Ghelijck Antwerpen in onse Nederlanden schijnt oft ghelijckt een Moeder der Constenaren, also Florencen in Italien voortijt plagh te wesen: soo heeft dese vermaerde Stadt voortghebracht verscheyden Constenaren, die in onse Const hebben aengewendt oock verscheyden gedaenten van wercken. Onder ander, heeft sy haer oock verciert niet te hebben ghehadt tot een Borgher Mathijs Kock, die een uytnemende Meester is gheweest in Landschappen. Hy was oock d'eerste die de Landtschappen op een beter manier begon te maken, met meer veranderingen, op de nieuw Italiaensche oft Antijcksche wijse, en was wonder versierigh en vondigh in't ordineren oft by een voegen. Schilderde van Water en Oly-verwe seer uytnemende stucken. Van Ieronimus Kock, zijn broeder, heb ick niet veel te segghen: want hy verliet de Const, en begaf hem daer Coopmanschap mede te drijven: liet schilderen, cocht Oly en Water-verwe doecken: liet Plaet-snijden, en hetsen. Hy was doch self seer inventijf van Lantschappen, en heeft self verscheyden dingen ghehetst: maer evenwel veel van Mathijs zijn broeders dingen, insonderheyt 12. Landtschapkens, die van yeder noch geern worden ghesien. Dus is Ieroon rijck gheworden, coopende d'een huys by d'ander, hadde doch geen kinderen dan een Hollandtsche Vrouw, Volck oft Volcktgen, ghenoemt. En ghelijck hy boertigh en een Rethorijcker was, seyde en schreef hy dickwils als voor advijs: Laet de Kock koken om t'volcx wille. Somtijts stelde hy uyt sonder letters: Houdt die Kock in eeren, en derghelijcke dinghen. By eenigh dinghen schreef hy op zijn oudt Rethorijcks:
Hy is ghestorven ten tijde doe Frans Floris overleedt, dat is, in't Iaer 1570. Mathijs was langhe te vooren ghestorven. Tot hem is dusch Lampsonisch ghedicht: