|
|
|
| |
| | | |
Zeventiende eeuw
| | | | | |
Amsterdams organist en Europees muziekmeester
De muziek is de enige kunst die de engelen beoefenen: zij geldt als de meest
onstoffelijke en verhevene. Maar zij is ook de meest primitieve, de minst
intellectuele, de meest zinnelijke kunst. Men hoeft er Tolstoijs Kreutzersonate niet op na te lezen, zie slechts de
muzikaliteit van de onnozele stamelaar, zie ook het portret aan van menig
gevierd zanger, wiens tronie ervan getuigt dat zijn hemels stemgeluid louter
uit zijn buik opstijgt. Het leven van de primitieve mens is vol muziek: het
ritme van zijn arbeid en van zijn gebaar en de kreten waarin hij zijn
emoties uitstoot, vloeien vanzelf in melodieën over. Zijn eerste kennis,
wijsheid, techniek, geschiedenis legt hij in liederen vast, zijn verkeer met
de bovenzinnelijke wereld is zonder muziek ondenkbaar. Bezwering van boze,
oproeping van goedgezinde machten voltrekken zich in een liturgie van zang,
muziek en dans; in zang en dans, aangedreven door het frenetieke ritme van
bekkens en trommels uit zich de spontane religieuze bewogenheid. Dat alles
is niet zo regelrecht barbaars en onchristelijk als de hedendaagse
kerkganger, luisterend naar het inwijdend voorspel van de organist wellicht
zal denken. Immers, deze primitief emotionele uiting van religieuze
verrukking heeft nu nog slechts een beperkte speelruimte in de gebondenheid
aan liturgie en vastgelegde compositie. Maar koning David die de beoefening
der religieuze muziek tot een vaste aan de Levieten opgedragen taak maakte,
danste zelf nog voor de ark uit. En door de gehele godsdienstgeschiedenis
der middeleeuwen en nog lang daarna vinden we voorbeelden van massale en
individuele religieuze extase die zich in zang- en dansdrift uit. Van de
eredienst die tot taak had het beroep op het goddelijke in een meest
doelmatige, dat wil hier zeggen in één alleen aanvaardbare vorm vast te
leggen, moest noodzakelijk de ordening van die spontane muzikale
gemoedsuitstorting uitgaan op gevaar af aan spontane emotionaliteit te
verliezen, wat er aan geordende muzikaliteit, die toch eigenlijk pas ‘kunst’
mocht heten, gewonnen werd.
Geen wonder, dat in onze tijd een kerk, in de meer aan het verlangen naar
emotionaliteit dan om zich zelfs wil, tegemoet komt door ‘primitieve’
muziekvormen binnen zijn muren te halen. Geen wonder ook dat in onze
westerse muziekgeschiedenis de christelijke kerk lang een centrale plaats
heeft ingenomen en dat niet omdat we toevalligerwijze daar alleen iets van
de middeleeuwse muzikale ontwikkeling vinden vastgelegd, maar omdat die
ontwikkeling, voor zover ze vaste vormgeving der muzikale drift was, zich
inderdaad in hoofdzaak binnen de kerk voltrok, met dien verstande echter dat
de grote vernieuwende impulsen in die ontwikkeling, zoals die tot het
ontstaan der meerstemmigheid, van buiten de kerk kwamen. Centraal is de kerk
ook in de muzikale scholing. Reeds in de 4de eeuw bezat Rome zijn scola cantorum,
| | | | nagevolgd door dochterscholen in heel West-Europa. Aangezien
de muziek bovendien naar antiek voorbeeld een van de hoofdvakken van het
quadruvium, het program van de nog ongespecialiseerde academische vorming
was, voltrok zich de hele muzikale scholing door en in dienst van de kerk.
Deze gebondenheid aan de kerk is karakteristiek voor het hele middeleeuwse
kunstleven, maar al naar de techniek van iedere kunst is de aard van die
binding verschillend. Schilder- en beeldhouwkunst vinden tot ver in de
middeleeuwen vrijwel uitsluitend in de kerkelijke sfeer inspiratie en
opdrachten, maar blijven in hoofdzaak buitenkerkelijk ambacht. In de
literatuur handhaaft zich een uit het volkslied en -vertelsel voortgekomen
wereldlijke kunst, maar waar zij literatuur in engere zin en niet meer
volkskunst is, toch sterk doorweven met de - louter kerkelijke - beschaving.
Met de muziek staat het weer enigszins anders. Het middeleeuwse leven was
doortrokken van muziek, van tromgeroffel en klaroengeschal, van het pijpen
van fluit en doedelzak, van het lied vooral: arbeids- en liefdesliederen,
spel- en dansliederen, strijden spotliederen. Voor zover de zang in
kunstvaardigheid boven de spontane gemoedsuitstorting uitging, was zij voor
haar scholing aangewezen op de kerk en dat niet ten aanzien van een kleine
groep van scheppende musici, maar voor alles wat zong, speelde en luisterde.
De beeldende kunst die als zelfstandig handwerk altijd buiten de kerk was
blijven staan, hoefde slechts in de opkomende burgerij van de late
middeleeuwen nieuwe opdrachtgevers te vinden om sterk te verwereldlijken. In
de rederijkerskamer verovert de burgerij zich een buitenkerkelijk - wel te
verstaan geen antikerkelijk - literair scholingsinstituut, maar de eerste
etappe op het pad van de musicus bleef het kerkkoor en koraalzingen. Het
kerkkoor is als het ware het grote testinstituut, dat de massa keurt op zijn
muzikaliteit en ook wanneer in volgende eeuwen de alles overheersende rol
der vocale muziek sterk terugloopt, blijft het deze selectieve functie
vervullen en de traditie van een voor allen toegankelijk muziekleven
voortzetten.
Voor zo een openbaar muziekleven was men in de laatmiddeleeuwse Nederlandse
steden zeker niet aangewezen op de kerk. En de bemoeiing van de stedelijke
overheid én het bedrijf van allerlei corporaties overbrugde de nog zo korte
afstand tussen muzikale uiting en muzikale kunst. Bij de talrijke openbare
vermakelijkheden, bij kermissen, inkomsten van aanzienlijke personen en
rederijkersoptochten, bij schuttersfeesten en overheidsmaaltijden, bij
processies en ommegangen kwamen ‘trompenaers en pipers’ te pas. Specifiek
Nederlands waren de klokkenspellen in de torens van kerk, stadhuis, waag of
lakenhal, toevertrouwd aan de zorgen van een stadsbeiaardier, belast sinds
de uitvinding der ‘speeltrommels’ op het eind van de 15de eeuw met het om de
veertien dagen ‘versteecken van de heele en halve uyren’ op het uurwerk (het
verstellen dus van het mechaniek dat het automatische spel der klokken
regelde) en met de bespeling van de klokken volgens een naar het seizoen
wisselend rooster en ‘opte jaermarcten ten bevele van Burgemeesteren’. Naast
de beiaardier en de ‘orgelist’, die in vele steden een half-kerkelijke,
half-stedelijke functie had, vinden we al in de 14de eeuw ‘stadstrompers’
genoemd; elders spreekt men van ‘stadsschalmeispelers’. Wat wij van de | | | |

Jan Pietersz. Sweelinck, op vierenveertigjarige leeftijd.
Schilderij door G.P. Sweelinck. Haags Gemeentemuseum,
Den, Haag.
| | | | maatschappelijke positie van deze stadsmuzikanten afweten,
geeft ons ook een indruk van de rol die de muziek in het laat-middeleeuwse
stadsleven speelt. Een Utrechtse resolutie van 1489 schreef de trompenaers
voor: ‘Zellen alle avonts eer sij op ten toeren gaan, alle heylige dagen
savonts op Hazenberch een motet speelen, ende alle Saturdagen avonts ende
aller lieve Vrouwe lof spelen in die Buerkerk.’ Hieruit blijkt, dat het
toentertijd in Utrecht gebruikelijk was het ambt van stadsmusicus met dat
van torenwachter te verenigen. In Haarlem kennen we
uit de eerste helft van de 16de eeuw een
organist-schalmeispeler-torenwachter Claes Aelbrechtsz.; Floris Schuyt was
in de tweede helft van die eeuw organist én schalmeispeler te Leiden. In 1592 worden te Haarlem vier
stadsschalmeispelers aangesteld op een jaarwedde van vijftig Vlaamse ponden
‘omme vier mael des weecks als sondaechs maendaechs swoondaechs ende
vrijdaechs op de trappen van den stadthuyse als naer ouder gewoonte op den
middaege te spelen’. Twee van dit viertal, Jan Willemsz. Lossy en zijn zoon
Jan zijn aanwijsbaar als gezeten Haarlemse burgers, brouwers en
‘moutmaeckers’.
Het is bekend, dat de laat-middeleeuwse muzikale vernieuwing, die ons in de
15de en 16de eeuw van een Nederlandse school doet spreken, vooral bloeide in
het Zuiden, in de glans van het Bourgondische hof en uitstraalde naar andere
hoofse centra in Engeland, Duitsland en Italië, maar minder naar het
burgerlijke Noorden.
Uit de hierboven genoemde en soortgelijke gegevens mogen we afleiden, dat de
muziekbeoefening in de Noordnederlandse steden van de 16de eeuw nog een
dergelijk algemeen burgerlijk karakter had als de beoefening der dichtkunst
in de rederijkerskamer, als het hele sociale leven dat nog niet het scherpe
gescheiden-zijn van grote en kleine burgerij kende. De aanzienlijke
liefhebber en de beroepsmuzikant, de deftige stadsorganist en de blazers ten
dienste van heren burgemeesteren en hun vrienden vormden nog geen streng
gescheiden groepen en allen dienden een naar ons gevoelen nu wel vrij
schraal en simpel, maar daarvoor dan ook voor alle stedelingen toegankelijk
muziekleven. Gelijk ook allen deelden in de vreugde om de naar onze smaak
naïeve praal der ‘incomsten’, in de leut om de naar onze smaak platte
grollen der ‘cluten’, in de vrome aandacht voor de naar onze smaak taaie
allegorieën der rederijkersdrama's.
Er bestaat een gangbare voorstelling, dat de heerschappij van het calvinisme,
streng en amusisch van aard, deze kunst van de gemeenschap onderdrukt heeft
om ons volk te maken tot een psalmgalmend, straatliederen blèrend óf
zwijgend volk. Die voorstelling is - als vele gangbare voorstellingen - waar
en onwaar, zelfs op meer dan een wijze onwaar, zoals we zullen zien.
Een nieuw beginsel keert zich zelden tegen het oude in zijn zuiverste vorm,
maar tegen de verwording van het oude. Zo de strenge, zestiende-eeuwse
calvinisten zich al niet tegen alle aards vermaak keerden, dan toch tegen
zijn verwording en welke kermis, welk muziek- en dansfeest, welke
toneelvoorstelling was daar vrij van? Zo ook keerden ze zich tegen de
kerkmuziek om wat zij als de verwording daarvan zagen. Waarin bestond die
verwording? Wij zeiden al, dat de kerkmuziek zijn vernieuwende impulsen uit
de wereldse | | | | muziek kreeg, de wereldse muziek zijn scholing uit
de kerk. De argeloze en wederzijdse doordringing van de wereldse en de
kerkelijke sfeer die kenmerkend is voor het hele middeleeuwse leven, gaf het
dionysisch wezen van de primitieve muziek gelegenheid zich binnen de kerk
uit te leven; gelijk de ten hemel strevende zuilen en de waardige koorbanken
der gotische kathedralen omrankt werden met de wilde en scabreuze grillen
der beeldsnijders, drong het aardse en al te aardse in de kerkmuziek door:
missen, gecomponeerd op de melodie van ‘vuile minneliedekens, daer Hoeren en
Camerspelers op dansen’ waren niets ongewoons. Maar het verschijnsel was
niet zo specifiek rooms als vooral de latere hervormden het zagen en het
verzet ertegen kwam niet alleen van de hervormden. Dat Huygens in 1640 nog reden had bovenstaande kwalificatie van
Erasmus aan te halen, bewijst dat al. Maar de
strijd tussen wat zich het gemakkelijkst laat omschrijven als de aardse en
de hemelse muziek in de kerk was al veel ouder dan Erasmus' tijd en het
opmerkelijke daarbij is, dat steeds de vocale muziek als de meest
geestelijke geldt, en de zelfstandigheid van de instrumentale, van het orgel
vooral, wordt bestreden. Waarom? Waarschijnlijk toch wel, omdat in de vocale
muziek de met de rede verstaanbare tekst afhield van het zich laten gaan op
de streling der zinnelijke emotie, ‘'t gevoelighe’ zoals Huygens het noemt,
‘dat onse swacke aandacht afleidt van het onsienlicke’. Vandaar dat niet
alleen het contra-reformatorische concilie van Trente (1545-'63) ‘alle
muziek, die in melodie of tekst iets wellustigs of onreins bevat’ uit de
kerk bant, maar dat reeds Thomas van Aquino (omstreeks 1250) en tal van
synoden uit de 15de en 16de eeuw zich verzetten tegen zelfstandige
instrumentale muziek in de kerk. En niet ten onrechte beriepen de hervormde
theologen in hun strijd tegen het wereldvermaak in het algemeen zich op die
oudere en door hen zoveel hoger gestelde kerkvader, Augustinus, waar hij
zegt: ‘Laat toch de christenen niet dit dansen en springen bedrijven, dat
schandelijk en wellustig gezang en die duivelse spelen, noch op straat, noch
in huis, noch elders, want dit zijn overblijfselen van de gewoonten der
heidenen.’
Wanneer Zwingli in 1527 het orgel in de Grosz-Münster van Zürich laat
uitbreken, wanneer de beeldstormers hier verscheidene kerkorgels vernielen
of beschadigen, dan breekt een eeuwenoude tegenstelling in daden uit.
De later ingeroeste tegenstelling tussen de beide kerken en het feit, dat
hier te lande met het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog de toen nog
betrekkelijk kleine groep der hervormden het staatsgezag aan zich trok,
hebben ons een historiebeeld gesuggereerd, dat een vrij abrupte overgang
vertoont van een katholiek-middeleeuws maatschappelijk leven naar een
gereformeerd 17de-eeuws. Zin voor traditie en verheerlijking van de
middeleeuwen bij de katholieken helpt dit verschoven beeld evenzeer in stand
houden als de hervormde tendentie tot rechtvaardiging van de breuk. De
gisting die in het kerkelijk leven - en daar niet alleen - op het einde der
middeleeuwen optreedt, werkt zowel binnen als buiten de kerk door: wij wezen
er elders al eens op dat zowel de hervormden als de jezuïeten het recht
hebben een figuur als Geert Groote als hun
‘voorloper’ te beschouwen. Enerzijds is er in het sociaal en geestelijk
leven van het hervormde Nederland van de 17de eeuw zoveel | | | |
‘middeleeuws’ gebleven en is het beleden en niet-beleden katholicisme nog zo
hecht, anderzijds is ook het katholicisme zo sterk door de nieuwe geest der
burgerlijke maatschappij, door renaissance en humanisme doordesemd, dat de
onderlinge tegenstellingen, vooral in het persoonlijk verkeer der
ontwikkelden, veel minder groot zijn dan wij met onze voorstelling van
hagepreek, brandstapel en schuilkerk op het eerste gezicht kunnen rijmen. En
nergens worden de tegenstellingen zo vloeiend als in de wereld van de muziek
met zijn woordloze en daardoor weinig aanstoot gevende taal.
Het ligt voor de hand, dat de reformatie met zijn neiging tot rationele
beheersing, subsidiair irrationele onderdrukking van de menselijke
hartstochten, het meest principieel post vatte tegen de spontane
gemoedsuitstorting van de muziek en althans tegen het betrekken daarvan in
de ingetogen sfeer der godsverering: Calvijn bande gelijk Zwingli de muziek
uit de kerk en de Franse hervormden hielden zich aan dat gebod, terwijl de
voormalige zingende ‘Bettelstudent’ Luther haar rol aanzienlijk inperkte.
Ook in de Nederlanden, waar men zeer goedzangs was, getuige de vele
liedboeken, getuige de uitbundige wijze waarop de religieus-politieke
tegenstellingen in de 16de eeuw in liederen tot uiting kwamen, getuige een
uitspraak van de Venetiaanse gezant Guicciardini in zijn boek over de
Nederlanden van 1567 over de grote zanglust en muzikaliteit van het volk,
ook in de Nederlanden bindt de reformatie de strijd aan tegen de kerkmuziek.
Maar die strijd wordt zo weinig consequent tegen een zo sterke traditie in
en met zoveel opportunisme gevoerd, dat hij alleen doordat andere factoren
in dezelfde richting werkten, en dan nog nooit geheel en al, gewonnen werd.
Onderling tegenstrijdige opvattingen van kerkelijke en stedelijke overheid en
van de stedelijke overheden onderling én gebrek aan gegevens maken het
onmogelijk een algemeen geldend beeld van deze ontwikkeling te geven. In de
grote Hollandse steden schijnt in de eerste rumoerige en benarde tijd van de
opstand een stagnatie inhet muziekleven te zijn ingetreden en dat niet
alleen, omdat hier en daar de orgels het slachtoffer der beeldstormers waren
geworden. Een reeks synodale besluiten eisen ‘aengaende 't speelen der
orghelen in der kercken, dat de Dienaers arbeyden sullen, dat 't selve met
den aldereersten afgestelt worde’, ja in 1578 zelfs het uitbreken der
orgels. Maar met de overgang van de kerken waren de orgels van kerkelijk tot
stedelijk bezit geworden en de burgemeesters waren het, gelijk wel meer
voorkwam, niet eens met de heren van de synode. Was het uit de nuchtere
overweging dat de mensen beter in de kerk dan in de ‘muziek-herbergen’ hun
kunstzin konden bevredigen gelijk wij zouden mogen opmaken uit de instructie
van de Leidse organist Cornelis Schuyt van 1593, wiens orgelbespelingen
moesten dienen ‘tot recreatie ende verlustinge van de gemeente ende omme
dezelve duer middel van dien te meer uyt herbergen ende tavernen te houden’?
Was het hun eigen behoefte aan muzikaal genot en muzikale scholing voor hun
kinderen? We kunnen het afleiden uit de mededeling van een Duitse bezoeker
aan Amsterdam, dat de orgelbespelingen van
Sweelinck ‘de voornaamste kooplui’ van de stad naar de Oude Kerk lokten, uit
de aantekeningen in de Utrechtse stadsrekeningen uit 1649, waarbij het
traktement van de blinde or- | | | |

Het handschrift van Jan Pietersz. Sweelinck. Foto
Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
| | | | ganist-beiaardier-fluitist jhr. Johan van Eyck verhoogd wordt
‘mits hij de wandelende luyden op 't kerkhof somwijlen 's avonts met het
geluid van zijn fluitgen vermake’, uit de benoeming van de organist Alewijn
de Vois te Utrecht (1626) op aanbeveling van Constantijn Huygens ... ‘en dat de burgeren en de
innewoonderen van qualiteit hare kinderen sullen mogen doen instrueren in de
musycke oock op clavesimbalen speelen’. Ten slotte kan er ook in
meegesproken hebben de geldingsdrang naar buiten van de machthebbers der
jonge Republiek, die - zien we hetzelfde niet bij vele nieuwe gezagdragers
in onze eigen tijd? - tegenover aanzienlijke vreemdelingen graag ‘uitpakten’
met de vaderlandse of vaderstadse produkten van wetenschap en kunst. Deze
bijzondere functie, het spelen bij de ‘ordinaryse en de extraordinaryse
maeltijden van die van den gerechte, zonderlinge als enige forsten princen
heeren off potentaten in deser stede comende, met enige maeltijden of
bancketten zullen werden geëert’, vinden we onder andere in een Leidse
instructie genoemd. Ook Sweelinck kon voor dit doel door burgemeesteren
worden ontboden.
Hoe het ook zij, na korte of langere onderbrekingen worden reeds vóór 1590 in
de voornaamste steden de orgels zo nodig hersteld, opnieuw organisten
benoemd - nu door de stedelijke overheid - ‘naar ouder gewoonte’, zoals we
hier boven uit een Haarlems raadsbesluit aanhaalden, stadstrompers of
schalmeispelers belast met het op gezette tijden spelen voor de open ramen
of op de trappen van het stadhuis. In Utrecht luisterden de stadstrompers
tezamen met de zingende studenten ook de academische plechtigheden op. Soms
werd de organist opgedragen een paar ‘coralen’, dat wil zeggen jongens,
‘clare ende heldere stemmen hebbende’ te onderwijzen die voor stadsrekening
werden opgeleid ‘om tot vercieringe onder de orgalen te werden gebruyckt’.
Het kardinale punt in deze hele ontwikkling is wel, dat het calvinisme juist
door zijn streven om de muziek uit de kerkdienst te
bannen, belangrijk heeft bijgedragen tot de vrijwording der instrumentale
muziek. De middeleeuwse kerk, een gewijde plaats, waar de muziek in het
ritueel van de kerkdienst was opgenomen - wat niet belette, dat er ook
markten in de vaak kolossale ruimten werden gehouden - werd onder de
reformatie louter huis van de vergadering der gemeente, dat zich nog meer
voor andere doeleinden liet gebruiken. Huygens vermeldt het werven van
krijgsvolk in de kerken en zo kon er ook plaats en gelegenheid in geschapen
worden voor wat we de eerste concerten kunnen noemen.
Kardinaal punt én in de ontwikkeling der muziek in het algemeen én in het
leven van de Amsterdamse organist en componist Jan Pieterszoon Sweelinck,
aan wie wij om deze ‘sleutelpositie’ eerder een plaats kunnen aanwijzen in
de Europese cultuurgeschiedenis dan in het Nederlandse muziekleven én omdat
wij van zijn aards bestaan en zijn rol in dat Nederlandse muziekleven zo
bitter weinig weten én omdat de door hem geschapen traditie zich buiten de
grenzen van zijn vaderland voortzet. Zelfs over zijn geboorteplaats hebben
we geen volstrekte zekerheid; waarschijnlijk werd hij geboren kort voor zijn
ouders van Deventer naar Amsterdam verhuisden, waar
Pieter Swybertzoon organist van de Oude Kerk werd, en wel in 1562. Pas op
het titelblad van | | | | zijn in 1584 te Antwerpen gedrukte bundel Franse chansons voegt hij de familienaam
van zijn moeder, Sweling, achter hel al te weinig onderscheidende Jan
Pietersz. In later jaren schrijft hij Sweelinck.
Zijn vader die reeds in 1573 stierf, kan hem hoogstens de eerste beginselen
van zijn vak hebben bijgebracht, zijn verdere muzikale scholing kreeg hij
van de Haarlemse organist Jan Willemsz. Lossy, terwijl de bekende laatste
pastoor van de Oude Kerk, de vurige katholiek Jacob Buyck die aan de
vooravond van de Alteratie naar Duitsland uitweek, de zorg voor zijn
algemene ontwikkeling op zich nam. Lange tijd heeft men gemeend zekere
verwantschap in Sweelincks werk met de Italiaanse school te moeten verklaren
uit een kunstreis naar Italië die dan omstreeks 1578 werd geplaatst, en een
leertijd bij de Venetiaanse meester Zarlino. Latere muziekhistorici hebben
deze veronderstelling, waarvoor geen enkel bewijs is, afgewezen. Wel
bewerkte Sweelinck voor zijn leerlingen Zarlino's leerboek: Instituzioni harmonichi. Reeds op het eind van 1577, dus slechts
vijftien jaar oud, aanvaardde Jan Pietersz. als derde opvolger van zijn
vader het ambt van organist aan de Oude Kerk. Wij weten niet of de jonge
Sweelinck bij de Alteratie van 1578 dadelijk door een stedelijke benoeming
in zijn functie bevestigd is, maar uit de mededeling van zijn vriend Plemp na zijn dood, dat hij vierenveertig jaar
organist zou zijn geweest, mogen we afleiden, dat in Amsterdam het orgel
niet lang heeft stil gestaan, wat ons bij het gematigd karakter van deze
overgang niet behoeft te verbazen.
Van Sweelincks persoonlijke reactie op deze toch diep in zijn leven en kunst
ingrijpende veranderingen weten wij niet meer dan zich uit zijn werk en
enkele schrale gegevens omtrent zijn verder leven laat aflezen; met
zekerheid valt zelfs niet te zeggen of hij, dadelijk of later, tot het
gereformeerd geloof is overgegaan. Dat hij in zijn functie gehandhaafd bleef
zegt in dit verband niets: zo lang de calvinisten nog maar een klein deel
van de bevolking vormden, konden ze, omdat ze het meest doelbewuste en
strijdbare deel waren, wel de leiding aan zich trekken, maar bij de
bezetting van alle niet direct politieke en kerkelijke ambten was
verdraagzaamheid praktische noodzaak. Ja zelfs onder de nieuwbakken
predikanten waren er heel wat die gisteren nog de mis lazen en bereid waren
vandaag te preken. Wat nood dan of het kerkorgel door roomse of hervormde
handen ‘geslagen’ werd?
In Utrecht was men nog in 1706 bereid een rooms beiaardier te benoemen bij
gebrek aan een bekwame ‘van de religie’.
Hoofdzaak was, dat de organist zich aanpaste aan zijn nieuwe functie, die in
wezen op een verwereldlijking neerkwam. De liturgische kerkmuziek en het
ondersteunen (door meespelen) van de liturgische zang verviel. Wat daarvoor
in de plaats kwam, was bij de grote zelfstandigheid van de gereformeerde
kerken van plaats tot plaats zeer verschillend. In sommige kerken werd
aanvankelijk de muziek geheel buiten de godsdienstoefening gebannen, in
andere speelde het orgel de psalmmelodie voor, die dan vervolgens door de
gemeente zonder begeleiding werd ingezet. Vrij algemeen was een naspel,
waarvan de Dordtse kerkeraad voorschreef: ‘terstond
na de predicatie met de psalmen te beginnen en die vijf of zes maal te
achtervolgen, en wilden zij | | | | [de organisten] dan musicale
stuxkens spelen, mogten zij het doen, mits dat zij grave, stichtelijke
stuxkens speelden en motetten en lichtvaerdige achterwegen lieten’. Het is
dat zelfde naspel waartegen Huygens zich later zo
krachtig verzetten zou, omdat het in zich zelf niets stichtelijks had en
slechts diende om het voetgeschuifel, de onderlinge begroeting, het
afspraakjes maken en kwaadspreken van de wegstromende kerkgangers te
overstemmen en alleen de koster en een paar hinkende oude wijfjes het tot
het eind toe aanhoorden.
Naast deze bescheiden kerkdienst beoefenden Sweelinck en zijn vakbroeders hun
kunst in wereldlijke dienst als vrij beroep: in dienst van de burgerij, die
bij slecht weer in de kerk zijn pantoffelparade hield, gaven zij hun
orgelbespelingen en afgezien van verschillende bijbaantjes als dat van
beiaardier, waarmee Sweelinck voor zover we weten niet bezwaard was, werd
van de organist verwacht, dat hij de spil van het stedelijke muziekleven
was, als musicijn bij plechtigheden en feesten der magistraten, als
leermeester van de kinderen der voornaamste burgers (we kennen bij voorbeeld
Hoofts eerste vrouw Christine van Erp en de
katholieke dichter van Latijnse verzen Plemp
onder Sweelincks leerlingen) en als leider van muziekcolleges, een vorm van
muzikaal gezelschapsleven die juist in Sweelincks tijd in zwang kwam. Het
waren kleine gezelschappen van deftige amateurs die wekelijks hun
samenkomsten hielden, waarbij de gezamenlijke maaltijden geen kleiner rol
speelden dan de gezamenlijke muziekbeoefening en die af en toe concerten
voor genodigden gaven, welke in de 18de eeuw, als een bredere laag van de
burgerij aan het culturele leven gaat deelnemen, uitgroeiden tot openbare
concerten tegen entree en met - gewoonlijk buitenlandse - solisten als
sterren. In Utrecht werd de organist van de Dom
evenals de stadstrompers bij resolutie van de vroedschap voorgeschreven op
de bijeenkomsten van het muziekcollege te ‘compareren’. Van Sweelinck kennen
wij zo'n order niet, maar de acht ‘Philomuses en la tresrenommee ville
d'Amstelredam’, waaraan hij het tweede boek van zijn psalmen opdroeg,
vormden zulk een gezelschap onder zijn leiding, zoals uit de tekst van die
opdracht blijkt waarin hij eraan herinnert, dat zij deze muziek reeds vaak
tezamen gezongen hebben. Uit opdrachten in ander werk waarin verscheidene
muziekvrienden genoemd worden, uit de wetenschap, dat mr. Jan, evenals later
zijn zoon en opvolger Dirck, tot de, zij het zeldzame, bezoekers van het
Huis te Muiden heeft behoord, uit verscheidene lofdichten op de ‘Phoenix der
Musycke’ valt af te leiden, dat Sweelinck door een kring van muziekvrienden
en bewonderaars omgeven was en inderdaad jarenlang het huis in de Koestraat,
waar hij zich in 1590 na zijn huwelijk gevestigd had, het centrum van het
Amsterdamse muziekleven is geweest. Even iets als een beeld van wat
Sweelinck voor muzikaal Amsterdam en ver daarbuiten
betekend heeft, krijgen we uit de enige iets uitvoeriger mededeling van een
tijdgenoot over hem, die wij bezitten, een passage uit de ‘Memoryen
ofte Cort Verhael der Gedenckweerdichste so kerckelicke als wereltlicke
Gheschiedenissen van Nederland, Vranckrijck, Hoochduytschland’
van de Kamper predikant Baudartius: ‘My gedenckt, dat ick eens met eenighe goede
vrienden bij meyster Ian Pietersz. Swelinck, mijnen goeden vriend, ge- | | | |

Sweelincks woning stond in de Koestraat, ter plaatse waar nu de
huizen 15 en 15a staan. Op dit fragment uit de kaart van Balthasar
Florisz. van Berckenrode is de Koestraat geheel bovenaan aangegeven
met de nummers 65. Gemeentelijke Archiefdienst,
Amsterdam.
| | | | gaen zijnde, met noch andere goede vrienden, inde
maend van Mey, ende hij aan het spelen op zyn Clave-cymbel ghecomen zijnde,
het selfde continueerde tot ontrent middernacht, spelende onder anderen het
liedeken Den lustilicken Mey is nu in zijnen tijdt, d'welck hij, soo ick
goede memorye daer van hebbe, wel op vijf-en-twintigerley wysen speelde, dan
sus, dan soo. Als wy opstonden ende onsen afscheyt wilden nemen, so badt hij
ons wy souden doch dit stuck noch hooren, dan dat stuck, niet cunnende
ophouden, alsoo hy in een seer soet humeur was, vermaeckende ons zijne
vrienden, vermaeckende oock hem selven.’
Men heeft door zorgvuldig archiefonderzoek ons kunnen vertellen, dat
Sweelinck trouwde met een welgestelde burgerdochter, Claesgen Dircxdochter
Puyner van Medemblik, dat hij zes kinderen heeft gehad en wat er van hun
nakomelingschap geworden is. Uit notariële akten heeft men het een en ander
omtrent de welstand en de goedgeefsheid van de mens Jan Pietersz. kunnen
besluiten, maar met het levendig zachtzinnige portret van de hand van zijn
broer Gerrit Pietersz. in het Gemeente Museum te Den Haag en de stijve
gravure van Muller is dit het enige beeld dat we van hem hebben: de
kunstenaar bezeten van de eindeloze mogelijkheden van zijn nieuwe kunst niet
aflatend anderen er voor te winnen. Welke anderen? Niet langer de
gemeenschap der gelovigen, die vroom het schrale en verstarde spel der
liturgie had aangehoord, maar toch ook wel niet de nieuwe calvinistische
gemeente. Zeker, daar waren de orgelbespelingen. Maar wie waren zijn
wandelende luisteraars? De ‘voorname kooplui’, ‘aanzienlijke vreemdelingen’,
de ‘eerlycke burgers’ vinden wij vermeld, maar drong ook het geuzenvolk
tussen de drentelende heeren en eerlycke burgers of geldt ook voor hier het
beeld dat de Deense schrijver Jacobsen in zijn Marie
Grubbe geeft van een orgelbespeling in de domkerk van Ribe, waar de
schamele gemeente samengedrongen blijft staan voor de drempel van de open
kerkdeur? Wij weten het niet, maar zeker is wel, dat zijn werk, zijn Chansons, zijn op Franse tekst getoonzette psalmen zich
richten tot een kleine toonaangevende groep. Hier ligt de voornaamste
oorzaak van onze onwetendheid omtrent Sweelincks geloof: in die kring van
voorname burgers en cultuurdragers zonken de geloofstegenstellingen weg
onder het gemeenschappelijk vuur voor een nieuwe kunst, een nieuwe
wetenschap, een nieuwe levensstijl.
Bij de, de kerk mijdende, libertijn Hooft, waar
ook Sweelinck met Plemp, de neef van zijn oudere
katholieke leermeester Buyck, enige malen geweest is, kwamen de
contra-remonstrant Constantijn Huygens, de
doperse Vondel, de roomse Tesselschade, de Haarlemse pastoor
Ban en de... joodse Francisca Duarte samen. Wat hen allen bond in hun
wetenschappelijke, historische, literaire, muzikale bedrijvigheid was het
streven naar en het ontdekken van een kunstige stelselmatigheid, naar een
ordening die hen vrij moest maken uit wat zij als de middeleeuwse verwarring
en barbarij waren gaan zien, een streven dat in het religieuze zijn
uitdrukking vond in de reformatie - maar ook in de contra-reformatie - en
dat wij als de geest der burgerij herkennen, wanneer Huygens tegen het
verward psalmgegalm aanvoert ‘dat wij op alle andere dingen, oock boven
maten, puntigh, keurlick ende besett zijn’. Die | | | | geest spreekt
uit de systematiek van Calvijn én van Loyola, uit het streven naar ordenend
en rationeel denken der humanistische geleerden, uit de strenge bouw van
Vondels en Hoofts verzen en Sweelincks fantasieën en toccata's en tot in het
absurde gedreven in de muziektheoretische speculaties van Ban. De echt
renaissancistische gedachte van de zinrijkheid der muziek die de Italianen
ertoe gebracht had te streven naar een vóór die tijd onbekende
overeenstemming van woord en toon in hun madrigalen en de meerstemmigheid om
de onverstaanbaarheid van de tekst te verwerpen, heeft aan verscheidene
muziektheoretische werken het aanschijn gegeven onder anderen van Kepler,
van Stevin en Descartes, maar geen ging daarin
zover als Ban die zo iets als een vaste muziektaal meende te kunnen
opstellen: ‘... zoo oordeelde ik dat de zanghkunst ook moeste hebben
zoodaenighe vaste redenen, ende Regulen. Ende dies te meerder dewyl ik
merckte dat de Letterkunst, Talkunst, Landtmeeterye, ende diergelyke wisse
kunsten, hadden haer vaste zeekere Regels: zoo besloot ik dat de zangkunst,
die onderhandelingh is aen de Talkunst, ook moeste hebben zeekere regulen’.
Ten bewijze van zijn theorie daagt de Haarlemse pastoor de geleerde en
muzikale Franse franciscaan Mersenne die ook een drukke correspondentie
voerde met Huygens, tot een compositiewedstrijd uit ... op de tekst van een
Frans minneliedje: ‘Me veux tu voir mourir, insensible Climaine? Viens
donner à tes yeux ce funeste plaisir!’ Enzovoort. En wanneer de Franse
beoordelaars hem in het ongelijk stellen, doet hij - in vijfentwintig
dichtbeschreven foliovellen! - een beroep op de even gereformeerde als
geleerde joffer Anna Maria van Schuurman te Utrecht. Geen wonder dat de vrome Anna Maria na haar bekering door
De Labadie alle bemoeiing met wetenschap en kunst als wereldse ijdelheid
verwierp!
Al het werk dat in druk van Sweelinck bewaard bleef, is aan kunstbeschermers
uit de kring van Amsterdamse kunstminnende patriciërs opgedragen. De bundel
Chansons van 1584 is opgedragen aan Ophaert den Otter,
die dus zoals toen gebruikelijk was, de kosten van de uitgave geheel of
gedeeltelijk voor zijn rekening zal hebben genomen.
In 1603 maakt Sweelinck een begin met wat op zich zelf al als een levenswerk
mag gelden, zijn volledige vier- tot achtstemmige toonzetting van de psalmen
op de Franse tekst van Marot en De Bèze. Het eerste boek daarvan draagt hij
op aan burgemeesters en schepenen van Amsterdam met
dank voor veel gunstbetoon van deze ‘vrais Peres de ma patrie, desquels j'ai
esté gratifié en maintes sortes des ma jeunesse’.
In 1612 en 1613 verschenen boek twee en drie, in zijn sterfjaar het laatste
boek der psalmen. De druk van twee en drie werd bekostigd door Henric
Barentsen, van vier door David van Horenbeeck, die voorzanger in de Grote
Kerk te Haarlem was. De acht peten van het tweede
boek noemden wij al eerder.
De Rimes fransoises et italiennes van 1612 droeg Sweelinck
op aan zijn ‘tres singulier amy Jean Ludovicq Calandrini’, waarschijnlijk
dezelfde als de Levant-handelaar en bankier Willem van den Heuvel, die we
ook kennen als geldschieter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. De Cantiones sa- | | | |
crae van 1619
ten slotte zijn gewijd aan zijn leerling en vriend Cornelis Plemp.
Overzien we deze reeks van vrienden-en-beschermers en hun bemoeienis met
Sweelincks werk, dan blijkt, dat wat met hun medewerking een ruimer
verspreiding vond uitsluitend het vocale werk was en wel op niet-Nederlandse
(Franse, Italiaanse, Latijnse) teksten. Dat wil zeggen niet het meest
vernieuwende en baanbrekende gedeelte van zijn oeuvre, maar dat wat zich het
meest aansloot bij de bestaande overwegend vocale traditie en de in de
buitenlandse muziekcentra - bij gebrek aan een binnenlands - gangbare smaak
en taal zelfs. Het was niet anders te verwachten van deze kunstlievende
burgers die én als cultuurdragers én als natie nog geen verleden hadden en
grootgebracht waren in eerbied voor de klassieken, voor de Italiaanse en
voor de Franse beschaving en in een niet geheel onbegrijpelijke
geringschatting voor het provinciaal en kleinburgerlijk getinte eigen
kunstleven.
Niet dat het in zijn tijd aan waardering voor Sweelincks instrumentale kunst
geheel ontbroken zou hebben. Daarvan getuigt zijn roep als ‘seer constich
ende vermaert Organist, ja beroemt voor den aldercloecksten ende
constichsten Organist deser eeuwe’ (Baudartius)
en de ijver waarmee men vreemdelingen naar zijn orgelconcerten sleepte, ook
al bleven deze principieel verzet wekken, zoals we nog zullen zien. Maar van
werkelijk begrip voor zijn oorspronkelijkheid getuigt toch voor alles, zoals
bij alle werkelijk grote vernieuwers, de schaar van zijn leerlingen, die uit
heel Nederland en Duitsland toestroomden en waarvan de Deventer organist Claude Bernart, Paul Siefert uit Dantzig,
Jacob Praetorius en Heinrich Scheidemann uit Hamburg en Samuel Scheidt uit
Halle de belangrijkste zijn.
Ten dele in Nederland, maar vooral in het Noordduitse muziekleven van de
zeventiende eeuw, ontstaat een Sweelinckschool die over Scheidemann en diens
leerling Johan Adams Reinken rechtstreeks op Bach uitloopt. Met zijn
fantasieën legt Sweelinck de grondslag van Bachs fuga's. De Italiaanse
toccata draagt hij, strenger gebouwd, in de Duitse muziek over en een zelfde
bemiddelende en vormgevende functie vervult hij tussen Engeland en Duitsland
ten aanzien van de variaties over volksliederen en -dansen. Nieuwe vormen
schiep hij in zijn echo-fantasieën en koraal-variaties.
Van al deze instrumentale muziek werd bij het leven van de componist niets
uitgegeven, maar ze werd ijverig afgeschreven door de leerlingen die hem tot
zijn dood in 1621 bleven omringen. Van al deze manuscripten is, nadat
omstreeks het midden van de vorige eeuw de belangstelling voor Sweelincks
werk hier te lande herleefde, een rijke verzameling bijeengebracht uit
Zweedse, Duitse, Oostenrijkse, Italiaanse archieven en tussen 1894 en 1900
in tien delen door de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis
uitgegeven, maar in Nederland zelf bleek elk spoor van het instrumentale
werk uitgewist. Waarover we ons, gezien de ontwikkeling van het muzikale
leven in de Republiek na Sweelinck misschien mogen ergeren, maar nauwelijks
verbazen. Wat met Sweelinck als het begin van een rijke bloeiperiode inzet,
breekt hier af om elders opnieuw te wortelen en vrucht te dragen. Waardoor?
| | | |
Een muziekpagina uit de Rimes françoises et
italiennes, Leiden 1612. Haags Gemeentemuseum, Den
Haag.
| | | |
Zij die het Nederlandse calvinisme in bescherming hebben genomen tegen de
beschuldiging van Huet en anderen het muzikale leven in de Republiek te
hebben doodgedrukt, wijzen terecht op de, het kan niet anders dan overwegend
gereformeerde inspiratie en steun waaruit Sweelincks psalmmuziek moet zijn
geboren én op die wat negatieve verdienste van de reformatie: door de
feitelijke secularisering van het orgel de weg vrij te hebben gemaakt voor
de ontwikkeling der zelfstandige instrumentale muziek. Zij wijzen op de
muziekcolleges die juist in de eerste helft van de 17de eeuw overal
ontstaan, op de vele liedboeken die ook nog in de 17de eeuw bleven
verschijnen, op het beeld van een opgewekt huiselijk muziekleven dat men uit
schilderkunst en literatuur krijgt. Maar wij zeiden al dat de dompertheorie
zich niet laat afdoen met het simpele ja of nee, dat men ertegenover pleegt
te stellen. En wel om twee redenen. De eerste is, dat het calvinisme niet
uit de lucht is komen vallen, dat het samenhangt met het hele complex van
verschijnselen dat de overgang van de feodale middeleeuwen naar het tijdperk
der burgerlijke maatschappij betekent en dat niet in het calvinisme alleen,
maar in dat hele complex en wel in de bijzondere gestalte die het hier in de
Republiek kreeg, de oorzaken gezocht moeten worden van de verdorring van het
muzikale leven. De tweede is dat het met het doordrijven van de eisen van
het calvinisme, juist omdat ze zo streng en consequent waren, zo'n vaart
niet liep. Men handhaafde hun integriteit als van meer strenge wetten, door
er zich aan aan te passen en eronderdoor te duiken, door afwisselend
onderdrukken en oogluikend toelaten van het verbodene. Om ons tot het
muzikale leven te beperken: in de ordeloosheid der middeleeuwen waren kunst,
vermaak en roes een ongescheiden sfeer geweest waar de mensheid zich
ongescheiden in vergeten kon, omdat zij de ‘jaren des onderscheids’ nog niet
kende. De burgerlijke wereld met haar zin voor de ‘Regel’ ontdekte het
systeem in de muziek, maar ook de ‘Verwirrung der Gefühle’, de
tuchteloosheid, de ‘zonde’ die erin stak. Een tendentie naar theoretische en
ethische ordening van de muziek zet in, de laatste vooral van de kerk - en
het meest consequent van de gereformeerde kerk - uit, maar de botsing met
het verzet van de ‘natuurlijke’ mens voerde tot een reeks van compromissen,
die het beeld van het 17de-eeuwse cultuurleven uiterst ... verward maken.
Gaan wij, ons beperkend tot Sweelincks terrein, om te beginnen de uiterlijke
verschijningsvormen van het muziekleven na, dan zien we dat het publieke
muziekleven, de incomsten, de orgelbespelingen, het spel van trompers en
schalmeispelers in de loop van de 17de en 18de eeuw inschrompelt mét de
overheidszorg voor dit soort muziek en de scholing ervoor, tot er niets
anders overblijft dan de salariëring van de kerkorganist. Semi-openbaar,
maar dan toch in een zeer beperkte vorm voorlopig, zijn de muziekcolleges,
gerekruteerd uit aanzienlijke dilettanten. De liedboekjes blijven nog wel
verschijnen, maar ze verliezen meer en meer hun oorspronkelijke en nationale
karakter en passen zich aan bij de modieuze Frans-Italiaanse smaak van een
elite. Want de muziek, in zijn karakter aan de nieuwe functie aangepast -
het monodische lied met begeleiding van enkele instrumenten overweegt -
trekt zich terug in de huiselijke sfeer, dat wil zeggen in de huiselijke
sfeer van de ‘heren’, | | | | de grote burgerij die tot een staat van
welstand en comfort is gekomen, waarin het huisconcert past. Het is de groep
van de bevolking die, gereformeerd of niet, ruimer denkend door zijn
ontwikkeling en betrekkingen met het buitenland, steunend ook op zijn
standstrots, zich onttrekt aan de controle der kerk, verpersoonlijkt in de
kleinburgerlijke predikanten. Een soort onwillekeurig zelfportret van zo'n
muziekliefhebber bezitten we in de brieven van Constantijn Huygens die als twintigjarige jongeling met een
gezantschap in Londen, vol trots aan zijn ouders schrijft, dat hij op een
regenachtige middag, toen de koning een jachtpartij had moeten opgeven,
zijne majesteit met zijn luit had mogen opvrolijken en dat deze zijn
kaartspel een paar keer had onderbroken om naar hem te luisteren. Voor
Huygens is muziek geen Nederlandse kunst, hij zoekt voor zijn kinderen een
Franse muziekmeester, schrijft om Franse en Italiaanse muziek voor hen, hij
spreekt van ‘les ignorans de pardeçà en van de ‘barbarije’, waarin hij leeft
en de hoogste lof die hij de vaderlandse kunst kan toezwaaien, wanneer hij
de Franse gezant d'Estrades wil overtuigen, dat het hier nog zo gek niet is,
blijft de verzekering dat er in Amsterdam (‘nostre
villette d'Amsterdam’) ‘beaucoup d'illustres compositeurs capables d'admirer
l'excellence des vostres’ zijn te vinden. Huygens was Haags hoveling en hij sloot zich, hoewel het beschavingsniveau
van zijn kring ver boven dat van het hof lag, op dit punt bij de hofgeest
aan. Het stadhouderlijke hof, waar de sprinkhanentros van de winterkoning en
de kale hoogheid der Stuarts, zo mogelijk in het Frans, de toon aangaven,
heeft nooit de krachten opgeleverd voor een zelfs niet op namaak-Franse
leest geschoeide hofcultuur in de geest van sommige Duitse vorsten. Vooral
de muziek en het toneel, toentertijd vrijwel geheel afhankelijk van een
beschavingscentrum, dat over de scholing van de uitvoerende kunstenaars
waakte, hebben daar sterk onder geleden.
Huygens was zijn leven lang een hartstochtelijk en meer dan middelmatig
muziekliefhebber. In zijn hoge ouderdom schrijft hij niet zonder krasse
oudeherentrots aan een lid der familie Duarte: ‘Met mij is het sulx gelegen,
dat ick mij in desen ouderdom van over de 90 jaeren, niet soo wel als ick
wenschte bedienen kan van de 800 ende meer musieckstucken en de stucxkens,
die ick (bijnaer met schaemte) bevinde mij ontvallen te sijn op de
vijfderhande Instrumente u.e. bekent; door dien mij dese
gaende ende comende gichten hier en daer eenen vinger wat verswackt hebben.’
Zijn ijver voor de muziek leefde zich geheel uit in het musiceren in eigen
kring, in zijn muzikale correspondentie en de daarin vervatte kritiek op het
muzikale peil van zijn vaderland. Zeker, hij leefde niet in de tijd van
Kunst-voor-Allen. Opmerkelijk is echter, dat het enige van zijn vele
geschriften, dat zich met het vaderlandse muziekleven bezighoudt een
rechtstreekse aanval is op wat in Sweelincks tijd het fundament scheen te
worden van de door het calvinisme bevrijde instrumentale muziek: de
orgelbespeling. Huygens' in 1641 verschenen boekje:
Ghebruik en Onghebruik van 't Orghel
is het doodvonnis, tot uitwijzing verzacht, over Sweelincks werk.
Het boekje toch hoort thuis in de in die jaren gevoerde polemiek over het
gebruik van het orgel in de gereformeerde kerken, beter over het misbruik,
dat daar gemaakt werd van de menselijke stem, | | | | want de zonder
begeleiding regelrecht uit de harten der gemeente ten hemel stijgende
lofzang oordeelden velen weinig stichtelijk. Huygens stelt zich in die tijd
op het standpunt, dat ook Revius had ingenomen:
Tot psalmen en gebeên wordt 't orgel recht gebruyket!
O, salich! welcker keel des Heeren roem ontluyket!
Nog voordat Huygens zijn betoog uitgaf, hadden sommige kerkeraden de knoop al
doorgehakt: op voorgaan van de Friese gemeenten had Leiden in 1636, Dordt in 1638, Middelburg in 1640 besloten het psalmgezang der
gelovigen door het orgel te doen begeleiden. Maar elders woedde de strijd
nog voort: de remonstrant Uytenbogaert zo goed
als de steile Voetius waren ervóór de orgels
eenvoudig te verwijderen en in Amsterdam ging men
pas in 1680 tot begeleiding van het gezang over. Maar merkwaardiger dan
Huygens' al te redelijk betoog daarvoor is zijn filippica tegen ‘het stomme
geschal der pijpen’ en het ‘ijdele avond-orgelspel’. Voor Huygens, en als
dat voor deze muzikale hoveling gold dan zeker voor de meesten van zijn
geloofsgenoten, is alle zomaar-muziek zonder de heiliging van de eraan
gehechte gewijde tekst louter zinnestreling. Men denkt er toch ook niet aan,
betoogt hij, om een feestmaal in de kerk te geven. Welnu dan, ‘komt het niet
op één, oftmen mijn' Ooghen, mijn Tong ofte mijn' Ooren onthale, isser
onderscheyd van Wellust in wat lieffelix te sien, te smaken oft te
hooren?... Ende plegen wij weelde oft wellust ter plaatse self daerse ons
afgepredict werden?’ Het is al papisterij: ‘Soo wij die deure open doen,
maken wij ons schuldigh aen de schuld der ghenen, die den eenvoudigen, voor
den redelicken, eenen redenloosen Godsdienst voorschrijven.’
Opmerkelijk is ook dat Huygens, zij het terloops en niet als fundament van
zijn betoog, vermeldt, dat het programma der verwerpelijke orgelbespelingen
nog altijd ‘tegens eenen Psalm thien Madrigalen, en lichter deunen, in geen'
Kercke sonder aenstoot te noemen’ omvat. Zo stapvoets voltrok zich de
overgang van de katholieke naar de hervormde, nee, van de middeleeuwse naar
de burgerlijke wereld.
Nergens vindt men zo op 't kortst vervat als in Huygens' boekje de ‘schuld’
van het calvinisme aan de uitbanning van Sweelinck en tevens zijn
verdediging op grond van ‘hoger streven’. Sweelinck, noch zijn zoon en
opvolger Dirck die Huygens toch zeker van roep moet hebben gekend, worden er
overigens in genoemd. Maar men komt er bovendien zijn medeplichtige op het
spoor: als de schrijver het orgelspel nogmaals als ‘ijdelen wellust onser
uyterlicke Sinnen’ met de ontwijding van het avondmaalsvaatwerk vergeleken
heeft, vervolgt hij: ‘Soo viesen [pietluttige] eerbieder van zielloose
dinghen en ben ick niet, dat ick mij stooten wilde aan eerlicke luyden, die
somtijds het werk oft de hand van een Meester op sijn Orgel soeckende te
hooren, sich daer toe buytens tijds in de Kercke deden sluyten, ende also in
't bijzonder genoten het gebruyck van een kostelick speeltuych, desgelijcken
yeder eens gelegentheid niet en is een tot sijnent te hebben.’
Dit is duidelijk: de kunst, losgemaakt van het vermaak en de roes maar an- | | | |

Het orgel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Tekening door J.C.
Nicolié. Gemeentelijke Archiefdienst,
Amsterdam.
| | | | derzijds ook van de stichting der massa, is voorrecht
der ‘eerlicke luyden’ geworden, het volk blijft het muzikaal vermaak van
elkaar met of zonder begeleiding te overschreeuwen in de kerkgalm, de
ook-muzikale roes van de door geen kerkeraad te onderdrukken en door een
menskundige overheid gehandhaafde kermissen. Het was - schrale troost voor
de misdeelden - geen tegenstelling van louter winst en louter verlies, er
was verlies aan beide kanten: het volk, losgeraakt van de muzikale
scholingsmogelijkheid en de muzikale selectie van de oude kerk, verviel tot
de deun, tot de ‘snel-hel-le-vliet’ en de ‘moord-te-Raamsdonk’ of tot gelal
zonder meer, maar de geïmporteerde kamerplantmuziek der ‘heren’ werd schraal
en onvruchtbaar tot een graad, waarbij een vloedgolf van nationaal
enthousiasme niet meer kon losmaken dan de deun van het ‘Wien Neerlands
bloed’.
Sweelincks naam verzinkt met die van zijn zoon Dirck, de afschriften van zijn
instrumentale muziek fladderen uit over Europa en blijven in vergeten hoeken
liggen, van zijn psalm- en chansonbundels zal slechts een enkel exemplaar
van onder het vaderlandse stof voor de dag komen, als in de 19de eeuw de
belangstelling voor zijn werk herleeft, herleven kán, omdat de democratie
een nieuwe grondslag voor muzikaal leven heeft geschapen en de emancipatie
der katholieken ook naar die kant de deur van het openbare cultuurleven weer
heeft opengezet. Want het is geen toeval, dat na die emancipatie de
katholieken hun culturele achterstand het eerst en het meest volledig op
muzikaal terrein inhalen.
Sweelincks werk werd met piëteit bijeengezocht en zorgvuldig uitgegeven, er
kwam een Sweelinckmonument en er kwamen Sweelinckstraten, ja, men kan zonder
overdrijving van een speciale Sweelinckvorsing spreken en op historische
gedenkdagen speelt en zingt men zijn muziek ... en polemiseert daarna met
vuur of ‘Sweelinck het zó bedoeld had’. Dat alles is historisch
belangwekkend, de nationale glorie mag er mee gebaat zijn en gewetensvolle
vaderlanders mogen er de voldoening in vinden ‘iets goed te maken’. Maar
laten wij Sweelinck niet te nadrukkelijk opeisen voor het Nederlands
pantheon, want niet als de Nederlandse musicus die hij onmiskenbaar was,
maar als de Europese kunstenaar die hij voor zijn Duitse erfgenamen werd,
heeft hij zijn cultuurhistorische taak vervuld.
|
|
|