De werken. Deel 10. Poëzy 1827-1874


auteur: E.J. Potgieter


bron: E.J. Potgieter, De werken. Deel 10. Poëzy 1827-1874 (ed. Johan Carl Zimmerman). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1890 (3de druk) 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 375]

Toelichting.

De Nalatenschap van den Landjonker. Onder dien titel werden veertig jaren geleden, in een tweetal afleveringen van het tijdschrift de Muzen, Amsterdam, M. Westerman en Zoon, 1834, eenige versjes geplaatst, welke toenmaals de opmerkzaamheid van maar weinigen tot zich mogten trekken, welke thans geheel in vergetelheid zijn geraakt. Luttel bladzijden als de bijdrage had geëischt school er voor mij, door wien ze werd aangeboden, geen reden tot zelfverwijt in, dat blijkbaar ook deze niet volstond om het publiek de voortzetting te doen wenschen van het maandwerk in een enkel jaar afgebloeid; - maar deeren moest me de zwakke weêrklank dien de stukjes vonden, minder om den vroeg gestorven vervaardiger, die zich, getuige eene der laatste coupletten uit de meêgedeelde proeven,1

[p. 376]

nimmer met dichterlijke vermaardheid vleijen dorst, dan om den wille des redacteurs, door wien mijne schets ter inleiding met zoo veel talent werd opgetoetst. Aernout Drost, - want hij was het die met ons beider vriend J.P. Heije beproefde de stemming der schare op het gebied onzer letterkunde louterend te verhoogen, - Aernout Drost voelde zich aangetrokken door de poëzy eens jongelings naar wiens vroeg verscheiden zijn eigen, helaas! weldra zweemen zou, - Aernout Drost verlustigde er zich in mijne waarheid en dichting over den Landjonker, hier wat minder doorzigtig, daar wat meer waarschijnlijk te doen worden. Het heugt mij nog, hoe het mij verraste, dat hij, als met zienersblik, menige bijzonderheid ried, die in mijn opstel onvermeld was gebleven; hoe hij er zich in verkneukelde, als hij gelooven mogt den onbescheiden navorscher het spoor bijster te hebben gemaakt.

Verwondert men er zich over, dat ik, ondanks het brengen dezer hulde, in dat gering getal zijdjes druks het bewijs, wat al devinatorisch en wat al malicieux hem was bedeeld, niet overneme; de bevreemding zal wijken als men gâslaat welk een veel meer omvattende greep ditmaal uit de Nalatenschap werd gewaagd. Tooneel en toestand, de verzen zelve, teekenen beide; gedachten en gewaarwordingen, thans zonder eenige terughouding medegedeeld, onthullen den geest en het gemoed des Landjonkers van meer zijden, dan de omtrek door de hand eens bloedverwants beproefd in het licht stellen kon. Ik zou dan ook de eerste zijn eene nieuwe inleiding overbodig te achten, indien ik der verzoeking weèrstand wist te bieden door eene vlugtige schets aanschouwelijk te maken hoe wij elkander lief kregen: - dieper het verleden indringende dan de toeschouwer van voor acht lustrums zich voeren zag, stelle zij dezen het begaafde jongske voor eer het er aan dacht de wereld om hem heen, allerminst zich zelven, in beeld te brengen. Waartoe zou ik er mij over ontschuldigen, indien ik, dus doende, bezwijke voor de toovermagt, herinneringen uit de eerste jeugd op gevorderden leeftijd bedeeld, te grooter hoe grijzer wij worden? Hebbe ik mij dan de erkenning te schamen, dat het gedenken van den uchtend bij het invallen der schemering, - in het volle bezit onzer vermogens door den luister van wien hij blaakte, om den lust ten ar-

[p. 377]

beid waarmeê hij ons bezielde, een heilzame prikkel tot beter besteding van den volgenden dag, - bij het toenemen onzer jaren, bij het afnemen onzer krachten in een weemoedig genot verkeert, de eerste, de zoetste indrukken van genegenheid verlevendigend'? Tot geen prijs zou ik de hengenis willen derven van den dag op welken Theodoor - hij blijve dien naam voortdurend dragen, al werd de nieuwsgier ook door dezen verschalkt, - mij, wien zich het beminnelijke van zijnen inborst nog maar half openbaarde, voor goed aan hem verknocht. Wij hadden reeds eenige weken op dezelfde schoolbank met elkander gewedijverd in het leeren der fransche taal, hem van kindsbeen al lief door den kring in welken hij was geboren, in welken hij was opgevoed. Legde het niet vast een gunstig getuigenis af van zijnen aard, dat hij, me daarin dus vooruit, die daarenboven als kostleerling was verpligt haar dagelijks met monsieur te spreken, toch geen zweem van nijd opwekte? Misgund heb ik het hem niet dat hij bij het examen de zege wegdroeg, al schreef ik sedert nooit het woordeke aujourd'hui zonder mij onwillekeurig te binnen te brengen dat ik het verzuim eener apostrophe op den tweeden lettergreep boeten moest met het verlies van den kans op een prijs, om welken wij anders zouden hebben geloot. De bekentenis, dat ik toen het boek niet als geschenk wilde aannemen, stelle mij in de schaduw, mits hij er door aan het licht kome, die het mij later toch als souvenir behouden deed. Waarom bekreunen herinneringen zich zoo weinig aan tijdsorde? dat geviel eerst lang na den dag van welken ik gewagen wilde, den nanoen waarin ik met hem mijne lievelingswandeling maken mogt, - schier nooit buiten de plaats, waarin ik het licht zag, geweest, kende ik niets schooners dan het plekje werwaarts wij ons begaven. Er was in dien tijd nog geene herscheppende hand geslagen aan de wallen welke de meeste onzer steden omsloten; wie weet hoe vele jaren reeds nuttelooze beschermingsmiddelen gebleken, zouden er nog tien, zouden er nog twintig verloopen eer de smaak eens aanleggers die in hangende tuinen verkeeren mogt. Ook onze goede, oude veste had hare bolwerken, ja, met geboomte beplant, en dus der gemeente gelegenheid om zich te vertreden aanbiedende; een genoegen

[p. 378]

echter getemperd door het regelregte der wegen, bij iedere wending van deze door altijd dezelfde kromming afgebroken: - het uitzigt naar de buitenzijde over de breede grachten heen, den omtrek in, mogt bij wijle schilderachtig zijn, de blik naar de binnenzijde geslagen op misvormde schoorsteenen en verweerde daken bevredigde ook den minst ontwikkelden schoonheidszin niet. Eene enkele dreef aan den voet van de zuidwestelijkste dier hoogten, maakte eene gelukkige uitzondering, al strekte zij zich maar langs de eene zijde van den halven cirkel des muurs uit, beneden vergat men wat boven ergernis wekte. ‘Bestevaêrs hofjen,’ riep ik Theodoor toe, - wie zij ook geweest waren die deze beukenlaan hadden geplant, door wie voor haren onbelemmerden wasdom zoo lang en zoo trouw zorg was gedragen, ten gevolge van wier hoede in de voorjaarsvlagen weêr werd aangevuld wat in de najaarsstormen bleek weggeroofd: kloosterlingen, die hier, heen en weêr gaande, hunne getijden waarnamen, - kostkoopers, op de zodenbanken hun levensavond genietend, - kluizenaars uit vroegere en uit latere eeuwen, oog en oor voor de natuur hadden zij bezeten hunnen tijdgenooten vooruit. Het jongske hief zijne blikken op naar de schemering dier bladerkroonen, door de neigende zonne slechts omlaag meer verguld, het jongske luisterde naar den zang der vogels ons uit de hoogte verrassend. ‘Och! dat mijn kamertje zulk een uitzigt had,’ wenschte hij van ganscher harte, ‘mijne les leerende zou ik gelooven te huis te zijn. Te huis!’ voegde hij er op smartelijken toon bij, om toch ijlings het verschiet in te staren; de spiegelvlaktedes waters flikkerde van glans, den blik troonende naar de overzijde, naar den singel, waar tal van laag gehouden lindendreven, loovergangen welfden priëelen gelijkende. ‘Hier zou ik willen spelen,’ borst de knaap uit; behoefde ik te vragen waarin zijne uitspanningen zouden bestaan, toen hij me ijlings meêvoerde eene wereld binnen, wier bestaan ik nog maar had vermoed? voortspringend van boom tot boom, bijzonderheden nopens iedere soort van deze vertellend', - veldbloemen plukkende langs den bemosten wal, die hij allen bij name kende, - voor geen insekt terug deinzend', hoe het suisde of gonsde. ‘Alleen wie ze plagen die doen ze kwaad,’ verzekerde het natuurkind uit volle overtuiging den stads-

[p. 379]

knaap; doch, waar was hij? wat wilde hij? eensklaps tegen een hoogen stam opklouterende, een jongen, grooter dan hij was, onversaagd na, - dien hij inhaalde, dien hij met hem op den grond deed neerglijden.

‘Die ellendige nestverstoorders!’ tartte hij den grammen borst, en voegde er, zich tot mij wendende, bij: ‘Wisten zij hoe weezen er aan toe zijn!’

Wees! - het was de wolk die den hemel van den anders levenslustigen borst verduisterde, - het verklaarde waarom hij aan de woelige vermaken op de binnenplaats der school zoo zelden deel nam, - het droeg bij tot de vlugt door welke zijne studie weldra verraste. Wij werden vrienden in engeren zin dan makkers van dien leeftijd het plegen te zijn, toen gedurende de vier dagen, met hem op de Burcht gesleten, al het innemende, al het innige van zijn gemoed ongezocht aan het licht kwam. Dikwijls hadden wij door den zomer die mij door zijne velerlei geneugten onvergetelijk worden zou, onze wandeling in de hooge beukenlaan herhaald; telkens was het hem eene ware uitspanning geweest onder dien lommer te verwijlen; - hoe had hij er behagen in kunnen scheppen, hoe er zich mede vergenoegen, vroeg ik mijzelven, toen ik de heerlijkheid zag op het landgoed, in de voorvaderlijke huizinge, zijn deel? Nooit was er door hem op het eene of op het andere gestoft; maar verrukking straalde zijne oogen uit, toen hij zag hoe ik, slechts een vlak landschap gewoon, mij in de heuvelen en dalen van zijn geboortegrond vermeidde. Nooit had hij van zijn honden gerept; doch uitgelaten liefkoosde hij deze, zoodra ze hem bij onze aankomst te gemoet sprongen, hun jeugdigen meester herkennende; den oudste, den schier blinde streelde hij voorzeker niet het minst. Nooit, vreemdst van al misschien, nooit was er door hem van zijn hit gewaagd, doldriftig als hij zich echter den volgenden ochtend voor dag en daauw naar den stal spoedde, waar een goêlijke knecht dien voor hem in allerijl zadelde. Er niet fluks in te wippen, op het lievelingsdier de linde voor het huis niet vier of vijf malen rond te rijden, niet ijlings blijk te geven welk een flink ruiter hij al heeten mogt, dat ware te veel gevergd geweest; maar weldra tot mij, die hem aanstaarde, teruggekeerd, was zijne vreugde eerst volkomen toen ook ik

[p. 380]

er mij op had gewaagd: trouwe Harmen de hand aan den teugel, begrijpt men. Ging het dus buiten, ook binnen was der verrassingen geen einde; geloof niet dat ik daarmede de weelde van den disch bedoel, - wie was ik om dat te waardeeren? - geloof even weinig dat ik daaronder den smaak gedenke, waarmeê zaal bij zaal des kasteels bleek gestoffeerd, - waar zoude mijn oordeel zich hebben ontwikkeld om dien naar eisch te huldigen? - geloof allerminst dat ik deze het meest of het langst genoot in de elkander gedurig afwisselende, elkander getrouw opvolgende uitspanningen van varen of rijden, van wandelen naar telkens weêr eene nieuwe, telkens weêr eene op andere wijze schoone streek, - van den derden dag af maakte ik die mede, als behoorden alle zijne uren zoo vrolijk om te vliegen. Scholen zij, die dieperen indruk op mij maakten, niet in de vele gedachtenissen uit vervlogen tijden op de Burcht bewaard? hier een zwaard, ginds een beker, elders een halssnoer, voorwerpen van welke Theodoor wist tot welke overleveringen van de glorie zijns geslachts zij behoorden! Wat mogt halen bij de belangstelling, die hij wekte, als wij in de galerij stil stonden voor schilderstuk bij schilderstuk, schier eene aanschouwelijke geschiedenis des vaderlands gedurende de laatste drie eeuwen; door welke het bleek hoe zijne vaderen deelnamen in den strijd voor de onafhankelijkheid; in de worsteling om den drietand der zeeën; in onze wedergeboorte uit der jammeren nacht? Onloochenbaar grootste van alle was echter die welke mij in het stille vertrek weêrvoer, dat zijne handjes de zware gordijnen ter zijde schuiven zag, waarin die het eene plaatwerk voor het andere plaatwerk na op de eikenhouten tafel trachtten te beuren: de bibliotheek, welke ons vergunde eene reize door gansch Europa te doen! Viel ergens iets merkwaardigs te zien, dat daar niet was afgebeeld? in die boekerij, welke dezelfde gedachte bij mij verlevendigde, reeds bij de straks geschetste tooneeltjes uit de planten- en dierenwereld opgekomen, waaraan ik lucht gaf door mijne verbazing: hoe het mogelijk was, dat dit alles zoo lang door hem werd ontbeerd, zonder dat hij zich ooit met een woord over het gemis had beklaagd?

[p. 381]

‘Waartoe zou ik u dat hebben verteld?’ was zijn goêlijk antwoord, ‘u had het geen genoegen gedaan en mij maar leed.’

Teederheid des gemoeds, - in ons volgend verkeer nimmer verloochend; trots herhaalde scheiding bij ieder wederzien op nieuw gebleken; tot door de vermaking zijner dichterlijke handschriften toe bezegeld; moest ze mij telkens als ik in deze weder een blik wierp, niet als van ouds innig aandoen? mogt ik gehoor weigeren aan de klagt, welke mij uit het straks vermelde gedichtje1 allengs somberder toeklonk? Velerlei bezigheden verontschuldigden me jaren lang; bij vrijer beschikking over mijne uren griefde me het ingewikkeld verwijt telkens dieper. Eene eerste poging zijne verzen te doen genieten, was, zachtst gezegd, met geen gelukkigen uitslag bekroond geworden; ik had sedert, waarom het verheeld? in zijne nalatenschap bladerend, wel eens eenige stukjes ter zijde gelegd, ik had sedert een van die het licht laten zien, 't geen waardeering vond, 't geen aantrok. Eene bekentenis, welke het stave. Wie geheugen heeft voor eigenaardige physionomiën, hij zal in het gedichtje: Meester Jochem, dat in dit deel - bl. 136-144 - werd herdrukt, een ouden bekende uit de Julij-Aflevering van de Gids voor 1842 ontmoeten, Mengelingen bl. 372-380. In dagen toen de redactie van een tijdschrift aan schoone letteren gewijd, nog geloofde dat een nommer kwalijk zonder een versje verschijnen kon, viel het hem, van wien zijne medebestuurderen zich wel eens te groote vruchtbaarheid beloofden, ten goede te houden, dat hij, om levende vrienden niet te leur te stellen, zijn toevlugt tot de hulp eens verscheidenen nam, die het hem zeker niet euvel zou hebben geduid. Behoeft het te worden verzekerd, dat de initialen, onder de bijdrage geplaatst, dezen ten volle zijn eigendom

[p. 382]

waarborgden? De greep scheen mij te eer geoorloofd, daar het stukje, hoezeer behoorende tot de schetsen uit de wereld die hij om zich heen gadesloeg, niet onder die meer intime viel te rangschikken, voor welke de geheimen zijns harten den toon aangaven. Immers, eene herhaalde lezing der handschriften, slechts ten deele uit voltooide gedichten, meest uit fragmenten bestaande, proeven of plannen, liet geen twijfel over, dat zijn arbeid niet juister viel te kenschetsen, dan als eene enkele poging in poëtischen vorm het lief en leed zijns levens weèr te geven, de ontwikkeling van zijn hoofd en van zijn harte! Persoonlijk, hetzij men het toejuiche of het afkeure, in de hoogste mate, - gelegenheids-gedichtjes, och ja! maar uit een kring waarin het aan geene verscheidenheid van stoffe ontbrak, - eene idylle eindelijk..... Ik zou minder voor eene aanbeveling, voor eene bevoordeeling van zijnen arbeid terugdeinzen, indien ik mij, ten langen leste tot de uitgave besluitend, niet verpligt had geloofd voor Theodoor te doen wat ik in omgekeerde verhouding van hem zou hebben geeischt, niets minder dan uit de brouillons weg te wisschen, niets minder dan in de brouillons aan te vullen, wat op den dag der verschijning met regt in de verzen mogt worden gewraakt of mogt worden gewenscht, voor zoo verre althans als dit binnen het bereik onzer krachten lag. Er zijn dichters, wier zangen bij de eerste voordragt door de hoorders zonder zweem van inspanning, wier liederen in de vroegste uitgave door de schare binnen weinige dagen volkomen worden genoten; wat zouden de benijdbaren bij volgende lezingen of latere drukken in die voortbrengselen wijzigen? Hunner was de zege, door die wendingen, door die grepen, door die klanken; dwaas wie aan het betere, waarvan men droomt, het goede, waarmede men slaagde, louter uit lust om naar hooger te streven, opofferen zou! Gij ziet hoe billijk ik ben voor de gunstelingen der populariteit, deze ten minste het bewustzijn toekennende dat zelfs hunne scheppingen zich niet met volmaaktheid vleijen mogen; wees gij het evenzeer voor de minder bevoorregte autheurs, wier stemming, te zelden, genoeg met die der schare strookt, om bij haar dadelijk warme sympathie te vinden; van wie het heet

[p. 383]

dat hunne vlugt, hoe bescheiden die ook zij, niet bij te houden valt; wier voorstelling, beweert men, zoo vreemd is! Scherts ter zijde; - het ging Theodoor als mij: onze eerstelingen hadden niets van meesterstukken, maar gelukkig zagen wij die daarvoor ook niet aan; omsmeden werd onze leus, omsmeden bleef het, niet enkel tot het onderwerp geen bovenwerp meer bleek, ook tot de uitdrukking ons de gedachte waard scheen. Acht het woord niet gemaakt zedig; - stouter gaf voor ons nooit pas, stouter zou het allerminst bij deze gelegenheid voor mij doen, die het dubbel waagstuk besta, in het derde vierde dezer eeuw verzen uit te geven, luttel jaren na het verloop van hare eerste vijf lustrums door een vriend geschreven, - die me verpligt acht, voor alle veranderingen, welke ik mij daarin veroorloofde, de verantwoording op mij te nemen. Vergelijk in gedachte de belangstelling ten onzent door de poëzy gewekt, den invloed haar op het volksleven bedeeld, in de dagen tusschen achttienhonderd dertig en achttienhonderd veertig, met de onverschilligheid sedert door de schare in telkens toenem ende mate jegens deze aan den dag gelegd, met de vergetelheid in welke zij haar bij de jongste herinneringsfeesten liet! Tolk verklaard, zoowel van gedachten als van gewaarwordingen, mogt de muziek haar vervangen, of er geen gebied meer overbleef op 't welk woorden niet voor toonen hebben onder te doen! Dat het de zwaarste schaduw ware, welke zich over de Nalatenschap des Landjonkers verbreedt! Al wijzigde ik de voorstelling zoo vaak ik geloofde dat zij er door winnen zou, de kleur des tijds moest zij behouden: wie waarborgt mij dat men haar niet verbleekt zal vinden? Het verkeer naar den geest tusschen den jeugdigen dichter en zijne begaafde toehoorderesse; wat mij aanlachte zoo op de Burcht als op Meerhof: de liefde voor de binnenlandsche letterkunde uit onzen glorietijd, - die voor de buitenlandsche, bij welker beschouwing de oudere blijkbaar meer dan de jongere, de fransche boven de duitsche, gold, - waarin vast zin voor de nieuwere engelsche doorschemerde; eene wereld van dicht en droom welke geenerlei actualiteit meer heeft, wie zal er zich nog in verlustigen?

[p. 384]

Niets dat aan de orde van den dag heeten mag? Hoe doe ik der laatste bijdrage tot dezen bundel, - een der vijf stukjes welke te zamen den naam van Paardrijden droegen, volgens de aanteekening bij een ander vers in de Muzen gevoegd, - hoe doe ik dit het uitvoerige Gedroomde, 't geen alle verdenking van grootspraak beschaamt als Theodoor zich zelven voorstelt der minste aanleiding stoffe voor een gedicht ontleenende, dáár aan de houding van het logétje, Verrassing IV, 3, hiér aan de bede der vriendschap, Motto bl. 170, dat onwillekeurig een regel van Hooft op de lippen roept,1 - hoe doe ik het onregt.

Er beurt zich immers uit die schemering, zoo ge wilt, er beurt zich, zeg ik liever, in die galerij van vermaardheden, welke verdienen voortdurend belangstelling in te boezemen, eene gestalte, waaraan de Landjonker in zijne Nalatenschap gaarne bepaalder omtrekken had gegeven, dan waartoe hij zich geregtigd gevoelde; - eene gestalte die wij in staat zouden blijken deze te bedeelen, wanneer onze hedendaagsche litteratoren blaakten van dezelfde liefde voor het roemrijk verleden, waardoor hij werd bezield. Ge gist vast dat ik den dichter wiens werken tot zijne lievelingslectuur behoorden, dat ik Constantin Huygens bedoele; gij vergunt me de aanklagt tegen onze Akademie van Wetenschappen met hare eigen woorden te staven. Geleidelijker valt dit niet te doen dan, eerst den indruk van het wankelend oordeel Theodoor's over den Heere van Zuylichem te keer gaande, op onze beurt de overwegingen uit de voorhanden bescheiden te putten; om daarna in het licht te stellen wat bron van kennis wij gelooven mogen dat, door mannen geroepen om die binnen elks bereik te laten vloeijen, door belemmeringen voor goeden wil niet onoverkomenlijk, verborgen blijft.

Aandoenlijk is het, zoo in de verzen, welke ik liet afdrukken, als

[p. 385]

in de noten, welke ik onder mij hield, op te merken, hoe vergeefs die bewonderaar van Huygens in de geschriften ons vermaakt naar blijken zocht, dat deze met onbevangen blik de tekortkomingen der Stuart's gadesloeg, dat deze heuschelijk te luisteren wist naar wat er gegronds in de klagten hunner onderdanen school. Velerlei vragen mogt de studie beantwoorden, het verlangen naar eene schets in welke verhouding Constantin vorst en volk jegens elkander geplaatst wenschte, bevredigde zij niet. In de spelingen van dat vernuft toch werden zoo min aan gezag als aan vrijheid, zagen zich pligten noch regten op staatkundig gebied beider grenzen, duidelijk en doeltreffend, aangewezen. Intusschen, al liet in dit opzigt niet enkel de ontwikkeling van den grootsten secretaris onzer Prinsen te wenschen over, al faalde eene voorstelling als ik eischte den meesten zijner tijdgenooten ten onzent, van tijd tot tijd straalt er uit zijne werken lichts genoeg, om elk van het behoudende zijner rigting tot bedroevens toe te verzekeren. Enkele aanhalingen mogen volstaan ten bewijze, hoe vruchteloos de leerling zich kwelde, die den meester, hem anders zoo lief, van deze gaarne vrij had gekend. Een te vleiziek geheugen, de hulde door Huygens bij herhaling aan den verwaanden Jacobus de Iste gebragt, - zie de Vita Propria, - viel misschien den jeugdigen reiziger, den gevierden geheimschrijver van het gezantschap ten goede te houden; - dat hij de lafheid van dien Koning niet laakte toen deze den gemaal zijner dochter Elisabeth, ‘de Bhemer Vorst,’ - zie Batava Tempe, - in den steek liet, wie breekt er den staf over? daar de dichter zich door het tooneel waarop hij den laatste verschijnen doet, tot geen regtstreeks verwijt aan den eersten zag verpligt. Wat echter, wat blijft er, niet ter verdediging, neen, ter verklaring van Constantin's oordeel, als burger onzer republiek bij te brengen, wanneer deze in het bezit der krachten des mannelijken leeftijds, wanneer hij, vergrijsd maar niet verzwakt, en dus ervaring van verscheiden aard rijker, Karel de Iste en Karel de IIde bezingend, zijne ingenomenheid alle perken overschrijden laat, zijner partijzucht botviert? De geest, het antwoord is gereed, de geest heerschende in den dampkring

[p. 386]

eens hofs, 't geen er zich niet aan ergerde, 't geen er zich niet eens over verbaasde hoe van Tulden het wagen dorst een der wanden van de Oranjezaal te misbruiken ter verheerlijking van den eersten dier monarchen, als had deze zich, andere Curtius ter redding van een ander Rome, zelfopofferend in den gapenden afgrond gestort! Afschuw, getuige ik liever, afschuw van de wijze op welke het zegevierend volk den overwonnene voor zijne vergrijpen boeten deed, - afschuw van de wrake die het nam, - afschuw van wat men toen moord heeten mogt. Twintig jaren tijdsverloop plegen echter ons gevoelen over de gebeurtenissen welke wij beleefden te wijzigen: zoo ooit dan was daartoe aanleiding door hetgeen tusschen 1650 en 1670 geschiedde, - toch wenscht Huygens, wel zoo veel ouder maar daarom niet zoo veel wijzer, den dag uit den Almanak gewischt, op welken die koning het schavot betrad: ‘de Son zagh er haer straelen door bedwelmen.’1 Pleitte het niet voor zijn hoofd, het pleitte voor zijn harte, niemand die het loochent! doch zou des ondanks te hoog een eisch aan den geregtigheidszin van Constantin worden gesteld, zoo men verlangde dat hij, tegenover den weerzin welken iedere straffe van dien aard, in zaken van staat vooral, blijft inboezemen, het lijden hadde in de schaal geworpen door hem dien hij martelaar geloofde aan tallooze onschuldigen berokkend?

Geen toelichter eener gewenschte nieuwe uitgave van Huygens', gedichten zal, - wie die het vreest? - bij dit vers de aanteekening overnemen, anderhalve eeuw nadat het werd vervaardigd aan de veder van

[p. 387]

Bilderdijk ontvloeid; de opmerking: ‘hoe het jaar zeer kort zou worden zoo men zulke dagen, als die van den moord van Lodewijk de XVIde en alle de revolutiegruwelen die wij beleefd hebben niet meêtelde’, en een man van tachtig jaren ‘dan een jonkman zijn!’ Er vallen verzachtende omstandigheden voor deze als voor gene overdrijving bij te brengen: in de betrekking door den Heer van Zuylichem bekleed aan het hof eens vorsten uit eene Stuart geboren; in de ballingschap tot wier voortduur zich de vriend van Willem de Vde uit gehechtheid aan dezen verwees; en ik zoude eene klagte die meer van deernis dan van doordenken getuigt, ik zou eene kantteekening waaruit noch geest noch gemoed spreekt, den eenen als den anderen dichter kwijtschelden, waren beide bij den zoon niet verder gegaan dan bij den vader.

De zeventiende-eeuwsche zanger drijft zijne afgoderij met de kinderen des verslagenen tot buitensporig aanhalen eener plaats uit den bijbel toe, als hij onze naburen de verdiensten der twee oudste zonen wil doen waardeeren, in zijn achtendertig alexandrijnen: ‘Onder de Prent van Carel de Tweede, Koningh van Groot Brittannien,1 - zie Koren-Bloemen, IXde Boeck, Mengelingh. - De

[p. 388]

aanteekenaar, de vertegenwoordiger der achttiende eeuw, ziet in de negentiende naar eene verontschuldiging, naar een vijgenblad om, minder voor het gebrek aan menschenkennis door den wierookzwaaijer betoond, dan voor de schaamteloosheid op welke zich de bewierookte levenslang te goed durfde doen - zie ophelderende Aanteekeningen bij het vermeld gedicht. - Huygens noodigt Engeland uit, bij het verdunnen van den nevel waarin zijn krijtgebergte zoo lang bevangen lag, nu de schellen het van de oogen vallen, - eene toespeling op het wonder van het ziende worden des blinden, - eens onswaarts te blikken om Charles en James te begroeten: figuurlijk gesproken de Zonne, in eigenlijken zinne het Koninklijk paar, door 't welk het met deernis was aanschouwd, toen eenzelfde slag der bijl den vorst en den staat onthoofdde; 't geen het vergoeding biedt voor wat het door dien gruwel verloor. In den eerste van beide, in hem die the merry Monarch blijken zou, op wiens woord niemand ooit straffeloos staat maakte, wordt den volke een engel beloofd, in

[p. 389]

wien alle deugden zich zullen vereenigen: eene roos, den dubbelen luister rijk waarop de zinnebeelden van twee koningshuizen, waarop York en Lancaster in witte en roode boogden. ‘Ware de wereld zoo vol van koningen als van menschen’, dus besluit het dichtstuk, ‘slechts hem moest de natie verlangen, slechts hem kiezen!’ - Het is Bilderdijk bij dien lof vreemd te moê: hem heugen zoowel de beruchtheid welke de ligtzinnige prins zich gedurende zijne ballingschap op het Vaste Land verwierf, als de trouweloosheid waarmede deze, koning van Groot-Brittanje geworden, het herbergzaamst onthaal in een oorlog vergold. Weerhouden kan hij zich daarom niet in het midden te brengen: ‘Was Karel de IIde, was Jacobus die zon?’ volgens het vers in een van beide, of in deze beurtelings voor de eilandtrits verrezen. ‘Ach! wat is menschenbetrouwen’ luidt het antwoord, en ‘om billijk te zijn’ bespiegelt hij, in plaats van als pas gaf te beoordeelen. ‘Waren niet alle de verkeerdheden van de twee,’ hooren we jammeren, ‘de gevolgen van hunne opvoeding in het diep bedorven Frankrijk, en moesten zij ook niet als rechtvaardige straffen op 't vloekvolle Land en Volk terugvallen, dat het uiterste aller gruwelen door gehold was?’ Om rhetorisch volkomen te zijn diende een uitroep de phrase te besluiten, en deze faalt dan ook niet in: ‘O wijze en rechtvaardige Voorzienigheid!’

Poëzy en Profeetcy blijken ook bij Constantin geene synonyma. Geheel in den geest der vermelde verzen klinkt de mismoedige vraag welke de inleiding besluit tot wat hij Sneldicht uyt Engelsch Ondicht heette, - zie Koren-Bloemen, XIVde Boeck; - de vraag bij hem opgerezen ten gevolge eener vergelijking van den toestand onzer overburen onder de monarchy en onder het protectoraat; - de vraag wie nog een blik durfde slaan in de voortbrengselen eener letterkunde, wier beoefenaars zulke vergrijpen, zulke gruwelen trachtten te vergoêlijken: wie ontstelt niet, ‘die eens oud Engelsch sagh, en eens nieuw Engelsch ziet?’ Van dezelfde stemming getuigt het afgrijzen waardoor hij, ‘in het lieve lommergroen’ der slanke stammen wier twijgen meer schaduw geven dan linden, die naar speren zweemende, die zoo vaak tot speren misbruikte boomsoort aansprekend, den oorlog verwenscht, -

[p. 390]

zie Hofwijck, lof der esschen; - het afgrijzen waarmede hij zich, als de aandoenlijke bede, om voortduur des vredes ten onzent, zijn harte is ontweld, zich in gedachte zoo meêwarig over zee verplaatst; - het afgrijzen 't geen hem Groot-Brittanje het verderf prijs gegeven, het koninglijk bloed gestort, de heilige kerk verguisd, vreemd aan alle hulpe, vreemd aan alle hoop, schilderen doet. Echter leefde hij lang genoeg om te erkennen hoe hij zich in zijne schatting van het volk door hem verfoeid, van den vorst door hem vergood, had bedrogen, wenschte ik van hem te mogen zeggen; echter vindt, wie zoekt, mag ten minste worden getuigd, enkele blijken dat hij, schoon tot geene tegenovergestelde zienswijze bekeerd, zich niet moedwillig in de zijne verstokte. Als zoo velerlei belangwekkends bij Huygens, eischen zij toelichting en aanvulling; doch beloonen er wie zich de moeite getroost dubbel voor, opscherpend en onderrigtend tevens. Laat mij door een paar proeven het beweren mogen staven.

Vaderlijke trots, als het harte van Constantin blijkbaar vervulde bij de uitvinding zijns Christiaan's, de uurwerken van slingers te voorzien, ten einde de ongeregeldheid te vermijden aan het vroeger gebruik van onrusten verknocht, gaf aanleiding tot een blijk van getemperd oordeel dat mijne aandacht trok. Hoe hij wenschte dat de meetkundige, zijn triomf vast op sterretoren bij sterretoren vierend, daardoor niet enkel te land, dat hij ook ter zee die ontdekking zijns vernufts toetsen en toepassen mogt. ‘Wat belette het hem?’ hoor ik vragen; eene aanhaling uit de Zeestraet1 geve het antwoord. ‘Wil gramm Engeland eens luysteren na Vré!’ klinkt het ons uit het bedoelde vers toe, dan zal liefde voor zijn vaderland Christiaan wel op de golven voeren, om den zeelieden met de daad te toonen hoe veel voordeel er ook voor hen schuilt in wat nu

[p. 391]

maar als iets geestig bedachts wordt geprezen, om de wetenschap in de werkelijkheid te doen gelden. Uitzonderingswijze op de meeste verzen van Huygens, waarbij men zich vruchteloos tracht te vergewissen in welke vaag zijns levens ze werden gedicht, valt de tijd wanneer hij deze alexandrijnen ten papiere bragt uit hunnen inhoud te bepalen. De meêgedeelde woorden laten geen twijfel over, dat er toen op den oceaan een krijg werd gevoerd die de proefneming met slingers voor zeehorologiën belette: de aanduiding verkeert van algemeene in bijzondere, zoodra wij, verder lezende, Constantin hooren uitroepen: ‘(arm Londen, nu soo leegh)’ - 513de regel, tusschenzin. - Wie zal aarzelen het jaar Zestien Honderd Zes en Zestig het gegevene te achten? De Vierdaagsche Zeeslag was door Engeland als eene overwinning gevierd; eerst in den zomer van het volgende zouden wij op den Theems, zouden wij bij Chatham wrake nemen, - maar tusschen beide tijdstippen in teisterden pest en brand Londen voorbeeldeloos, was de stad verlaten. ‘Wil gramm Engeland eens luysteren na Vré’, de geheele uitdrukking, het bijvoegelijk naamwoord vooral, is vreemd aan allen smaad, waarmede dat volk vroeger door onzen dichter werd bejegend; de psalmzingende puriteinen, de laatsten der ironsides, uit den eenen dienst in den anderen overgegaan, zij hadden getoond zoo goed als onze dapperen den dood te durven braveeren; de aan velerlei lusten verslaafde edelliên, de verdorven hofjonkers, wie het roer der vloot tot schade en schande was toevertrouwd geweest, zij hadden, door de rond-

[p. 392]

koppen beschaamd, geleerd met ons om den drietand te worstelen, - gram Engeland, dat niet luisteren wilde naar vreê! de klagt was eene hulde uit den mond van Huygens! - Weinige maanden vroeger of verscheiden jaren later, om het even wanneer gedicht, mag de satyrieke uitval - de andere proeve van ommekeer in Constantin's gemoed getuigenis afleggend, - actueel heeten in ieder tijdperk der regeering van Karel de IIde. Om dien te genieten bereide men zich voor op eene dier spelingen met de verscheiden beteekenissen aan ééne zelfde uitdrukking door dat vernuft, niet altijd met even veel regt als in dit tweeregelig gedichtje, toegekend.1 De geestigheid schuilt in den dubbelen zin aan het woordeke: groen te hechten; Huygens gebruikte het in zijne overige verzen niet slechts in den algemeensten voor eene verwe; niet maar in den ongezochtst overdragtelijken voor loover en lommer; hij laat het bij wijle ook dienst doen, even als gij en ik er nog over beschikken, voor nieuw; hij geeft verder door de kenschetsende tegenstelling groen en rijp aan, dat men in eene verzameling van dien aard het wrange met het zoete hebbe voor lief te nemen; eindelijk, hij schroomt niet er in zijn dicht partij van te trekken zooals het nog op de lippen des volks leeft, de eerste togten der jonkheid haast dierlijk schilderende. ‘Verliefd en lustgraag’ teekent Bilderdijk er bij aan; weelderig tot wulpsch wordens toe, zou bij den zondaar op wien Constantin's spot het gemunt had juister zijn geweest, wilde men geene uitdrukking bezigen grof als de gruwelen waren. ‘Daar is geen groener land als Engeland te wenschen’ verkondigt het sarcasme, in den tweeden regel de oorzaken aangevende. ‘Neemt gij het naar 't gewas’: aan den zelfden regen door wien Erin het smaragdeneiland heet, is Engeland het frissche groen zijner akkers en wouden verschuldigd; - ‘of neemt gij 't

[p. 393]

naar de menschen’: waar is verbastering van zeden algemeener? waar echtbreuk en overspel zoo aan de orde van den dag, waar verleidingslust onbeschaamder? Onder het vijfentwintigjarig stralen der zon, die aan Groot-Brittanje den dag des heils beloofde! ‘Heel Londen heeft gebrand en nu nog brandt heel Londen’,1 begint het tweede epigram - waarmede ik de proeven besluite, al is het onderwerp er op verre na niet door uitgeput, - de eene gloed moge gebluscht zijn, de andere gloed blaakt voort, zoo vlijmt de dubbelzinnigheid van het woordeke brand, waarvoor de vinder niet slechts geen boete heeft te doen, waarvoor hij toejuiching verdient. - ‘Wijt de vlammen niet, naar de geruchten des dags’, gaat hij voort, aan dezen of aan genen buitenlandschen vijand, ‘beschuldig Franschman noch Hollander’ - werd de perk noch paal kennende ontucht der schare toen reeds aan het verkeer met Parijs toegeschreven, even als men in dien tijd beweren durfde, dat uit den Haag het sein gegeven was de stad in asch te leggen? - ‘Ik heb ondervonden’, besluit het allergelukkigst, ‘aan wien de dubbele ramp valt toe te schrijven: Vulcanus heeft maar half de schuld, de andere’ (de grootere) ‘heeft Venus.’

En welke Venus was het, die zich gehuldigd zag, door hem die den scepter zwaaijend voor staatkundig, maatschappelijk, huisselijk leven den toon aangaf?

‘We are, - much indebted to the memory of Barbara duchess of Cleveland, Louisa duchess of Portsmouth, and Mrs. Eleanor-Gwyn. We owe a tribute of gratitude to the Mays, the Killigrews, the Chiffinches and the Grammonts. They played a serviceable part in ridding the Kingdom of its besotted loyalty. They saved our forefathers from the starchamber and the high-commissary

[p. 394]

court; they laboured in their vocation against standing armies and corruption; they pressed forward the great ultimate security of English freedom, the expulsion of the house of Stuart.’ Ziedaar de beschouwing met welke Hallam in the Constitutional History of England zijne schets van Karel de IIdes bijzonder leven besluit; ziedaar wat het zegel zet op de beschouwing van de zeden der Restauratie door onzen dichter. Hoe die blijken eener langzame maar niet te loochenen verheldering van Huygens' blik het levendigst verlangen wekken de wijziging welke gedachte en gevoel bij hem ervoeren, allereerst op staatkundig gebied, vooral gedurende de ontwikkeling van Willem de IIIde, geheel te leeren kennen. Hoe ons de ommekeer die, in zoolang een leven, op velerlei ander zonder twijfel evenzeer bij hem plaats greep, wenschen doet, zulk een hoofd, zulk een harte, in beider verscheiden phases evenzeer, van dag tot dag, te mogen gadeslaan. Vreemd is, ook na verloop van haast twee eeuwen, die weetlust niet, daar hij eenen man geldt van zoo groote gaven uit het schoonste tijdperk onzer geschiedenis. Vreemder mag het heeten dat de vervulling dier bede geenszins behoeft te worden gerangschikt onder die geneugten in wier voorstelling onze verbeelding zich eene wijle verlustigt, om weldra het vergeefsche harer te hooge vlugt te betreuren. Vreemdst van al, noem ik het, dat de verwezenlijking van zoo zoet een droom telkens nabij schijnt, en toch telken male weder verijdeld wordt: een tantaliseering van zoowel geest als gemoed, die geene wedergade heeft!

Om een uitdrukkingsvorm te bezigen, die Constantin zou hebben aangelagchen, it is a pity it is true, and it is true it is a pity! Huygens heeft over het lot zijner nagedachtenis, sedert den tijd des Landjonkers, bij de nakomelingschap beschoren, èn te juichen èn te klagen: wat wel het meest? Gelukkiger dan een zijner evenknieën aan het hof van Frederik Hendrik mogten, honderd vijftig jaren na zijnen dood, verrassende proeven van zijn vernuft en belangrijke bijzonderheden uit zijn leven het licht zien; maar eene nieuwe uitgave zijner werken, als die van Cats bij herhaling, maar

[p. 395]

een herdruk met toelichtingen als Hooft aan Hecker, aan van Vloten, aan Leendertz is verpligt, maar eene compleete editie als van Lennep ons van Vondel schonk; die eere weêrvoer hem niet!

Eerst hebbe de erkentelijkheid het woord, dan zij de beurt aan het beklag.

Welk een genot hadden wij Jonckbloet dank te weten, toen hij ons door den druk van des dichters Cluys-werck den stillen maar schoonen levensavond des Stellemans meè smaken deed - vierentachtig jaren oud en echter nog zoo opgeruimd als gezellig! - (1841). - Schinkel leerde het publiek in dat speelziek vernuft den man van zaken waardeeren, bloot leggende hoe het zijne goederen beheerde - (1842) - om ons later menig geheimenis des harten te onthullen, in overeenkomsten bij echtverbindtenissen getroffen, in beschikkingen bij uitersten wille gemaakt. - (1851) - In een tweetal brieven door Scheltema medegedeeld zagen wij den secretaris van Zijne Hoogheid Willem de IIde optreden, ten gelieve van Amalie bijdragende tot den luister der Oranjezaal; indien Theodoor die had gekend, wat spoorslag tot verder onderzoek over haar schilders zouden ze zijn gebleken. - (1847) - Een tijdschrift, welks redacteur het zich overigens aan gelegen liet zijn dat in den honig voor Constantin Huygens geen citroen ontbreken mogt, stond er zijne ruimte niet minder aan van Vloten om af, wanneer deze nu eens bijzonderheden over des dichters verkeer met de Paters Jezuïten zijner dagen wenschte meê te deelen - (1858) -; dan weder in veronachtzaamde handschriften bescheiden van min of meer vermaarde tijdgenooten over hem of zijnen arbeid had ontdekt. - (1869) - Zelden bevredigt de tijdsorde, in acht te nemen bij de vermelding van geschriften over een zelfde onderwerp verschenen, zoo volkomen wat men stijlbehoefte pleegt te noemen, als dit door de beide nog te gedenken bijdragers geschiedt. Alberdingk Thijm verraste ons in een uitvoerig opstel over de familie van Dorp met wat hij wetenswaardigs betreffende den plukker der Koren-Bloemen verzamelde - (1864) - en lichtte de betrekking van dezen tot Dorothea nog nader toe. - (1869) - Waardeert ge nu met mij het gelukkige van den over-

[p. 396]

gang, als ik ten slotte Jorissen dankzeggende voor de bijzonderheden, waarmede zijne Studiën over Constantin Huygens onze kennis verrijkten, - (1871) - met den wensch besluiten mag, dat de controverse, waartoe beide verdienstelijke mannen, als waren zij in kampioenen van catholicisme en calvinisme verkeerd door wie Tesselschade uit de Mis wilde brengen, voortaan met meer humaniteit worde gevoerd! Ons eindoordeel over tijden en toestanden kan slechts winnen bij verscheidenheid van beschouwing; maar trots den strijd van beginselen, voortdurende eeuw uit eeuw in, moest zich de negentiende boven de zeventiende onderscheiden door wederzijdsche erkenning!

Ieder bouwsteen heeft zijn prijs; verpligt gevoelen wij ons aan allen wier bijdragen we hebben vermeld; vergiffenis vragen wij voor het onwillekeurig verzuim, zoo ons onder ontslapenen of voortlevenden iemand onbekend bleef die zich, als zij, der nagedachtenis van Constantin Huygens genegen droeg. Ieder bouwsteen heeft zijn prijs, tot verhooging der zuil, die eigen arbeid dezen stichte, welke waarde mogen wij dan niet toekennen aan heel een schat derzulke, zoo lang de vergetelheid ter prooi, ten leste daaruit thans wel in de schemering, maar daarom toch nog niet aan het licht gebragt? Vóór vijftig jaren vermoed door den zienersblik eens mans, aan wiens voorbeeld en invloed onze fraaije letteren hare wedergeboorte grootendeels zijn verschuldigd, greep deze het eenige middel aan dat kans bood die bescheiden over onze gouden eeuw, over Hollandsche politiek, Hollandsche historie, Hollandsche poëzy, voor het vaderland te bewaren. David Jacob van Lennep drong er bij Anton Reinhard Falck niet vergeefs op aan Willem de Iste te overreden de verzameling handschriften der beide beroemde Huygensen, welke in het Huis met de Hoofden te Amsterdam zou worden geveild, voor het rijk te doen inkoopen. Weinige tijdperken zijn zoo bevoorregt, als dit bleek, te gelijk zulk een hoogleeraar, zulk een minister, zulk een koning te bezitten: door den eene de letterkunde der vaderen uit liefde beoefend, door den andere iedere glorie des voorgeslachts een prikkel voor de nakomelingschap geacht,

[p. 397]

door den derde alle pogingen ter uitbreiding van studie, ter veredeling van smaak op de onbekrompenste wijze ondersteund en gehuldigd te zien! Helaas! toch had ook het naauwelijks geprezene op het gebied des geestes zijne schaduwzijden, niet de minst sombere voorzeker in het Koninklijk Instituut, dat met de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en het Rijks-Archief den overvloed van heugenissen deelen mogt, dat dien aanvaardde en weder begroef! Het is hier de plaats niet te onderzoeken wat de wetenschappelijkste of talentrijkste mannen onzes volks van geslacht tot geslacht mag hebben bewogen zich de benoeming te laten welgevallen tot leden eens ligchaams, van staatswege met geenerlei gezag op het gebied van kennis of kunst bekleed, van staatswege door geenerlei fonds in de gelegenheid gesteld de eene of de andere te bevorderen; maar noode laat zich de vraag weêrhouden wat wij van hunnen ijver hebben te denken, wanneer deze, de weinige malen dat hen van hooger hand een blijk van belangstelling gewierd, in gebreke bleef te bewijzen, dat zij aan iets dat naar roeping zweemde geloofden? Weinige waren de geschiedvorschers, weinige de letterkundigen van voor eene halve eeuw, welke die vermaking zelfs maar een vlugtig onderzoek waard achtten: jaar in jaar uit verzwaarde zich het stof er over, - de Koninklijke Akademie van Wetenschappen verving het Koninklijk Instituut, - andermaal verliep het eene jaar voor het andere na, zonder dat eene hand dezen stapel geschriften aanraakte, tot de hoogleeraren Moll en Boot in Mei 1872 ontdekten, wat der erfgename door hare voorgangster was nagelaten! Zie hier hoe hare Afdeeling Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen er in eene ‘Gewone Vergadering, gehouden den 10en Februarij 1873’, kennis van nam en kennis van gaf. ‘Daarop leest de secretaris een verslag over de handschriften van Constantijn Huygens en van twee zijner zonen, die in 1823 door Koning Willem I aangekocht zijn, voor zoo verre die aan het Kon. Instituut zijn toegedeeld en tot de handschriften-verzameling der Akademie van wetenschappen behooren. Dit verslag is ingezonden door den hoogleeraar Th. Jorissen,

[p. 398]

die den bijna onbekenden en weinig gebruikten schat onderzocht en beschreven heeft.’ (!) De afdeeling hoort de lezing van dit ver‘slag met groote belangstelling aan, besluit dat het met de daaraan door den steller toe te voegen bijlagen in de Verslagen zal opgenomen worden, en draagt den secretaris op aan den heer Jorissen haren dank voor den verrichten arbeid te betuigen.’ Verslagen en Mededeelingen, Afd. Letterkunde, Tweede Reeks, Derde Deel, Tweede stuk, blz. 209. Wat kenschetst wel het meest in de aangehaalde regelen den geest dergelijke genootschappen eigen: of de deftigheid waarmede besloten wordt den schrijver de eer te bewijzen zijnen arbeid plaatse te gunnen in de gedenkschriften die het ter perse zendt? - of het ontbreken eener verontschuldiging dat het aan iemand, pas même Académicien, de taak opdroeg, waartoe zoo vele leden zich zelve niet geroepen mogten, maar verpligt achten moesten? - of het gemis van alle opwelling, alle warmte van geest en gemoed, door de belofte eener volledige uitgave voor het lange verzuim verzoenende boete te doen? In stede dat wij door eene verklaring van dien aard in getuigen verkeeren hoe de instelling hare eere wist op te houden, wordt ons eene gedachtenwisseling medegedeeld, welke den indruk achterlaat als waren diegenen onder de vergaderden, welke de zaak in haren geheelen omvang diende ter harte te gaan, er slechts op uit geweest de waarheid te bevestigen: chacun prêche pour sa paroisse! Als ‘de heer Brill’ zich de opmerking heeft ‘veroorloofd, dat het Historisch Genootschap te Utrecht’ van de vondst geen gebruik zal maken, zonder ‘verlof aan de Akademie te hebben verzocht;’ - vraagt ‘de heer Moll vergunning’ een gedeelte van den schat ‘in de Bijdragen voor Kerkelijke Geschiedenis’ te mogen opnemen; - verlangt ‘de heer Boot de benoeming eener Commissie om de verzameling Latijnsche brieven te onderzoeken;’ - ‘wenscht de heer Moll dat men zich daartoe niet bepale,’ maar dit de geheele correspondentie van Huygens doe; - wil ‘de heer Naber niets afdingen op het belangrijke van dezen brievenschat, maar meent, dat de Koren-Bloemen de voorkeur verdienen;’ - ‘vereenigt de heer Beets zich geheel

[p. 399]

met het advies van den heer Naber: eene uitgave der Koren-Bloemen, naar Huygens handschrift, zou eene verrijking onzer letterkunde wezen.’ - Jorissen is hen anders voorgegaan; heeft dan geen hunner de woorden gehoord, de woorden beaamd met welke hij zijn wensch, de verspreide handschriften van Constantin Huygens eindelijk bijeengebragt te zien, besluit: ‘Het zou een schoon loon zijn,’ zegt hij, liever had ik gelezen, het zou geen te groot loon ‘voor eene vijftigjarige werkzaamheid zijn, als die, waarop Huygens zich beroemen mag, indien de Koninklijke Akademie van Wetenschappen thans, nu de periode van onbekendheid en miskenning voor hem aanvangt te wijken, het initiatief nam, om onze letterkunde met een nieuwe uitgave zijner Koren-Bloemen en onze historie der XVIIde eeuw met nieuwe Archives de la Maison d'Orange Nassau, ditmaal uit Huygens' handschriften, hier en elders verspreid, geput, te verrijken. De kroon, die zij den negentigjarige op 't hoofd zette, zou tevens het schoonste en welsprekendste getuigenis van haar eigen verdiensten jegens de volkshistorie zijn.’ - Verslagen, als voren, bl. 228.

Staar den breeden kring van, goed geteld, hoop ik, drie en twintig geleerden of hooggeleerden rond: op het gelaat van geen enkele hunner schittert, helaas! iets dat naar geestdrift voor de grootsche gedachte zweemt; de wolk die zich, van den aanvang der discussie af, om den schedel des Voorzitters onheilspellend verzwaarde, eerst maar zoo groot als eens mans hand, wordt allengs breeder, overschaduwt zijne buren zoo ter regter als ter slinker, tot zij ten leste allen in de duisternis van haren sluijer wikkelt. Mr. C.W. Opzoomer ‘de voorzitter stelt voor om geen van de gedane voorstellen nu in behandeling te nemen, maar ter voorkoming van besluiten, die later wel eens konden blijken onuitvoerbaar te zijn, de zaak voorloopig te laten rusten. De Akademie weet nu of zal uit het verslag, als het gedrukt is, zien, welk een schat van Huygens zij bezit, en het is misschien raadzaam aan de leden over te laten, welk gebruik zij daarvan wenschen te maken.’ Welk eene plage is het een goed geheugen te hebben, als kwade voorteekenen ten

[p. 400]

tweeden male aan de kimmen opdoemen! Vijftien jaren geleden betuigde de Minister van Heemstra der Akademie ‘voor als nog geene vrijheid te hebben kunnen vinden om tot de verwezenlijking harer voorstellen’ ons eene Geschiedenis van den Waterstaat te geven, ‘mede te werken’; - vijftien jaren geleden troostte zij zich met de hoop dat toch ‘eenmaal die tijd komen zou’, al besloot zij ‘voor het oogenblik die zaak daarbij te laten berusten.’ Toen ‘voor als nog’, - toen ‘voor het oogenblik’, thans - ‘voorloopig’, - welk eene consequentie in opschorten, uitstellen, afwachten! ‘Dienovereenkomstig wordt zonder hoofdelijke omvraag besloten.’

Verbaast iemand er zich na deze expositie nog over, dat wij in de volgende bedrijven des stuks geene actie hebben toe te juichen, dat het, trots een paar tooneelen in welke het leven wat schijnt op te flikkeren, toch allengs wegkwijnt, toch afloopt zonder effect, hij mag vreemdeling heeten in de geschiedenis onzer geleerde genootschappen. Echter zal zelfs de ingewijde die hunne historie zoo goed zou kunnen, zoo gaarne zou willen schrijven, ware de stof maar aanlokkelijker, gereedelijk toestemmen, dat de wijze waarop de dus weder aan de orde gestelde vraag eener uitgave van Huygens' handschriften ten leste door de Akademie werd in de doos gedaan, tot de onverklaarbaarste behoort welke nog zijn geboekt. Ons faalt daartoe blijkbaar de gave, den afloop verradende voor het einde. Ook historicus is niet maar wie wil; waarom werd ik door niemand, er meer toe geschikt, voorgekomen? Het daarom verbeidende zet ik mijn verslag voort. Gedurende de eerstvolgende vergadering in het Trippenhuis - 10 Maart 1873 - kwam het onderwerp niet ter sprake; doch in die van den 7den April des zelfden jaars ‘biedt de secretaris namens den schrijver voor de boekerij aan een exemplaar van de Mémoires de Constantin Huygens, par Theod. Jorissen, la Haye 1873.’ De vergadering draagt hem op ‘den schrijver daarvoor dank te zeggen.’ Het was het eerste blijk hoeveel iemand, die in de veronachtzaamde mijn wist te delven, vinden zou; wat er, mits talent dien erts louterde, gehalte en glansrijks uit viel te smeden. ‘Acceptez lecteur, ce recueil qui renferme quelques-uns des

[p. 401]

‘traités les plus remarquables que nous devons à l'auteur’, schreef de uitgever te regt van gedenkschriften uit de wereld des hofs, waartoe de taal aller hoven was gebezigd. ‘Acceptez-le, lecteur, et réjouissez-vous avec moi de cette acquisition précieuse pour l'histoire de notre pays au XVIIme siècle.’ (Het vermelde werk, pag. 1.) Eene wijle houdt eene bijdrage van den Hoogleeraar Moll over de nederlandsche miniatuur-schilderkunst de niet in grooten getale opgekomene, de maar het cijfer van achttien bereikende leden, bij ongesteldheid van Professor Opzoomer door den straks genoemden Hoogleeraar gepresideerd, de Heeren de Hoop Scheffer, de Jonge, Boret, Vosmaer, Leemans en den voorzitter zelven aangenamer bezig, dan wij, alledaagsche lezers, ons verbeelden dat zij overigens de gewoonte hebben het elkander over allerbelangrijkste onderwerpen, maar die buiten den kring der studiën van de meesten hunner liggen, plegen te doen. Ontsteke geen degelijk geleerde over den schijn van moedwilligheid dier scherts in toorn; onvergetelijk is mij de betuiging van Geel dat hij in wijlen het Instituut over zijn lievelingsvak lezende, op niet meer dan slechts anderhalven hoorder durfde rekenen die hem verstond! In allen eenvoud dus des harten, de vergadering viel onder de bevoorregte te rangschikken voor wie spraken als voor wie hoorden. ‘De Heer Beets vraagt en verkrijgt het woord, over dat gedeelte der handschriften van C. Huygens, dat de kopij der Koren-Bloemen en een groot aantal nog onuitgegeven gedichten van den dichter bevat.’ Hij, die voor een goed deel zijner eigene verzen den zelfden titel koos, waaronder zijn groote voorganger onze letterkunde met zooveel geurigs en kleurigs verrijkte, hij heeft zich vermeid in den voorvaderlijken lusthof, langer dan die uit het sprookje der schoone slaapster gesloten gebleven; en toch, toen de tooverroede zijner belangstelling dien aanraakte, weêr even frisch, even flonkerend als weleer. Hij deelde proeven mede, ‘welke wezenlijke dichtjuweelen uit het tot hiertoe onuitgegevene gedeelte dezer handschriften nog kunnen worden aan het licht gebragt;’ hij wenschte dat ‘eerlang eene nieuwe met de HSS. vergelekene en met al de onuitgegevene stukken vermeerderde uitgave

[p. 402]

der Koren-bloemen van Const. Huygens in het licht kome.’ Straks heb ik van oogenblikken gesproken waarin eene sanguinische verbeelding zich vleijen mogt dat de kranke de crisïs met gelukkig gevolg zou doorstaan; was dit er geen? de Heer Beets toonde zich bescheiden in zijn verlangen. ‘Spreker doet echter nog geen voorstel aan de Akademie om met der daad tot deze uitgave over te gaan. Hij wenscht evenwel die te zien voorbereid, en stelt daarom voor, dat de Akademie het noodig crediet opene om, onder toezicht van een of meer harer leden, 1o. te doen opmaken eene alphabetische lijst van alle de in gedrukte werken voorkomende niet latijnsche gedichten van Const. Huygens, en zulks naar de regels met welke zij aanvangen;’ en ‘2o. te doen vervaardigen een naauwkeurig, duidelijk en naar tijdorde geregeld afschrift van al de tot hiertoe onuitgegevene, bij de Akademie in handschrift berustende.’ - Verslagen, als voren. IIIde Deel. IIIde stuk, bl. 261-263.

Hoe ijdel echter zou de naauwelijks opgevatte verwachting blijken, dien noodlottigen 12den Mei 1873, toen de Gewone Vergadering, uit twee-en-twintig leden bestaande, den hoogleeraar Mr. C.W. Opzoomer tot voorzitter, den hoogleeraar Dr. J.C.G. Boot tot secretaris had. Misverstand beheerscht de discussie in den beginne - volkomen helder wordt ons de verdere gang der gedachten niet meêgedeeld, - slechts het resultaat is bedroevend duidelijk. ‘De voorzitter,’ overgaande tot de behandeling van het voorstel, door den heer Beets geopperd in de vorige vergadering, ‘verklaart, dat het bestuur zich daarmede niet kan vereenigen, omdat het de voorgestelde scheiding afkeurt, en niet wenscht, dat de last en de kosten van het voorgestelde werk ten laste der Akademie zullen komen, terwijl de uitgave der gedichten van Huygens daarna aan eenig particulier zou worden overgelaten.’ Vergeefs beweert de heer Beets, ‘dat zoodanige scheiding geenszins in zijne bedoeling lag’; vergeefs oordeelt de heer Fruin, ‘dat de voorarbeid niets praejudicieert’, dat die toch altijd dient verrigt; - beide kennen der Akademie, en deze alleen, het regt toe van de wijze op welke de handschriften het licht zullen zien te beschikken; - ‘de secretaris ontwikkelt de gronden,

[p. 403]

waarop hij van den vorigen spreker van gevoelen verschilt.’ Hoe wij wenschten, dat hij ons die hadde medegedeeld! thans maakt de gaping den indruk als dwaalde men er door af. ‘De heer de Jonge doet eene motie van orde:’ verlangt de Akademie uit te geven of verlangt de Akademie zich te onthouden? In het eerste geval benoeme men eene Commissie; in het tweede beschouwe men de zaak afgedaan. Te regt schijnt het den eenige, die zich - altijd volgens de notulen geoordeeld - vast in den schat heeft verlustigd, hagchelijk toe, den kans, ook het publiek die weelde te gunnen, aan een zoo gemakkelijk uit te brengen votum te wagen. ‘Un beau désespoir’ ware hier meer op zijne plaats geweest dan in Corneille's bekenden regel: een woord de Akademie aan hare roeping herinnerend, als een kreet in de stilte harer bijeenkomsten geen pas geeft. ‘De Heer Beets meent, dat zijne bedoeling verkeerd is opgevat door het bestuur. Hij wil geen scheiding tusschen voorarbeid en uitgave; daarom trekt hij zijn vroeger voorstel in en stelt nu voor dat eene nieuwe vermeerderde uitgave der niet-latijnsche gedichten van Huygens door de Akademie zal ondernomen worden.’ Hoe jammer is het dat twee toelichters om strijd op het waarlijk niet te veel eischende voorstel afdingen eer de bom des bestuurs losbarst! - zonder den overgang zou de knal met meer weergalm hebben gedaverd. ‘De Heer de Geer acht ophelderende aanteekeningen daarbij noodig, en stelt als preliminaire questie de vraag, of de uitgave met of zonder commentaar zal bezorgd worden, en of het niet voldoende is van de reeds gedrukte stukken den tijd der vervaardiging en varianten mede te deelen.’ Stel u voor dat van Lennep naar dat schema de werken van Vondel hadde uitgegeven. ‘De Heer Goudsmit vindt er bezwaar in om in den blinde over het geld der Akademie te beschikken. Hij wenscht dat eene commissie de afdeeling zal voorlichten. Laat haar de wijze van uitgave bepalen met eene begrooting der kosten en dat aan de afdeeling aanbieden.’ Een voorvaderlijk gedenkteeken was in de weegschaal van zekeren raad toen tegenover weinige honderden guldens nog niet te ligt bevonden. ‘De voorzitter verklaart’ - de weg was gebaand,

[p. 404]

de poort open, - ‘de voorzitter verklaart dat de geldquestie hem dringt om het geheele werk te ontraden. Hij meent, dat de Akademie genoeg doet met hare schatten open te stellen voor leden en voor niet-leden. Hij acht het wenschelijk de onderneming aan partikulieren over te laten.’ Eene geldquestie! - waarom heeft de steller des verslags ons den indruk, dien dat woord maakte, niet aanschouwelijker weêrgegeven, dan in de volgende woorden gezegd mag worden te zijn beproefd? ‘Nadat nog de Heeren R. Fruin, Brill en de Hoop Scheffer over het voorstel iets in 't midden gebracht hebben, stelt de Heer Tellegen voor de zaak in handen te stellen eener commissie om aan de afdeeling te dienen van consideratie en advies.’ De voorzitter brengt in omvraag: ‘of de vergadering de benoeming verlangt eener commissie, belast het wenschelijke eener uitgave der gedichten van Constantin Huygens te onderzoeken?’ en ‘of zij, wanneer deze daartoe aanraden mogt, tevens van haar eene mededeeling te gemoet ziet, op welke wijze en met welke vermoedelijke kosten dit zou moeten en kunnen geschieden?’ Met twintig tegen twee stemmen aangenomen, draagt hij die taak aan de Heeren Moll, Jonckbloet en Beets op. - Verslagen, a.v. bl. 266. Ik zon met de verzuchting: commissoriaal gemaakt, der vergetelheid voorbestemd! mijne mededeeling over die vergadering besluiten, zoo de billijkheid niet gebood dat ik van eene verrassing gewaagde, waarop niemand door de discussie was voorbereid geworden. ‘De secretaris,’ lees ik bl. 270, op wiens verslag hij mij ten goede houde, dat ik me straks eene aanmerking veroorloofde, ‘de secretaris biedt eene verhandeling, getiteld: De latijnsche Brieven van Constantijn Huygens, voor de Verhandelingen der afdeeling aan.’ Het verslag daarover, later, op verzoek des Voorzitters, door de Heeren W.G. Brill en R. Fruin uitgebragt, verklaarde haar - 9 Junij 1873 - ‘allezins waardig om in de werken van de Kon. Akademie van Wetenschappen te worden opgenomen.’ Verslagen, a.v. bl. 343; in wier VIIIste Deel enz. dit sedert geschiedde. Of de Nederlandsche Letteren daardoor nog niet genoeg aan de Latijnsche hadden te benijden, deelde dezelfde hand in het Derde Deel der

[p. 405]

Verslagen, dat ons nog altijd bezig houdt, eenige ‘Korte Biographische Aanteekeningen van Constantijn Huygens’ mede. Der tweede opflikkering van leven is daarmede regt gedaan.

Uitstel dier behandeling des onderwerps, tot de aandacht van het algemeen door andere verschijnselen zal zijn geboeid, tot de ingenomenheid der voorstanders van het plan blijkt bekoeld, tot de weerzin der tegenstanders geen ergernis meer wekt; verdaging van het besluit, een zeker werkend middel door vergaderingen gebezigd om den last zachtkens haren schouderen af te schuiven, noch Commissie, noch Akademie, - wie erkent het gereeder dan ik het hier doe? - maakte er zich ditmaal aan schuldig. Een navorscher zal zich verlustigen in het onderzoek wat den hoogleeraar Moll mag hebben bewogen ter Vergadering van den 9den Junij 1873 te verklaren ‘dat het drietal leden nog niet met een voorstel gereed was, te verzoeken dat de Voorzitter bepalen mogt de zaak eerst in de October-bijeenkomst te doen behandelen’; (Verslagen IIIde Deel, IIIde Stuk, bl. 343) terwijl zij toch, blijkens de onderteekening van hun gevoelen, reeds den 13den der zelfde maand niet alleen tot een besluit waren gekomen, maar dit ook bereids hadden geformuleerd; waarom het vonnis al in de Gewone Vergadering van den 8ste, September 1873 werd geveld. (Verslagen IVde Deel, 1ste Stuk, bl. 33); een navorscher der toekomst zal zich daarin vermeiden, als hij de archieven uit het stof der eeuwen opdelft. Tijdgenoot, heeft voor mij slechts het oordeel, niet over het wenschelijke der uitgave, neen, over de wijze op welke de Commissie zich vleit dat deze ons geworden zal, iets onverklaarbaars; wie het opstel in de werken der Akademie nog niet inzag, neme er hier kennis van, en beslisse tusschen de opvatting der hoogepriesters en die van den leek.

‘Eenparig was de kommissie,’ zoo luidt haar Verslag, ‘van gevoelen, dat het terugvinden der oorspronkelijke handschriften van Huygens' gedichten een zoo belangrijk feit is op het gebied der Nederlandsche letterkunde, dat daardoor eene nieuwe uitgave dier gedichten niet alleen volkomen wordt gerechtvaardigd, maar als hoogst wenschelijk is te beschouwen.’ - Wie vleit zich na dien

[p. 406]

flinken aanhef niet met een even flink besluit? - ‘Huygens,’ gaan de leden voort, ‘Huygens is door talent, karakter, veelzijdige kennis, maar niet minder door de plaats, welke hij gedurende zoo lange reeks van jaren in de maatschappij bekleedde, door zijne aanraking met en zijn invloed op zoo vele personen van allerlei stand en rang, een der merkwaardigste persoonlijkheden van onze geschiedenis. Voor de waardeering der litteraire ontwikkeling van ons volk in de zeventiende eeuw hebben zijne voortreffelijke gedichten de hoogste waarde, zij onthullen ons den geest des tijds, en gunnen een diepen blik in het gemoedsleven van den dichter niet alleen, maar ook van zijn volk.’ - Het zijn niet enkel volzinnen als ons maar zelden in de werken der Akademie verrassen, de gedachten leveren tevens het bewijs dat de Commissie op de hoogte was harer taak. - ‘De gevonden handschriften,’ schrijve ik gaarne verder over, ‘zijn in menig opzicht belangrijk. Zij bevatten 's dichters werk vollediger dan wij het tot nog toe kenden en stellen vele bijzonderheden in een geheel nieuw licht. Hier wordt niet alleen een tal van onuitgegeven, doorgaans geheel onbekende stukken gevonden, maar de bijgevoegde dagteekeningen veroorloven ze allen naar tijdsorde te rangschikken en ze in verband te brengen met Huygens' leven. Daarbij komt dat niet zelden de persoon voor wien, de aanleiding waarnaar, de omstandigheid waaronder een gedicht geschreven werd, staat aangeteekend, hetgeen die stukken vaak eene ongekende aktualiteit erlangen doet.’ (Verslag der Kommissie, enz. in het meergenoemde IIIde Deel. bl. 360 en 361.)

‘O, what a fall was there, my countrymen!’ - gevoelen de stellers van het verslag niet hoe zij dalen, eensklaps uit den stelligen toon, van zijne wetenschap zeker, in den weifelenden trant, die maar vermoeden durft, overgaande? hoe wij ons in stede der aanschouwing van wat blijkt, met de opmerking van wat schijnt hebben te vergenoegen! Vorstelijk als de gedachte straks optrad, zich harer waardigheid bewust, onze toejuiching vragende noch onze afkeuring vreezende, verraadt fluks haar schoorvoetende gang dat

[p. 407]

zij aan zich zelve twijfelt, slechts voorwaardelijk meer om instemming dingend. ‘Maakt dit alles eene uitgave dezer kostelijke poëtische nalatenschap wenschelijk, de tijd schijnt ook gekomen, dat ze door het Nederlandsche volk met belangstelling zal worden ontvangen’, vangen de overwegingen aan, om ons op eene teleurstelling voor te bereiden. ‘Meer algemeen verspreide degelijke kennis van de moedertaal, aanmerkelijk aangewakkerde belangstelling in het algemeen en meer opgewekte lust voor de studie onzer dichters uit de zeventiende eeuw in het bijzonder, grondiger waardeering van kunst en poëzie, waardoor onze tijd zich kenmerkt, dit alles schijnt voor eene nieuwe, volledige uitgave der dichtwerken van een man als Huygens eene goede ontvangst te waarborgen.’ Schijnt - de hulde aan autheur en publiek wordt niet uit volle overtuiging gebragt en kon ook kwalijk door deze worden ingegeven. Voorzeker, aan bloemlezingen is geen gebrek, de handboeken over de geschiedenis onzer letteren nemen dagelijks toe in tal, vlugschriften ontvangen we in overvloed; maar hebben wij, de beschaving van ons voorgeslacht aanschouwelijk willende voorstellen, de bouwstoffen slechts voor het grijpen? verzamelde, rangschikte, beschreef, toetste de kritiek, ‘de grondige waardeering’, die inderdaad, zoo als het bij onze oostelijke naburen geschiedde, eer de begaafdsten hunner eene Geschichte der Cultur beproefden? Van de schrijvers tot de lezers. Als de schare de weekbladen niet inzag, wier redacteurs zich met ons onderwerp, waarom zou ik smadelijk onledig schrijven, waarom niet zeggen bezig houden? - als de menigte de maandwerken niet opensneed, in welke der poëzy van tijd tot tijd een bescheiden plaatsje wordt vergund, - als de brochures geen koopers vonden - aller verschijning zou ophouden; doch getuigt ons staatkundig, ons maatschappelijk, ons huisselijk leven dan werkelijk van dien ons toegekenden vooruitgang, van zin voor het schoone in iederen vorm, in dien van welken stijl ge wilt? ‘Maar’, bespiegelt de Commissie verder, ‘maar juist daarom’, uithoofde van dien gelukkigen ommekeer in studie, uithoofde van die onloochenbare algemeene schatting der vaderlandsche letteren ‘schijnt het ook minder

[p. 408]

noodig, dat de Akademie zich buitengewone uitgaven oplegge om zoodanigen nieuwen druk te bevorderen. Met recht mag worden verwacht, dat meer dan één degelijk Nederlandsch uitgever zal dingen naar de eer om de vaderlandsche letterkunde te verrijken met een boek, dat Holland's roem zal vermeerderen.’ Viel het den leden der Commissie ligt, toen zij hun verslag, ter goedkeuring en onderteekening, overlazen, aan den jongst medegedeelden volzin komende, zich van eenen glimlach te onthouden, zweemende naar dien waarmede weleer wigchelaars elkander plagten aan te staren? Waarom zij ten langen leste voornemens blijken iets niet te doen, wat na hunne inleiding elk zich voorstelt dat zij doen zullen zonder verzuim, het moest gezegd worden en het werd ook gezegd; maar op zoo ingewikkelde wijze, als had de rondborstige moedertaal wraak genomen over het pogen der verloochening een glimp van gepastheid te geven. Of erkent gij de uitdrukking: ‘zich buitengewone uitgaven op te leggen’, voor geoorloofd, voor goed hollandsch? Teekenen laat zich de Akademie in dien toestand niet: wat toch anders de proef op de som van ons in beeld brengen pleegt te zijn. Verontschuldigt het de verslaggevers dat het woord door den Voorzitter vroeger gebezigd: de geldquaestie, hen niet uit de veder wilde, waar het de eer des geleerden lichaams, waar het meer dan deze, waar het die der vaderlandsche letteren gold? Ik zou eerbied hebben voor de schaamte, als zij niet tot een uitvlugt had verlokt. Uitgevers zullen wedijverend dingen naar de eer.... offers te brengen voor welke geleerden terugdeinzen; is het meer dan eene phrase? Eerste vraag van alle mag, moet voor ieder die dat beroep koos, bij het ter perse geven eens werks de kans zijn, welke het, naar zijne meening, bij het publiek heeft; - handelaars, valt het van hen niet te vergen dat zij hun vermogen zullen wagen, om welke verdienste ook te huldigen; - zijn er uitzonderingen op dien regel geweest, zijn er die nog, mannen van studie, mannen van smaak mogen zij er door blijken, als mannen van het vak is het hunne zaak niet. Eene uitgave der werken van Huygens aan deze, geloove ik onbetwistbare, stelling toetsende, dat zij, om ge-

[p. 409]

oorloofd te zijn, niet maar de kosten dekken, neen, ook winst afwerpen moet, verbaast het mij dat de drie leden een gunstigen uitslag der onderneming waarschijnlijk achtten, dat zij ten haren behoeve iemands eerzucht durfden prikkelen. Is het mogelijk, dat geen hunner de schare kent welke ten onzent leeft? Is het mogelijk, dat geen hunner weet hoe klein in deze het getal is dergenen, die werken van eenigen omvang koopen? Is het mogelijk, dat geen hunner vreest de bede om belangstelling in ons onderwerp beantwoord te hooren met de klagt, dat het overeeuwd heeten mag? Vondel's wedergeboorte had hare weeën; - welke zouden die van Huygens zijn!

Indien ik mij de gevierde verslaggevers, wanneer er sprake is van populariteit, voor mag stellen als de drie trappen van vergelijking: Moll populair, - Jonckbloet populairer, - Beets populairst, dan laat ik mij door geene vreeze dat hunne schalkheid me toe zal roepen: ‘Vous ètes orfèvre, monsieur Josse!’ weerhouden, hen dank te betuigen voor de erkenning hoe nuttig het heeten mag, ons algemeen ook niet populaire autheurs te leeren genieten; maar verheel even weinig mijn wensch, dat de wijze op welke zij gelooven dat dit geschieden moet, duidelijker in het licht ware gesteld, dan de volzinnen, waarmede zij van de zaak afscheid nemen, dit doen. Voor den uitgever volstaat het hen, dat hij zijn geld offere: van den redacteur, door wien ons verleden herleven zal, vragen zij meer. Overbodig zou hunne verklaring zijn te achten, ‘dat de Akademie bereid is de handschriften ter beschikking te stellen van hem, die zich opgewekt zal gevoelen om dien schat gemeen te maken;’ - waar zou het heen als zij, weigerende zelve den ontdekkingstogt te aanvaarden, anderen de uitrustingsmiddelen ontzeggen dorst? - indien die overtollige verzekering aan het einde des volzins niet werd besloten met de voorwaarde, dat zij zich dus slechts dragen zal jegens elk, ‘wiens bevoegdheid tot zulk eene onderneming men zal mogen vertrouwen.’ Eerst bezitster van eenen schat, zonder dien te hebben genoten; - toen bewaarster geworden, zonder te weten dat zij het was; - thans in bewuste beschikster

[p. 410]

over dezen verkeerd, zonder voornemen er gebruik van te maken, - kwijt de Commissie zich voor de Akademie van hare verpligting door mede te deelen wat zij in dien hem verlangt? Oordeel en beslis of ik dat ondeugend kromme ding hebbe uit te wisschen, als u de volgende aanhaling getrouwelijk zal hebben weergegeven, hoe zij zich dien onbekenden verdienstelijke liefst afschetst: ‘Daarbij is het uwer kommissie voorgekomen, meer in het belang van het werk te zijn, dat hij, die de stoffe zal bewerken, rangschikken en toelichten, die taak aan eigen roeping ontleene, en niet bloot aan de lastgeving eener vergadering. Tot het goed slagen van zoodanige onderneming behoort immers vrij wat meer dan litteraire en historische kennis.’ Om het even of gij het vaderschap van het beruchte gezegde: ‘la parole est donnée à l'homme pour déguiser sa pensée’, aan Voltaire of aan Talleyrand toekent, hier blijkt het toegepast, - maar niet met het talent dat beiden onderscheidde. ‘Lastgeving eener vergadering’! welk genootschap valt er op het gebied der letteren te denken, zoo zeer met gezag over evenknieën bedeeld, dat het een vernuft, veelzijdig genoeg ontwikkeld om zich van zulk eene taak te kwijten, er toe verpligten kan? Er behoort meer dan ‘litteraire en historische kennis’, er behoort zucht voor de eer des vaderlands, voor het heil des volks toe, die ondergegane wereld uit hare bouwvallen te doen herrijzen; men zal wel zoo goed willen zijn te onderzoeken of hij van het daartoe vereischte gewijde vuur blaakt! Woorden, woorden, woorden! - die in vele niet zeggen wat in weinige te zeggen viel: schadeloos stellen, voor wat de vervulling van dezen wensch een enkele kosten zal, wil of kan de Akademie niet! Of vordert die arbeid iets minder dan iemand in de kracht des levens, door vroeger studiën in staat de handschriften te vergelijken, toe te lichten, aan te vullen; getroost eenige jaren, zijne vruchtbaarste voorzeker, ten beste te geven aan de wederopwekking, de wederbezieling der zeventiende eeuw ten onzent in schier iedere rigting; willig al wat hem van geest en gemoed ten deel viel eener glorie te wijden, welke maar in luttele mate die zijns naams, welke in de oogen der schare slechts die des

[p. 411]

lands zijn zal? Vlei er u mede, als gij tot de talrijken onzer dagen behoort, die betere verwachten, ofschoon alles bij het oude blijft, - die verwachtingen koesteren, waartoe niets hen geregtigt; - vlei er u mede dat de onvindbare zal worden gevonden! Vergeefs, vrees ik, zult gij naar den gewenschte uitzien, zoo lang onze eerste wetenschappelijke instelling, die zich tot deze taak geroepen moest gevoelen, den genegene zelfs geen vrijdom van zorgen gedurende zijnen arbeid waarborgen wil of kan. Te hard zijn de woorden niet: daar wij hem die in het eerst voor de zaak van ijver blaakte, haar zonder verzuchting zagen verloochenen; daar de eene afdeeling niet eens de hulp der andere inroept, om regeering of algemeen op te wekken tot het brengen van offers, waarmede het beider pligt was geweest voor te gaan!

Twee mededeelingen: die van een besluit, die eener bijzonderheid, en ge hebt mijne klagte ten einde gehoord. Het eerste vindt gij in de Verslagen a.v. IVde Deel, Iste Stuk, bl. 33. ‘De Heer Beets leest het verslag der commissie, die in de vergadering van Mei benoemd is, ten einde de afdeeling voor te lichten over het al of niet wenschelijke dat eene nieuwe, vermeerderde en verbeterde uitgave der Koren-Bloemen van Huygens door de Akademie ondernomen worde. De commissie acht het wenschelijk, dat met behulp van de handschriften der Akademie, onze letterkunde met zulk een werk verrijkt worde, maar is van oordeel, dat de Akademie die taak aan anderen moet overlaten. Dit voorstel wordt zonder beraadslaging aangenomen.’ Gewone Vergadering, 8 Sept. 1873. Hoe deert het mij dat ook Vosmaer onder de aanwezigen was! - De tweede, die tot de vrage uitlokt of de Akademie zoo goed hare geheimenissen der Handschriften van Huygens heeft, als wijlen het Instituut zijne Treurspel-mysteriën had, de tweede verpligt mij in uw geheugen te herroepen wie der eerste verslag deed van den schat zoo lang in hare boekerij begraven, wie haar de Mémoires de Constantin Huygens liet aanbieden, wie ons vroeger reeds een eerste deel zijner Studiën over den Heer van Zuylichem schonk. Sedert het vallen van het besluit

[p. 412]

straks overgedrukt, sedert werd ook die schrijver, werd Jorissen in den stillen schoot harer zaligende zelfgenoegzaamheid opgenomen: - den 18den Mei 1874 - wee zijnen roem als die ruste hem welgevallig is!

Vindt gij iets vertroostends in de gedachte dat, hoe weinig harte wij ook toonen te bezitten voor de heugenis onzer groote mannen, deze echter voor hunne glorie genoeg blijken te hebben gedaan, om trots onze onverschilligheid onsterfelijk te zijn? Voor wie zich diep, voor wie zich droevig bewust is, dat ons volk hunne vermakingen gewetenloos aanvaardde, - erfgenaam die de schilderijen geen licht gunt, erfgenaam die de schriften verstikken laat; - voor mij die weet hoe we het schoonste dat zij schiepen duisternis en vergetelheid prijs geven, hadden de bewijzen dat de vreemde hunne verdiensten kende en schatte, schaars iets verrassends, steeds iets beschamends. Wie heeft nooit de weelde gesmaakt op een schoonen zomerdag een' buitenlandschen vriend de heerlijkheden van den Hage te doen zien? wien werd zij, als zijn gast op eenige beschaving des geestes aanspraak maken mogt, door de belangstellende vragen van dezen niet vergald? Gij waart het weêgevoel te boven, waarmeê de vervallen staat van het Binnenhof u tegenover den vreemdeling het hoofd bukken deed; - gij hadt het toeval dat de Trèveskamer, in haren jammer, dien dag niet te zien viel in stilte als eene uitredding gezegend! - Uw vriend was heusch genoeg geweest bij menig gebouw in deze eeuw voor den dienst des algemeens gesticht op te merken, dat schier in half Europa stads- noch rijksbestuur meer begrip van schoonheid heeft, dat zij van geen stijl meer weten; - de tegenstelling der nieuwe wijken met de oude, de stoffe tot gesprek schuilende in de gedachte hoe het Oosten ten onzent het Westen herschept, hadden u slechts een ommezien, dat ge wijs genoeg waart niet te rekken, vóór het Monument doen stilstaan. Wijke de schaûw voor het licht! - op den Vijverberg, in het Voorhout laast gij het in de blikken uws vriends, hoordet gij het van zijne lippen, welk eenen eerbied, welk eene bewondering hij gevoelde voor eene burgerij die, koningen en keizers voor, zulke

[p. 413]

paleizen met zulken lommer bedeelde, uiterlijk en innerlijk niet slechts deftig in den besten zin des woords; wat meer zegt, degelijk in ieder opzigt. Onder grootsche herinneringen als die hulde bij u verlevendigde, onder genoegelijke indrukken als zij op u maken mogt, gingt gij zamen het bosch in: het bosch gedurende de laatste halve eeuw door dichter bij dichter, door van Lennep,1 en Beets2 en Beeloo3 om strijd schilderachtig bezongen, al komt den middelste de prijs toe; het bosch door iedere hofstad der onze benijd. Gij genoot beurtelings de Oranje-zaal en de Vijvers: vorstelijke glorie door volksdankbaarheid toegejuicht, luister des wouds in glanzig watervlak weêrspiegeld; - heuschelijk door de hoffelijkheid harer leden in de Tent toegelaten, zweefdet gij, door haar beroemd orchest meêgevoerd, de sfeer der toonen in. Was het de muzijk? was het de mijmering waartoe zij verlokte? was het de middagwarmte die doordrong tot onder het loofgewelf? alles werkte zamen om het u te zwoel te doen vinden in den lommer: ‘naar het strand, naar de zee!’ riept gij uwen vriend toe. Welke stad ter wereld, had ik schier geschreven, welke stad in ons vaderland is rijtuigen rijk als het Haagje? Gij moogt het wemelen der menschenmenigte binnen en buiten dat middelpunt des zondagschen verkeers in het uwe zijn ontkomen, den tooi voor twee eeuwen gegispt, den tooi thans als toen gevierd4, - vóór u, achter u, om u rollen de

[p. 414]

raderen oorverdoovend; slechts waar de lange tolgaarder aan het Scheveningsche hek al zoo vele jaren halt leert houden, breekt eene wijle welkome rust het geraas af.

Al beweert de overlevering dat de blinkerts, die ge straks ter wederzijde in het verschiet zaagt verrijzen, met geboomte zijn bekleed geweest, schaduw spreidende dalen door en hoogten over, eeuwen lang reeds valt de verrassende aanblik des oceaans van het grootste gedeelte onzer kusten niet te smaken, dan ten prijs van een vermoeijenden togt door eene woestenij. Hier echter hebben uwe rossen geene heuvelen te bestijgen, om, als zij de toppen van deze al hijgende bereikten, uit de diepten tegen hen over weêr hoogere te zien opdoemen: hier glooit de bodem naauwelijks: indien de grond zich niet doorgaans aan uwe regte, bij wijle aan uwe slinke luttel voeten verhief, ge zoudt ontkennen uit de vlakte het duin in te zijn gegaan. Onder een scherm van veelkleurig loover rolt uw rijtuig niet langer op uitheemsche keijen, hortend, rolt uw rijtuig over inheemsche klinkers zachtkens voort; de lange laan troont uw blik naar zijn verschiet mede, tot waar de wederzijdsche twijgen elkander ontmoetend een lustpriëel vormen, dat toch telkens dieper in de verte wegdeinst. Uw gast heeft er oog voor, uw gast zou het nog instaren als het tooneel om hem heen, als dat tal van andere

[p. 415]

wegen dan dien waarop gij voortrijdt, gelijklijnig met dezen loopende, niet zijne aandacht trok: hier de dreef voor voetgangers ten blijke dat het burgerlijk voorgeslacht zich ook over de misdeelden der fortuin bekommerde, - daar de baan, ten gevolge des versnelden levens onzer eeuw, van het nuttigste aller metalen gevergd, - ginds het liefelijke wandelpad op de hoogten, omzoomd van boschjes uit de zandzee aangolvend. ‘Wie?’ vraagt uw vriend, ‘wie schiep dien weg?’ want er kan geen sprake zijn van een spoor uit den voortijd overgebleven; - ‘wanneer werd hij aangelegd?’ voorzeker lang eer villa bij villa uit het duin verrees, hoe ijl toch is heur hout bij vergelijking; - ‘wat heeft hij wel gekost?’ immers hoe digt de loovergang zij, zoowel de stammen als de kroonen van het geboomte geven blijk welke stormen dien ieder najaar, iederen winter zweepen: weêr eene worsteling, weêr een wedstrijd met de zee! ‘Huygens, - al twee eeuwen geleden’, - antwoorddet gij, - ‘Constantin, niet Christiaan,’ - voegdet gij er toelichtende bij; werdt het wel voor elk uwer gasten vereischt? waren er onder uwe vrienden uit welk volk ook, voor wie de vader niet den zoon overwoog, bleek een hunner zoo vreemd aan zin voor wereldlitteratuur, de studie, honderd jaren voor Göthe haar aanbeval, reeds door den Heere van Zuylichem in beoefening gebragt? Veelzijdigste onzer dichters, in oude en nieuwe letteren te huis, de talen van het beschaafd Europa zijner dagen, niet slechts sprekend, maar ook schrijvend, schuilt er in zijne werken stoffe te over om met onze buren, die van digtebij als van verre, een voor hen vleijend gesprek aan te knoopen. Schraalst van alle in zijne werken bedeeld is onloochenbaar de letterkunde onzer oostelijke stamverwanten; maar de schuld lag niet aan hem zoo Duitschland eerst met Opitz uit zijn slaap van eeuwen weder ontwaakte, zoo hij zich in zijn Sneldicht met het vertolken van Ondicht uit die taal vergenoegen moest. ‘Als het te wenschen overlaat’, verontschuldigt hij die verzen, zich zelven aanklagende, ‘wijt het mij, dien het misschien niet gelukken mogt uit de ruwe diamanten de schoonste te kiezen, die ze mo-

[p. 416]

gelijk niet met smaak heb gekast.’1 Laat Bilderdijk u het tweetal schimpnamen verklaren van welke Huygens niet aarzelt geestig partij te trekken; er niet bij verwijlende, stel ik mij liever voor, dat gij een Italiaan te gast hebt, en neem deel aan uwen kout. Constantin heeft Venetië bezocht, Constantin heeft de ontvangst van ons gezantschap door den Doge Antonio Priolo in zijn latijnsch gedicht vereeuwigd: Constantin vergenoegde zich niet met een enkele bedevaart naar het dal van Vaucluse: ‘zoo als de zeilsteen het ijzer aantrekt,’ zong hij, ‘zoo trok hem ten tweeden male de grond aan door zijn Petrarca geheiligd.’ Huygens wedijverde met Hooft in het navolgen van Guarini, de eene in berijmde verzen, de andere in rijmelooze; beide huldigden tot hunne schade Marino... maar ik vergeet dat men een buitenlandschen vriend niet op eene kritiek zijner letterkunde onthaalt. - Geene verzoeking van dien aard toeft u, mogt de vreemdeling tot die natie behooren, welke eens den grootsten invloed op het lot der nederlandsche had, en haar echter thans het minst van alle misschien meer eenig belang inboezemt, een zoon des volks waarmede wij zoo bang en zoo lang hebben geworsteld, Hispaniën, een Spanjool. Verklaarbaar moge het zijn dat de litteratuur des schiereilands, sedert twee eeuwen, trots haren rijkdom, ten onzent maar uitzonderingswijze werd en wordt beoefend; verklaarbaar dat onze historie, onze roman, ons tooneel vooral, de somberste schaduwen er over verzwaarden, als ware geen gruwel zoo grof die er niet werd gepleegd en gevierd; vergefelijk schijnt het mij naauwelijks. Constantin, de dagen des strijds, de dagen des wroks zoo veel digter dan wij, gaf een voorbeeld des te meer navolgenswaardig, toen hij met benijdbaren humor bezong wat hem in Spanje bleef

[p. 417]

aantrekken;1 toen hij, ons de spreekwoorden dier natie vertolkende,2 de in bondgenooten verkeerde vijanden zoo veelzijdig kennen leerde. - Uw vriend uit Groot-Brittanje, - ge ziet dat ik er u genoeg bedeele, - uw vriend uit Engeland of uit Schotland moge het weinig voor Huygens innemen dat hij bij voorkeur de verzen van het hoofd

[p. 418]

der metaphysische dichtschool ten hunnent bestudeerde en overzette: herinner den eene dat Donne1 door Dryden geprezen werd, wel niet als ‘de grootste dichter, maar toch als het grootste vernuft zijns volks;’ dat Izaak Walson ons Donne voorstelt ‘predikende als een engel van boven uit een wolk doch niet in deze wegschuilend;’ en beide zullen meer willen weten van wie bewonderde wat door zoo weinigen begrepen werd. Is de Vita Propria met hare schetsen van Oxford, en Woodstocke en Cambridge en Audsleyend niet daar, als zij u vragen hoe hij land en lieden op reis plag te beoordeelen? Om het zeerst zullen beide u de beeldtenissen, door hem van Koning Jacobus de Iste ontworpen, van harte schenken; maar den jonkman die zoo gaarne de weduwe van Sir Walter Raleigh bezocht, - die zoo gretig luisterde naar wat der oude vrouw nog uit den tijd van Elisabeth heugde, - die haar zoo eerbiedig aanstaarde als zij den martel- neen den heldendood haars echtgenoots verheerlijkte, zelve in heldin verkeerd, daar zij er geen tranen meer over stortte, - hem hebben zij, of hij hun landgenoot geweest ware, innig lief! - Frankrijk alleen blijft te vermelden over wanneer ik de volken, welke in de dagen van den Heer van Zuylichem de beschaving van ons werelddeel vertegenwoordigden, beurtelings uw gast wensch te zien: de vriend uit dat volk behoeft geen geleerde, behoeft geen geletterde te zijn om op uwe verklaring dat wij dien weg aan Huygens, l'admirateur de Corneille verpligt zijn, ijlings uit te roepen: qui louait son Menteur, auquel il dédiait son Don Sanche. O Letterkunde mijns lands! welk eene andere toekomst dan sedert in vergetelheid bij onze buren uw deel werd, mogt gij u in die gulden eeuw beschoren achten, toen een genie als dat van den dichter des Cids zich gestreeld gevoelde door de hulde waarmeê hem een onzer vernuften verraste. Voor alle onderteekening slechts zijne zinspreuk Constanter bezigende, verrijkte Huygens de uitgave van den Menteur door de Elzeviers met twee lofdichtjes, het eene

[p. 419]

in het Latijn, het ander in het Fransch: ‘Je vous les donne ici d'autant plus volontiers, que n'ayant pas l'honneur d'être connu de lui, son témoignage ne peut ètre suspect,’ nam Corneille die in den volgenden parijschen druk over als het gevoelen ‘d'un des premiers hommes de ce siècle, qui non-seulement est le protecteur des savantes muses dans la Hollande, mais fait voir encore par son propre exemple que les graces de la poësie ne sont pas incompatibles avec les plus hauts emplois de la politique et les plus nobles fonctions d'un homme d'État.’1

‘Zoo vele talen als men spreekt, zoo vele malen is men mensch;’ het gezegde aan Keizer Karel de Vijfde toegeschreven, werd in Constantin Huygens ten volle bewaarheid: gemoed en geest evenaarden bij hem elkander in diepte. Gij moogt keer op keer, en aan gast bij gast, u het gedachtenrijk gedicht de Zeestraet te binnen brengend, de geschiedenis van dien weg hebben oververteld, gij deedt het nooit, gij zult het nimmer doen, zonder getroffen te worden èn door de menschlievendheid welke tot zijn aanleg spoorde, èn door den schoonheidszin die er zich in verlustigde. Verscheiden als de ontwikkeling uwer vrienden zijn mogt, aller ooren boeidet gij; want er was gang, er was gloed in uw verhaal, dank zij het dicht dat u heugde. Voor u hieldt ge de klagte over een gebrek toen als thans onzen volksaard beurtelings aan schande en aan schade prijs gevend,2 voor u de bestraffing der visscherswijven, in der tijd zich ondankbaar toonende voor de weldaad haar bewezen;3 wat zoudt gij eene

[p. 420]

dorpsgemeente aan de minachting des vreemdelings blootstellen, voor wier leven Israels gedurig een beroep op onze poëzy doet,

[p. 421]

schoon het blijkbaar dringend behoefte aan den schoolmeester heeft; zoo lang wij, stadslieden, ons in zoo velerlei opzigt nog niet volwassen kinderen der negentiende eeuw toonen, zoo lang wij zelve te wenschen overlaten? Huygens is het van wien gij spreekt; Huygens, waaraan gij de weelde eener oasis in de woestenij dank weet; Huygens, die u door deze eene grootere voorbereidt! ‘Maar Oost, West, t'huys was 't best’, in hoeveel hoogere stemming dan die van zijnen Aanteekenaar heeft hij, waar ook omzwervende, ‘het Vaderland in 't harte meêgedragen!’ - welk eene liefde voor natuurschoon, welk een zin voor levensvreugde blijken hem bedeeld te zijn geweest; welk eene gave beiden in woorden regt te doen! Om de lofspraak te staven hebt gij schilderijen in verzen, laat mij liever zeggen, tafereeltjes, groepen, beeldekens voor het kiezen. Het valt uwen gast niet in van Constantin te vergen dat hij zou hebben voorspeld hoe ons heden, den schoot des oceaans verzwakt induikende, uit dezen versterkt hoopt te herrijzen; dat hij zou hebben voorzien hoe de ijdelheid zich niet schaamt hare kermistent tegenover het verhevenst natuurtooneel op te slaan; wat hij in den geest zijner dagen gezonds en genoegelijks van zijnen weg wachten en wenschen mogt, hij zong het zooals hij het zag. Voor twee eeuwen als thans weet de avondschemering noch in deze dreef, noch op gindsche kust van stilte, door de weelde met hare zware koetspaarden op de verfrissching van een zeekoeltje uit, doch de voetgangers herwaarts te troonen, de voetgangers die elkander in het Voorhout verdrongen, de voetgangers die wat zoets te praten hadden,

[p. 422]

het lokte hem aan, het gelukte hem.1 Een storm, een schip in nood, een tooneel van verschrikking; - of wel onze vloot, onze oorlogsvloot, behoef ik er bij te voegen? die des verledens, slaags voor gaats, - zij bragten heel den Haag naar Scheveningen; als Lucretius van het strand den schipbreuk genietende; als een ander Rome, bij den oorlogsdonder wegkrimpend of den oorlogsdonder toejuichend, naar de kansen keerden, naar het gebed werd verworpen of verhoord! Huygens geloofde het als de eeuw in welke hij leefde; doch haar vooruit in liefde voor de natuur, zij het ook maar als stoffe van beschouwing en bespiegeling, wilde hij de menigte de zee niet enkel met ontzetting doen aanstaren, wilde hij haar die ook in rust leeren genieten. Wat zoudt ge vreezen dat uwe vrienden zullen glimlagchen om het huisselijke der middelen welke hij er voor aangreep? te lang zijn ze uwe gasten geweest dan dat zij niet zouden hebben opgemerkt hoe het hollandsche leven in dat opzicht nog niet alle eigenaardigheid dierf. Verre zij het van u hen wenken te geven dat er partij van reizen te trekken valt; maar zoo het voorbeeld van Huygens dit als van zelve deed, zou het hun bij hunne thuiskomst schaden? In den vreemde had hij opgemerkt hoe weinig er wordt vereischt om de schare in beweging te zetten; ten onzent weêrgekeerd past hij de les toe: ‘Londen liep leegh om den wille van weddingschappen, of een verwaende deeren het in rapheid van loopen winnen zou van alle mannevolck’; wat viel er te bedenken om onze thuiszitters op de been, om ze aan het strand te brengen? ‘Saeit soete tijdingen van nieuwe tijdverdrijven,’ roept

[p. 423]

hij schalk den tolgaarder toe; en verheft zich eensklaps boven het alledaagsche, er bij voegende: ‘Brenght Wagens onder Zeil’ wij hebben er immers nog een door Stevin betakeld, waarin Prins Mouringh reed! Volstaat die trek voor tien, wat zou ik voortgaan u de genrestukjes te ontschaken, in Constantin's dicht voor het grijpen: dat middagmaal van versche visch op de reede gesmaakt, de spijze door den Haegh gelasterd als: ‘soo 't quam soo 't voer’, schoon de ‘tronies van de ruyghe maats, schoon de incarnate koonen der meissjens’ van het dorp wel anders tuigen; - of den wenk aan de lieven op de wandeling na den eten gegeven ‘niet te neuswijs te wezen om een soentje meer of min’, daar de zeewind van geen verklappen weet, daar Mameer en Grootemoe die ook gunden, ‘vrolicke, ja, maar deughdelicke liên’; - of... doch geen derde schetsje, slechts een goeden raad, waartoe ervaring geregtigt. Weid, waarschuw ik u, weid onder den lommer, dien we hem verschuldigd zijn, weid er niet zoolang in zijnen lof uit tot de omzwaai des wegs den blikken uwer vrienden op de naakte duinen plotseling èn Hôtel-Garni, èn Groot Badhuis èn Orange-Hôtel bloot geeft! Als gij in die leelijke leegte van uwe liefde voor den dichter der Zeestraet spraakt, wat zoudt gij antwoorden zoo uwe gasten u vroegen: waarom wij hem niet navolgden, waar ten onzent een gedenkteeken zijner waardig verrees?

Hof-wijck ontwerpend, Hof-wijck voltooijend, geloofde Constantin Huygens zijne gedachtenis bij de nakomelingschap te vereeuwigen: Hof-wijck groene voort, wenscht hij; vroedheid en vroomheid zullen Hollands vrijheid waarborgen! Moest het lieve vaderland eens ‘weêr bestreden, eens weêr overstreden’ worden, dan eerst, - maar ‘God zij genadiger!’ - dan eerst mogt het ondergaan. ‘'t Is reden dat de vracht versincke met de schuyt.’ Tot dien ‘droeven dagh’ toe, door niemand vuriger dan door hem verbeden, tot die ure van ramp en rouw hadden zijne kinderen de eiken door hem geplant te eerbiedigen: geen bijl wilde hij aan hunnen wortel hebben gelegd, tenzij onschuldig broodsgebrek dien gruwel in hen vergefelijk maakte; tenzij ouderdom in voorwerpen van deernis ver-

[p. 424]

keerde, wie zoo lang begroet werden met ontzag. Hof-wijck bezingende vleide hij zich, naar de aandoenlijke uitdrukking zijns oudsten zoons, ‘van de Wandeligh een' Handeligh’ makende, dat dit gedicht zijnen erven, ‘oock naer den ondergang van de plaetse te stade komen moght’; de laatste telg zijns huizes liet geen mannelijk oir achter; in regte lijn voert niemand zijn naam meer, een wegstervende galm, eene heugenis; - maar de beide scheppingen van zijnen kunstzin overleefden zijn geslacht, maar de beide blijken van zijn genie zijn onverloren; waarom geniet het heden die zoo schaars? Trots velerlei ontheiliging er omstreeks het eerste vierde dezer eeuw aan gepleegd, trots betreurenswaardige onteigening van een deel zijns gronds, ten bate van een spoorweg, omstreeks haar derde verkregen, bleef, dank zij de belangstelling welke de stede den tegenwoordigen eigenaar inboezemt, bleef Hof-wijck ons dus over, dat het in de huizinge als in den hof, op den rialto als bij den vijver, maar weinig verbeelding eischt zich weer in de dagen des dichters te droomen, te wanen dat zijne stemme nog uit zijne verzen tot ons spreekt. Dikwerf, en toch nimmer genoeg, dikwerf mogt ik er ‘dat soetste pad van alle sijne soetste paden’ betreden, - vroeger slechts toegelaten, door huurders zulk een verblijf onwaard, later verzeld door den grijsaard het voorregt zijner woning schattend; - dikwerf er het langst en het liefst met den leste, in dat priëeltje verwijlen, onder welks gebladert Constantin de klagt over ongelijke lotsbedeeling uit den mond des voorbijvarenden schippers meende te hooren, van welks zodenbank Constantin voor zijnen tijd, als voor alle volgende, zoo welsprekend betoogde hoe weinig gegrond zij heeten mag.1 Heilige grond werd

[p. 425]

mij de plek, waarop een hart als het zijne, - voor geenerlei lijden van natuurgenooten zonder deernis, - waar een hoofd als het zijne -

[p. 426]

in de hoogste kringen door geenerlei schittering van klatergoud verblind, - de beschikking van arm en rijk, van lief en leed niet regtvaardigde, - welke wijsbegeerte die het vermag? - maar beide ten minste vrijpleitte van eene onbillijkheid, alle geloof aan hooger bestuur ten struikelblok! Het liefelijk landschap baadde zich in denzelfden avondluister er bij ondergaande zonne door den dichter genoten, - voorbij gevaren was, thans als toen, het Schippertje niet, of de ‘Visschers uit de Veenen, of de Meisjes uit de Wey met emmertjens voll melck en harten vol gerustigheit’, drukten het bevestigend zegel op zijn gepeinzen; wie zou niet hebben gestemd in mijnen wensch, dat dit weêrgaloos blijk van voorvaderlijke lust in het landleven eindelijk voor goed buiten het bereik des

[p. 427]

sloopers worde gesteld? dat die ongekorven kerk, waarin zoo verheven tot berusting werd vermaand, van geslacht tot geslacht open moge blijven staan, ter eere onzer letteren, tot school onzer jeugd?

Mogt de bede verhooring vinden, de sympathie van zielen tusschen aanlegger en behouder zou, door de zamensmelting van tweeërlei glorie, treffend worden verheerlijkt!

 

1874.