Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Hoëvell, Wolter Robert baron van]

HOËVELL (Wolter Robert baron van), beroemd Oost-Ind. predikant, schrijver en kamerlid, 15 Juli 1812 te Deventer geb., broeder van den voorg., en 10 Febr. 1879 te 's Gravenhage overl. Hij studeerde te Groningen in de theologie, nam als vrijwillig jager aan den Tiendaagschen veldtocht deel, beantwoordde in 1835 een te Utrecht uitgeschreven prijsvraag over Flavius Josephus, waarvoor hij met goud bekroond werd, en promoveerde Sept. 1836 ‘summa cum laude’ op een dissertatie over De éénheid der Kerk volgens Irenaeus. Na 23 Sept. 1836 in het huwelijk getreden te zijn met Abrahamina Johanna Trip (overl. 9 Jan. 1888), begaf hij zich nog in Nov. van dat zelfde jaar op raad van zijn oom, baron van der Capellen, als predikant naar Indië, waar hij de volgende elf jaren van zijn leven ijverig werkzaam is geweest, zoowel in 't belang der aan hem toevertrouwde gemeenten van Batavia en omliggende plaatsen als voor meer algemeene belangen (Bijbelgenootschap, zendingswerk, wetenschappelijke reizen, geheel Java, Madoera en Bali). In 1841 richtte hij met anderen te Batavia het Tijdschrift voor Nederl. Indië op, waarvan hij tot 1863 redacteur gebleven is. Ook was hij lid en jaren lang president van het Bataviaansch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Tweeërlei doel stond hem voor den geest: uitbreiding der kennis, die men in zijn tijd van Indië had, en ontwikkeling en bevrijding der inlandsche bevolking. Zijn leven lang heeft hij gestreden voor de rechten van den Javaan als mensch; ter bestrijding van onrecht en verdrukking, van slavernij en privileges heeft hij al zijn talenten als redenaar, dichter en schrijver aangewend zooveel in hem was, op Java en in Nederland. Want diep ging van Hoëvell gebukt onder het besef, dat Nederland jegens de bevolking zijner overzeesche bezittingen zijn plichten niet vervulde, dat Java niet Janger bestuurd mocht worden ten bate onzer schatkist en dat de inlanders aanspraak hadden op een menschwaardiger bestaan. Veel moeite heeft hij zich door den strijd voor deze overtuiging op den hals gehaald: een predikant, die zich met de politiek bemoeide, was in veler oog ondraaglijk. Maar ten slotte heeft zijn zaak gezegevierd. Van Hoëvell is een van de scheppers geworden der liberale koloniale politiek. In 1849 uit Indië teruggekeerd (wegens een berisping van regeeringswege), werd hij nog in den loop van datzelfde jaar in Nederland tot lid van de Tweede Kamer der Stat.-Generaal gekozen, wat hij ruim 13 jaar gebleven is (Nov. 49 tot Aug. 50, als afgevaardigde voor 't hoofdkiesdictrict Zalt-Bommel, en van Oct. 50 tot Juli 62 voor 't distr. Almelo). Evenals hij in Indië zijn toehoorders had weten te boeien, hetzij hij predikte in 't maleisch of hollandsch, zoo hingen vaak ook in het nederlandsche parlement zoowel zijn medeleden als de bezoekers der tribune aan zijn lippen, wanneer hij hier met zijn aangeboren redenaarstalent de indische toestanden uiteenzette.

[p. 1129]

Van de warmte en gloed, waarmee hij sprak, getuigen nog de vier deelen Parlementaire Redevoeringen, door hem nagelaten en 1862-66 uitgegeven. De schoonste getuigenis omtrent de heilzame gevolgen die v.H.'s strijd tegen de misbruiken in Indië heeft gehad werd wel door een zijner felste tegenstanders in de Kamer afgelegd, toen deze zeide dat het moeilijk voor iemand zou zijn zooveel kwaads aan Indië te berokkenen als er goeds door hem tot stand was gebracht. Naar veler oordeel had van Hoëvell met de portefeuille van Koloniën beloond moeten worden, toen in 1862 het 2e ministerie Thorbecke optrad. Hij werd 1862 lid van den Raad van State.

Talrijk zijn de geschriften door v.H. nagelaten. Hier volgen naar tijdsorde de voornaamste ervan: Harpe en Psalter, verzameling v. christelijke liederen, naar het duitsch van Spitta (1837); Geschiedkundig overzicht van de beoefening van kunsten en wetenschappen in Neerl. Indië (1839); Episode uit de geschiedenis van Neerl. Indië (1840); Nederland en Bali, een stem uit Indië enz. (1848); Bedenkingen tegen de mededeeling van den minister van Koloniën aan de 2e Kamer omtrent den verkoop van landen op Java (1849); Beschuldiging en veroordeeling in Indië en rechtvaardiging in Nederland, een zelfverdediging (1850); De drukpers en de Javanen (1851); Tochten van een Engelschman door den Indischen Archipel, voor nederlandsche lezers bewerkt (1853, 2 dln.); Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (1854, 2 dln.); Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847 (1850-54, onvoltooid); Uit het Indische leven (1860), door Lina Schneider onder het pseudoniem W. Berg in 't duitsch vertaald; Parlementaire redevoeringen over koloniale belangen (1862-66, 4 dln.).

Zie: P.J. Veth in Eigen Haard 1879, 171 en Ned. Spectator 1879, 90; G.H. van Soest in Mannen van beteekenis 1879, 199 en Tijdschr. Ned. Indië 1879, II, 1.

Zuidema