De schrijver-vertaler August Willemsen: ‘Bij mijn ouders thuis was er geen muziek of literatuur - helemaal niks van cultuur. Amsterdam-Zuid, de jaren veertig of vijftig. Saai, saai, saai. Mijn vader was vertegenwoordiger van Het Hotel Adres Boek; later ging hij over op de verkoop van bioscoopreclame. Hij moest werkelijk ontzettend hard werken om aan een redelijk inkomen te geraken. Het was toch geen treurig gezin - wél volkomen cultuurloos. Mijn vader had alleen wat boeken over politiek en geschiedenis. Hij was fout geweest in de oorlog; nsb'er. En het kost mij geen enkele moeite om dat te zeggen; ik heb daaromtrent geen enkele schroom. Het was een lieve man. Hij hield van poezen, niet van honden - wat voor mij nogal verschil uitmaakte. Ik geloof niet dat hij daadwerkelijk iets verkeerd gedaan heeft gedurende die oorlogsjaren.
Van die eerste bezettingstijd herinner ik me alleen maar dat ik in mijn spel op straat gestoord werd door het luchtalarm. Later, september '44, ging ik als achtjarig jongetje met mijn moeder en een oudere zuster op transport naar Duitsland, vanwege Bijltjesdag. Mijn eerste grote reis.
Duitsland toen betekende voor mij één grote vakantie. En er vonden ook minder prettige gebeurtenissen plaats, zoals de dood van twee Franse krijgsgevangenen die bij ons op de boerderij zaten, ongeveer vijftig kilometer ten noorden van Frankfurt. Die jongens mochten op een gegeven moment naar huis; ze zijn de weg opgelopen, en vervolgens onmiddellijk door een vliegtuig van hun eigen krijgsmacht neergeschoten. Het ironische van dat lot had ik toentertijd als kind al door. Ik wist heel goed welke partijen er tegen elkaar vochten, maar ik kon me eigenlijk alleen maar identificeren met de mensen die op onze boerderij huisden. In wezen had ik geen vijandbeeld.
Mijn vader “lag” - zo werd mij destijds verteld - in Apeldoorn. Hij “lag”: in een kazerne, bij een legeronderdeel, weet ik veel. Hij was lid van een bepaalde nsb-afdeling - ik weet nog steeds niet welke, daar heb ik verder ook nooit naar gevraagd; ik heb er in ieder geval nooit met hem over gepraat. Mijn vader en ik hebben het nooit over die oorlog gehad. Ik heb het kennelijk niet
willen weten, of ik heb het niet hóeven weten. Ik denk dat ik per saldo niet zo'n interesse heb gehad in de persoon mijn vader; ik heb alleen achteraf trachten te verklaren hoe het zo gekomen is dat hij fout werd. Mijn moeder heeft me wel iets verteld over wat voor leven ze met hem had. Het was zo moeilijk voor haar, omdat ze het helemaal niet eens was met zijn politieke keuze. Ik herinner me ook heftige ruzies tussen hen beiden. Mijn moeder heeft tijdens die bezetting een vreselijk leven gehad en na de bevrijding werd het er voor haar niet beter op, omdat ze nog heel lang nadien op het oorlogsverleden van mijn vader werd aangekeken.
Van meet af aan ben ik geïntrigeerd geweest door het fenomeen taal.
In het begin van de oorlog waren er in een school bij ons om de hoek Duitse soldaten gelegerd, en ik herinner me nog hoe ik gefascineerd werd door hun spraak, die vreemde, boeiende klanken. 's Avonds in bed probeerde ik die te imiteren, dan probeerde ik op mijn heel eigen manier Duits te spreken. Zoals andere jongetjes van mijn leeftijd met autootjes speelden, was ik met taal in de weer. In Duitsland leerde ik vrij snel Duits praten, en vervolgens kwamen daar die twee Franse krijgsgevangenen aanzetten, met wie ik zeer goed kon opschieten - ja, dat werden mijn Grote Vrienden; vooral die ene, die Rémy heette, een vrij jonge, mooie kerel, in wiens taal ik buitengewoon geïnteresseerd raakte, en op den duur kon ik toch wel echt met hem converseren in een mengelmoesje van Frans en Duits. Ik zat de hele tijd bij die twee Franse jongens in onze schuur. En ze gingen dood.
Mei '45 gingen we weer terug naar Nederland. Ik was volkomen rustig. Pas veel later heb ik me gerealiseerd hoe chaotisch en verwarrend het toen om ons heen moet zijn geweest. Mijn moeder, mijn zuster en ik reisden met vrachtwagens en treinen door dat ontredderde land - die trip was wel georganiseerd, maar ik weet nog steeds niet hoe of door wie.
Mijn middelste broer heeft de oorlog grotendeels doorgebracht in een Oostenrijks jeugdstormkamp en hij is, als dertienjarige jongen, op eigen houtje naar Amsterdam teruggekeerd; ik weet nog steeds niet op welke wijze. Daar heeft men het in de familie ook nooit over gehad. Die was er ineens ook weer. Mijn oudste broer van achttien had in de tussentijd op het huis gepast en naar het schijnt een behoorlijk ruige periode doorgemaakt. Hij was het helemaal niet eens met mijn vader en wilde absoluut niet met zijn moeder, zusje en mij naar Duitsland. Met hem praat ik nog wel eens over vroeger - maar dan hebben wij het voornamelijk over de familiegeschiedenis, oftewel: hoe heeft het zover kunnen komen dat mijn vader die fatale keuze maakte?
In het kort komt het hierop neer: hij heeft zijn niet onaanzienlijke kapitaal tijdens de beurskrach van '29 verloren, weet dat lot aan De Joden en zag vervolgens Het Heil uit Duitsland komen.
Hij heeft twee jaar gekregen, die hij, geloof ik, in Laren heeft uitgezeten. Mijn moeder mocht thuisblijven. Ze werd met water begooid op straat, men keerde haar ook wel de rug toe: dat soort nare dingen. Ik heb nooit van ook maar iets last gehad: ik ben nooit uitgescholden of nagewezen, ik heb altijd gemakkelijk vriendjes gemaakt op de lagere school. Ik heb er mijn hele leven niets van gemerkt. Dat is absoluut zo. En menigeen is daarover verbaasd. Ik heb ook werkelijk geen schuldgevoel wat betreft dat oorlogsverleden - ik ben toch niet verantwoordelijk voor mijn vaders daden?
Ja, ik hield van hem - tot een zekere tijd. Het werd moeilijk toen echt tot me doordrong wat hij gedaan had. Dat was op de middelbare school. Die crisis heeft lang geduurd. Tegelijkertijd groeiden we ook op een andere manier uit elkaar. Ik begon hem namelijk intellectueel een beetje te overvleugelen. Ik zat op het gymnasium en leerde almaar meer.
Ik heb hem, meen ik, één keer in dat nsb-kamp te Laren opgezocht, samen met mijn moeder. Ik herinner me daarvan alleen nog maar een nieuw woord, dat ik toen leerde: “barak”.
Toen mijn vader vrijkwam, had hij vooral veel wroeging om wat hij mijn moeder en ons had aangedaan. En na enige moeite om aan de slag te komen, heeft hij zich als vertegenwoordiger van dat Hotel Adres Boek werkelijk kapotgesappeld om het weer goed te maken. Door weer en wind ging hij per fiets erop uit, tot in Zeeland. Dat had hij ervoor over, verteerd als hij werd door spijt.
Mijn vader en moeder waren allebei van 1897. Ik had heel oude ouders. Pas in '35 zijn ze getrouwd, dus toen ze achtendertig waren. Mijn moeder was nog maagd, ze woonde bij haar ouders thuis; zij zag mijn vader als De Kans. Hij was een rijzige man met een mooie stem. Ze leerden elkaar via de telefoon kennen, op Centraal Beheer, waar ze beiden destijds werkten. Mijn vader was een weduwnaar met drie kinderen, voor wie mijn moeder na hun huwelijk altijd werkelijk voorbeeldig heeft gezorgd. Maar ik was haar enige echte kind.
Dat drankprobleem van mij zou best wel eens te maken kunnen hebben met die allesoverheersende aandacht voor mij van mijn moeder; dat was gewoonweg wurgend. Dat heb ik toentertijd niet zo bewust ervaren, maar ik heb me er wel, onbewust, tegen verzet. Bijvoorbeeld door te gaan stotteren. En veel later kwam die drank.
Ik kon als kind vreselijk goed praten en werd daarvoor steeds geprezen. Ik was het knapste jongetje van de straat en ook nog eens het mooiste jongetje van de straat - en dat werd me op een gegeven moment te veel. Ik moet toen een jaar of zes geweest zijn. Ik raakte in die tijd bevriend met een buurjongetje dat stotterde, en ik dacht: hé, dat is een mogelijkheid om eens terug te schoppen naar mijn moeder. Ik moest almaar verhalen vertellen en nog eens verhalen vertellen - ik kende half Pinocchio uit mijn hoofd. Vervolgens ben ik
de hele boel met stotteren gaan saboteren. En inmiddels is het een onvervreemdbaar onderdeel van mezelf geworden; een zelfcontinuerend mechanisme - net als mijn alcoholisme.
Ik ben echt gaan drinken toen ik het ouderlijk huis verliet. Dat was pas op mijn tweeëntwintigste. Het losmaken van thuis ging nogal moeizaam.
Op mijn zeventiende raakte ik bijzonder geïnteresseerd in literatuur. En kort daarna kwam de muziek erbij. Er ontbrandde in mij een strijd tussen de letterkunde en de toonkunst. Uiteindelijk koos ik voor de muziek en ik ging naar het conservatorium. Geleidelijk aan is de letterkunde weer bij mij binnengelopen. Ik vertaalde, puur voor mijn eigen plezier, een roman van Gide. En langzamerhand gleed ik de taal weer in. Het had op een gegeven moment voor mij geen zin meer om die pianostudie af te maken - ik stak te veel tijd in lezen. Dat had ook wel iets smartelijks; tenslotte had ik die droom gehad om ooit een klavierleeuw à la Casadesus te worden. En het was ook moeilijk, omdat mijn vader die conservatoriumopleiding van mij steeds betaald had, met al dat harde werken van hem - wat ik deed, ervoer hij beslist als een trap na. En mijn moeder vond het ook verschrikkelijk.
Op die wijze kon ik eindelijk uiting geven aan de haat die ik ook jegens mijn ouders koesterde, naast een grote liefde en loyaliteit.
Ik ging in een inloopboekhandel werken, aan het Amsterdamse Damrak. Daarna ben ik tekstschrijver geworden bij een reclamebureau. Er stond een advertentie in de krant: “Creatieve schrijvers gevraagd door gerenommeerd reclamebureau”. Ik had geen flauw idee wat dat was; ik had nog nauwelijks geschreven. Ik wist niet eens wat een reclamebureau inhield - maar ik werd aangenomen. En vervolgens heb ik daar anderhalf jaar fulltime gewerkt. Ik was goed. Ik vond het een nuttige uitdaging om me precies te realiseren wat ik wilde gaan opschrijven, en dat dan vervolgens zo bondig mogelijk te formuleren. Nu nog steeds ervaar ik die periode als een goede leerschool. Mijn beste slogan was, geloof ik, voor Chocomel: “Zie je wel - Chocomel, dáár zit pas chocola in!” Van merknaam was Chocomel soortnaam geworden, en ze moesten weer terug - vandaar die nadruk op chocolade.
Voorts ben ik Portugees gaan studeren. Ik was toen vijfentwintig jaar. En tegen het einde van die tienjarige studie ging ik mijn vertalingen eindelijk publiceren. Tot dat moment had ik al heel wat vertaald, maar dan alleen voor mijn privé-genoegen.
Bovendien schreef ik ook voor mezelf; vanaf '56 hield ik dagboeken bij. Dat schrijven kwam zo ongeveer gelijk met de lust tot vertalen, en al tijdens mijn eerste bezoek aan Brazilië schreef ik reisbrieven, die veel later het licht zouden zien als Braziliaanse brieven.
Mijn eerste buitenland was Frankrijk. Daarna kwam Spanje, als over-
treffende trap - die ruimte, die vlakte, die droogte, dat woestijnachtige. En dat alles vond ik nog eens vergroot in Brazilië.
Mijn passie voor Brazilië is ook een haat-liefde. Dat land geeft me zo'n groot gevoel van vrijheid. Tegelijkertijd is het zo moeilijk om daar alleen te zijn. De Brazilianen zitten ontzettend dicht op elkaar. Ze willen voortdurend iets met elkander doen, men moet permanent met iemand naar een of andere gelegenheid, ze zijn de godganse dag aan het telefoneren, afspraken maken - daar kan ik niet zo goed tegen. Het zijn aardige, lieve, hartelijke mensen, maar ze ergeren me ook ontzettend.
Het kost mij überhaupt zo'n ongelooflijke moeite om op mezelf te zijn. Ik heb dat ook nog geprobeerd in de Sahara - maar juist daar bleek het verschrikkelijk moeilijk. Want het ergste wat een mens daar kan overkomen, is dat hij geheel op zichzelf komt te staan. Ik was daar gedurende vijf weken, in '71. En ik had voortdurend minimaal vier Marokkanen in mijn auto. Die lui bleken ook steeds ergens heen te moeten, ze hebben allerlei ingewikkelde verplichtingen, zoeken permanent contact met elkaar. En daar werd ik uiteindelijk ook weer totaal gek van.
Ik wil gewoon zoveel met mensen omgaan als ik zelf wil.
Met dat stotteren reguleer ik mijn contact; en met de drank doe ik in wezen hetzelfde - het kost mij zo veel moeite om mijn contact met de buitenwereld naar believen te regelen.
Vandaar ook dat ik me zo happy voel in de Bijlmer. Ik kan naar mensen toe als ik daar zin in heb - maar ze komen niet zo gauw op bezoek.
Mijn diepste angst en weerzin geldt: het ouwehoeren. Ik wil niet lastiggevallen worden.
Wanneer ik niets om handen heb, kan ik het leven maar moeilijk hanteren.
Toen ik aan die vertaling van Diepe wildernis. De wegen werkte, leidde ik, ondanks de zware en lange arbeid, een heel gemakkelijk leven. Zodra die klus geldaard was, sloeg het leven meteen weer onbarmhartig chaotisch toe. Op zulke momenten kan ik het niet meer zo goed aan: dan wil ik ook wel weer aan de drank raken. Dan heb ik het gewoonweg niet meer in de hand.
Het gaat allemaal in principe over de hartstocht - misschien is dat wel het allesoverheersende thema in mijn werk. Daar is indertijd ook mijn interesse in de muziek mee begonnen: opera, die passie. En dat zo precies mogelijk weer te geven, in een vorm te gieten - dat is mijn hartstocht. Of liever gezegd: het hanteerbaar maken ervan. De hartstocht in banen leiden, stileren. Gestileerde hartstocht.’