Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. Johan Fabriciusaant.

Johan Fabricius wiens produktiviteit enige malen groter is dan die van Maria Dermoût en Beb Vuyk te zamen (hij schreef reeds meer dan zestig boeken), werd in 1899 in Bandung geboren uit totok ouders. Hij was de zoon van de bekende journalist en toneelschrijver Jan Fabricius. Van zijn vader, voor wie hij een grote liefde en bewondering had en aan wie hij verschillende ontroerende bladzijden heeft gewijd, erfde hij de onrust, de zwerflust, de behoefte indrukken op te doen en veel van de wereld te zien. Fabricius heeft veel gereisd; hij heeft een bijzonder afwisselend leven gehad dat zich zeker niet langs de gebaande wegen voortbewoog. Lange tijd woonde hij buiten Nederland, maar hij keerde er na de oorlog weer terug; hij was kosmopoliet en Hollander tegelijk.

Fabricius wilde als jongen schilder worden. Op achttienjarige leeftijd ging hij als oorlogstekenaar naar het Oostenrijks-Italiaanse front. Vanuit Italië schreef hij zijn indrukken naar huis. Zijn brieven waren zó goed geschreven dat Johan de Meester ze in De Gids opnam. Ze vormen Fabricius' debuut als schrijver en niet zijn enige jaren later ge-

[p. 490]

schreven jongensboek De scheepsjongens van Bontekoe (verschenen in 1925) waar enige generaties van genoten hebben. Veel succes had zijn luchtige roman Het meisje met de blauwe hoed (1927) gevolgd door een aantal boeken dat eveneens een groot publiek bereikte. Fabricius' romans hadden het voordeel goed verteld te zijn en een ‘melodie der verten’ op te roepen. Ze speelden geen van alle in Nederland, maar aan boord van een mailstomer, zoals Charlottes groote reis (1928), of in Zuid-Amerika, zoals Mario Ferraro's ijdele liefde (1929), of in Italië of elders, maar vooral in Italië, zoals Venetiaans avontuur (1931), Komedianten trokken voorbij (1931) - bekroond met de Van-der-Hoogtprijs - en Leeuwen hongeren in Napels (1934) en enkele andere. In een van zijn latere boeken Mijn huis staat achter de kim (1951) heeft Fabricius veel over zijn reizen verteld en over de achtergrond van deze voor-oorlogse boeken. In geen van deze boeken zien we echter iets van Indië. Eerst als zijn geboorteland door de Japanners bezet wordt en Fabricius tijdens de oorlog in Londen woont, realiseert hij zich wat zijn Indische kindertijd voor hem betekend heeft (hij had het land op zijn veertiende jaar voorgoed verlaten). Van dan af gaat Indië de stof voor zijn boeken leveren. Het decor waartegen de verhalen zich afspelen, de intrige, de mensen, de dingen, ze zijn niet los te denken van het land waarmee hij zich meer verbonden was gaan voelen naarmate het door de oorlog verderaf kwam te liggen. Tijdens zijn verblijf in Londen schreef hij Nacht over Java [z.j. maar geschreven in 1942-'43], een verhaal over het ondergronds verzet tijdens de Japanse bezetting en de roman Halfbloed (1946). Voor het eerste was hij vrijwel geheel op zijn vindingrijkheid en voorstellingsvermogen aangewezen, voor het tweede kon hij terugvallen op zijn jeugd en de indrukken die hij tijdens een wereldreis in 1935 had opgedaan, maar in geen van beide gevallen is hij erin geslaagd iets essentieels over te brengen van zijn ‘speciale verbondenheid’ met zijn geboorteland.

Fabricius is een schrijver die veel schrijft en van wie men de indruk krijgt dat hij voortdurend aan het schrijven wil blijven. Dit is op zichzelf niet tegen hem aan te voeren, integendeel, er is zelfs heel wat inventiviteit voor nodig om telkens nieuwe motieven te vinden en uit te werken. Maar eigenlijk kunnen alleen grote schrijvers zich permitteren zoveel te schrijven. Zelfs een meester-romancier als Couperus kon zijn meesterschap lang niet altijd realiseren.

[p. 491]

Fabricius is een schrijver over wie zeer verschillend geoordeeld wordt. Hij heeft zijn bewonderaars zoals de criticus van de Haagse Courant Rico Bulthuis die over de boeken van Fabricius spreekt alsof het meesterwerken zijn. Om Fabricius te bewonderen op de wijze van Rico Bulthuis en nog enkele anderen als Ben van Eysselsteijn en Anne Wadman, moet men zijn beperkingen en gebreken niet willen zien, of misschien wel willen zien, maar niet willen tellen, en om hem te verguizen als Jan Greshoff heeft gedaan (‘een geboren keuvelaar bij de genade van het Niets’), moet men geen oog hebben voor de kwaliteiten van Fabricius die kenmerkend zijn voor de romancier die hij is. Fabricius heeft er in verschillende interviews terecht bezwaar tegen gemaakt dat men hem uitsluitend als verteller zag. ‘Ik vind dat ik een zuiver voorbeeld van een romancier ben,’ zei hij in een interview in Vrij Nederland van 19 november 1968, ‘in een land dat er na de dood van Coolen niet veel meer over heeft.’ Jan de Hartog noemde hij het type van de verteller, ‘maar ik ben geen verteller, ik ga niet van de uiterlijke gebeurtenissen uit, maar van de mens.’ Men kan zich afvragen of dit wel geheel waar is, maar Fabricius is inderdaad geen verteller tout court; het gaat hem in ieder geval óók om mensen. Om ze in zijn romans op te voeren, volgt hij zelfs de klassieke methode van de ‘echte’ romanschrijver: hij bouwt een intrige op - Fabricius doet dit schijnbaar moeiteloos - en wikkelt zijn figuren hieruit los. Hoe ze daaruit tevoorschijn komen, is een andere vraag. Als mensen, als figuren of als figuranten? Bij Fabricius zijn het soms mensen, meestal figuren, een enkele keer figuranten.

Fabricius mag dan een ‘echte’ romanschrijver zijn en niet zomaar een verteller, hij bezit toch te weinig psychologische intuïtie om te kunnen wat bijvoorbeeld Couperus zo goed kan: niet alleen mensen typeren, maar ook karakters doorgronden. Daarom heeft hij ook nooit een ‘grote roman’ kunnen schrijven, wel enkele goede en verschillende leesbare, soms zelfs zeer leesbare, maar daarnaast helaas ook verschillende slechte als Halfbloed (1946) of Luie stoel (1957), of nog erger de novelle Het duistere bloed (1954). Alle drie boeken spelen in een gemengde samenleving; de twee eerste in een Indo-Europese wereld. Het is opvallend dat Fabricius die graag de indruk wekt de wereld van de Indo te kennen, in de praktijk van het schrijven deze wereld vervalst met zijn zucht tot dramatiseren. Fabricius schrijft wel ergens (over Half-

[p. 492]

bloed) dat ‘wie met Java vertrouwd is’, zijn romanfiguren gemakkelijk zal herkennen, maar in werkelijkheid zijn ze onherkenbaar als figuranten in een geconstrueerd melodrama met hevige scènes, moord en doodslag. De stijl is navenant, met talrijke clichés die door Fabricius zonder zelfkritiek worden gebezigd, vooral als liefdesscènes aan de beurt komen: ‘Non, Nonnie van mij ... ik geloof dat ik een beetje van je hou, fluisterde hij. Ze had moeite om het niet uit te schreeuwen of in zijn armen flauw te vallen of aan zijn borst in snikken uit te barsten ... O, Frits, kermde zij, o, lieve Frits...’ Het zijn zinnen die een schrijver die zichzelf respecteert en die vanuit een hoog standpunt de Nederlandse letterkunde als ‘schriftelijke huisvlijt’ betitelt, nooit zou mogen neerschrijven, in ieder geval nooit zou mogen laten staan. In Luie stoel is de hoofdpersoon een indolente ‘blanke Indische jongen’, die naarmate het verhaal voortgaat, een caricatuur wordt. De milieuschildering is overvolledig (en daardoor vermoeiend); de gesprekken met veel indicismen zijn er zo krampachtig op berekend het ‘typisch Indische’ te suggereren, dat het hele verhaal - op welke authentieke gegevens het misschien ook berust - litterair gesproken een ongeloofwaardige indruk maakt. Een intelligente criticus als Kees Fens die Indië niet uit eigen aanschouwing kent, maar die altijd goed leest, kon uit de schrijfwijze en de hele opzet van het boek reeds afleiden dat het beeld vals was. ‘Een brok romantiek met goedkope pretenties’, noemde hij Luie stoel (in De Tijd van 30 augustus 1957). Het is jammer dat Fabricius' kwaliteiten als verteller en romanschrijver in deze boeken schuilgaan onder zijn tekortkomingen. Elke beoordeling wordt daardoor scheefgetrokken.

Tot de betere Indische romans die Fabricius schreef behoren Setoewo, de tijger (1956), De heilige paarden (1959) en vooral Schimmenspel (1958). De heilige paarden laat Fabricius spelen op het eiland Sumba in Oost-Indonesië. De stof voor zijn boek, de geschiedenis van Pomboe de opstandeling, de schildering van het landschap, de kennis van zeden en gewoonten, van land en volk, dit alles ontleende Fabricius aan een aantal boeken van de zendeling dr. D.K. Wielenga, in het bijzonder aan Oemboe Dongga (ten onrechte door Fabricius een autobiografie genoemd). Hij ontleende er de hoofdlijnen van zijn intrige aan, verschillende scènes en de meeste figuren uit zijn roman, al hebben ze andere namen gekregen en al is hun soms een andere rol toebedeeld

[p. 493]

dan in Oemboe Dongga - dat de werkelijke geschiedenis bevat. Als dit Sumba uit De heilige paarden niet bevredigend is voor iemand die Sumba kent, dan zegt dit nog niets van de litteraire waarde. Het gaat er alleen maar om of Fabricius' Sumba de indruk van authenticiteit wekt. En dit is inderdaad het geval; hij is in zijn opzet dus geslaagd.

Het verhaal van het rebellerende dorpshoofd ‘Oemboe Dongga’ (die door Fabricius bij zijn werkelijke naam Pomboe wordt genoemd) eindigt met zijn overgave en de onderwerping aan het Nederlands bestuur. Wie Oemboe Dongga met De heilige paarden vergelijkt, merkt dat Fabricius op verschillende punten en vooral op één essentieel punt van het verhaal van Wielenga is afgeweken. Pomboe uit De heilige paarden onderwerpt zich niet; hij blijft tot het einde toe de rebel met de consequentie van zijn dood tegen de Nederlandse militairen. Hij is de onverzoenlijke hater van de blanke indringers, de verstoorders van de adat. Dat is Fabricius' visie op Pomboe alias Oemboe Dongga waar hij als romanschrijver recht op heeft en die de litteraire geloofwaardigheid van het verhaal ook niet aantast. Dit gebeurt pas als Fabricius een liefdesgeschiedenis inlast (terwille van wat en wie?) die bij Wielenga geheel ontbreekt en die ook voor De heilige paarden volstrekt niet functioneel is. Anakami, de wijze raadgever en vriend van Oemboe Dongga, zijn intellectueel complement, die hem overal op zijn uitputtende vlucht vergezelt, schuift bij Fabricius op de achtergrond om zijn plaats af te staan aan de jonge slavin Maja die door Pomboe op een rooftocht naakt aangetroffen wordt in het huis van zijn vijand: ‘[...] zag hij haar naakte lichaam voor zich oprijzen, zacht en lieflijk glanzend. Zij glimlachte tegen hem ... zie ... zij opende haar armen.’ Met dergelijke romantische pastiches (met inbegrip van het oratorische ‘zie’) tast Fabricius wel de litteraire authenticiteit van zijn boek aan. Het optreden van Maja biedt Fabricius nog allerlei andere mogelijkheden tot dramatiek: haar positie wekt de jaloezie en de haat op van Pomboe's vrouw Dahi Waha, de moeder van zijn lievelingszoon Pati. Tussen Pomboe en zijn vrouw wordt over het hoofd van Pati een strijd gestreden die eindigt met een verkapte vadermoord door het ‘verraad’ van de zoon. Pomboe wordt door de gewaarschuwde Nederlandse militairen overvallen en doodgeschoten, al was dit niet de bedoeling.

De heilige paarden is ondanks alles een goed geschreven roman, maar of we kunnen spreken van een ‘grootse epische stijl’, zoals Anne

[p. 494]

Wadman? De verteltrant is krachtig en helder, maar bezit toch te weinig spanning om de talrijke gebeurtenissen en beschrijvingen tot het einde toe te kunnen dragen.

Als we Fabricius' roman tegenover Oemboe Dongga stellen, merken we onmiddellijk dat Fabricius over meer schrijversgaven beschikt dan Wielenga. Daartegenover staat dat in Oemboe Dongga ritmische stukken voorkomen, toespraken, gebeden en klaagzangen die door hun prachtige beeldspraak en intensiteit indrukwekkend zijn. Ze werden door Wielenga uit het Sumbanees vertaald met behoud van hun ditmaal werkelijk ‘grootse epische stijl’. Op zichzelf een prestatie.

Schimmenspel, dat misschien Fabricius' beste boek is, is geen roman als de andere. Het is een door hem vertelde levensgeschiedenis van een Javaanse jongen van hoge adel die in Leiden studeert, met een Hollands meisje trouwt, maar haar ten slotte verlaat om naar Java terug te keren in de sfeer van de Javaanse vorstenhoven. Het eerste deel vooral is uitstekend. We horen een rustige stem praten die ditmaal door alle routine heenbreekt. Dan pas merken we hoe goed Fabricius vertellen kan. Hoewel hij nadrukkelijk zegt geen roman à clef te hebben geschreven en de hoofdpersoon Raden Mas Koesoemo tot een danser maakt (naar het voorbeeld van Jojana?) moet hij aan Noto Soeroto hebben gedacht. Dit boek toont wat Fabricius kan als hij maar betrokken is bij het verhaal dat hij vertelt. Dan richt hij zich niet meer tot een publiek, maar tot een kleine kring die hij deelgenoot wil maken van de tragische levensgeschiedenis van zijn Javaanse vriend en diens Europese vrouw. Hij verdeelt zijn sympathie over hen beiden. Hij is getuige geweest van hun drama, soms van dichtbij, soms op een afstand, maar voortdurend betrokken bij hun beider leven.

Schimmenspel is misschien geen ‘echte roman’ (waarom zou dit ook moeten?), maar een ontroerend boek van de schrijver Fabricius zoals wij hem graag altijd zouden willen zien.