Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

6. Noto Soerotoaant.

Bij al deze nieuwe activiteiten komt men telkens de naam van Noto Soeroto (1888-1951) tegen. De eerste bijdrage die wij van hem kennen is een artikel waarin hij zich beklaagt over het vaak grievende oordeel van Nederlanders over de Javaan, zelfs in officiële rapporten. Hij was toen tweeëntwintig. Hij zou nog veel meer schrijven: gedichten, beschouwingen over Javaanse muziek, over Javaanse cultuur, over de verhouding tussen Oost en West, over Javaanse legenden, over hanegevechten, over wajang, over ‘Het schone Streven’, over de schilder Van Lelyveld, over Tagore, over ... zo kan men nog een hele tijd doorgaan. Overal treft men zijn bijdragen aan, in alle week- en maandbladen die ook maar iets met Indonesië te maken hebben, maar zijn grootste activiteit ontplooide hij pas toen hij een eigen tijdschrift kreeg. Het heette Oedaya, hetgeen zonsopgang betekent. Het eerste nummer verscheen in mei 1923. Het pretendeerde ‘onder geen invloed te staan van welke politieke partij ook, noch van enig particulier belang.’ De redactie, aldus Noto Soeroto zelf, liet zich uitsluitend ‘leiden door een opbouwende gedachte ten opzichte van de verhouding Nederland-Indonesië.’ ‘Rust, geleidelijkheid en natuurlijkheid, gesymboliseerd in een zonsopgang’, waren de richtlijnen waarmee het tijdschrift de opgang van Indonesië wilde dienen. Daar konden vele Nederlanders zich mee verenigen: 1. een positieve instelling in de verhouding tot Nederland, en 2. rust, geleidelijkheid en natuurlijkheid bij de ontwikkeling van Indonesië. Dat klonk geruststellend. Een middenpositie dus tussen de koloniale diehards en de Indonesische nationalisten. Maar soms geraakte hij in de knel. Dan had hij heel wat woorden nodig om zijn standpunt of handelwijze te verklaren of te rechtvaardigen. Hij slaagde daar niet altijd in. Politiek bleef hij een zwevende figuur, te zeer onderhevig

[p. 366]

aan invloeden en krachten van buiten. Een tijd lang prijkte zijn naam als die van vaste medewerker op het omslag van het zeer reactionaire weekblad De Rijkseenheid (zie over dit weekblad de Aantekeningen, blz. 628). Het was zelfs met enige moeite dat zijn vrienden hem ertoe wisten over te halen zijn medewerking op te zeggen. Hij maakte als politicus de indruk nogal naïef te zijn. Toch kunnen we niet zeggen dat zijn politieke opvattingen in de lucht hingen; daarachter of daaronder had hij een hele ideologie geschoven. Hij was veel meer een denker, een peinzer, een filosoof kan men bijna zeggen, maar in ieder geval een cultuur-idealist die telkens in de wolken verdween als men wilde weten waar hij zich precies bevond. Maar dat behoefde voor vele van zijn vrienden geen bezwaar te zijn. Zijn optreden en zijn ongrijpbaarheid pasten geheel bij de ontwikkeling van de westerse kunst na 1900, met haar behoefte aan esteticisme, exotisme, humanisme, mysticisme, symboliek enzovoorts. Noto Soeroto was een beminnelijk en integer mens die vele vrienden had, vooral in Haagse kringen van kunstenaars en minnaars der kunsten. Hij is zelfs een tijdlang een centrale figuur geweest in het culturele leven, althans in Den Haag, bewonderd en bemind om zijn wijs en verzoenend optreden, gezocht als spreker voor allerlei verenigingen op idealistische grondslag. Zo sprak hij in 1930 voor de toen bekende kunstenaarssociëteit De Wigwam. Hij was er in zijn element. ‘Kunstenaars, als ge u werkelijk onder de begenadigden der mensen rekent,’ zo begon hij. Hij sprak over de gedachte der rijkseenheid en de koloniale verhouding, die hij zich voorstelde als ‘een ontmoeting van twee culturen op het geestelijk plan’. ‘Alleen door een gezamenlijk optrekken van stoffelijke kracht en organisatorische, d.i. ordenende wijsheid en onder aanvoering van de geest, die de schoonheid van de verborgenste bedoelingen vermag te doorschouwen, kan onze generatie de taak, welke de tijd haar oplegt, volvoeren.’ In de loop van zijn lange lezing liet hij woorden vallen als ‘wereldharmonie’, ‘harmonie der Mensheid’, ‘universele bedoelingen’. Op grond hiervan bepleitte hij een samenwerking tussen Nederland en Indonesië binnen het rijksverband als twee gelijkwaardige partners. Het was ook het standpunt van het Nederlandsch-Indonesische Verbond waarvan hij voorzitter was. De Nederlandse diehards lachten om hem, de Indonesische nationalisten ontweken hem en noemden hem een ‘verrader’ zoals in één van de brieven van Mohamad Hatta

[p. 367]

staat. Intussen bleef hij in alle oprechtheid getuigen van zijn geloof in een ‘geestelijke osmose’.

Maar deze osmose zocht hij voor zichzelf; wat hij wilde was een synthese bereiken tussen de Javaan die hij was en de westerse cultuur die hij zich eigen had gemaakt. Hij bediende zich van het Nederlands - de taal waarin hij zich, ook als dichter, het beste kon uitdrukken, schreef hij zelf - maar zijn ziel was Javaans. Uit een artikel in Oedaya (3de jaargang, juni 1926, blz. 150) over ‘Hollandse gedichten en Javaansche gedachten’ krijgen wij een inzicht in zijn moeilijke tweeslachtige positie. Zijn beschouwingen, die vanuit een verdediging geschreven zijn, met een voor zijn doen ongewone emotionaliteit, zijn allereerst kenmerkend voor zijn onzekerheid: ‘Wij zien geen enkele ster, wij weten niet waarheen. Dit is onze toestand, ook op cultureel gebied.’

Hij deelde deze onzekerheid met talrijke Indonesiërs die tussen twee werelden hadden te leven; hij verkeerde bovendien in een bijzondere situatie doordat hij uit het vorstenhuis van de Paku Alam stamde, één der vier zelfbestuurders op Java, gezagsgetrouw, door de Nederlanders ontzien en geëerbiedigd. Zijn vader, een prins van den bloede, gaf zijn zoon een Javaanse opvoeding én een westerse. Hij zond hem zelfs naar Nederland om in Leiden rechten te studeren. Daar leerde Noto Soeroto de latere Mangku Negoro kennen die zijn vriend werd en wiens secretaris hij later zou worden. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, trad Noto Soeroto volgens de tradities van zijn geslacht in Nederlandse militaire dienst als officier bij de Blauwe Huzaren. In de mobilisatiejaren begon hij te publiceren. In 1915 kwamen zijn eerste ‘gedichten in proza’ uit: Melatiknoppen. Kort tevoren had hij Rabindranath Tagore leren kennen uit de bloemlezing van Frederik van Eeden. Tagore maakte zo'n grote indruk op Noto Soeroto dat hij zich in een navolging van Tagore verloor. Een jaar na de Melatiknoppen kwam De geur van moeders haarwrong (1916), gevolgd door andere bundels Fluisteringen van den avondwind (1917), Bloemeketenen (1918), Lotos en morgendauw [1920], Nieuwe fluisteringen van den avondwind (1925) en Wayang-liederen [1931]. Noto Soeroto schreef een vlekkeloos Nederlands, maar met de gedragenheid en stilering van het klassieke Javaans. We kunnen helaas niet zeggen dat hij erin geslaagd is een synthese te bereiken tussen vorm en inhoud. In plaats van een synthese schuiven de twee werelden langs elkaar heen; de westerse vorm - Noto

[p. 368]

Soeroto schreef zelfs sonnetten - en de Javaanse zeggingswijze bleek hij niet te kunnen verenigen. Niettemin waren er in die tijd in Nederland en zelfs in het buitenland lieden die zo overtuigd waren van de diepzinnigheid van het Oosten, dat ze over zijn gedichten spraken als over een kostbaar geschenk.

Eerst in de bundel Wayang-liederen kwam iets persoonlijks tot uiting. In de mythologie van de wajang vond Noto Soeroto zijn levenslot terug. Opgenomen in het sacraal verband van de heilige verhalen, voelde hij zich voldaan en getroost: ‘Dit mijn aardse leven is vol van moeite en strijd, en mijn vijanden die vele zijn, lachen om mij. Hun hoon schiet sneller naar het doel dan gevederde pijlen; hun woorden vlijmen scherper dan krissen. Mijn strijd is nog niet uitgestreden. [...] Heer, laat mij een wajang zijn in Uw handen. Dan zal over honderd jaar of duizend jaar Uw hand mij weer doen bewegen. Dan zult Gij mij ééns, wanneer mijn tijd in Uw eeuwigheid gekomen zal zijn, opnieuw opnemen en ik zal opnieuw spreken én strijden. En eenmaal zullen mijn vijanden zwijgen en zal de demon nederliggen. Heer, laat mij een wajang zijn in Uw handen.’ De bundel Wayang-liederen werd zowel in het Frans als in het Duits vertaald. De gezwollen toon van de inleidingen is kenmerkend voor wat men erin zocht.

Nadat hij daarvóór en in de jaren twintig, Tagore had geïntroduceerd door een ‘biografische schets’ (1916), door een beschouwing over de opvoedingsidealen van Tagore (1921) en door een bewerking van Tagore's De leerschool van den papagaai en toespraken in Shanti Niketan (1922), leerde hij begin 1931 Gandhi kennen, zelfs persoonlijk. In Het Vaderland van december 1931 schreef hij een drietal artikelen onder de bij hem passende titel ‘Een wijdingsuur bij Mahatma Gandhi.’ Hij was vervuld van eerbied voor Gandhi's - ook politieke - denkbeelden, maar de gedachte aan non-coöperatie op politiek terrein wilde hij vooralsnog niet aanvaarden.

In begin 1932 keerde Noto Soeroto naar Indonesië terug. Toen de Japanners kwamen, werd hij gevangen genomen en door de Kempetai (de Japanse Gestapo) mishandeld. Het na de oorlog als volksbeweging opererende nationalisme stootte hem als aristocraat af. Hij raakte geheel geïsoleerd. Toch schreef hij nog veel; hij richtte zelfs Udaya weer op. Op 64-jarige leeftijd stierf hij in Surakarta. In zijn nalatenschap bevond zich een onvoltooid manuscript met verhalen over dieren dat

[p. 369]

eerst in 1956, tegelijk met de Wayang-liederen, door zijn Nederlandse vriend Ben van Eysselsteijn werd uitgegeven onder de titel Goden, mensen en dieren. Hij legde in zijn dierenverhalen veel van zijn eigen gedachten, veel ook van zijn herinneringen en ervaringen. Sommige zijn niet zonder bitterheid geschreven. In ‘De staat der wolven’ beheersen de weerwolven de handlangers; de handlangers beheersen de vechtwolven en de vechtwolven bedreigen de wolven der massa: mager, uitgehongerd, schurftig en afschuwelijk om aan te zien. De toespeling op de revolutie is te duidelijk om niet verstaan te worden.

De grote, oude, witte aap Hanoeman overpeinst temidden van de andere apen in dezelfde kooi: ‘Ik moet mij afzonderen van het drukke gedoe om mij heen. Hun probleem, hun vraagstukken en hun belangstelling zijn de mijne niet meer. Ik ben een oude aap en het liefst zou ik op een kleine, stille plek nog wat willen nadenken over de zin en de bedoeling van mijn bestaan, dat snel ten einde spoedt.’ Noto Soeroto voelde toen hij dit schreef ook zijn eigen einde snel naderen. Hij stierf zoals Hanoeman ook wilde sterven: op een stille plek, in vergetelheid.