Groepsportret met Dame I


auteur: Willem Otterspeer


bron: Willem Otterspeer, Groepsportret met Dame I. Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse universiteit, 1575-1672. Bert Bakker, Amsterdam 2000  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 243]

15 Knibbelige tijden, 1609-1618

Niet alleen de onrust onder studenten zorgde in deze tijd voor straatrumoer, maar ook onder professoren kon de broei uitgroeien tot een brand. Al eerder was de Leidse universiteit een toneel geweest waarop vooral de kerkpolitiek de actie bepaalde. Nu zouden kerkpolitiek en dogmatiek hun krachten bundelen voor een drama dat heel het land tot in het schellinkje in de ban zou houden.

Arminius en Gomarus

Arminius was geen onbeschreven blad toen hij in 1603 van de Amsterdamse kansel naar de Leidse katheder beroepen werd. Zijn opvattingen over Paulus' brief aan de Romeinen, met name over de hoofdstukken 7 en 9, waar Paulus schrijft over de betekenis van de wet en van de uitverkiezing, hadden hem in conflict gebracht met zijn Amsterdamse collega's en in polemiek met de Leidse professor Junius.

Twee beelden van de mens - altijd geneigd tot het kwaad of soms verlangend naar het goede - en twee beelden van de christen - iemand die het goede kent maar het kwade doet of iemand die doordat hij het goede kent het kwaad kan overwinnen - stonden daarbij tegenover elkaar. Twee interpretaties vooral van een cruciaal leerstuk, dat van de predestinatie, de voorbeschikking. In de soevereine samenvatting van Van Deursen: ‘De ene partij zegt dat gelovigen worden uitverkoren. De andere partij zegt dat uitverkorenen het geloof ontvangen.’1

Het was de achilleshiel van de hervormde theologie, blootgelegd door een aantal jezuïeten, onder wie de befaamde kardinaal Bellarminus. In zijn krachtigste formulering hield de theorie van de voorbeschikking in dat God nog

[p. 244]

vóór de schepping van de wereld bepaald had wie van de mensen slecht en wie goed, wie verworpen en wie verkozen zou zijn. Een dergelijke opvatting echter, vond Bellarminus, maakte God tot de oorzaak van de zonde. Daardoor zou God slecht en de zonde geen zonde meer zijn. Arminius was het daarmee eens. Gomarus vond het godslasterlijk.

De scholastieke denktrant, de paradoxen van Schrift en overlevering en de polemische situatie benemen een niet gering deel van het zicht op de redeneringen van beide kemphanen. Centraal in het denken van Gomarus stond Gods almacht. Elke schim van menselijke vrijheid, van het vermogen het eigen lot te beïnvloeden, zou die macht verkleinen. Voor Gomarus was het geloof een geschenk van God, het teken dat de mens gered was.

Ook voor Arminius was het geloof genade, maar voor hem werd de gelovige juist om zijn geloof gered. Dat lijkt paradoxaal en Arminius redt zowel de almacht van God als de bijdrage van het geloof met behulp van wat hij Gods ‘voorwetentheyt’ noemde, een begrip dat ook door de jezuïeten gehanteerd werd. De mens doet het goede of het kwade en God weet dat van tevoren.

Er waren ook andere verschillen. Gomarus vond dat Arminius met zijn mening in strijd kwam met geloofsbelijdenis en catechismus. Arminius was het daar niet mee eens, maar hij had ook geen bezwaar tegen herformulering van die geschriften. Bovendien beschouwde hij de door God gegeven overheid als het hoofd van de kerk. Gomarus daarentegen ging de kerk, haar autonomie en haar geschriften boven alles.

Het verschil van mening, dat al in 1604 in publieke disputaties tot een botsing leidde, bleef niet binnen de muren van het Academiegebouw. Het gerucht dat Leidse theologieprofessoren het op fundamentele punten met elkaar oneens waren verspreidde zich over de stad, over de provincie, over het hele land. Het volk klepte de klok na en wie wel van de klepel wist, sprak van kansel en in kerkenraad van ‘nieuwigheyt-drijvers’. Al snel waren de honden los. Op Arminius, welteverstaan.

Arminius' studenten werden vanuit de consistories bestookt. Cuchlinus, de regent van het Staten College en geestverwant van Gomarus, ging zijn lessen geven op het uur van Arminius. Arminius zelf kreeg ‘huisbezoek’, onder anderen van dominee Hommius, schoonzoon van Cuchlinus en een ‘vriessche os’, wiens gezondheid vele malen groter was dan zijn denkkracht. Hij wist bij dergelijke bezoeken de bezwaren van Hommius wel te weerleggen, maar dan ging Hommius naar huis ‘omdat hij de waarheid wilde zoeken’. Thuisgekomen bad hij dan tot God om licht en kreeg te horen dat zijn eigen opvattingen de beste waren. ‘Zo doen goede onderzoekers dat,’ schreef Arminius, van wie overigens ook de hele anekdote stamt.

Maar Arminius kwam er niet met een grap van af. De Dordtse classis diende een ‘gravamen’ in over ‘differenten’ die in kerk en universiteit te Leiden gerezen zouden zijn over de kerkleer. De Franeker professor Lubbertus lichtte de Schotse en Franse kerk in gomaristische zin voor. En verder escaleerde de zaak. Het verhaal ging dat het in Arminius' huis spookte en Hommius twijfel-

[p. 245]

de er niet aan dat een ketter met boze geesten omging. Dat was volgens hem even evident als dat er ketterij bestond.2

Ten slotte moest Arminius zich twee keer in het openbaar verdedigen, op 30 mei 1608 voor de Hoge Raad (‘Gommer en Armijn te Hoof/Dongen om het recht geloof’) en op 30 oktober van dat jaar voor de Staten zelf. Op 13 augustus 1609 werd er zelfs, onder leiding van Oldenbarnevelt, voor de Staten een debat tussen beide professoren georganiseerd, waarbij elk vier predikanten mocht meenemen om hem bij te staan. Het was halverwege dit dispuut dat de inmiddels door de pleuris aangetaste Arminius naar huis vertrok om te sterven.

Maar de dood van Arminius maakte geen einde aan de religieuze beroerten, hij leek die alleen maar te verergeren. Er was inmiddels een pamflettenstrijd losgebroken, aangewakkerd door de lijkrede op Arminius van Petrus Bertius. Gomarus publiceerde ondanks het verbod van de Staten zijn rede die hij voor dit college in 1608 gehouden had. Vrienden van Arminius riposteerden met diens ‘Verclaringe’, die hij uitgesproken had bij dezelfde gelegenheid. En in 1610 volgden de ‘remonstrantie’ en ‘contra-remonstrantie’, gescheiden door wederom een enorm treffen voor de Staten, die mettertijd meer op een theologisch dispuutscollege dan op een politiek lichaam leken.

De politieke dimensie van deze religieuze debatten was inmiddels gebleken toen in 1608 de classis Alkmaar, gesteund door de synode van Noord-Holland, vijf predikanten schorste die bezwaren hadden tegen de geloofsbelijdenis, en de vroedschap, gesteund door de Staten, hen handhaafde. Maurits koos het jaar erop alleen gomaristen als nieuwe leden van de vroedschap, waarna de schutterij de vroedschap in arminiaanse zin zuiverde. Een jaar later deed zich iets dergelijks in Utrecht voor. En van Holland en Utrecht sloeg het politiek krakeel over naar de andere provincies.

Conrad Vorstius

Intussen was in Leiden de vervulling van vacatures aan de theologische faculteit aan de orde. In 1607 was Trelcatius junior overleden. Met de dood van Arminius was Gomarus nu de enige professor in de faculteit. De namen van Antonius Thysius en Johannes Corvinus, de een predikant te Harderwijk, de ander te Leiden, werden genoemd, maar de voorkeur van curatoren ging uit naar Uytenbogaert. Dat was weliswaar de voorman van de remonstranten, maar hij was tegelijk gezien aan het Hof en bij de Staten, geacht door Maurits en door Oldenbarnevelt. Maar Uytenbogaert aarzelde. Hij was een kwarteeuw predikant geweest ‘ende sulcx alles vergeten dat in de scole nodich was’. Zijn Latijn was roestig, zijn vaardigheid in het disputeren was verdwenen en dan waren er nog wat andere bezwaren ‘in dese pericolose ende knibbelige tijden’.3

Maar curatoren hielden aan. Wie hij bijvoorbeeld als collega wilde hebben, vroegen ze. Waarop Uytenbogaert een zekere ‘Doctor Forstius’, professor te ‘Steenfort’ noemde. Dat had hij niet moeten doen. Want het eind van het ver-

[p. 246]

haal was dat hij zelf niet kwam, maar Vorstius wel beroepen werd. Een ongelukkiger beroep was nauwelijks denkbaar.

Conrad Vorstius (1569-1622) leek zo'n goede keus. Herborn en Heidelberg, Bazel en Genève vormden hem, universiteiten en vorsten dongen naar zijn diensten. Vorstius was niet alleen zeer geleerd, hij was ook zeer beminnelijk en waarschijnlijk zeer naïef. Vanaf zijn studententijd te Heidelberg legde hij een onhandige belangstelling voor de geschriften van Socinus aan den dag. En Socinus was niet zomaar een schrijver, maar iemand die op schriftuurlijke gronden hechtte aan de eenheid van God. Bijgevolg loochende hij de Drie-eenheid den dus de goddelijkheid van Christus.

Curatoren hadden op verzoek van Uytenbogaert vooral gekeken naar het lijvige traktaat dat Vorstius in 1610 tegen Bellarminus geschreven had. En daar was niks mee mis. Het probleem was dat Vorstius in 1610 niet alleen een boek tegen Bellarminus had geschreven, maar ook een tegen God. Althans, dat vonden de preciezen in den lande. Deze Tractatus de Deo zou ‘het tuighuis’ zijn ‘waaraan de contra-Remonstranten hunne wapenen tegen hem ontleenden’. Alle ketterijen waarvan men weet had, werden erin teruggevonden. Vorstius had het mysterie van God door een analyse van Zijn eigenschappen dermate tastbaar gemaakt dat de orthodoxie van majesteitsschennis riep. En ze kregen daarin gelijk van de universiteitvan Heidelberg, die al eerder haar alumnus op de vingers getikt had. De Heidelbergse theologen waren beslist. Na Arminius zou het benoemen van Vorstius gelijkstaan aan het genezen van een wond met een spijker.4

Eind september 1610 kwam Vorstius voor overleg naar Leiden. Het eerste wat hij deed, was op bezoek gaan bij Gomarus om hem te bedanken ‘van seeckeren dyenst, die hy hem gedaen hadde’. Dat moet diplomatiek bedoeld zijn, maar het pakte dogmatiek uit. Gomarus maakte van de gelegenheid gebruik Vorstius uit te leggen dat er van De Deo een rechte weg naar het atheïsme liep. Gomarus kende geen geschrift, ‘ja nyet van de Heydenen selfs’ waarin Gods majesteit meer in twijfel getrokken werd. ‘Die van 't Pausdom’ hadden het nooit zo bont gemaakt en Arminius was er een heilige bij: ‘ende hoewel D. Arminius sijn gevoelen hadde, nochtans een Sant te reeckenen was by desen’. Gomarus verzocht curatoren dan ook het beroep van Vorstius niet door te laten gaan. Hij kreeg de steun van niet minder dan vijfenvijftig studenten.5

Curatoren en ook de Staten wilden echter Vorstius. Gomarus meende vervolgens er goed aan te doen zijn colleges te gebruiken om af te dingen op de autoriteit van de overheid en zijn toehoorders te raden vooral elders te gaan studeren. Toen curatoren zeiden hier niet zo gecharmeerd van te zijn, maakte hij bekend dat er in Zeeland plannen bestonden om een eigen ‘collegie’ op te richten, ‘indyen in dese Universiteit geen suivere leeraers en wyerden gestelt’. Daar schrok men wel van, maar er was geen weg terug. Op 17 februari 1611 deelde Vorstius mee dat hij althans voor een paar maanden naar Leiden kwam. Op 24 april diende Gomarus zijn ontslag in.

Vorstius stelde wel zijn eisen. Hij stelde ze zelfs op schrift. Hij wilde onge-

[p. 247]

stoord college kunnen geven en niet meer aan de tand gevoeld worden. En mocht zijn aanwezigheid te Leiden op te grote tegenstand stuiten, dan wenste hij met behoud van salaris zijn colleges te staken tot hij een andere betrekking gevonden had. Curatoren hadden nauwelijks tijd Vorstius' eisen te lezen, want staande die vergadering, 23 april 1611, werden ze door de Staten opgetrommeld. In allerijl besloot men de eisen in te willigen en vertrok men naar Den Haag.

Daar werd hun door Dordrecht, Amsterdam en Enkhuizen verteld dat ze dat niet hadden mogen doen. En zes dagen later moest Vorstius zich weer, voor het front der Staten, verdedigen tegen Plancius, Hommius en nog vier andere stijfkoppen. Vooral tussen hem en Hommius moet het tot een verwoed treffen gekomen zijn, dat meer het karakter had van een duiveluitdrijving dan van een debat. Tot overmaat van ramp had Vorstius zich in een huis naast dat van Hommius gevestigd. ‘God moge het afwenden,’ schreef de godvruchtige Hommius aan een vriend, ‘dat mij iets kwaads overkome wegens dien slechten buurman.’6

In het aanzwellende predikantenkoor - Arminius was een wolf geweest, ‘en die nu in sijn plaetse comen sal, is noch seven mael meerder wollef dan Harminius’, sprak een dominee te Alphen - was de Franeker professor Lubbertus de tragische tenor. Dag en nacht was hij in de weer met traktaten tegen Vorstius en met zijn zendbrieven om de wereld in te lichten. ‘Overweegt toch ernstig,’ riep hij de Staten-Generaal toe, na gewaarschuwd te hebben voor besmetting van ariaanse, samosateniaanse, servetische en wat niet al voor pittoreske ketterijen, ‘wat de koning van Groot-Brittannië zal moeten denken.’7

Die dacht er inderdaad iets van. Jacobus i was een beetje een vreemde monarch. Dat was zijn tijdgenoten ook al opgevallen. Eerst had je koning Elizabeth, schreef een van hen, en vervolgens koningin Jacobus. De natuur had een vergissinkje gemaakt. Een godgeleerde op de troon, ‘a zealous king’, die niet alleen de zielzorger van zijn onderdanen wenste te zijn, maar ook elke duivelse doctrine van over de landsgrenzen nauwlettend registreerde. Op een dag in de herfst van 1611 kreeg Zijne Majesteit, net van de jacht teruggekeerd, een pakketje boeken van Vorstius in handen geduwd. Hoe die boeken in Engeland kwamen en wie al die gruwelijke passages onderstreept had, laat zich gemakkelijk raden. Zo ook 's konings reactie.

Jacobus ontstak in een religieuze ijver. Hij meende een misdaad te begaan als hij aan zijn door de jacht vermoeide lichaam rust gaf aleer het godzalig werk des konings verricht en het godslasterlijk werk van Vorstius beoordeeld was. Het oordeel was vernietigend. Scheuring in kerk en staat achtte hij onvermijdelijk als deze ketterse pest de Leidse universiteit zou infecteren. Zijn gezant diende de Staten voor te houden dat hij zich persoonlijk beledigd zou achten als zo'n monster benoemd zou worden. Op zijn last organiseerde de universiteit van Oxford een boekverbranding van alle werken van Vorstius die in die stad aanwezig waren.

[p. 248]

Curatoren verdedigden zich nog wel, en Vorstius schreef een brief aan Jacobus - die de vrome vorst niet eens wilde aanraken - maar het pleit was beslecht. De universiteit moest kiezen tussen de koning en de professor. Ze koos de koning en verleende Vorstius toestemming buiten Leiden te gaan wonen. Vorstius zou nooit meer college geven. En Vondel dichtte:

 
Men wou de son niet sien. Men dreef hem van syn spoor.
 
De hel quam op de been. De duisternis drong door.
 
De Teems wou 't quynend licht in haeren pekton smooren.
 
En Dort riep: blusch die lamp, of Hollandt gaet verloren.

Bluspogingen

Curatoren ondernamen ook een eigen poging die lamp te blussen. De samenstelling van hun college was intussen ietwat gewijzigd. Van Banchem was overleden (in 1601) en ook zijn opvolger, de oud-hoogleraar Neostadius (in 1606). Erger was dat op 8 oktober 1604 Janus Dousa gestorven was, want die was onvervangbaar. Adriaan van Mathenesse had, hoe aanzienlijk het geslacht ook was waaruit hij gesproten was, bij lange niet diens kaliber. Cornelis van Mijle, die in 1606 benoemd werd, had dat wel. Deze erudiete diplomaat, die te Leiden gestudeerd had, lid was van de humanistische cercle rond Dousa, schoonzoon van Oldenbarnevelt, verenigde moeiteloos de werelden van politiek en cultuur. Dat maakte hem in deze uiterst woelige tijd het enige baken van rust.8

Prudent maar remonstrants, zo zou men hun beleid kunnen omschrijven. Prudent was vooral hun poging om Molinaeus uit Parijs terug te halen. Dat mislukte, en vervolgens liet men het oog vallen op Johannes Polyander (1568-1646), Waals predikant te Dordrecht. Dat was geen slechte, maar wel een heel voorzichtige keus. Vóór de benoeming te Leiden had curator Van der Mijle een vertrouwelijk gesprek met hem, waarbij bleek ‘dat hy sich genoechsaem verklaerde te connen ende te willen dulden den Remonstranten’. Van der Mijle vond hem zelfs ‘moderaet aengaende de beroepinghe D. Vorstii’. Dat was opvallend, want Polyander was goed bevriend met Lubbertus.9

Men krijgt de indruk dat de benoeming eerder de vrede dan de wetenschap in de faculteit diende. Polyander was vooral iemand die goed lag bij alle partijen, maar hij was geen hoogvlieger. Hij was ‘bij uitstek geschikt voor de praktijk’, zoals de zoon van Walaeus het ooit uitdrukte, iemand met bestuurlijke kwaliteiten, zouden we nu zeggen. Hij werd niet voor niets zes keer rector. ‘Vroom en voorzichtig’ was zijn lijfspreuk. Maar Episcopius had geen hoge pet van hem op. ‘Wat een misère!’ moet hij na het bijwonen van een dispuut onder leiding van Polyander uitgeroepen hebben.

Laat het nu juist Episcopius zijn die curatoren in 1612 als tweede theoloog benoemden, buiten medeweten van kerk en professoren. Simon Bisschop (1583-1643) had vanwege Amsterdam een beurs voor het Staten College gekre-

[p. 249]



illustratie

Simon Episcopius, voorman der remonstranten.


[p. 250]

gen en was leerling en later vriend van Arminius. Na Arminius' dood zette hij zijn studie te Franeker voort, waar hij onder leiding van de gevreesde Lubbertus disputeerde over Romeinen 7. In het hol van de leeuw praten over de nadelen van het vleeseten - verlegen was Episcopius niet.

Van Polyander werd wel gezegd dat hij plaatsvervangend vredelievend was, ter maskering van intellectuele tekorten. Op Episcopius was dat niet van toepassing. Die was niet echt vredelievend, maar wel echt slim. Zo liet hij de onvermijdelijke Hommius, die rondverteld had dat Episcopius onrechtzinnige stellingen liet verdedigen, alle hoeken van de curatorenkamer zien, toen de heren tekst en uitleg wensten. Bedremmeld onttrok Hommius zich aan het debat, ‘seggende soo gereet daer toe nyet te sijn ende oock daertoe niet te connen vaceren mydts de siecte van sijn huysvrouwe’.10

Met het Staten College voeren curatoren eenzelfde koers. In 1607, na de dood van Cuchlinus, hadden zij na enige aarzeling Bertius tot regent benoemd. Hij kreeg een zekere Justus Jacobi Bulaeus (1580-1611) als subregent onder zich. Toen deze overleed, werd in 1612 Barlaeus in zijn plaats benoemd. Johannes Luntius was er schaftmeester, maar werd in 1613 vervangen door mr. Christiaen Sir Jacobs, de schrijfmeester van de Latijnse school.

Casparus Barlaeus (1584-1648) was misschien wel de laatste echte humanist aan de Leidse universiteit, en in ieder geval de laatste die zijn faam alleen aan zijn gedichten dankte. Hij was een geleerd man, eigen kweek van het college en geschoold in artes en theologie - later zou hij er zelfs de medicijnen aan toevoegen - maar zijn bestemming lag elders. ‘Ex poëta aliquando factus theologus, iterum ex theologo poëta factus,’ schreef hij in 1629 aan zijn vriend Episcopius. Van dichter ooit tot theoloog gemaakt, was hij van theoloog weer dichter geworden.11

Hij verheugde zich met hen die blij waren, en weende met de treurenden en verhuurde zijn elegante pen aan wie de macht had. Dat was zijn trots. ‘Ik weet niet, waardoor ik word aangespoord om den lof van koningen en vorsten te bezingen,’ schreef hij. ‘Vreemd is het, zulk een troost als mij bezielt, wanneer ik mij bezighoud met die beroemde namen en grote geesten, en het komt mij voor dat ik, die toch laagvan staat ben, met de grootste vorsten van aangezicht tot aangezicht vertrouwelijk spreek, en mij boven mijn lot verhef.’12

Barlaeus was een uitgesproken lid van de remonstrantse partij, vriend van De Groot, vijand van Lubbertus en Hommius, pamflettist tegen de ‘voorgangers van factien ende trompetters van scheuringhe’. Maar hij was geen held. In 1623, tijdens het hoogtepunt van de antiremonstrantse hetze, rukte de schout van de stad, op zoek naar de zoveelste samenzwering, hem op straat een papier uit de zak. Het bleek een gedicht te zijn, maar de gedachte aan hechtenis en pijnbank bracht Barleaus èrtoe daarna drie keer bij de contraremonstranten naar de kerk te gaan.

Toch was zijn periode als subregent de ongelukkigste niet. Hij kon het goed met Bertius vinden, en beter nog met diens opvolger, Gerardus Joannes Vossius (1577-1649). Ook Vossius was alumnus van het Staten College, ook hij was

[p. 251]



illustratie

Caspar Barlaeus, laatste der Leidse humanisten.


humanist, ook hij sympathiseerde met de remonstranten. Maar wat hij van die sympathie op papier stelde, hield hij in portefeuille, en zijn verhouding tot het kerkelijk gezag was verstandig op het serviele af. In 1615 benoemden curatoren hem tot regent van het college.

Vossius was vooral een geleerde, afkomstig uit een geslacht van geleerden

[p. 252]

dat boeken boven broodbeleg stelde. Plichtsgetrouw was hij, een ernstig mens. ‘Vossius is 't niet te verghen,’ schreef Huygens, die zijn Daghwerck niet aan hem durfde opsturen, ‘soo verre om te sien naar 't poppegoed.’ ‘Eene wandeling naar het graf tusschen twee rijen vreedzame folianten’, zo omschreef Huet zijn leven. ‘Een' inborst, blanker noch van deughdt / Dan 't hooft van lokken, die 't besneeuwen,’ dichtte Hooft van zijn karakter. En Vondel voegde eraan toe: ‘Al kleet ghy hem sneeuwwit in 't koor van Kantelbergh / Noch witter is zijn hart, oprecht en zonder ergh.’ Barlaeus en Vossius aan het hoofd van het Staten College, dat had niet lang genoeg kunnen duren. Het duurde tot 1619.13

Overige benoemingen

Van de overige benoemingen hadden alleen die in de letteren enige blijvende betekenis. Johannes Meursius (1579-1639) werd in 1610 tot buitengewoon hoogleraar in het Grieks benoemd. In 1611 werd hij samen met Baudius tot het eervolle ambtvan 's lands historieschrijver geroepen. En het jaar erop werd hij gewoon professor. Aan protectie ontbrak het hem niet. Wellicht had het feit dat hij de zonen van Oldenbarnevelt op hun academiereis vergezelde, er iets mee te maken.

Meursius was een verdienstelijk zij het schools dichter, een belezen zij het gehaast filoloog, een vruchtbaar zij het partijdig historicus. Aan remonstranten dankte hij zijn opgang, aan hun val zijn neergang. Scaliger noemde hem een ‘ignorant’, de zoon van een weggelopen monnik, die zo naast zijn schoenen liep dat zijn dienstmeiden er de draak mee staken. Er moet bij gezegd worden dat Meursius zo onverstandig geweest was Scaliger een keer tegen te spreken.14

In vrijwel alles stond Meursius in de schaduw van de man die tegelijk met hem benoemd werd, maar dan voor het Latijn, Pieter van de Cun. Petrus Cunaeus (1586-1638) was een Vlissinger koopmanszoon en studeerde zo'n beetje alles, letteren, theologie en rechten. ‘Flos et decus Academiae’ noemde Heinsius hem, de bloem en eer van de Leidse universiteit. ‘Bene doctus’ noemde Scaliger hem, zeer geleerd, maar melancholiek. Iemand die liever naar anderen luisterde dan dat hij zelf sprak, een man van het midden, zowel bevriend met arminianen als met gomaristen, zowel met Grotius als met Lubbertus.

Even, in 1612, toen hij nog maar net tot buitengewoon hoogleraar in het Latijn was benoemd, leek hij dat midden verlaten te hebben. In dat jaar publiceerde hij zijn satire Sardi venales (Gekken te koop), waarmee hij de draak stak met het even plebejisch als cholerisch domineesgebroed, dat de theologische discussie in de kapperszaak bracht en onrust en schisma veroorzaakte. Maar als er iets onrust veroorzaakte, was het deze satire. Cunaeus' colleges waren tot dan toe een groot succes geweest, maar nu veranderde zijn gehoorzaal in een kermistent. De hele universiteit lag een week lang plat, tot een aan-

[p. 253]

tal studenten uit het Staten College, dat zich waarschijnlijk herkend had in de beschrijving, geschorst werd.

Zijn carrière heeft het niet geschaad. In 1613 werd hij gewoon hoogleraar. Een jaar later kreeg hij de politica van Heinsius erbij en in 1615 werd hij bevorderd tot ordinarius in de juridische faculteit. Aan het eind van zijn loopbaan, na drie keer rector geweest te zijn, zag hij zich zelfs voorzien van de titel van consiliarius universitatis (raad der universiteit), een erebaantje dat hem 300 gulden per jaar opleverde en dat bedoeld was om hem aan Leiden te binden.15

Ook voor het Arabisch vond men, in 1613, een groot geleerde, Thomas van Erpen (1584-1624), een leerling van Scaliger. Erpenius was iemand die zich ver hield van scherpslijperijen. Zijn orthodoxie werd meerdere malen in twijfel getrokken en er werden zelfs pogingen in het werk gesteld om hem terug te halen naar de moederkerk. Hoewel hij waarschijnlijk arminiaanse sympathieën had en zeker arminiaanse vrienden, ondertekende hij zonder enig bezwaar de akte van onderwerping aan de synode van Dordrecht.

Erpenius was niet alleen een groot geleerde, maar hij zette ook een degelijk taalonderwijs op, met eigen onderwijsmateriaal en een eigen huisdrukkerij. Hij vatte zelfs het plan op om een Marokkaan naar Nederland te halen om de studenten in staat te stellen het Arabisch viva voce in de omgang met een ‘native speaker’ te leren. Het was dan ook een ramp dat hij al op veertigjarige leeftijd door de pest uit het leven weggerukt werd.16

Door deze benoemingen bleven de letteren te Leiden, de dood van Scaliger in 1609 en van Baudius in 1613 ten spijt, hun roem behouden. Het was vooral de tijd van het floruit van Heinsius, een even groot geleerde als moeilijk mens, iemand die soberheid en deemoed preekte maar geld en aanzien najoeg, iemand wiens minachting voor de dood hem er niet van weerhield tijdens de pestepidemie de stad te verlaten, een minnaar wiens bed een tweede studeerkamer was, een vriend die gemakkelijk een vijand kon worden, even openhartig als afgunstig, even rondborstig als kwaadaardig. Maar nogmaals, een groot geleerde en met Cunaeus een trekpleister voor studenten.

En in 1613 volgde Willebrord Snel (1580-1626) zijn vader op als hoogleraar wiskunde. ‘Wat snelgewiekte bood’ brengt ons den gulden Tak? dichtte Vondel over hem. 't Is Snellius, die snel van geest, van sinnen wakker / Dien snellijk plukken liet op Ramus vetten akker / En snel dees Spruyte gaf een kracht die haer ontbrak. Snellius was inderdaad een volgeling van Ramus en ‘Euclides' weerdste makker’, maar ook leerling van Tycho Brahe en bevriend met Kepler. Hij was niet alleen een wonder van vernuft en gisheid, maar stond ook aan de steigers van een nieuw wereldbeeld, dat de kwaliteiten van Aristoteles verving door de rekeneenheden van Descartes. En wat het meer praktische rekenen betreft, in 1615 werd de nijvere bakkerszoon Frans van Schooten (1581-1645) benoemd tot opvolger van Van Ceulen, wiens lessen in de Nederduytsche Mathematique hij al sinds 1611 waarnam.

En de rest van de universiteit? De rest draaide op routine en karakter. De filosofie was hoofdzakelijk in handen van Jacchaeus, die logica en ethiek gaf,

[p. 254]

terwijl Bontius junior naast de medicijnen ook de fysica voor zijn rekening nam. En na het overlijden van Pauw in 1617 kreeg Bontius diens medische colleges opgedragen - en kreeg Jacchaeus diens fysica erbij - en werd de leeropdracht van Otto Heurnius uitgebreid met de anatomie.17

Dat was weinig avontuurlijk en ook aan de juridische faculteit ontbrak avontuur ten enenmale. Een ‘nietsnut’ (Bronchorst dixit) als Jacob Letting (1577-1625), die als student de universiteit zo veel ellende had bezorgd, bleef maar drie jaar (van 1609 tot 1613). In 1610 stierven De Groot en Tuning kort na elkaar, en Johannes Lindershausen (1571-1645) was wel een geleerd man, maar hij leerde niet aan velen, om wederom met Bronchorst te spreken. Cunaeus vond het maar een treurig gezicht, zo schreef hij aan Van der Mijle, om al die lege collegebanken bij de juristen te zien. Dat was reclame voor zichzelf, maar het was wel waar. En het gold ook voor de medici. Cunaeus beweerde zelfs dat professoren studenten inhuurden om maar niet in hun eentje tussen de pilaren te staan. Alleen hij, en Baudius en Heinsius natuurlijk, trok studenten.18

De theologische herrie was niet bevorderlijk voor de toestroom van studenten. In 1604 schreven er zich nog tweehonderddrie studenten in, en in 1605 zelfs 226. Maar in 1606 waren dat er nog maar 164 en in de jaren 1609 en 1610 liepen de inschrijvingen zelfs dramatisch terug tot 144 en 131. En de helft daarvan kwam voor rekening van de artes. De theologische en medische faculteit liepen vrijwel leeg (in 1610 slechts negen nieuwe studenten theologie en acht medicijnen) en de juridische stagneerde.

Die juridische faculteit intussen bestond, toen Pynacker in 1614 zijn ontslag kreeg omdat men vernomen had dat hij met de universiteit van Groningen over een betrekking onderhandelde, uit een ziekelijke Bronchorst, een vermoeiende Swanenburch en een saaie Lindershausen. En de gedeelde benoeming van Bosch en De Bont in 1615 bracht geen soelaas. Cornelius Sylvius (1586-1644) was een remonstrantse kletsmeier, en Guilielmus Bontius (1588-1646) was een contraremonstrantse houwdegen. Het enige wat kon helpen, was Cunaeus naar de juridische faculteit promoveren. En dat deden curatoren in november 1615.19

Het jaar erop, op 11 november 1616, vloog het Academiegebouw in brand, ‘daer van neyts en was overgebleven’, zo luidde het verslag van curatoren, ‘dan 't staende muyrwerck, ende het auditorium philosophicum’. De herstelwerkzaamheden duurden anderhalf jaar, zodat pas op 1 juni 1618 het Academiegebouw heropend werd.20

Uitslaande brand

Die brand en die verkoolde muren waren inmiddels zinnebeeldig voor de universiteit, voor de stad, ja voor heel Holland. Want het religieuze geschil had een dimensie gekregen die het hart van Hollands politieke koers raakte. Het ging niet meer over precisie of rekkelijkheid, maar over oorlog of vrede, ex-

[p. 255]

pansie of contractie, mercantiel inzicht of dynastieke eer. Het ging niet meer tussen dominees of professoren, maar tussen Oldenbarnevelt en Maurits, tussen Holland en de rest. Met theologie had dat niets van doen. Maurits bracht dat aardig onder woorden toen hij zei dat hij niet wist of de predestinatie groen of blauw was.

Zijn kerkgang op 23 juli 1617 naar de Haagse kloosterkerk, waarheen de contraremonstranten uitgeweken waren, was een politiek gebaar, dat door Oldenbarnevelt beantwoord werd met de zogenaamde Scherpe Resolutie, de machtiging aan stedelijke magistraten om waardgelders, huurlingen, in dienst te nemen om de onlusten te beteugelen. Het Leidse stadsbestuur ging daar vrijwel meteen toe over. In deze stad vol calvinistische vluchtelingen uit het zuiden stond hun vaandel, uitgevoerd in de stadskleuren rood en wit, al snel bekend als het ‘Spaensche livrey’.

In Leiden werd het conflict op het scherp van de snede uitgevochten. De oprichting van een schutting waarachter stadsbestuur en waardgelders zich terugtrokken, door het contraremonstrantse volk de ‘Arminiaanse schans’ gedoopt, was de houten metafoor voor het onvermogen tot overleg. En de stalen punten die er weldra op aangebracht werden - ‘Barnevelts tanden’ - waren die van de escalatie van het conflict. Uiteindelijk beslechtte Maurits ‘stale kling’ het pleit. ‘Doen aenbad elck Gommers pop. En Armijn die kreegh de schop.’

Die schop impliceerde de moord op Oldenbarnevelt, de gevangenschap van remonstrantse kopstukken en het vervangen van stadsbesturen. ‘Messieurs, ick heb u gheseyt, dat ghy vertrecken soudt,’ deelde Maurits de Leidse vroedschap mee. De Leidse universiteit kreeg haar schop op de nationale synode die op 13 november 1618 te Dordrecht geopend werd. Daar werd niet alleen de kerk gezuiverd, daar werd ook, op de honderddrieënzestigste sessie, de grondslag gelegd voor een blijvende kerkelijke controle op bestuur en onderwijs aan de Leidse universiteit.

Bepaald werd dat curatoren voortaan op hun aanhankelijkheid aan de Dordtse leerregels geselecteerd werden. Het college moest naast politieke ook kerkelijke bestuurders omvatten, en de benoeming van professoren in de theologie en van bestuurders van het Staten College werd in handen van de synode gelegd. Bij de benoeming van andere professoren, met name die uit de artes, moest de godsdienstige overtuiging zorgvuldig nagegaan worden. Bij zijn aantreden moest elke professor de geloofsbelijdenis onderschrijven. De professoren van de artes dienden zich verre te houden van hetgeen tot de theologie behoorde.