Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid


auteur: K. ter Laan


bron: K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. G.B. van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij, Den Haag / Djakarta 1952 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Joost van den Vondel]

Vondel, Joost van den -, 1587-1679, Nederlands grootste dichter, geb. te Keulen uit Doopsgezinde ouders, om het geloof uit Antwerpen gevlucht, die woonden ‘Zur Fyolin’ in de Witschgasse. Reeds als jongen kwam hij met zijn ouders naar Amsterdam. Zijn vader was er hoedenstoffeerder in ‘De Trou’ in de Warmoesstraat. Joost werd lid van de Kamer 't Wit Lavendel. Zijn eerste gedicht is een rederijkersrijm Schriftuerlyck Bruylofts Reffereyn van 1605 ‘op 't houwelijck van J. Haesbaert met C. van Tongerlo’. Van 't begin af volgt hij de grote gebeurtenis-

[p. 575]

sen: 1609 sonnet Op het Twaalfjarige Bestandt, 1610 treurdicht op Hendrik IV van meer dan 200 verzen.

In 1610 trouwde Vondel met Maeyken de Wolff, ook uit Keulen en ook van Brabantse afkomst, en zette hij een kousewinkel op: Maria deed volgens Brandt de nering, haar man was de dichter. Zijn eerste drama was Het Pascha ofte de verlossinghe der kindren Israels uut Egypten, vertoond op 't Wit Lavendel, gedrukt 1612; 5 ‘delen’, ieder besloten met een koor; in alexandrijnen. In een gedicht achter het toneelwerk toonde Vondel de overeenkomst aan van Israël en van Nederland, dat ook verlost was van zijn onderdrukkers.

Dan kwam Hymnus over de Scheepvaert, 1613, een loflied op de vrijheid tevens. Onder invloed van Pers en anderen besefte Vondel, dat hij te kort kwam in ontwikkeling en leerde hij Latijn. Reeds in 1613 verzocht Pers hem bijschriften te maken bij prenten, ter vervanging van de versjes van 1584 van Jan Moerman. Zo ontstonden de emblemata van Den Gulden Winckel, vol van de Gr. mythologie, opgedragen aan Vondels zwager Abraham de Wolff, 1613. In 1616 kwam alweer zo'n opdracht: een bundel F. dierfabelen met prenten van Marcus Gerarts uit Vlaanderen en bijschriften van Eduard de Dene werd door Vondel opnieuw bewerkt als Vorstelycke Warande der Dieren, 1617; 125 gedichtjes. In 1620 kwam de derde bundel emblemata, nu bij afbeeldingen uit het O.T. en de Apokriefen: De Helden Godes.

Onderwijl hield Vondel zich ook bezig met stichtelijke onderwerpen. Hij gaf 1616 De Vaderen uit, naar La Semaine van Du Bartas; in 1620 De Heerlyckheyd van Salomon naar hetzelfde werk; hij bewerkte psalmen en schreef zelf godsdienstige poëzie. Hij raakte thuis bij Eglantier en Academie en in het saligh Roemershuys, maakte een jaardagdicht voor Anna, 1619, en een bruiloftslied voor Tesselschade, 1623. In 1620 droeg hij zijn treurspel Hierusalem Verwoest op aan burgemeester Hooft. Hij leerde Italiaans, om Tasso's Gerusalemme te lezen; hij bestudeerde Virgilius en Seneca. Seneca's Troades bracht hem tot Jeruzalem, maar op Christelijke wijze behandeld als vervolg op Pascha: het uitverkoren volk komt nu tot zijn straf, omdat het Christus gedood had.

De omgang met de mannen der Academie bracht Vondel tot zijn strijdschriften tegen Bogerman en de Calvinistische predikanten; daarbij 't Gesprek op 't graf van Oldenbarnevelt, in de vorm van een echodicht. 't Was begonnen met de Geusevesper of Siecken-Troost ‘voor de 24 rechters van Oldenbarnevelt.’ Vondels verering uit zich hartstochtelijk:

 
Hadt hy Hollandt dan ghedraghen
 
Onder 't hart,
 
Tot sijn afgeleefde dagen
 
Met veel smart?

De gehele strijd tegen Oldenbarnevelt werd op het toneel gebracht in het treurspel Palamedes of vermoorde onnooselheyd, 1625. Reeds had Coster in zijn Iphigenia Palamedes getekend als de tegenstander der heerszuchtige priesters; bij Vondel is Palamedes de Landsadvocaat zelf. De dichter verschool zich eerst bij zijn zwager Hans de Wolff, daarna bij Laurens Baeck. Schout en schepenen veroordeelden hem tot ƒ300 boete.

In Januari 1626 volgde het lijkdicht op Cornelis Pietersz. Hooft, in Juni luidde de Geboortklock van Willem van Nassau. Dan komen de hekeldichten: Rommelpot vant Hane-Kot, 1627; Roskam, 1630; Harpoen, 1630; Een Otter in 't bolwerck, 1630. In 1632 begroette Vondel de stichting van het Athenaeum; hij bezong de zegepralen van Frederik Hendrik en de overwinning op het Slaak, 1631; aan Gustaaf Adolf, die Keulen bedreigde, bood hij zijn Olyftack aan.

In 1628 had hij een reis naar Denemarken gedaan, waar hij in kennis kwam met Jacob van Dyck, vriend van Heinsius en de Groot. Ook kwam hij nu in betrekking tot Vossius en Van Baerle. Voor Vossius' zoon dichtte hij de ontroerende lijkklacht. Hij zelf verloor 1632 zijn zoontje Constantijn, 1626 zijn dochtertje Sara en in 1635 zijn vrouw.

In 1632 was Vondel begonnen aan een groot Christelijk heldendicht over Constantijn de Grote, doch na de dood van zijn vrouw liet hij het liggen. Wel vertaalde hij Sofompaneas, een L. treurspel van Hugo de Groot, d.i. Jozef in het Hof, 1635. Zo had hij in of vóór 1628 Hippolytus van Seneca vertaald. Maar langzamerhand wendde hij zich van Seneca af; hij leerde Grieks en kwam door Vossius in kennis met de Gr. treurspeldichters. Hij koos voor de opening van de nieuwe schouwburg de ondergang van Amsterdam, gedramatiseerd in Gijsbrecht van Aemstel, naar het voorbeeld van Virgilius, die de ondergang van Troje verhaalt in zijn Aeneïs. Het stuk zou op Kerstmis 1637 vertoond worden, maar door tegenwerking van de Kerkeraad werd het 3 Januari 1638.

Vondels Gijsbrecht bevat aanduiding van

[p. 576]

zijn toenadering tot de Katholieke kerk; in 1641 ging hij er toe over. In die tussentijd vertaalde hij Sophokles' Elektra, opgedragen aan Tesselschade, 1639, en dichtte hij de treurspelen Maechden (De 11 000 maagden), 1639, en Gebroeders (de zonen van Saul), opgedragen aan Geeraerd Vossius, 1639. In 1640 volgden Jozef in Dothan en Jozef in Egypte, die met Sofompaneas een trilogie vormen. In hetzelfde jaar nog de Koningklyke Harp, een gedicht over de Psalmen.

Na zijn overgang tot het nieuwe geloof, 17 Nov. 1641, de R.K. treurspelen Peter en Pauwels, 1641; Maria Stuart, 1646. Daartussen Brieven der heilige Maeghden, 1642, Altaergeheimenissen, 1645, Eeuwgety der Heilige Stede, 1645. Het pleidooi voor zijn nieuwe geloof in Maria Stuart was zo hartstochtelijk, dat de dichter tot ƒ180 boete veroordeeld werd; betaald door de uitgever. Als burger van stad en land bleef hij dezelfde; alle gebeurtenissen in Amsterdam werden door hem bezongen; hij uit in vinnige hekeldichten zijn ergernis over Willem II, die in 1650 Amsterdam trachtte te overrompelen.

Zijn voornaamste werk op vaderlands gebied is de verheerlijking van de vrede van Munster in zijn landspel Leeuwendalers. Dan komt de Eerste Engelse Oorlog met de Scheepskroon voor Van Galen:

 
Zou de Leeuw van Hollandt flaeuwen
 
Na een zeegevecht of twee?

Vondel roemde de Vrye Zeevaert en verhief de lof van Tromp. Hij schold de Puriteinen in Engeland uit in zijn gedicht Grafnaelt ter ere van Lord Strafford, die in 1641 door 't Lagerhuis ter dood werd veroordeeld. Opnieuw in 1649 bij de onthoofding van koning Karel I; en weer in 1650, toen Montrose op 't schavot gebracht werd; nogmaals na de Slag bij Portland. Van 1648 is zijn treurspel Salomon, die in de ‘poel der afgoderye komt te verzincken’. Opgedragen aan Justus Baeck. Van 1654 Lucifer, de val van de aartsengel, gewoonlijk beschouwd als Vondels meesterstuk. De kerkeraad van Amsterdam vond het treurspel onchristelijk; na 2 opvoeringen werd het stuk door Burgemeesteren verboden. Gevolg was, dat er 5 nieuwe drukken verschenen. Gevolg waren ook de nieuwe hekeldichten tegen Ds. Wittewrongel en andere predikanten: Uitvaert van Orfeus en Speelstryt van Apollo en Pan. En een derde gevolg was een nieuw treurspel Salmoneus, waarbij het kostbare decoratief van Lucifer gebruikt kon worden, 1654 geschreven, 1657 vertoond. (Salmoneus, koning van Elis in Griekenland, verhief zich boven Zeus en werd door de bliksem neergeveld.)

In 1657 verschenen ook Vondels Harpzangen, dat zijn de psalmen, die hem tot troost en steun waren bij het leed, dat zijn enige zoon Joost hem berokkende. Vondel was toen al een beroemd man. In 1653 was hij met een lauwerkrans gehuldigd in Sint-Jorisdoelen door een groot aantal schilders en dichters. Ondanks zijn overgang naar het R.K. geloof bleven veel Hervormden met hem bevriend. Zo droeg hij in 1646 zijn proza-vertaling van Virgilius op aan Huygens: de Herderszangen, de Lantgedichten en Eneas. Die vertaling zond hij ook aan Hooft met een hartelijke brief, maar de Drost antwoordde koel.

Voor de ‘leergierigen’ schreef Vondel in 1650 Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, opmerkingen over poëzie. Met Gijsbrecht was de navolging van Sophokles en Euripides begonnen, doch Vondel drong niet door tot de kern van het klassieke Gr. treurspel; het bleef bij hem de verwerking van een treurige geschiedenis tot een drama. Slechts in enkele stukken is handeling, b.v. in Jozef in Dothan, Lucifer en Leeuwendalers. Wel bracht de studie van de Gr. tragedie Vondel tot beter inzicht van het koor: nu is er maar één rei meer, verdeeld in Zang en Tegenzang.

Hij had de Heroïdes van Ovidius in proza vertaald ter voorbereiding van de Brieven der Heilige Maeghden, 1642, en hij vertaalde Horatius' Lierzangen, 1654. In zijn Koningklycke Harp en Roomsche Lier geeft Vondel de indruk weer, die Horatius en de Psalmen op hem maakten.

Vondel had zijn vermogen opgezet bij zijn zoon Joost en moest in 't begin van 1658 een betrekking aan de bank van lening aanvaarden, hem geschonken door Anna van Vlooswijck, een burgemeestersvrouw. (zie Vlooswijck.)

Hij hield het er 10 jaar vol voor ƒ650 per jaar. Maar in die tijd van zijn werk als ‘suppoost’ schreef hij 7 bijbelse treurspelen: Jeptha, 1659; David in Ballingschap, David Herstelt en Samson, 1660; Adonias, 1661; Adam in ballingschap, 1664 en Noah, 1667. Vondel beschouwde Adam en Noah als een vervolg op Lucifer: alle drie stukken handelen over Gods gerechtigheid en vormen in die zin een trilogie. Daartussen in 1667 het Chinese treurspel Zungchin; Vondel vond de stof in de werken van de Jezuïeten Martini en Kircher; hij verheerlijkte het missiewerk. Aan Ovidius' Metamorphosen ontleende hij het treurspel Faëton. Dan kwamen in 't zelfde jaar 1663 de Batavische Gebroeders. Van 1662 is het christelijk epos Jo-

[p. 577]

hannes de Boetgezant; ook de Bespiegelingen van Godt en Godsdienst kwamen dat jaar gereed. In 1663 verscheen het grote leerdicht Heerlijckheit der Kercke, een Roomse kerkgeschiedenis.

Vondel is ook de dichter van de schone natuur. Dit toont zich reeds in Pascha en in de beroemde Rei der Eubeërs in Palamedes:

 
Het dun gezaaid gestarnt verschiet;
 
Zijn glans en gloeit zoo vierig niet.....

Verder in De Gebroeders, in Adam in ballingschap, in De Leeuwendalers. Dan de Rey van Uuren in zijn Faëton, die de Zonnegod begroeten:

 
Hy zal haest verschynen in zijne pracht
 
Van purper, met gout doorslaegen,
 
Voortgedraegen
 
Op eene klaer blinckende fenixschacht.....

Een landschap in de morgen in Joseph in Dothan en wederom in Joseph in Egypten. Verder in Dankoffer aan Joan Six op Elstbroek bij Hillegom; in Wiltsangh en veel van zijn kleinere gedichten.

Al deze jaren bleef Vondel de dichter van Amsterdam en de Nederlanden. Hij begeleidt admiraal Hulft en Ryklof van Goens op hun tochten; hij bezingt de strijd tegen Zweden; hij looft Wassenaer en De Ruyter. Hij schrijft het lijkdicht op Scriverius, 1660; hij scheldt Cromwell uit: protecteur Weerwolf, de Schotse Judas. Dan komt de Tweede Engelse Oorlog met Zeegevier der vrye Nederlanden, vol bewondering voor De Ruyter en Tromp. Hij waarschuwt tegen de dreigende macht der Turken als Maerlant tegen de Saracenen. Zo bezong hij de overwinning der Venetianen met Nederlandse hulp, in 1649, in zijn lied Op de neerlaegh der Turksche vlote:

 
Ghy ziet hoe Faroos heir verdrenckt,
 
Nu d'Opperste u de zege schenckt.

Zie verder Turken. Vondel bezong de grote zeehelden en de grote gebeurtenissen van de Engelse en Noordse Oorlogen. Maar vóór alles is hij Amsterdammer: Inwijding van 't nieuwe Stadhuis, 1655; stichting van 't nieuwe Zeemagazijn, 1658; zie Amsterdam.

In 1668 werd Vondel als suppoost ontslagen met behoud van wedde. Maar nu was zijn tijd van scheppen zo goed als voorbij. In 1660 had hij Virgilius in verzen bewerkt en Koning Edipus vertaald. In 1668 kwamen Euripides' Feniciaensche en Sophokles' Herkules in Trachin; in 1671 zagen de Metamorphosen van Ovidius het licht als Herscheppinge. De oorlog van 1672 bracht nog enkele stukken, o.a. de heerlijke verzen Op de doorluchtige zege van Groninge, zijn laatste gedicht over de grote gebeurtenissen.

In 1675 stierf zijn dochter Anna. Nu bleef hij alleen over, al had hij kennis gemaakt met jonge kunstenaars als Oudaen, Blasius, Pels en Antonides vooral. De schilder Filips de Koning bezocht hem geregeld. In 1679 droegen 14 poëten hem uit zijn woning op het Singel naar de Nieuwe Kerk; daarbij Hieronymus Sweerts en Jacob Leeuw.

Zijn drama's stonden onder invloed van de bijbelse spelen uit de M.E., van het L. schooldrama en van de Spelen van Sinne, zegt Kalff. Van Maurits Sabbe is de uitspraak, ‘dat Vondel nog naar den geest zeer dicht bij de Middeleeuwen staat’. Te Winkel gaat nog verder; hij noemt Vondel de laatste Middeleeuwse dichter. Daarbij had Vondel de voorbeelden van de F. treurspeldichters der 16e eeuw, de kunstleer van Vauquelin de la Fresnaye, 1567-1606, de stukken van Jean de la Taille, Robert Garnier en Jodelle. Deze voorgangers hebben Vondel de weg gewezen, aldus Busken Huet, en niet Heinsius of Vossius, al heeft Vondel dan ook met ijver de beroemde L. en later de Gr. klassieken bestudeerd. Zo had hij in het bijzonder voor Jeptha Aristoteles, Horatius en hun uitleggers geraadpleegd, want Jeptha moest een modelstuk worden ‘tot een voorbeeldelijck onderwijs van het toestellen der treurspelen.’ Toch is het zwak als drama, al is er pracht van poëzie in. Dit laatste is ook het geval met Adam in Ballingschap, 1664.

Vol poëzie zijn ook de gedichten van Vondel op de grote gebeurtenissen in Amsterdam; op de helden en de heldendaden ter zee; op de strijd tegen de Turken, zo als in Kandia op haar uiterste, 1669. Daarin is hij de strijder voor het bedreigde Christendom, gelijk hij voor de Nederlanders de vrije zee verdedigde en gelijk hij heel zijn leven door de vrijheid van overtuiging voorstond. Hij was een strijder van natuur, bij al zijn liefde voor de vrede en bij al zijn vroomheid. En hij verlustigde zich tevens in de schoonheid der wereld en in de krachtige uiting van al het Nederlandse leven van zijn tijd. Aan de pracht van zijn Harpzangen paart zich die van zijn ontboezemingen als in Uitvaert van Maria van den Vondel, 1668. Liefde voor de dichtkunst ging bij hem gepaard met liefde voor de zuiverheid en de schoonheid van onze moedertaal; niemand heeft zich voor het Nederlands zo verdienstelijk gemaakt.

In 't geheel dichtte hij 24 treurspelen, terwijl hij er nog 8 vertaalde uit het L.

[p. 578]

en Gr. Na zijn dood gaven Geraert Brandt, de Remonstrantse predikant, en Vollenhove, de Calvinistische dominee, zorgvuldig het werk..... van de Roomse dichter uit. Voor 't grafschrift op de zerk zorgde Six; zie daar.

Zinspreuken van Vondel:

1. in zijn jeugd: Liefde verwint alles;

2. Door een is 't nu voldaan, anagram van Joost van den Vondelen;

3. Yver; 4. Juste; 5. P.L. = Pro Libertate, d.i. voor de Vrijheid.

6. Justus fide vivit = de rechtvaardige leeft door 't geloof, maar ook: Joost leeft door zijn snaren.

7. Cedo nulli = ik wijk voor iemand.

Vondel gaf in 1644 zijn vroegere verzen uit als Verscheide Gedichten; in 1650 verscheen de tweede bundel. Maar reeds in 1647 was er buiten Vondels weten een zogenaamd Tweede Deel verschenen, met een scherpe voorrede over de geloofsverandering, getekend P. Zeer waarschijnlijk was Brandt de schrijver. Eerst in 1676 is de oude vriendschap hersteld; in 1683 boette Brandt zijn vergrijp met zijn Leven van Vondel. Dit zogenaamde tweede deel leverde de verzen, die Vondel in zijn Verscheide Gedichten weggelaten of verzacht had; nu stonden al zijn vroegere aanvallen op de Roomse kerk er in. zie Verscheide Gedichten.

Jacob van Lennep werkte van 1850 tot zijn dood aan de eerste wetenschappelijke uitgave van de volledige werken van Vondel; tweede druk aangevuld en verbeterd door J.H.W. Unger, 1888-'93. Van Lennep sprak ook de feestrede uit bij de onthulling van het standbeeld in het Vondelpark, 1867, en schreef voor die gelegenheid zijn dramatische schets: Een dichter aan de bank van leening. Schaepman droeg in 1867 zijn dichtstuk Vondel, in 4 Pindarische oden, op aan Louis Royer, de maker van het standbeeld.

Vondel werd geschilderd door Sandrart, 1641; door Jan Lievens, 1650; door Govert Flinck, 1653; door Karel van Mander Jr. te Kopenhagen, 1657; door Cornelis de Visscher, 1657 en door Philips Koninck, 1656, '62, '65, '74.

Bij zijn dood werden de Josephs vertoond in de Schouwburg met een voorspel van Govert Bidlo. Onder de lijkdichten zijn die van Vollenhove, Oudaen en Antonides; de beide laatsten stelden zijn verdiensten ver boven de aanmatiging van Nil Volentibus. Antonides besloot:

 
Zoolang men Neerduitsch dicht
 
verstaet en houd in waerde,
 
Zal meer en meer zijn lof
 
zich spreyen over d'aerde.

Eerste gedenkteken voor Vondel, een tombe in de Nieuwe Kerk, opgericht door 't dichtgenootschap Diligentiae omnia, 1772. Vondel, naar de eisen des tijds veranderd door Govert Bidlo. zie Faëton. Ook nam Bidlo Salmoneus onder handen, 1685; er kwam een vóór-, tussen- en naspel ‘in maatzang’. Er was veel toeloop, maar ook veel ergernis, die oorzaak werd van een nieuwe schouwburgstrijd. Een hekeldicht verscheen, waarschijnlijk van Herman Brinkhuisen, eerst smid, toen toneelspeler, † 1695. Bidlo antwoordde met een zinnespel in 2 delen: De muiterij en nederlaag van Midas, van bijzonder hatelijk karakter. Midas was Philip de Flines, toen de leider van Nil Volentibus, zijdehandelaar te Amsterdam; Mr. Romein de Hooge, de graveur, treedt op als Sprinkhaan; Thomas Arents als Belachal; Ysbrand Vincent als Bedilal. Het stuk werd gespeeld op oudejaarsavond 1685; in Jan. volgde proces-verbaal en berisping.

Ook Rijndorp ‘verbeterde’ Vondel; zie daar.

Al het merkwaardige uit de geschriften over Vondel vindt men bij de D. Jezuïet A. Baumgartner in zijn werk Joost van den Vondel, 1882. Unger stelde een Bibliographie van Vondels Werken op, 1888. Kalff schreef Vondels Leven, 1896; de Belgische letterkundige Gustaaf Segers Studiën over Vondel. Verwey begon 1894 met zijn Inleiding tot Vondel en zijn laatste grote werk was een geheel nieuwe Vondeluitgave. Van 1910 is Het Leven van Vondel van Leendertz.

Brandt's Leven van Vondel werd opnieuw uitgegeven door Verwijs, 2e druk van Dr. J. Hoeksma, 1905. Van bijzondere betekenis was de studie van Bakhuizen van den Brink, Vondel met Roskam en Rommelpot, 1837.

Aphorismen uit Vondels Werken werden ‘saamgelezen’ door P.H. v. Moerkerken, 1893.

In 1939 een R.K. proefschrift over Staat en Recht bij Vondel van Dr. J. Vandervelden. Van dezelfde schrijver: Vondels pleitrede voor God, inleiding op de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst.

Verder: H.C. Diferee, Vondel's Leven, 1914; J.F.M. Sterck, Over Vondel, 1912; L. Simons, Vondels Dramatiek; A.J. Barnouw, Vondel, 1926; Koopmans, Vondel als Cristensymbolist; G. Brom, Vondels Bekering, proefschrift, 1907; Vondels Geloof, 1935.

Vondel en de regeerders van Amsterdam, door A.J.M.H. Schillings, 1917.

Beschouwing van Vondels hekeldichten, van G. Penon, 1873.

[p. 579]

Dr. J. Walch, De varianten van Palamedes, 1906.

Vondel in eenige van zijn vrouwenkarakters, studie van A.S. Kok, 1864.

Dr. J.F.M. Sterck, Vondelbrieven; Oorkonden over Vondel, 1918; Hoofdstukken over V., 1923; Rondom Vondel, 1927. Joh. Vorrink: Vondel in zijn Lof, Klacht, Toorn, Scherts en Schimp, bloemlezing, 1937. Vondels Heerlijkheid der Kerke, door Jac. Zey, S.J.

A.M.F.B. Geerts, Vondel als classicus, proefschrift, Tongerlo 1932; W. Kramer, Vondel als woordkunstenaar, 1947; en Vondel als Barokkunstenaar, 1948; W.M. Frijns, Vondel en de Moeder Gods, 1949; eerste uitgave 1928 als Vondel en de Zeestar; J.G. Bomhoff, Vondels Drama, Proefschrift 1950; Aleid van Rhijn, Joost van den Vondel, 1950. B.H. Molkenboer, De jonge Vondel, 1950; Aleida Nijland, Joost v.d. Vondel, 1950.

Vondels Volledige Werken uitgegeven door de W.B. onder leiding van Dr. Sterck, Dr. Moller, Dr. De Vooys, B.H. Molkenboer, J. Prinsen, L. Simons, R.N. Roland Holst en C.R. de Klerk; in 10 delen. Verder door H.C. Diferee in 7 delen, 1929-'34; en door Albert Verwey in 1 deel, 1937. J.A. Alberdingk Thijm schreef een levensbeschrijving in de vorm van een novelle: Portretten van Vondel, 1876, een ‘laatste aflevering’ van Van Lenneps Vondel-uitgave. Zie Wallagh.

In de Bongerd-reeks te Utrecht verschenen 1941 twee bundels van Ad. v.d. Biggelaar: Waar werd oprechter trouw (huwelijkszangen) en Rouwen met Vondel (lijkdichten).

Navolgers van Vondel: Antonides, De Decker, De Graef, Nuyts, Karel en Pieter Verlove, Jacob Vinck, Jan Neuye, Anslo, Vollenhove, Jan Vos, Geraert Brandt. Oudaen.

Vondelmuseum, gesticht 1901; ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. Vondeltentoonstelling aldaar 1926.

Vondelleerstoel te Leiden ingericht 1940; als bijzonder hoogleraar werd Anton van Duinkerken aangesteld, d.i. Dr. W.J.A. Asselbergs.