Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

5. De gedachte van de rijkseenheidaant.

De Indonesische hoogleraar en dichter G.J. Resink heeft in een aantal briljante publicaties die in de loop van enige jaren verschenen, en die in 1968 werden gebundeld, op afdoende wijze aangetoond hoe de gedachte aan een driehonderdjarig Nederlands koloniaal rijk op een mythe berust en dat er niet eerder dan in ongeveer 1910 sprake is van een volledig Nederlands-Indië; dat we voor de tijd daarvóór alleen spreken kunnen van ‘Inlandse staten in Indonesië’, die gedeeltelijk afhankelijk van Nederland waren, gedeeltelijk zelfstandig, zij het in de verschijningsvorm van de ‘Nederlands-Indische staat’. Er was vóór 1910 ook evenmin sprake van een Pax Neerlandica die voor geheel Nederlands-Indië geldt.

Als we ervan uitgaan dat elke mythe een pragmatisch karakter draagt en dus ‘ergens toe dient’, dan vragen we ons vanzelfsprekend af: waar kwam deze mythe vandaan en waartoe diende ze? Het antwoord luidt: de mythe van het driehonderdjarig koloniale rijk dateert uit de jaren twintig of eerder en staat in dienst van een staatkundige en politieke visie. Deze visie ging uit van de eenheid tussen de verschillende rijksdelen; Nederlanders en Indonesiërs hadden elkaar gelijkelijk nodig. Deze conceptie vinden we op indrukwekkende wijze uitgewerkt in het grote driedelige werk van De Kat Angelino. De denkbeelden

[p. 357]

van De Kat vormden een brede, hechte basis die aan de mythe inhoud moest geven. De verschijning van zijn werk maakte algemeen grote indruk en heeft ook zijn consequenties voor het regeringsbeleid gehad. Ze heeft gediend als een dwingende rechtvaardiging van het koloniale beleid dat economisch duidelijk vruchten afwierp; ze heeft ook vorm en richting gegeven aan de talrijke pogingen om tot een soort cultuur-synthese te komen. Rijkseenheid en cultuursynthese; het zijn woorden die we in de litteratuur van die tijd herhaaldelijk tegenkomen, op verschillende wijze geïnterpreteerd, maar uitgaande van een nauwe samenwerking tussen de bevolkingsgroepen, staatkundig en cultureel. Sommigen (of velen) voegden er echter iets aan toe, in gedachten of in woorden: het Europese leiderschap moest terwille van deze synthese voor onafzienbare tijd veilig gesteld worden. Het is ook de conclusie die H. Kraemer uit het werk van De Kat trekt in de meest uitvoerige en scherpzinnige analyse die over het boek bestaat. Dit besef van behoud - in meer dan één betekenis zelfs - leefde sterk in de Europese gemeenschap. ‘Wij willen Holland houen,’ zong men in de sociëteit De Harmonie te Batavia, ‘en Indië daarbij.’

Voorzover in de geschiedenis feiten en gebeurtenissen altijd in elkaar grijpen en altijd met elkaar gerelateerd blijven, kunnen we met enige goede wil zeggen dat de denkbeelden van staatkundige verbondenheid en culturele synthese zonder de ethische koers ondenkbaar zouden zijn geweest. We zouden haar zelfs als een verlengstuk daarvan kunnen zien, maar dan maken we ons schuldig aan vervaging van begrippen en gaan we met onze terminologie de mist in. Het is beter vanaf het begin van de jaren twintig niet meer van een ethische koers te spreken, als we tenminste wensen vast te houden aan het criterium van de ‘ethische impuls’. Het is juist deze ethische impuls die langzamerhand wordt vervangen door de ‘impuls van het behoud’ dat door de synthesegedachte versluierd wordt. De werkelijkheid is uiteraard gecompliceerder en genuanceerder en minder antagonistisch. Toch vindt deze tegenstelling genoeg rechtvaardiging in de staatkundige werkelijkheid en genoeg aanrakingspunten om mee te gaan met de redenering van J.E. Stokvis in een reeks artikelen in De Locomotief van januari en februari 1915, die schreef dat de ethische koers maar een kort leven had gehad en in 1915 feitelijk over haar hoogtepunt heen was. Het is de vraag of Stokvis haar niet al te snel laat doodlopen en of ze niet ten-

[p. 358]

minste tot de jaren twintig doorgewerkt heeft tijdens het bewind van de ethische Gouverneur-Generaal Van Limburg Stirum. Kort daarop heeft de regering echter duidelijk haar beleid omgebogen door de benoeming in 1921 van mr. D. Fock tot gouverneur-generaal.

Na Fock kwam in 1926 weliswaar De Graeff, een man met ethische principes, maar geen figuur die in staat was tegen de sterke stroom van vaderlandse oppositie op te roeien. Hij werd tot schipperen gedwongen waardoor zijn figuur onduidelijk is geworden. In deze jaren werd De Stuw opgericht die in het algemeen een progressief beleid voorstond (de voornaamste figuur was Van Mook). Haar streven werd tijdens De Graeff met belangstelling gevolgd, in ieder geval niet negatief beoordeeld; men hield rekening met de mening van de Stuw-groep (bestaande uit een aantal Bataviase hoogleraren en hoge ambtenaren), maar na 1931, als De Jonge tot gouverneur-generaal wordt benoemd, is het ethicisme als richtsnoer voor het regeringsbeleid voorgoed voorbij. De Jonge moest niets hebben van de achteraf bezien zeer gematigde progressieve denkbeelden van De Stuw die hij als ‘hyper ethisch’ kwalificeerde. Onder zijn gouverneur-generaalschap voltrok zich de volledige breuk met de nationalisten. De Rijkseenheidsgedachte die hij voorstond verhief hij tot een toekomstvisie voor nog eens zoveel honderd jaar.

Stokvis stelde in zijn teleurstelling over de betrekkelijk geringe resultaten van de ethische richting voor de bevolking, de bureaucratie hiervoor verantwoordelijk. Gaf het bedrijfsleven aanvankelijk zijn fiat en medewerking aan een progressief beleid, het bestuur, zegt Stokvis, heeft zich van den beginne af aan bedreigd gevoeld. Een symptoom voor de ongerustheid onder het B.B. en in het algemeen onder de Europeanen over het ethische beleid van Gouverneur-Generaal J.P. van Limburg Stirum en A.C.D. de Graeff zijn de Memoires (1955) van de oud-resident en oud-gouverneur M.B. van der Jagt. Zijn boek is één doorlopende kritiek op het ethisch beleid. Hij protesteert tegen alle nieuwlichterij, tegen alle bestuurshervormingen, kortom tegen alles wat de macht van het B.B. in zijn ogen tekort doet. Alleen het B.B., meende hij, dat voortdurend in aanraking was met de bevolking, wist wat in haar omging; alleen dit kon beoordelen hoe niet alleen bestuurd maar óók hoe geregeerd moest worden. Onder Van Limburg Stirum kreeg Van der Jagt weinig kans; toen Fock kwam, werd hij bij keuze

[p. 359]

tot resident benoemd. Hij kwam later ook in de Volksraad. Daar hield hij tweemaal een ‘donderrede’ (om zijn eigen woorden te gebruiken) tegen het Indonesische nationalisme. Een van die redevoeringen is in extenso in zijn boek opgenomen. Politiek mag hij dan weinig vérziend zijn geweest, hij was een voortreffelijk bestuurder die zijn gebied door en door kende en die ook uitstekend met het Inlands bestuur kon samenwerken. Maar dat een goed bestuurder nog geen man van allure behoeft te zijn, blijkt uit deze Memoires. Er komt een weergaloos ijdele man uit naar voren (die een afzonderlijke map aanlegt met ‘Loftuitingen’) en die zonder enig gevoel voor de grenzen van zijn kunnen, blijkbaar meent ook Litteratuur te kunnen produceren, maar intussen de afschuwelijkste clichés neerschrijft. Slechts enkele voorbeelden: ‘Luna stond reeds hoog aan het smetteloos azuur’ of ‘vóór mij steeg de volle maan, snel oprijzend boven de kim, weldra zwevend in de aether, uitgietend haar magisch licht’ of (over de na-oorlogse regering) ‘Het zal van de Nederlandse regering afhangen, of zij, terugkerende op de weg der dwaling en decadentie, de driekleur zich ginds tot nieuwe luister en roem zal doen ontplooien ...’ (de zin is letterlijk geciteerd).

Van der Jagt spreekt in zijn boek telkens over recht en plichtsbetrachting, over trouw en onkreukbaarheid en altijd in samenhang met ‘rust en orde’. Welvaart, rust en orde waren onverbrekelijk met elkaar verbonden. Ze stonden ook gegrift in het thans gesloopte Van Heutsz-monument in Djakarta. De welvaart was er; rust en orde waren de noodzakelijke voorwaarden ter bestendiging daarvan. Er leek geen enkele aannemelijke reden deze orde te verstoren. Het economisch leven was na een korte inzinking tot ongekende bloei gekomen. In de jaren twintig zag de verhouding tussen Indië en het moederland (men sprak uitdrukkelijk van moederland om de band te karakteriseren) er bijzonder opwekkend uit. De economische expansie was zo uitbundig dat aan de juistheid van het beeld van twee communicerende vaten niet te twijfelen leek. Het was een tijd van grote verwachtingen en een groot optimisme. Men behoeft er de publicaties maar op na te zien: een toon van diepe voldoening valt overal te beluisteren: ‘hecht verbonden in lief en leed.’

Van een geheel ander beginsel en van een geheel ander standpunt ging de nationalistische beweging uit; zij wilde vrijheid en zelfstan-

[p. 360]

digheid. Het hele proces van communicatie tussen moederland en koloniën, verklaarde ze, ging buiten haar om; het was een Nederlandse aangelegenheid, waar de bevolking slechts zijdelings en passief bij betrokken werd. De Nederlandse leiding stond voorop; ze was voor de regering geen punt van discussie, voor de Indonesische leiders was ze dit wél. Een samenwerking op grond van de rijkseenheidsgedachte sprak de nationalisten niet aan. Individueel en institutioneel was er op een bepaald niveau wel contact tussen Nederlanders en Indonesiërs, voor een werkelijke samenwerking ontbrak echter de ideologische en politieke basis.

Wat in Indië zelf door de koloniale verhoudingen nauwelijks of niet mogelijk was, voltrok zich wel in Holland: een samengaan dat - al was de ethische koers verlaten - toch ondenkbaar zou zijn geweest zonder de ethische richting. Het steunde op een saamhorigheidsbesef dat uitging van een driehonderdjarige lotsverbondenheid van twee volkeren. De samenwerking werd van Nederlandse zijde vooral gezocht bij de Indonesische prijaji-groep, de ambtsadel, de regenten en vorsten en bewoog zich vooral op cultureel gebied. Een andere wijze van samenwerking tussen Nederlanders en Indonesiërs manifesteerde zich onder de studenten. Reeds in 1918 werkte een aantal Nederlandse en Indonesische studenten samen in een verbond dat de politieke en staatkundige onafhankelijkheid van Indonesië in haar programma had opgenomen. Ze betrof echter niet meer dan een zeer kleine groep. Het verschijnsel is echter curieus genoeg, vooral als men het vroege tijdstip in aanmerking neemt. Ook de vereniging van Indonesische studenten in Nederland, de Perhimpoenan Indonesia (de ‘club van Hatta’), die op het politieke leven in Indonesië zelf grote invloed heeft gehad, had vele persoonlijke contacten in links-radicale kringen.

De rijkseenheidsgedachte vond in het algemeen meer weerklank onder de Nederlanders. Ze leefde sterk in de jaren twintig. Ze was zelfs bepalend voor de algemene stemming tegenover de kolonie die een belangrijker plaats in het gedachtenleven van de Nederlander ging innemen dan tevoren. Het aantal Nederlanders dat met de kolonie te maken kreeg, werd van betekenis in het Nederlandse leven; de welvaart in Indië werd ook in Nederland zichtbaar. Het denkbeeld dat men elkaar nodig had was algemeen. Er werden verenigingen opgericht, tentoonstellingen georganiseerd en bijeenkomsten belegd; hoge

[p. 361]

Indonesische gasten werden officieel door de Koningin ontvangen. Het grote monument van de rijkseenheidsgedachte werd het stenen paleis in Amsterdam waar het Koloniaal Instituut gevestigd werd, het huidige Instituut voor de Tropen. De plannen waren van het bedrijfsleven uitgegaan - zoals in die tijd van particulier initiatief te verwachten was - de regering verleende een - althans naar onze tegenwoordige begrippen - beperkte steun. De bouw begon in 1913, stagneerde tijdens de eerste wereldoorlog en werd in 1919 hervat. In 1924 en 1925 werd het gebouw gedeeltelijk in gebruik genomen; in 1926 was het voltooid. Het was een symbool geworden van de koloniale rijkdom, zowel materieel als geestelijk. In de constructie en de rijke versiering had men Oosterse motieven verwerkt; de wandschilderingen moesten van voorspoed, idealisme en samenwerking getuigen.

De sterke economische opleving deed ook in Indië de behoefte ontstaan aan representatieve gebouwen voor banken en handelmaatschappijen; het toenemend aantal Europeanen maakte in de grote steden de aanleg van nieuwe wijken noodzakelijk, zoals Gondangdia in Batavia, het heuvelterrein Nieuw Tjandi in Semarang, Goebeng en Darmo in Surabaja; Medan werd zelfs gemetamorfoseerd tot een nieuwe stad. De ‘moderne Europese bouwkunst’ kreeg een kans. Het architectenbureau Cuijpers en Hulswit begon zelfs een rijk geïllustreerd tijdschrift uit te geven, Het Indische huis, oud en nieuw. In het eerste nummer van januari 1913 wordt het doel uiteengezet: de ontplooiing van de Europese bouwkunst ‘door een ernstige studie van het schone der oude Inlandse cultuur’. Men vindt er bijdragen in over de woningen der Dajaks, over het Buginese huis, over Inlandse kunstnijverheid, over Javaanse bouwkunst naast rijk geïllustreerde artikelen over nieuwe gebouwen als dat van de Javase Bank, van de Nederlandse Handelmaatschappij, van het Hotel des Indes, van de Hongkong and Shanghai Banking Corporation enzovoorts.

Een gelijksoortige ontwikkeling deed zich in het kunstleven voor. De nieuwe blanke toplaag in de steden begon andere eisen te stellen aan de kunstbeoefening en de kunstwaardering dan de Indische samenleving uit tempo dulu voor wie het gezellige verkeer in de eerste plaats kwam. De strijd die Otto Knaap omstreeks de eeuwwisseling fel en persoonlijk gevoerd had tegen dilettantisme en beunhazerij kunnen we zien als het eerste teken van de veranderingen die komen zouden. Hij-

[p. 362]

zelf heeft het - we weten het reeds - moeten afleggen (‘Wie breekt met sleur en conventie wordt zelf gebroken’).

Intussen had in 1902 een groep Bataviase notabelen - ambtenaren en particulieren - een Kunstkring opgericht die zich in de eerste plaats met de verwaarloosde beeldende kunst zou bezig houden. Ze bleek na een nogal teleurstellend begin (de dagbladen noemden de initiatiefnemers vergoeilijkend ‘idealisten’) genoeg levenskracht te bezitten om in de volgende jaren uit te groeien tot een soort cultureel centrum zoals er eerder nog nooit in Indië geweest was. Het is de niet geringe verdienste van de Kunstkring geweest dat ze de kunst uit de sfeer van het amusement wist te halen en binnen de kring van een serieuze aandacht bracht. Daarmee voldeed ze aan de behoefte van de ‘nieuwe elite’. En al was de Kunstkring voorlopig alleen nog maar mogelijk in een stad als Batavia, de mogelijkheid van haar bestaan was symptomatisch voor de veranderingen in de structuur van de Europese samenleving: de ‘losgelaten bourgeois’ van Bas Veth werd in de toplaag langzamerhand verdrongen door de ontwikkelde Europeaan met culturele behoeften.

Het ontbrak de Kunstkring niet aan belangstelling, zelfs niet aan officiële belangstelling. Financieel moest ze het echter van het bedrijfsleven hebben en van particulieren. Deze deden belangrijke schenkingen en het waren ook niet in de eerste plaats de financiële beperkingen die de activiteiten remden. De vraag was elke keer weer: wat moest men doen? Zodra men westerse kunst naar Indië wilde brengen stond men voor onoplosbare problemen. In de eerste plaats was er geen redelijke expositieruimte en verder bleek dat men in Holland niet bereid was de risico's te dragen verbonden aan het vervoer van collecties van enige omvang en betekenis. De Kunstkring moest roeien met de riemen die ze had, dat wil zeggen ze moest terugvallen op hetgeen er in Indië zelf was of zich op andere wijze behelpen. We moeten het bestuur nageven dat het hierin een vooruitstrevend beleid voerde. In het Rembrandt-jaar 1906 organiseerde het een tentoonstelling van reprodukties van het werk van Rembrandt die in Europa aangekocht waren en liet deze, voorzien van een toelichting, over enkele Indische steden circuleren. Hetzelfde gebeurde met kopieën van antiek-Romeinse bronzen (in 1907). Tentoonstellingen van westerse kunst uit particulier bezit (in 1904 en 1906) bleken te weinig niveau te hebben. Grotere artistieke mogelijkheden boden exposities van Oosterse kunst. Het eerste grote

[p. 363]

succes was een tentoonstelling van Chinese kunst in 1904 (compleet met gedrukte catalogus, samengesteld door Henri Borel), gevolgd door andere: van Indonesisch koperwerk (1912), van Balische kunst (1916) en van Japaraas houtsnijwerk (1921). Bovendien pasten tentoonstellingen als deze geheel bij de gedachte van de rijkseenheid met de droom van een synthese tussen Oost en West. Het bestuur was hiervan doordrongen.

Dank zij donaties van banken en handelshuizen en faciliteiten van de zijde van het gouvernement, kon de Kunstkring in 1914 een eigen gebouw betrekken dat in de nieuwe Europese buurt Gondangdia kwam te staan. Voorzitter was toen de bekende architect en schilder P.A.J. Moojen die zelf het ontwerp had gemaakt in een ietwat logge ‘moderne stijl’. Bij de opening droeg de dichter Jan Prins in tegenwoordigheid van de gouverneur-generaal en alle denkbare autoriteiten een eigengemaakt gedicht voor dat uiting gaf aan de zeer verheven gedachten die men toen blijkbaar koesterde:

 
Wie eens de Schoonheid onbevangen heeft aanschouwd,
 
Die gaat aan haar genot zich telkens weer te buiten.

Inmiddels waren in Bandung en andere steden kunstkringen opgericht die met de Bataviase samenwerkten. In 1916 kwam het tot de oprichting van een Bond van Nederlandsch-Indische kunstkringen. Met de totstandkoming van de Bond werden de activiteiten sterk uitgebreid, vooral door de uitzending van buitenlandse kunstenaars, in het bijzonder van musici. De nadruk kwam, dank zij de verbeterde communicatiemiddelen, hoe langer hoe meer te liggen op de westerse kunst. De algemene tendens van europeanisering van de samenleving weerspiegelde zich ook in de ontwikkeling van de Kunstkring. De activiteiten voltrokken zich geheel binnen de Europese gemeenschap. Enkele vooraanstaande Indonesiërs, meest hoge ambtenaren, waren lid, voor de rest stonden de Indonesiërs erbuiten. De jonge westers georiënteerde intelligentsia van nationalisten hield zich bewust ter zijde. De Kunstkring was geheel en al een Europese aangelegenheid die hen niet aanging en die net zo min tot hen sprak als de rijkseenheidsgedachte. Typerend is dat in de lange lijst van namen van bestuursleden, ereleden enzovoorts (die tot 1928 gaat) geen enkele Indonesische of Chinese

[p. 364]

naam voorkomt. In deze exclusiviteit weerspiegelde de Kunstkring de sociale verhoudingen in de kolonie.

Ook in Nederland was een en ander gaande. Op 3 mei 1899, twee jaren voor de bekende troonrede van 1901, werd in Den Haag de vereniging Oost en West opgericht. De directe aanleiding was een Nationale tentoonstelling voor vrouwenarbeid waarbij de Indonesische kunst goed en ruim vertegenwoordigd was. De belangstelling was groot, maar we doen er verkeerd aan haar uitsluitend in verband te brengen met een mentale en politieke verandering ten opzichte van de kolonie. Ze is niet los te denken van de ontwikkeling van de ‘moderne kunst’ in West-Europa met haar voorkeur voor ‘arts and crafts’, voor het handwerk en de toepassing van ornament en versiering. Symbool, versiering en uitdrukkingskracht - woorden die men in de beeldende kunst van die tijd telkens tegenkomt - ontdekte men volop in de Indonesische weef- en batikkunst, in de kunstnijverheid en het houtsnijwerk, kortom een rijkdom van zowel geometrische figuren als bladen rankmotieven waar de Jugendstil zo'n voorkeur voor had. In de eerste decennia van de twintigste eeuw drong de Indonesische kunst zelfs de Hollandse huiskamers binnen. Naast de porseleinen Japanse vazen (die men al had) plaatste men koperen schalen en soms zelfs een gong, compleet met stellage; tegen een beschilderd scherm met enige reigers erop en een bloesemtak, zette men een divan met een Sumbakleed erover; een batik diende steevast als draperie boven de schoorsteen.

Uit de vereniging Oost en West (waarvan de doelstelling veel ruimer was) werd de dochter Boeatan geboren die zich in het bijzonder bezig hield met het wekken van belangstelling voor Indonesische kunst door het organiseren van tijdelijke en permanente exposities. Intussen maakten talrijke kunstenaars hun bekende ‘kunstreis naar de tropen’: Berlage, Van Lelyveld, Poortenaar, Isaäc Israëls, Nieuwenkamp en niet te vergeten Louis Couperus.

In 1916 begon in Amsterdam een tijdschrift te verschijnen: Nederlandsch-Indië, oud en nieuw dat als een voortzetting in Nederland van Het Indische huis te beschouwen is, maar dat zich op veel breder terrein bewoog. In de redactie zaten dezelfde architecten Cuijpers en Hulswit naast enkele anderen waaronder de Javaanse dichter Noto Soeroto. Het tijdschrift dat jarenlang bestaan heeft, werd zeer luxueus uitgege-

[p. 365]

ven, op kunstdrukpapier, met talrijke illustraties en foto's. Een enkele keer nam men zelfs (uitstekend uitgevoerde) kleurenreprodukties op van bijvoorbeeld Batakse, Balische en Dajakse ‘ikat’'-doeken. Er was blijkbaar voldoende geld en voldoende belangstelling. In 1917 werd door anderen nog het weekblad Indië opgericht dat in wat populairder vorm dezelfde geest ademt van het vorige tijdschrift.