Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[fol. 219r] origineel

Het leven van Ioachim Patenier, Schilder van Dinant.

De vermaerde heerlijcke stadt Antwerpen, door de Coopmanschap in voorspoet wesende, heeft over al tot haer gewenct d'uytnemenste onser Consten, die veel hun tot haer oock begeven hebben, om dat de Const geern is by den rijckdom. Onder ander is ooc haer by gecomen desen Ioachim Patenier, gheboren te Dinant. Hy is ghecomen in't Gildt, en edel Schilder gheselschap der stadt Antwerpen, in't Iaer ons Heeren 1515. Hy hadde een seker eygen manier van te maken Landtschappen, seer aerdich en suyver, de boomen soo wat ghetippelt, oock daer in makende aerdige beeldekens, so dat zijn dingen wel begheert, vercocht, en in verscheyden Landen ghevoert zijn. Hy hadde voor ghewoonte in al zijn Landtschappen erghen te maken een Manneken zijn ghevoegh doende, waerom hy den kacker wiert gheheeten: dit kackerken was t'somtijt te soecken, ghelijck het Wlken van Hendrick met de Bles. Desen Patenier was een Mensch, die neffens zijn edel Const was van een rouw leven, seer tot den dranck gheneghen, dat hy heel daghen sat in de Herbergh, zijn ghewin overdadigh doorbrenghende, tot dat hy dan door noodt ghedronghen hem tot de gheld-vruchtighe Pinceelen most begheven: by hem leerde Frans Mostert, dien hy door korselheyt en dronckenschap dickwils ten huys uyt jaeghde, soo dat hy veel by hem verdroegh, gheneghen zijnde om leeren. Ten tijde doe Albert Durer t'Antwerpen was, hebbende groot behaghen in de handelinghe van Patenier, conterfeytte hy hem op een Leye, oft misschien een Tafelet, met een Coperen stift, seer uytnemende ghedaen. Van Patenier sietmen by verscheyden liefhebbers seer fraey Landtschappen. Te Middelborgh by Melchior Wijntgis, den Munt-meester van Zeelandt, zijn van hem dry uytnemende stucken, het een wesende vol beeldekens, een bataillie, so wel en suyver gheschildert, dat geen verlichterije soude vermoghen daer teghen te wedden. Tot hem spreeckt den gheleerden Lampsonius, onder een Conterfeytsel, dat den Hoornschen Cornelis Cort (dien hy Curtius noemt) nae t'ghene Albert Durer dede, heeft seer constigh ghesneden, en seght op deser meeninghe:

 
Dat onder dees al t'saem niet een ghesien can wesen,
 
Soo levend uytghdruckt zijn beeldt, ghedaent en wesen,
 
Als dijn, o Ioachim, is hierom niet alleen,
 
Dat ghy in Coper zijt van Curti handt ghesneen,
 
De welcke handt niet vreest, dat ander haer sal trotsen:
 
Maer om dat Durer sagh Landtschappen, hutten, rotsen,
 
Van u gheschildert cloeck, verwondert zijnde seer,
 
Met Coper stift op Ley u wesen track wel eer:
 
Dees trecken volghde Cort, en heeft met dit te connen,
 
Al ander niet alleen, maer hem self overwonnen.