Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. H.J. Friedericyaant.

H.J. Friedericy (1900-1962) was in ieder geval al over de veertig toen hij begon te schrijven; dat wil zeggen iets anders begon te schrijven dan brieven of dienstbrieven, nota's, memories, artikelen of een proefschrift

[p. 495]

(over De standen bij de Boegineezen en Makassaren, 1933). Zijn nota's en memories zijn niet meer te achterhalen, maar zijn artikelen (vooral in het Koloniaal Tijdschrift) en zijn proefschrift zijn wel bereikbaar. Zijn later zo opvallend schrijftalent blijkt er niet uit. Wel schreef hij in de eerste zes jaren van zijn bestuursloopbaan brieven naar huis in een stijl die een mengeling is van stijfheid en losheid, van traditionaliteit en oorspronkelijkheid, van onbevangenheid en bewustheid.

Bij de uitgave van De eerste etappe, in 1962, staat geen enkele ‘verantwoording’. Dit heeft aanleiding gegeven tot vele gissingen. Er waren er die meenden dat het gefingeerde of herschreven brieven waren, anderen dachten aan brieven waar een dagboek doorheen geweven was. In ieder geval namen allen aan dat er sprake was van een bewerking. Inderdaad zijn ze bewerkt en toch zijn het authentieke brieven die slechts hier en daar gewijzigd werden of gecorrigeerd terwille van de duidelijkheid en de anonimiteit van de daarin voorkomende personen. Er zijn ook stukken uit de brieven weggelaten, die direct tot zijn ouders gericht zijn en die over familie-aangelegenheden gaan. Ze waren brief en dagboek tegelijk. Ze hadden een persoonlijk adres en tegelijk waren ze een verslag. Het persoonlijk adres werd zoveel mogelijk weggelaten, het verslag bleef. Voor de publiciteit ging het er Friedericy alleen om iets van een bestuursloopbaan in Indië te vertellen, van binnenuit, dus niet als een politiek getuigenis maar als een persoonlijke belevenis. Ze bezitten de charme van de argeloosheid van zijn jeugd. Hij is ‘trots’ tot het B.B. te behoren; hij spreekt met eerbied over zijn chefs (hij noemt ze nooit rechtstreeks bij de achternaam, maar ‘de heer’ die en die) en laat merken hoe goed hij het doet, hoe hij gewaardeerd wordt; hij is lang niet zonder ijdelheid. De brieven laten hem zien zoals hij toen was met zijn zwakheden en kwaliteiten: een charmante jongeman, een typisch gezelschapsmens die altijd andere mensen om zich heen nodig heeft en die terwille daarvan bereid is zich aan te passen. Het is zelfs verwonderlijk zo snel als hij dit doet. Hij is direct in zijn element. ‘Ik ben blij’, ‘het is heerlijk’, ‘wat een gelukskind ben ik’; uitlatingen als deze komen telkens in zijn brieven voor. Hij is als bestuursambtenaar geheel op zijn plaats temidden van welgezinde mensen, van een prachtige natuur en met een bevolking om zich heen waar hij zich vanaf het eerste ogenblik voor interesseert. In een interview werd hem gevraagd wat hem een loopbaan bij het Binnen-

[p. 496]

lands Bestuur had doen kiezen. Friedericy had moeite met de vraag. Was hij naar Indië gekomen uit idealistische overwegingen? Oók, zonder twijfel. Uit zucht naar avontuur? Uit een verlangen naar het mysterieuze Oosten? O, ja, dat stond vast. Deze zucht en dat verlangen waren misschien wel de sterkste drijfveren geweest, ‘maar verlangen naar heersen ... naar overheersen ... neen.’ Hij zag voor zich als bestuurder een dienende taak weggelegd, zelfs een Taak met een hoofdletter. Geen politieke taak, maar een taak, om zo goed mogelijk te besturen in het belang van de bevolking. Hij was kort gezegd een goed adept van de ethische Leidse School. Ook zij was in wezen a-politiek. Het is aardig om te lezen (in een brief van 22 oktober 1924) hoe Friedericy aan zijn ouders schrijft dat Celebes een nieuwe gouverneur heeft gekregen en hoe deze nieuwe gouverneur vooral een politieke taak ziet en hoe verrassend dit gezichtspunt dan voor hem is: ‘... ik zag de wegen, de bruggen die het land openlegden; ik zag de irrigatiewerken groeien zodat van tienduizenden bahoe's sawahgronden de oogst verzekerd was; ik zag de veiligheid van lijf en goed met het jaar toenemen - doch ik zag niet de noodzaak en de mogelijkheid tot het ontwikkelen van het volk en zijn hoofden. Nu is deze gouverneur gekomen en zijn hoofdtaak acht hij deze innerlijke, politieke opbouw. Daar zit ik nu in, middenin, in die sfeer.’ Hij gelooft in een bestuurstaak, hij gelooft in het B.B., maar daarnaast bezit Friedericy van nature een gevoel voor relativiteit waarmee hij binnen een gegeven patroon een ruimte voor zichzelf maakt. Hij heeft gevoel voor het lachwekkende van het hiërarchisch apparaat van grote en kleine autoriteiten waartoe hij zelf behoort. ‘Een ieder heeft hier een chef’, schrijft hij, en de boutade-achtige spot waarmee hij over de autoritaire en hiërarchische opbouw van de Indische samenleving schrijft is kostelijk.

Toch is De eerste etappe voor de meeste critici een ‘teleurstelling’ geweest na het andere werk, maar men heeft deze brieven van 1922, 1923, 1924 enzovoorts - waarschijnlijk omdat men niet in de authenticiteit van de brieven geloven wilde - steeds in de verkeerde volgorde van de chronologische verschijning beoordeeld, niet als jeugdwerk, maar als een vervolg op zijn roman Bontorio (1947), op zijn verhalenbundel Vorsten, vissers en boeren (1957) en De raadsman (1958) - terwijl ze toch niet anders gezien mogen worden dan als een vroeg symptoom van zijn schrijverschap. Als men zegt dat Friedericy's brieven onper-

[p. 497]

soonlijk zijn, miskent men zijn humor die een deel van zijn persoonlijkheid is. De humorist is altijd een relativist; hij neemt altijd afstand, drukt zich alleen indirect uit, toont altijd een andere kant van zichzelf in de hoop dat men ook de keerzijde zal zien. Friedericy schrijft op 3 maart 1923 aan zijn ouders (en niet zonder voldoening) dat, als hij in Makassar geplaatst is, de mensen hem al kennen: ‘... men wist, enfin, vrijwel alles, behalve natuurlijk wat ik zelf het meest op prijs stel. Doch dat gaat niemand dan ook iets aan.’ Dit is Friedericy - jong of oud - van top tot teen. Dit ‘onpersoonlijke’ is een deel van zijn persoonlijkheid.

Friedericy was op een wijze die niet misverstaan mag worden nieuwsgierig en deze nieuwsgierigheid, deze voortdurende aandacht voor mensen en situaties, deze ‘detached curiosity’, verschafte hem de stof voor zijn verhalen. Daarin leefde hij zich uit. Hij zat boordevol verhalen; hij maakte overal een verhaal van en alles wat hij vertelde kreeg er kleur door. Hij kon weergaloos vertellen omdat hij zijn natuurlijke aanleg ontwikkeld had tot een speciale kunst zoals men deze onder Nederlanders zelden aantreft. Friedericy vertelde, ook als hij schreef, met grote intensiteit. Hij zei zelf eens in een interview: ‘Het is alsof ik er zelf bij ben, bij wat ik beschrijf. Ik zie de maan, ik ruik de geuren, ik hoor de trommels, ik neem deel aan de gesprekken.’ Deze intensiteit maakte wat hij schreef niet alleen ‘plastisch’, ze gaf er voor alles een voortdurende spanning aan. Ook als Friedericy een eenvoudig verhaal deed of een simpele gebeurtenis vertelde. Maar deze intensiteit - om het woord te hernemen - maakte hem ook overgevoelig. Hij wist dat hij zich als verteller of schrijver daartegen beschermen moest op straffe van mislukking. Zijn neiging tot relativeren, zijn spot en zelfspot zijn voor hem de natuurlijke afweermiddelen tegen het hem voortdurend bedreigend sentiment. Friedericy schreef op een wijze die erop berekend was zichzelf te verbergen en kenbaar te maken. Hij wilde zich wel laten kennen, maar alleen aan de goede verstaander met wie hij in sous entendus spreken kon. Hij gebruikte het verhaal en de litteratuur als een middel om tot de mensen door te dringen, maar hij wilde zelf de afstand bepalen. Voor de begrijper hield hij een knipoog in reserve. Friedericy heeft er recht op vanuit deze instelling gelezen te worden.

Met schrijven, dat wil zeggen bewust schrijven als een vorm van litteratuur, is Friedericy pas laat begonnen: in de gevangenis ‘Struis-

[p. 498]

wijk’ waar de Japanners hem opsloten, met vele anderen overigens. Toen de Londense correspondent van het Handelsblad hem vroeg of hij nooit eerder aan het schrijven van litteratuur gedacht had, antwoordde hij min of meer tot zijn eigen verwondering: ‘de gedachte is nooit een ogenblik bij mij opgekomen.’ Maar hoe kwam het dan zo ineens in Japanse gevangenschap? ‘Ik kan de onbegrijpelijke overgang in mijn geest om in Struiswijk litterair gevangeniswerk te verrichten alleen verklaren als een poging tot vlucht uit de realiteit.’ Die vlucht leidde naar een gestyleerde herinnering, naar het beleven van een wereld die uit een vroegere werkelijkheid was samengesteld, maar die de werkelijkheid zelf niet meer was. En zonder het te weten was Friedericy hiermee de litteratuur ingeschoven - die altijd een vervorming van de werkelijkheid betekent.

Friedericy begon in de gevangenis met het verhaal ‘De reigerdans’ dat op een ervaring berustte die hij tot een verbeelde werkelijkheid trachtte te transformeren. Het verhaal verraadt een litteraire vorming. Hiernaar gevraagd (alweer in hetzelfde vraaggesprek) bekende Friedericy dat hij in zijn ‘ontvankelijke jaren’ Ary Prins en Adriaan van Oordt had bewonderd, typische woordkunstenaars dus, zelfs Querido, maar dat vooral Van Schendel in een later stadium grote indruk op hem had gemaakt. En we weten het ineens: toen hij begon te schrijven waren Ary Prins en Van Oordt al verdwenen; alleen Van Schendel was gebleven. Zijn eerste verhalen ‘Reigerdans’ en vooral Bontorio, en daarvan vooral het begin, hebben dezelfde glijdende schrijfwijze, dezelfde poëtische nuchterheid, hetzelfde ietwat archaïsche taalgebruik, maar ze zijn tegelijk anders; ze ontwikkelen zich ook heel anders, tot een langzamerhand natuurlijker en directer proza. Ze waren trouwens van het begin af al meer vertellend en minder evocatief. Lang heeft de invloed van Van Schendel niet gewerkt. Op ‘Reigerdans’ - zijn litterair debuut! - heeft Friedericy heel lang gewerkt; het is met een grote preciesheid opgeschreven in een half schoolcahier, met een langzaam handschrift, op het papier ‘ingevuld’.

Zijn tweede verhaal ‘Bloed’ kwam sneller tot stand dan ‘Reigerdans’ omdat de opzet hem scherper voor de geest stond. Het is het beste korte verhaal dat Friedericy schreef, een bijzonder knap voorgedragen verhaal. Het is minder ‘poëtisch’ dan ‘Reigerdans’, als men tenminste dit woord wil gebruiken, het is directer geschreven in een droger taal, wat

[p. 499]

rustiger ook, met een glimlach en een nauwelijks ingehouden bewondering voor de moordenaar Daëng Sisila (‘Daëng’ is een titel waarmee adellijke personen worden aangesproken) die wraak neemt op zijn tegenstander Hadji Moestapa omdat deze zich als bastaard met zijn vorstelijke zaken heeft bemoeid: ‘hij heeft over het hoofd gezien dat het gevaarlijk is om zich te mengen in de zaken van een prins van het zuiverste bloed.’ Na ‘Bloed’ volgden nog enkele verhalen die in dezelfde samenleving van Zuid-Celebes spelen: ‘De dubbele aar’ en ‘Vazal’, verhalen waarin Friedericy zelf optreedt als de Toewan Petoro (waarmee de Europese bestuursambtenaar wordt aangesproken). Met het na de oorlog geschreven verhaal ‘De bendeleider’ werden ze samengebracht in de kleine bundel Vorsten, vissers en boeren die pas in 1957 werd uitgegeven. De titel is een voortreffelijke aanduiding van de feodale wereld waarin zich alle verhalen afspelen.

In een andere gevangenis, Soeka Miskin bij Bandung, een of twee jaar later, schreef Friedericy weer een verhaal dat hij ‘Bontorio’ noemde en dat hij aan zijn collega Alberts liet lezen. Alberts die later zelf enige prachtige verhalen zou schrijven zei iets onverwachts en merkwaardigs waardoor Friedericy in verlegenheid kwam; hij zei dat ‘Bontorio’ de stof voor een roman bevatte; dat in sommige zinnen de kern besloten lag van hele alinea's, zelfs van hoofdstukken. Waarna Friedericy gehoorzaam aan zijn litteraire mentor, aantekeningen in de marge begon te maken om ze in een volgend stadium uit te werken. Zo ontstond de roman Bontorio die in 1947 uitkwam, maar die toen nauwelijks een lezerspubliek vond. Friedericy liet het er maar bij tot hij, jaren later, onder druk gezet door enkele vrienden, met zijn verhalen bij de uitgever Querido kwam die meer deed dan zijn verhalen uitgeven. Ze bezorgde ook een herdruk van Bontorio dat herdoopt werd tot De laatste generaal (1958). Het bevat overigens slechts twee van de oorspronkelijke drie delen.

Bontorio is een unieke roman, niet alleen omdat hij een van de weinige is die zich geheel in een Indonesische samenleving afspeelt (dat is met De heilige paarden van Fabricius ook het geval), maar om het vermogen van Friedericy in een samenleving door te dringen met een geheel ander cultuurpatroon, in dit geval in de adellijke gemeenschap van Bone, in Zuid-Celebes. Friedericy wist waar hij over schreef, hij was jaren bestuursambtenaar in die gewesten geweest en had dagelijks

[p. 500]

verkeerd onder de aroe's, karaëngs en daëngs. In zijn brieven aan zijn ouders schrijft hij reeds dat hij de dagelijkse omgang met de vorsten ‘ongemeen boeiend’ vindt. Hij bleek zich zo in hun denkwijze en gevoelsleven te kunnen inleven, dat ze later zichzelf in zijn boek meenden te herkennen. In een gesprek in Het Vaderland (9 april 1959) vertelde Friedericy dat hij eens aangesproken werd door een man die zich voorstelde als de zoon van Bonterihoe, terwijl Bonterihoe in werkelijkheid een historische figuur was - al had Friedericy in de verte gedacht aan een volkshoofd dat hij kende. Hij had al eerder over deze vorsten en vorstentelgen geschreven in zijn proefschrift over de standen bij de Buginezen en Makassaren en zich daarbij zó in het leven van de adel verplaatst dat hij volgens latere onderzoekers de samenleving van Zuid-Celebes teveel vanuit het standpunt van de adel had gezien en daardoor fouten had gemaakt. Maar wat voor zijn proefschrift als een bezwaar gold, werd een deugd voor de romanschrijver.

Voor Friedericy moet Bontorio een krachtproef zijn geweest: schrijven over een stof die op zichzelf reeds een zekere afstand betekent en tegelijk de afstand nog eens vergroten door een historische roman te schrijven die zich over drie geslachten uitstrekt, en die ook over drie delen verdeeld is: ‘De moeder’ (1870-1890), ‘De generaal’ (1890-1906) en ‘De zoon’ (1906-1930). De hoofdfiguur is niet de moeder, de vrouwelijke Aroe Bonterihoe waar het boek naar genoemd is (‘Aroe’ is de aanspreektitel voor een vorst of volkshoofd), maar haar zoon Mappa, ‘de laatste generaal’, de grote jager, drinkebroer en vechter. Nog minder hoofdfiguur is Mendapi, de zoon van de generaal, in het derde deel.

Bontorio verscheen in 1947 onder de schuilnaam H.J. Merlijn. Friedericy was toen al ruim over de veertig. Opvallend voor Friedericy als ‘schrijver over Indië’ is weer het late debuut en de behoefte een scheiding te maken tussen de mens, in dit geval de ambtenaar, en de schrijver die hij, voorlopig althans, voor de buitenwereld wenste te verbergen. Naar de betekenis van het pseudoniem dat als een soort tovermantel dienst doet (Merlijn is de naam van een tovenaar uit de middeleeuwse letterkunde) kunnen we alleen maar gissen.

De roman, of misschien kunnen we beter gewoon van een verhaal spreken, begint met de uitroeping van I Base, een vrouwelijke vazal, tot aroe van de kleine bergstaat Bontorio. Ze staat in de eerste bladzijde al in levende lijve voor ons: een harde vrouw met breed en gedrongen

[p. 501]

uiterlijk, pratend op harde toon. Ze is wreed en grillig. Haat en verachting zijn de gevoelens die haar tegenover haar onderdanen bezielen. Ze komt te paard in Bonterihoe aan, naar haar stand gezeten op zeven kussens, gevolgd door haar man en haar eersteling, een jongen van zeven maanden, in de armen van een verzorgster, ook te paard. Het gaat regenen en vier mannen met regenschermen gaan haar tegemoet in de steeds heviger stromende regen. Als ze hen ziet wendt ze het hoofd langzaam om naar haar man en met scherpe stem spreekt ze de woorden uit die in Bonterihoe ‘in geen dag bekend en in geen honderd jaar vergeten zouden zijn: - Zo ben ik dan gedoemd om apen te regeren.’ Deze nieuwe vrouwelijke aroe van Bonterihoe die zwanger is als ze tot aroe verkozen wordt, krijgt twee zoons. Het zijn Tappa de oudste, die op zijn vader lijkt, en Mappa de jongere, breedgeschouderd, grof en donker als zijn moeder, boers van uiterlijk, een groot strijder, hertenjager, dobbelaar en vrouwenminnaar. Beide jongens worden aan het hof van de Aroempone geroepen, dat is de koning van Bone aan wie de aroe van Bonterihoe ondergeschikt is. De oudste, Tappa, ontwikkelt zich tot een halve vrouw die zich verft en blanket en die zich in het hofleven gevoegd heeft bij de zogenaamde bissoes, dat zijn de priesters die in de eerste plaats met de verzorging van de rijkssieraden, de regalia, belast waren en die een belangrijke rol bij de ceremoniën vervulden als bemiddelaars tussen de mensen, goden en geesten. We moeten aannemen dat ze homoseksueel waren. Ze waren soms als vrouwen gekleed en gedroegen zich als vrouwen. Tappa wordt na een liefdesaffaire vermoord; de jongere Mappa vlucht uit het hof weg maar keert daar later weer terug en wordt een van de trouwste vazallen van de Aroempone. Dan begint zijn heldenleven dat wijd en zijd bekend wordt; een gevreesd en bewonderd man: ‘De zware jukbeenderen waren overspannen met een donkerbruine, gezonde huid. De kleine mongoolse ogen keken eerbiedig. Om de grote mond waarboven een dunne hangsnor aan het groeien was, lag een half verlegen, half slim lachje. De om het middel gewonden, hoog opgenomen helrode sarong liet de zware kuiten zien. De koning van Bone knikte. Mappa boog diep, de rechterhand aan de hoofddoek, wierp zich op zijn nerveuze isabellakleurige hengst en galoppeerde weg, de hertenlans met de strik in de top in de rechterhand.’ Dan volgt de prachtige beschrijving van een hertenjacht, een van de langere frag-

[p. 502]

menten uit het boek die men zich telkens weer herinnert. Mappa's krijgsroem groeit. In binnenlandse oorlogen blijft hij overwinnaar en redt de Aroempone zelfs het leven. In de latere strijd tegen de buiten-landse vijand, de Nederlanders, weet hij de landingstroepen een gevoelige nederlaag toe te brengen. Als echter de hoofdstad Watampone ingenomen wordt en de oude vorst van Bone gevangen genomen is, geeft hij zich over. ‘Ik ben Aroe Bonterihoe,’ zei hij, ‘en ik kom mij in uw handen stellen.’ Maar niet eerder dan nadat hij de Nederlanders op vermakelijke wijze enige weken misleid heeft. Het derde verhaal dat in het heden speelt is het zwakste. Er zijn critici geweest die Merlijn om dit derde deel zeer hard hebben aangevallen om wat eigenlijk niet meer dan een twintigtal bladzijden (of enkele meer) zijn waarin de bestuursambtenaar Friedericy over een grote taak spreekt en over een rechtvaardig bestuur waarmee uiteraard het Nederlandse bedoeld is. De zoon van Mappa, Mendapi, ontwikkelt zich tot zo'n rechtvaardig bestuursambtenaar naar Nederlands-democratisch model. Aan het slot wijst hij zijn vader terug als deze hem tracht over te halen geld te ontvreemden uit de landschapskas. Als een deus ex machina komt dan het noodlot in de vorm van een auto-ongeluk, een wat erg gezocht en abrupt einde van het boek en van Mappa. Het is alsof Friedericy zeggen wil: de oude potentaten zijn verdwenen, het tijdperk van rechtvaardigheid is begonnen; maar de lezer zal meer sympathie hebben voor Mappa, al is hij honderdmaal een vrijbuiter en een drinkebroer, dan voor de vervelende, welopgevoede en brave zoon Mendapi. Bij de herdruk in de Salamander-reeks (onder de titel die eerst ondertitel was, De laatste generaal) liet Friedericy het laatste hoofdstuk weg. En ofschoon daarmee het verhaal niet meer tot het heden is afgerond (hetgeen ongetwijfeld in de opzet moet hebben gelegen), behoeven we dit niet langdurig te betreuren. Het bevatte gewild of ongewild een wat al te programmistische rechtvaardiging van het Nederlandse bestuursbeleid. Het is daardoor litterair mislukt; om deze reden keurde Friedericy het ook af.

In De raadsman dat ruim tien jaar later geschreven werd, heeft Friedericy zich ruimschoots gerevancheerd voor dit mislukte derde deel. Niet door dit te herschrijven (dat zou nooit mogelijk zijn geweest), maar door over zijn ervaringen als bestuursambtenaar in een andere vorm en in een andere toon te schrijven, over de eerste fase van zijn

[p. 503]

loopbaan, toen hij als heel jonge Toewan Petoro als zelfstandig bestuurder geplaatst werd in de onderafdeling Gowa, met als hoofdplaats Soenggoeminasa. Elk litterair bijgeluid dat in Bontorio nog hoorbaar was, is verdwenen, de zinnen zijn compacter geworden en korter, de formulering soberder; ook de toon is veranderd. Het is alsof we Friedericy horen praten, zonder verhevenheid, zonder zwaarwichtigheid met een lichte ironie en zelfspot. Het is een gereserveerd proza dat bij zijn persoonlijkheid past. Met ‘de raadsman’ als centrale figuur, de oudere bestuursassistent Toewan Anwar (die overigens uit twee figuren werd samengesteld), vertelt Friedericy enige gebeurtenissen uit zijn bestuurstijd in Zuid-Celebes, met een mengeling van werkelijkheid en fictie, maar met de werkelijkheid als uitgangspunt. Het boek zet prachtig in met de beschrijving van het stille plaatsje met de onvermijdelijke alun-alun (dorpsplein) en met het beeld van ‘de raadsman’, Toewan Anwar, die veel meer dan een raadsman zal worden: ook een vriend en een vader. Toewan Anwar wacht in de voorgalerij op de komst van de Toewan Petoro. Dan beginnen de reeks verhalen, subliem verteld, met een ingehouden humor, over amokpartijen, over een frauderende klerk, over een stervende hond (wat een prachtige vertelling!), over dorpshoofden en vorstentelgen - en altijd over ‘de raadsman’ die in elk hoofdstuk optreedt. Heel anders dan in het derde deel van Bontorio, haast ongemerkt, zijn deze sobere, op ingehouden toon vertelde verhalen, door de wederzijdse gevoelens van liefde en gehechtheid tussen de jonge Toewan Petoro en de al oudere Toewan Anwar, een rechtvaardiging geworden van een ethisch bestuursbeleid zoals Friedericy het voorstond en beleed. Ontroerend is vooral het laatste deel. Niet alleen die ene bladzijde waarin het weerzien van de inmiddels niet meer jonge Toewan Petoro met de oude en klein geworden raadsman wordt beschreven, maar vooral het einde als de Toewan Petoro (die allang geen Toewan Petoro meer is) na de laatste oorlog en na de soevereiniteitsoverdracht, drie jonge Indonesiërs wegbrengt op het vliegveld van San Francisco. Hoe dan plotseling de naam van Toewan Anwar valt en een van de jonge Indonesiërs temidden van het geroezemoes en de stem door de luidspreker, fluisterend zegt: ‘Neemt u me niet kwalijk, mijnheer ... maar in onze ogen was hij een van de collaborateurs die ons land veel kwaad hebben gedaan.’ De Toewan Petoro die geen Toewan Petoro meer is, zwijgt en ook in het boek wordt het

[p. 504]

gevoel verzwegen, het pijnlijke gevoel van een onherroepelijk ‘misverstand’, van een onoplosbare tegenstelling tussen politiek en menselijkheid.