Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

6. Gerommel uit de verte

Op 8 december 1941 begon de Pacific-oorlog en daarmee het grote omwentelingsproces van de dekolonisatie. Niet zonder voortekenen overigens. En toch klinkt in de letterkunde weinig daarvan door. Het is alsof men geleefd heeft zonder enige verontrusting die bij Walraven wel voortdurend aanwezig is, in een samenleving waarin niets door-

[p. 414]

drong van het gerommel daarbuiten.

Misschien kunnen we voor een paar boeken een uitzondering maken. Daar is in de eerste plaats Het boek van Siman den Javaan dat al van 1908 is, geschreven door een naneef van Multatuli, E.F.E. Douwes Dekker, evenals zijn oudoom een ‘vat vol tegenstrijdigheden’, verder een romantisch revolutionair, een fel nationalist, zeer anti-Nederlands en vervuld van haat tegen de blanke overheersers. Hij was een ‘Indische jongen’, geboren in Pasuruan uit een Javaanse moeder. Op het Javaanse bloed dat door zijn aderen vloeide, was hij trots, zei hij, en hij liet niet af daar de nadruk op te leggen. Als Indo-Europeaan koos hij niet zoals de meesten van hen voor een sociale en culturele gelijkstelling met de Europeaan, maar voor assimilatie met de Indonesiër. Hij werd één van de voormannen van de nationalistische beweging van het eerste uur. Hij schreef veel: boekjes, brochures, artikelen, altijd even fel van toon. Soms plagieerde hij hierbij zijn oudoom, maar hij miste diens talent, helaas. Zijn enige roman, Siman den Javaan, is met veel stemverheffing, aanklachten en weeklachten geschreven, een manier van schrijven die niet werkt, omdat hij zich voortdurend overschreeuwt. Zijn boek is eigenlijk een typische draak die, alleen in dit opzicht, past bij de Indische romantraditie van dolk en geween.

Op zijn zeventigste jaar schreef hij ook zijn autobiografie, waaruit zijn grenzeloze ijdelheid blijkt. Maar één ding is zeker: zijn leven is bijzonder belangwekkend geweest en zijn politieke keuze inderdaad 70 Jaren konsekwent. Verbanningen, gevangenisstraffen, vervolgingen, persdelicten, niets heeft hem ooit aan het wankelen gebracht; hij is altijd doorgegaan. Hij was in zekere zin een gelovige, zelfs een mysticus (zoals hij zich zelf noemde) voor wie iedere twijfel, ook aan zijn eigen belangrijkheid, uitgesloten was. Een held, een martelaar? Of een acteur die met veel zelfopoffering zijn eigen rol bleef spelen? De meningen over Ernest Douwes Dekker zijn zeer verdeeld, maar zijn betekenis voor de Indonesische vrijheidsstrijd staat buiten elke twijfel.

Van later datum is Iboe Indonesia (1939) van Adolf Ter Haghe dat ons direct confronteert met de nationalistische beweging en met de figuur van Soekarno. Het onderwerp was voor de Europese samenleving, voor de Europese pers en voor de autoriteiten op zichzelf al een reden tot verontrusting. En ofschoon Ter Haghe (pseudoniem voor J.A. Koch) van Soekarno een ‘utopist’ maakte en de nationalisten niet zonder ve-

[p. 415]

nijn zag, rook men onmiddellijk onraad, waarbij dezelfde argumenten werden gebruikt als bij de verschijning van Rubber van mevrouw Székely-Lulofs. Het boek waarin - volgens de Java-Bode alweer - allerlei ‘leugenachtige dingen’ over Indië werden gezegd, was kwalijk voor het koloniaal prestige (dat in zulke gevallen altijd de doorslag gaf) en werd om die reden een ‘opruiend boek’ genoemd. Wie nu na ruim dertig jaar Iboe Indonesia leest, klinkt alles even onwezenlijk in de oren, en de nog maar zeer gereserveerde sympathie voor de nationalistische beweging maakt het volstrekt onbegrijpelijk dat de Officier van Justitie het boek verbood en dat de schrijver als leraar tijdelijk geschorst werd.

Even opvallend en achteraf verwonderlijk als het rumoer in de kolonie (nog nét kolonie) om een welbeschouwd zo naïef en ongevaarlijk boek als Iboe Indonesia, is de geringe waardering in Nederland geweest om de roman President Dramakutra van H. van Galen Last (geb. 1921). President Dramakutra verscheen op een tijdstip (in 1957) dat de Nederlander druk bezig was de koloniale periode zo spoedig mogelijk te vergeten, omdat hij niet bij machte bleek zijn rol van heerser en deelnemer op zo korte termijn te verwisselen met die van buitenlander en buitenstaander. Zijn enige mogelijkheid leek er niet meer aan te denken en geen rol meer te spelen. Wie haar wél wilde spelen, met andere woorden wie wel consequent van de nieuwe situatie wilde uitgaan, was Van Galen Last, krachtens zijn Indische jeugd van het begin af geïnteresseerd in de ‘Indonesische kwestie’, maar ook van het begin af alleen als belangstellend observator waar zijn aanleg hem toe had voorbestemd, een positie die bovendien door zijn verblijf in Europa bevorderd werd.

Ofschoon Van Galen Last zijn verhaal in een denkbeeldig land laat spelen dat hij Somalesië noemt, vertoont dit sterk de trekken van Indonesië al was het alleen maar omdat het evenals Indonesië een kort tevoren gedekoloniseerd land is. Het is duidelijk dat Van Galen Last geen sleutelroman heeft willen schrijven en hij zegt het ook met zoveel woorden in zijn inleiding. Somalesië is alleen in zoverre Indonesië dat het als Aziatisch land in een zelfde situatie verkeert als Indonesië, in het bijzonder in de confrontatie met het Westen. De behandeling van dit probleem in romanvorm - een acculturatieprobleem - was wat Van Galen Last zich voor ogen moet hebben gesteld. Maar het spreekt voor hem haast vanzelf dat zijn problematiek afgeleid werd uit wat (in 1957)

[p. 416]

voor Indonesië actueel was.

De figuur van President Dramakutra is overigens geen portret van President Soekarno, maar gemodelleerd naar een tot Van Galen Last in vrij intieme relatie staande Nederlander, die hoewel geheel apolitiek, nogal wat gelijkenis met Soekarno vertoonde. Ook voor verschillende Somalesiërs hebben Europeanen model gestaan; ze zijn in ieder geval niet als Indonesiërs getypeerd. President Dramakutra is een charmante en als het moet joviale dictator, een geniale tacticus en geboren redenaar die in staat is zijn toehoorders te ‘bespelen’, zoals dat heet, de man die ook in dit geval een georganiseerde demonstratie ombuigt tot een persoonlijke overwinning. En wie denkt hierbij niet toch aan Soekarno? President Dramakutra is de goochelaar met de macht, door Van Galen Last met een zekere ironie geobserveerd, maar niet zonder bewondering.

Het gaat in dit boek overigens niet om de uitbeelding van President Dramakutra, maar om de vraag: hoe heeft het koloniale Westen gewerkt op een Oosters stramien? In hoeverre is Somalesië in westerse zin een onderontwikkeld land, politiek, economisch en technisch? En wat is vooral van haar menselijke situatie geworden? Vertoont ook dit een tekort? Het antwoord wordt gegeven door de vrouw van President Dramakutra in een gesprek met de Hightowers, een westers echtpaar dat bij de President en zijn vrouw logeert in het buitenverblijf ‘Sans Souci’. Zij, mevrouw Dramakutra, zegt op bladzijde 76 dat het haar spijt te moeten opmerken dat de westerling Somalesië uitsluitend ziet als een technisch of politiek probleem. Waar het voor haar, de sympathieke en intelligente vrouw, om gaat (intelligenter en sympathieker dan haar man), is wat er van de Somalesische intellectueel als mens geworden is. De buitenlander durft openlijk over de technische en economische onderontwikkeling te spreken, maar hij verzwijgt de menselijke kant. Hij praat er niet over of probeert zijn oordeel ook voor zichzelf te verbergen, maar mevrouw Dramakutra als Somalesische formuleert het: ‘Wij zijn vooral, weet U, onderontwikkeld als mens, veel meer dan in technisch, economisch of sociaal opzicht of zo. Dat klinkt misschien vreemd, met de beschaving die wij achter ons hebben, en iedere Somalesiër zal het U dan ook tegenspreken, maar toch ben ik ervan overtuigd dat een Somalesiër een westerling au fond niets te zeggen heeft.’ Maar er is onmiddellijk een tegenstem die een toelichting geeft

[p. 417]

en die van Hightower komt. Hij stelt het Westen aansprakelijk.

President Dramakutra is een satire omdat Van Galen Lasts aanleg hem naar de satire voert, maar het bevat tegelijkertijd de ironische analyse van een bijzonder belangrijk en ook door Van Galen Last zelf zeer ernstig genomen probleem voor alle gedekoloniseerde landen: hun verhouding tot het westerse cultuurcomplex.

Tot slot nog drie bundels memoires door Indonesiërs geschreven. Ze maken ons duidelijk hoe zelfs zij die een officiële functie vervulden en zich van het Nederlands bedienden, de koloniale verhoudingen en de revolutie hebben beleefd. Er blijkt altijd een wereld te zijn geweest waar hun Nederlandse vrienden buiten stonden. Deze herinneringen zullen voor vele Nederlanders, die altijd vanzelfsprekend in de gesegregeerde koloniale samenleving hebben geleefd en geloofd, als ‘eye-openers’ kunnen werken.

Daar zijn in de eerste plaats de Herinneringen van Pangéran Achmad Djajadiningrat (1936), stammend uit een bekend Bantens regentengeslacht. Ze zijn uniek en bijzonder boeiend en er staan stukken in die ons voor altijd bijblijven, zoals de kinderherinneringen aan de Tjilegon-opstand van 1888 en vooral aan de openbare terechtstelling van een aantal opstandelingen. Veel recenter zijn de eveneens bijzonder leesbare Herinneringen uit drie tijdperken van Margono Djojohadikusumo. Ze werden in het Nederlands geschreven, maar verschenen voor het eerst als feuilleton in het dagblad Indonesia Raya van Mochtar Lubis. Ze zijn thans gebundeld en er bestaan twee edities van, een die in Indonesië verscheen (1969) en een in Nederland (1970). En dan is er nog het beminnelijke boekje van de weduwe van de t.n.i.-generaal Oerip Soemohardjo (1972) dat bij Tong Tong verscheen, eveneens zeer leerzaam voor Nederlanders die in de koloniale verhouding nog zoveel goeds zien.