Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 632]

XVI. Tussen dertig en veertig

1. Het land van herkomst

Het Verzameld werk van Du Perron, verzorgd door F.E.A. Batten, H.A. Gomperts en E. du Perron-de Roos, is in zeven delen uitgegeven (1954-1960) bij G.A. van Oorschot. Het land van herkomst staat in het derde deel. De meeste Indische stukken waaronder Indisch memorandum staan in deel vii; De man van Lebak en andere Multatuliana in deel iv. Van Het land van herkomst bestaat ook nog een afzonderlijke uitgave (1962). Voor de brieven die Du Perron vanuit Indië aan Ter Braak schreef, zie men het vierde deel van de Briefwisseling tussen hen beiden met belangrijke aantekeningen van H. van Galen Last die een onontbeerlijke achtergrond vormen voor deze correspondentie (uitgave G.A. van Oorschot, 1967). Evenmin kan men de bibliografie missen die door F.E.A. Batten werd samengesteld, te vinden achterin het zevende deel van het Verzameld werk. - Over Du Perron is langzamerhand vrij veel geschreven. Biografische gegevens vinden we in G.H. 's-Gravesande, E. du Perron; herinneringen en bescheiden (met foto's, tekeningen enzovoorts, 1947); Jan van Nijlen, Herinneringen, aan Du Perron (1955); J. Greshoff in de bundel Volière (1956). - Beschouwingen over Du Perron: S. Vestdijk, ‘Du Perrons grote anti-roman’ in de bundel Lier en lancet (1939); H.A. Gomperts in Jagen om te leven (1947, derde druk in de Stoa-reeks, 1963) en in De schok der herkenning (1959, vierde druk 1967). Over de Indische jaren van Du Perron schreef J.H.W. Veenstra een documentaire studie: D'Artagnan tegen Jan Fuselier; E. du Perron als Indisch polemist (1962). Naar aanleiding van dit boek schreef R. Nieuwenhuys in De Gids van september en oktober 1963, blz. 126 en 241, ‘Op zoek naar het land van herkomst’. Over ‘Du Perron als pleitbezorger van Multatuli’ schreef J.H.W. Veenstra in Maatstaf, maart 1970, blz. 742. De biografie van Ada Deprez, E. du Perron; zijn leven en zijn werk (1960) is een compilatie met zeer onvolledige bronnenvermelding, ontstellend inexact en daardoor niet alleen zonder waarde, maar ook misleidend. - In 1969 verscheen in de serie ‘Schrijversprentenboeken’ een deel dat aan Du Perron is gewijd. - In 1977 kwam het eerste deel uit van de grote brievenuitgave. Er zullen tien delen verschijnen, bij Van Oorschot.

[p. 633]

2. Op zoek naar het land van herkomst

Over de beweegredenen van Du Perron om naar Indië terug te keren leze men uitvoeriger het voorwoord bij het Scheepsjournaal van Arthur Ducroo, in 1936 geschreven, maar eerst na zijn dood, in 1943 uitgegeven in een beperkte oplage; het voorwoord is gedateerd ‘juni '39’; zie ook Verzameld werk, deel v. Het interview met Du Perron kort voor zijn vertrek naar Indië, waaruit in de tekst enige malen geciteerd wordt, staat in Het Vaderland van 15 september 1936. - Een uitwerking van het portret van Du Perrons moeder als een typisch Indische dame aan de hand van persoonlijke inlichtingen van mensen die haar nog in haar element, d.w.z. Indië, gekend hebben, vindt men in het artikel van R. Nieuwenhuys in De Gids, 1963, in het bijzonder de bladzijden 130-131. Welke indruk zij op een buitenstaander als de Vlaamse dichter Jan van Nijlen maakte, kan men lezen in de kostelijk vertelde Herinneringen aan Du Perron, blz. 13 e.v. - De familiegegevens op blz. 386 zijn te danken aan A. van Marle die een genealogisch onderzoek instelde dat overigens veel verder gaat. - De bevolkingsgetallen zijn ontleend aan het verslag van de Volkstelling 1930, rubriek Europeanen.

3. Kritiek en Opbouw

Over de oprichting van Kritiek en Opbouw leze men de Verantwoording; een halve eeuw in Indonesië (1956) van D.M.G. Koch. De mededelingen van Koch zijn gedeeltelijk gecorrigeerd en aangevuld met gegevens verstrekt door J.F.H.A. de la Court, de eerste voorzitter van de Algemeen Democratische Groep en redacteur van Kritiek en Opbouw. Over Koch leze men: D.M.G. Koch; levensschets en bibliografie (1951) door D. de Vries; verder Aan D.M.G. Koch op zijn vijfenzeventigste verjaardag van zijn vrienden (1956) en het opstel ‘D.M.G. Koch’ door J.H.W. Veenstra in de bundel Batig slot; figuren uit het oude Indië (1960), een aantal biografieën geschreven door D.M.G. Koch. - De gegevens over het op te richten tijdschrift Nusantara zijn verstrekt door P.J. Koets, één der bij het overleg betrokkenen. - Al de gegevens uit de litteratuur zijn verwerkt in het artikel van E.B. Locher-Scholten ‘Kritiek en Opbouw (1938-1942), een rode splinter’ in het Tijdschrift voor Geschiedenis, 1976, nr. 89, blz. 202. De conclusie van de schrijfster

[p. 634]

luidt dat het blad in de traditie staat ‘begonnen bij Dirk van Hogendorp, van figuren uit de 19e en 20e eeuw, die protesteerden tegen de koloniale figuur binnen de grenzen van dat zelfde koloniale systeem’. Mevrouw Locher plaatst Kritiek en Opbouw tegen de achtergrond van de koloniale politiek in die tijd die zo sterk bepaald werd door het Indonesische nationalisme. Over dit nationalisme zou hier in dit boek meer gezegd moeten worden. De litteratuur hierover is vrij omvangrijk aan het worden, vooral in de laatste jaren door allerlei buitenlandse studies. Een opsomming daarvan zou te ver voeren. - Een fragment uit het artikeltje van Soewarsih Djojopoespito, ‘Ontmoeting met E. du Perron’, in Vrij Nederland van 14 december 1946, is door H. van Galen Last opgenomen als aantekening nummer 1112 bij de uitgave van de Briefwisseling tussen Ter Braak en Du Perron. Uitvoeriger schreef Soewarsih over ‘Eddy du Perron, de vriend die nooit gestorven is’ in Tirade, februari/maart 1973, nr. 184/185. De uitspraak van haar zuster mevrouw Pringgodigdo staat in Sikap (nummers van 4, 8 en 15 augustus en 29 september 1951, overgenomen in Cultureel Nieuws Indonesië, januari 1952; citaten eruit zijn opgenomen als aantekening nr. 1105 bij het vierde deel van de Briefwisseling, blz. 537. - Brieven van E. du Perron aan Soejitno Mangoenkoesoemo bevinden zich in fotokopie op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde; er is ook een nooit verzonden brief bij van Soejitno aan Du Perron. Een andere bijzonder interessante brief van Soejitno aan Du Perron van 22 maart 1940 werd enigszins bekort opgenomen in het Indonesië-nummer van Criterium, augustus-september 1947, blz. 489. Ze gaat hoofdzakelijk over een bezoek aan zijn oudste broer Tjipto Mangoenkoesoemo van wie hij een prachtig portret geeft. Het herdenkingsnummer van Kritiek en Opbouw bij de dood van Du Perron is dat van 16 augustus 1940. - Wat Sjahrir over Du Perron zei is geciteerd uit een artikel van F.R.J. Verhoeven in Indonesië, tweede jaargang, nr. 4, blz. 365, over culturele samenwerking. - Voor de woorden van Koets, zie aantekening nr. 1089, blz. 528 van het vierde deel van de Briefwisseling. De bron voor de uitlating van Beb Vuyk is niet meer te achterhalen; wel heeft ze iets dergelijks geschreven in het herdenkingsnummer van Kritiek en Opbouw van 16 augustus 1940. - Sjahrirs Indonesische overpeinzingen werd in 1945 voor het eerst uitgegeven; in 1966 verscheen een vierde druk. Er bestaat ook nog een

[p. 635]

Amerikaanse uitgave getiteld Out of exile [1949] met een inleiding van Charles Wolff Jr. waarin men allerlei biografische gegevens over Sjahrir vindt-die overigens hier en daar wel enige aanvulling en correctie behoeven. De Amerikaanse uitgave bevat meer dan de Nederlandse-er is een tweede deel aan toegevoegd dat tot de revolutietijd doorloopt-en tegelijk minder voorzover dit de vroegere periode vóór de oorlog betreft. - Bij de dood van Sjahrir schreef Beb Vuyk een ‘In memoriam Soetan Sjahrir’ in het dagblad Trouw van 7 april 1966. S(al) Tas noteerde zijn herinneringen aan Sjahrir die door Ruth McVey in het Engels werden vertaald. Ze zijn gepubliceerd in het tijdschrift Indonesia (oktober 1969, blz. 135), een uitgave van Cornell University Ithaca, New York.

4. Buiten het gareel

Soewarsih Djojopoespito's roman Buiten het gareel (met een inleiding van E. du Perron) werd in 1940 voor het eerst uitgegeven; een tweede druk verscheen na de oorlog in 1946. Wie zich voor de wordingsgeschiedenis van dit boek interesseert kan de beschouwing lezen van Elisabeth de Roos (mevrouw E. du Perron-de Roos) in Groot Nederland, 1942, deel i, blz. 68. - Op de dood van Soewarsih in augustus 1977 reageerde Beb Vuyk spontaan in n.r.c./Handelsblad van 2 september 1977 met een zeer persoonlijk artikel ‘Bij de dood van een vriendin’; Gerard Termorshuizen schreef over haar in Ons Erfdeel, jg. 20, 1977, nr. 5. In 1979 zal in de Levensberichten van het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een eveneens door Termorshuizen geschreven artikel verschijnen waarin meer gegevens zullen worden verwerkt. - Het handschrift van een onuitgegeven autobiografie is in het bezit van de schrijver van de Oost-Indische Spiegel.

5. Willem Walraven

De eerste bloemlezing uit het werk van Walraven verscheen in het tijdschrift Oriëntatie, in het dubbele augustus/september-nummer 1949. De keuze werd gedaan door de redacteur-secretaris R. Nieuwenhuys. In 1952 werd deze bloemlezing uitgebreid, en van uitvoeriger toelichting voorzien, in boekvorm uitgegeven onder de titel Op de grens;

[p. 636]

korte verhalen, brieven en kronieken. In 1966 verschenen bij dezelfde uitgever G.A. van Oorschot de Brieven aan familie en vrienden 1919-1941, in een dundruk-editie van bijna negenhonderd bladzijden (‘Het is niet te geloven! Negenhonderd bladzijden brieven die je ademloos uitleest,’ schreef de criticus in De Nieuwe Linie van 3 december 1966). In 1971 kwam Walravens journalistiek werk uit onder de titel Eendagsvliegen, een door Walraven zelf gebruikt woord. Het bevat een keuze uit zijn krante- en tijdschriftartikelen en een herdruk van zijn verhalen. De samenstelling en toelichting zijn van F. Schamhardt en R. Nieuwenhuys. Als een aanvulling is het door Schamhardt bezorgde boekje Een maand in het boevenpak (1978) te beschouwen als een bundeling van Walravens artikelen over zijn gevangeniservaringen. - Over Walraven leze men vooral de inleiding bij de Brieven van zijn neef F. Schamhardt, het uitvoerigste en het beste wat over Walraven geschreven is. Voor andere litteratuur over Walraven kunnen we volstaan met een verwijzing naar de litteratuurlijst in het Walraven-nummer van Tirade, januari 1967, blz. 25. Ze kan worden aangevuld met een daarna pas geschreven artikel van J.H.W. Veenstra in Tirade, januari 1972, blz. 41. Een tweetal voortreffelijke krantebesprekingen moet in het bijzonder genoemd worden: dat van Albert Besnard in het Algemeen Handelsblad van 25 april 1953 en dat van Kees Fens in De Tijd van 29 oktober 1966. - In 1950 schreef zijn zoon W. Walraven Jr. herinneringen aan zijn vader die eerst gedeeltelijk in het Walraven-nummer van Tirade werden gepubliceerd en daarna volledig in de serie De Engelbewaarder, nr. 1, onder de titel De groote verbittering (oktober 1975; derde druk 1977).