|
|
|
| |
Het uiterlijk van Menno ter Braak
Ik zag Ter Braak voor het eerst in oktober 1936 bij de crematie van Slauerhoff te Driehuis-Westerveld. Ik ging daat naar toe omdat Slauerhoff mijn lievelingsdichter was en zijn dood mij erg had geschokt. Ik herkende van hun portretten Roland Holst (in gezelschap van een donkere vrouw met wie hij geen woord wisselde en die hij op een meter afstand hield, een afstand juist groot genoeg voor de mythologisering van de erotiek, heb ik eens geschreven), Halbo Kool, Van Duinkerken, Ter Braak en Engelman. Na afloop gingen Ter Braak en Engelman samen naar de spoorhalte vlakbij. Engelman liep links van Ter Braak, was veel kleiner en dribbelde, in mijn herinnering. Hij voerde het woord en het leek of hij voortdurend grapjes vertelde. Ter Braak luisterde en lachte. Ik vond het sympathiek dat zij niet met lange gezichten van die crematie kwamen, niet het minst van Engelman die zich, als katholiek, toch zorgen moest maken over de plaats waar de ziel van Slauerhoff terecht was gekomen. Ter Braak zag er keurig uit, onartistiek en onburgerlijk tegelijk, en eigenlijk zoals ik mij hem had voorgesteld. Hij was lang, maar leek niet langer dan ik, zonder een spoor van slungeligheid, met iets gedecideerds en nadenkends tegelijk.
Pas in 1939 ontmoette ik Ter Braak werkelijk. Ik logeerde in Den Haag, had kennis gemaakt met Fred Batten, Rudie van Lier, Kennie van Schendel, Adriaan van der Veen, en ging op een avond naar de lezing van Hoornik over Greshoff als moralist, ter gelegenheid van de Greshoff-tentoonstelling in de Haagse Bijenkorf. Ik bewonderde de moed van Hoornik om een lezing te houden en dan nog over zoiets als een moralist. Van de lezing zelf herinner ik mij alleen het accent van Hoornik, dat ik voor Amsterdams hield. In de pauze ontstond
| | | |
een geweldig gedrang van mensen die elkaar al kenden of zich met alle geweld aan elkaar wilden voorstellen. Ik kwam tegenover Lehmann te staan, die juist in Werk had gedebuteerd, een sportieve figuur, met dezelfde afgepaste bewegingen en starende blik, waardoor hij ook nu nog op het eerste gezicht en bedrieglijk kan worden getypeerd. Na afloop gingen wij met een klein gezelschap naar Riche. Ter Braak was daar ook bij en op zeker ogenblik kwam hij naast mij staan en zei mij dat hij mijn bespreking van Mephistofelisch in Den Gulden Winckel het beste had gevonden wat erover geschreven was. Ik was door die opmerking niet alleen gevleid maar ook geschokt. Ze kwam mij ongeloofwaardig voor, niet omdat ik Ter Braak ervan verdacht een vriendelijke onwaarheid te hebben gezegd, maar omdat ik mij niet kon voorstellen dat niemand er niet beter over geschreven zou hebben. Pas later, en eigenlijk veel later, bedacht ik dat het waarschijnlijk maar al te waar was en dat Ter Braaks opmerking karakteristiek was voor het isolement waarin hij en Du Perron zich moeten hebben gevoeld. En toen begreep ik ook zijn belangstelling en toenadering juist voor jonge mensen van wie hij waarschijnlijk iets verwachtte.
Lehmann, die in het café bezig was een gedicht te schrijven (hij had twee regels en de idee voor een derde, zei hij heel praktisch, toen ik hem ernaar vroeg), liet tekeningen van naakte vrouwen circuleren die hij had gemaakt. Ter Braak keek er even naar en merkte toen op dat hij de vrouwen wel erg ondoorvoed vond. Wij spraken over Nietzsche en Kafka en Ter Braak liet mij een nog ongepubliceerde foto van Kafka zien die hij van Dora Diamant, de vriendin van Kafka, had gekregen. Hij had haar, op doorreis in ons land, gesproken en ik vraag mij nu af of dat gesprek niet in Het Vaderland heeft gestaan. Ter Braak maakte ook opmerkingen over het uiterlijk van enkele van de jongelui. De een typeerde hij als de kruising van een spook en een witte muis, de ander als een zuigende witte muis. Ik hoorde voor het eerst het soort opmerkingen dat ik later van schrijvers vaak zou horen. Een aankomende auteur zei bij voorbeeld dat hij het essay over Kafka waar hij mee bezig was, nu eens zou afmaken, alsof hij al jarenlang met dat essay worstelde. Hij heeft het bij mijn weten nooit afgemaakt en worstelt er misschien nu nog mee.
Tijdens ons gesprek bleef Ter Braak naast mij staan, in een nomadische houding, zou je kunnen zeggen, bereid elk ogenblik op te stappen, wat hij ook spoedig deed. Zijn houding was los, niet nerveus, kwam het mij voor, met een zekere gereserveerdheid waarvan ik voel- | | | | de dat ze niet met opzet tegen mij was gericht, maar bij hem hoorde. Zelfs wanneer Ter Braak tegen mij sprak, zag hij mij niet recht in het gezicht, maar keek half langs mij heen. Misschien deed hij het ook wel om de ander op zijn gemak te stellen, uit een soort respect voor de intimiteit van de ander, waarin tegelijk besloten lag dat hij zijn eigen intimiteit niet gemakkelijk prijs gaf. In elk geval stelde ik juist daardoor zijn vertrouwelijkheid, die evident was, des te meer op prijs.
In 1939 of 1940 was er sprake van de publikatie van een tweede dichtbundel van mij als cahier van De Vrije Bladen waarvan Ter Braak redakteur was. Ter Braak schreef mij erover, nadat ik hem het manuskript had gestuurd, waarop hij allerlei aanmerkingen had. Hij schreef mij ook dat hij bereid was met mij daarover te praten en naar Haarlem te komen, waar ik hem dan zou ontmoeten. Ik woonde nog altijd in IJmuiden. Van die ontmoeting is niets gekomen, misschien door de mobilisatie, misschien doordat ik voor het eerst een baantje had gekregen. Misschien ook omdat ikzelf niet erg tevreden over die dichtbundel was en liever wou wachten totdat ik meer gedichten had om uit te kiezen. Ik liep rond met het plan te gaan studeren, nadat ik aanvullend staatsexamen had gedaan. Ik was met de oude talen vrij ver gevorderd. Maar omdat ik mijn studie nooit zelf zou kunnen betalen, wilde ik proberen een beurs te krijgen. Ter Braak verklaarde zich bereid mij voor een beurs aan te bevelen, samen met Donkersloot (de suggestie om een beurs aan te vragen kwam van hem, meen ik) en Van Schendel. Begin maart, toen ik in Den Haag was en bij Fred Batten logeerde, zou ik op een zondag met Ter Braak over die studie praten. Fred Batten had de afspraak voorbereid. Toen ik bij Ter Braak kwam, in de Kiplaan, voelde ik mij allesbehalve uitgeslapen. Ik had tot diep in de nacht met Fred Batten zitten praten, dwz. Fred had gesproken en ik had geluisterd totdat ik bijna was verstijfd. Toen Ter Braak mij binnenliet en mij meenam naar zijn studeerkamer op de eerste verdieping gonsden mijn oren en deden mijn ogen mij pijn. Ter Braak, gewassen, geschoren en met dezelfde zorgvuldigheid gekleed als de vorige keren dat ik hem had gezien, zat tegenover mij aan zijn schrijftafel. Ik zou niet kunnen zeggen hoe zijn studeerkamer er uitzag. Ik herinner mij in hoofdzaak ons gesprek, waarschijnlijk omdat wij helemaal niet over mijn studie spraken, waarvoor ik toch gekomen was en waarover ik niet zelf durfde beginnen. Ter Braak sprak vol lof over Onweer, de novelle van Vasalis, die hij drie keer gelezen had. In gedachten ver- | | | | wonderde ik mij daarover. Ik herlas, behalve gedichten, weinig boeken. En Ter Braak, bij alles wat hij al las! Hij liet mij foto's van Vestdijk zien, die later gepubliceerd werden, Vestdijk met gemilimeterd haar, als een gevangene. Ter Braak liet zich erg kritisch uit over Hoornik: dezelfde kul waartegen Forum zich had verzet en die nu weer in een andere vorm terugkeerde. Al sprak Ter Braak niet ironisch, ik hoorde in wat hij zei toch voortdurend een ondertoon van ironie, de enige waarop men over het literaire leven en zoveel andere zaken kan spreken. Hij bewoog zich telkens een beetje op zijn stoel. Ik dacht dat hij zich misschien verveelde, omdat ons gesprek te algemeen bleef. Later bedacht ik dat zijn rusteloosheid waarschijnlijk te maken had met de toestand waarin wij toen leefden, de oorlog tussen Duitsland en de Geallieerden, de dreigende inval in Nederland. Zo verliep ons samenzijn dat misschien anderhalf uur duurde en waaraan een eind kwam door de komst van Fred Batten. Ter Braak liet ons uit. Beneden kwamen zijn poezen naar hem toe, angora's. Ik aaide de ene poes, omdat ik zelf thuis altijd poezen had gehad. Ter Braak nam de andere, de schuwe, op zijn arm, wiegde hem, zei ‘ouwe jongen’. Hij leek ineens ontspannen.
Zonder dat Ter Braak op mij een oudere indruk maakte dan de leeftijd die hij had, had hij voor mijn gevoel toch ook iets gevestigds, waarbij mijn eigen doen en laten als erg jeugdig en geïmproviseerd afstak. Met gevestigd bedoel ik niet iets depreciërends. Ter Braaks gevestigdheid leek in niets op die van de gewone burgerman of intellektueel. Ze werd ook onmiddellijk gerelativeerd door wat hij zei, door de beweeglijkheid van zijn interesse en door zijn kritische instelling. Zonder echt slank te zijn bewoog hij zich als iemand die slank is, met een verende voetstap. Zijn gezicht was vol en vlezig, met duidelijk te onderscheiden ‘partijen’. Maar net als zijn gestalte werkte zijn gezicht niet zwaar of zwaarwichtig. Alles wat naar zwaarwichtigheid zweemde werd door de lippen tegengegaan, door de mogelijkheid dat die lippen zouden glimlachen, misschien nu nog niet, maar dan toch zeker straks, het volgende ogenblik. En ook de ogen hielden de zwaarwichtigheid in toom door hun melancholie, hun gereserveerdheid en door de grote kans dat de man die ermee keek geamuseerd zou zijn. En eigenlijk ook door iets vriendelijks. Toen ik lang na Ter Braaks dood het portret van Citroen in de gang van het Letterkundig Museum zag (en het was idioot dat ik Ter Braak daar nog eens tegen- | | | | kwam), vond ik wel een frappante gelijkenis, maar ook een moedwillige overdrijving van de monumentaliteit van het hoofd, en van iets aggressiefs en hooghartigs, dat Ter Braak tegenover mij geen ogenblik had gedemonstreerd. Zelfs de lorgnet, die bijna iedereen slecht stond en van bijna iedereen een soort leraar of droge geleerde maakte, deed geen afbreuk aan de levendigheid van Ter Braaks mimiek, die niet uitbundig maat gedempt was en met lichte nuances werkte.
1967
|
|
|