eeuw’, De Negentiende Eeuw 9 (1985) 131-144.
|
|