|
|
|
| |
| | | | | |
's Pausen Zwitser
De vorming van de Nederlandse natie is niet aan het jaartal der stichting van
de staat gebonden: niet aan 1572 of 1588. Ook niet aan die van zijn
erkenning door het buitenland: niet aan 1596, 1609 of 1648. Evenmin aan
uit-of inwendig herstel van die staat: niet aan 1813 of 1848. Natie en
staat, hoe vaak ook vereenzelvigd, liggen nochtans niet in hetzelfde vlak.
Terwijl de staat in de sfeer van het zijn ligt, ligt de natie in die van het
bewustzijn. Wezenlijk voor de eerste is de overkoepeling der gewestelijke
verschillen onder één bestuur, de horizontale saamhorigheid. Wezenlijk voor
de laatste is het beséf van eenheid, de verticale saamhorigheid, die naar
heel andere wetten luistert. Ook in de gevestigde staat blijft de natie in
wording.
De Nederlandse natie ‘werd’, toen tussen 1500 en 1600 naast de adel de
regentenstand ontstond en zich zeggenschap verwierf. Zij ‘werd’ opnieuw toen
tussen 1700 en 1850 naast de regenten de burgerij zich opmaakte tot
deelnaming aan het ‘nationale’ leven. Zij ‘werd’ door de emancipatie der
dissenters, door die der joden en roomsen en ten slotte door die van de
arbeiders en van de vrouwen. Zij werd en wordt nog steeds in de voortdurende
strijd van groepen en klassen, strijd om meetellen eerst, om meedoen daarna
tot eindelijk het volwaardig medeburgerschap bereikt is in politiek,
economisch en cultureel opzicht, waarbij de volgorde dier verworvenheden
wisselt naar gelang van de omstandigheden. Pas met het bewustzijn in al die
opzichten tot de natie te behoren, behoort men ertoe. Deze strijd, zelfs tot
burgeroorlog toe, betekent dus geen verzwakking, laat staan ontbinding van
de natie, eer het omgekeerde. Het begrip natie, wel verre van het tegendéél
van het begrip groeps- of klassenstrijd te zijn, is er veeleer het tegenstúk
van, contradictoir verbonden ja, maar niet in die zin, dat de groeps- en
klassenstrijd verdwijnt, wanneer het woord natie maar luid genoeg wordt
uitgekreten, doch eer zó, dat de natie pas volledig kan zijn in een
klassenloze maatschappij.
Zo een strijd voor gelijke rechten niet in formele, maar in reële zin, heeft
ook Schaepman gestreden; een strijd om volwaardig
medeburgerschap voor het katholieke volksdeel. Ter wille van deze, zijn
strijd hebben wij Schaepman onder onze erflaters opgenomen. Ergens immers
moesten wij het wel bekennen - en waar eerder dan in deze sfeer, waar de
biecht tot het dagelijks leven behoorde als het eten en slapen? - bekennen,
dat de keuze der gestalten die wij opnamen in deze galerij niet uitsluitend
bepaald is noch ook bepaald kon worden door de ínnerlijke betekenis van hun
persoon. Niet iedere erflater heeft zijn nagelaten erfenis uit eigen
vermogensvorming vergaard. Er zijn er, die haar zelf geërfd hebben. Tot op
zekere hoogte geldt dat zelfs voor allemaal. Niemand schept ‘ex nihilo’.
Maar het meest geldt het toch voor Schaepman die, naar onze mening,
misschien niet als ‘persoonlijkheid’, doch | | | | wel als ‘geest’ in
onze reeks een der eersten van achteraf aan is. Doch niettemin: missen
wilden wij hem niet, zoal niet om hem zelfs wille, dan toch om wat hij
vertegenwoordigt. Immers zijn strijd voor het zelfbewustzijn van het tot
dusver afgezonderde en zich als afzonderlijk beseffende katholieke volksdeel
betekent in de bovenontvouwde gedachtengang de groei van dat volksdeel tot
deel van het volksgeheel. Pas door zijn strijd zijn de katholieken in de
volle zin des woords deel gaan uitmaken van de Nederlandse natie.
De katholieken zijn altijd, doordat hun kerk van oudsher een internationale
organisatie is, internationaal verbonden geweest. Door de protestantse geest
waaruit de Republiek der Verenigde Nederlanden in de 16de eeuw ontstond, en
de historische omstandigheden waaronder zij in de 17de en 18de eeuw bestond,
betekende deze internationale verbondenheid, die zij nochtans los konden
laten noch wilden, voor de katholieken te onzent een zwakte. Zij hield het
wantrouwen, dat zij geen goede vaderlanders kónden zijn, ook al wilden zij,
voortdurend wakker. De contrareformatie die de middeleeuwse kerk op moderne
leest schoeide en waarvan men destijds nog zeer wel wist, dat zij
voornamelijk het werk van Spaanse jezuïeten was, maakte daardoor hun
positie, evenals in de andere protestantse landen zo ook hier, eer slechter
dan beter.
En juist toen, op het einde der 18de eeuw, met het dóórbreken van de gedachte
der verdraagzaamheid, ook voor de katholieken in de Republiek een betere
tijd leek te zullen aanbreken, was het ten gevolge van de doorwerking van
het nationalisme der Franse revolutie met de internationale macht naar
contrareformatoire trant gedaan. De kerk heeft meer dan een kwart eeuw nodig
gehad om zich enigermate te herstellen van de slag haar door het liberalisme
toegebracht. Maar in die tijd heeft zij zich dan ook (zij het nooit in haar
vroegere macht en omvang) hersteld, dank zij datzelfde liberalisme, dat geen
vrijheid voor zijn eigen aanhangers kon brengen, zonder dat ook zijn
tegenstanders daarin deelden. Overal stonden paladijnen op, die óf door
aanpassing aan óf door verzet tegen het liberalisme, werfkracht en
werkingssfeer der kerk trachtten uit te breiden. In Engeland werden de
katholieken in 1829 geëmancipeerd, dank zij O'Connell. Wat later waren
Manning en Newman, de beide protestantse bekeerlingen, de leiders der
katholieke actie. In 1830 maakten de Belgen zich uit het Verenigd Koninkrijk
los, waardoor de katholieken daar uit de ban van een protestantse minderheid
bevrijd raakten. In Duitsland verenigden de katholieken zich om Görres, de
latere oudkatholiek Döllinger en Ketteler en eisten ook daar hun vrijheid
van de protestantse staten. Maar vooral in Frankrijk, waar de slag het
hardst was aangekomen, was ook de weerslag het grootst. Hier zijn aan de
beweging vooral de namen van Chateaubriand en De Lamennais, van De Maistre
en Bonald, van Montalembert en Veuillot verbonden.
De meesten dezer vindt men in de vijf deeltjes van Schaepmans verzamelde
artikelen,
Menschen en Boeken
geheten, terug. Niet toevallig. Men herkent iemand het
gemakkelijkst in wat hij bewondert. Joseph de Maistre stelde hij na Bossuet
het hoogste van alle Fransen; in 1875 wijdde hij hem een artikel dat we
geestdriftig zouden noemen, indien het epitheton het maar enigs- | | | |

Herman Schaepman. Anonieme staalgravure. Lichtbeeldeninstituut, Amsterdam.
| | | | zins van al Schaepmans andere artikelen zou
onderscheiden. Het jaar tevoren had hij Louis Veuillot, weer een jaar eerder
de jeugd van Montalembert in het hem eigen typisch-retorische proza
bezongen. In 1876 kreeg Görres op de honderdste herdenkingsdag van zijn
geboorte de hem toekomende lofzang. Het jaar daarop - zijn sterfjaar -
bisschop Ketteler in
De Tijd
. Later nog eens, uitvoeriger, in
Onze Wachter
. Diens ‘Freiheit, Autorität und Kirche’ ‘was’, volgens Persijn, een van zijn biografen, die echter evenmin
bang voor grote woorden is als Schaepman zelf ‘den Doctor zoo dierbaar als
een Evangelietekst’.
Minder dierbaar was Döllinger, die zijn verzet tegen het dogma der pauselijke
onfeilbaarheid met zijn uitstoting moest bekopen, terwijl omgekeerd Manning,
de Britse primaat, om zijn propaganda vóór hetzelfde dogma te Rome
letterlijk door Schaepman achterna gelopen werd met zijn hulde. Daaraan
veranderde zelfs het feit niets, dat deze monseigneur een blauwe knoop op
zijn purperen mantel droeg, zoals dezelfde Persijn ons vertelt. Immers
Manning ging volgens zijn biograaf zó ver, dat zijn haren hem te berge rezen
alleen bij de gedachte aan de rampen die de wereld bedreigden, wanneer de
onfeilbaarheid niet tot dogma verheven zou worden. En zo dacht Schaepman er
ook zowat over. Van zijn bewondering voor O'Connell ten slotte getuigt niet
alleen een rede van hem ter gedachtenis van de Ierse bevrijder in '88
gehouden, hem heeft hij ook in verzen verheerlijkt:
Nog eenmaal rijst hij op, een reuzenbeeld gehouwen
Door de eigen hand van God
Van 't echte rotsgraniet, waarop we een toekomst
bouwen
en zo verder: ‘een rots in 't ziedend meer’, ‘een ijzeren vestingwal’, een
man ‘van weergaloze waarheid’, ‘ook ziener en profeet’, totdat
Daar klinkt zijn laatste zucht, dien 't nageslacht
bewaarde
‘Mijn arme ziel aan God, mijn lijf der moeder aarde
Het citaat is in méér dan één opzicht typisch: voor Schaepmans berijmde
retoriek, voor zijn idealistische visie op wat voor hem de grote mannen
waren, maar vooral om het ideaal-beeld van Schaepman zelf, dat hij ons hier
in de gedaante van O'Connell getekend heeft. ‘Volkomen eene auto-biografie’
juichte pastoor Braam die dit gedicht in de inleiding tot het vijfde deeltje
van Menschen en Boeken citeerde, met de overdrijving die
voor geloofsgenoten in de buurt van Schaepman nu eenmaal onvermijdelijk
schijnt.
Intussen, die overdrijving waaraan vooral Persijn zich schuldig gemaakt heeft
in zijn driedelige biografie van tezamen een vijftienhonderd grote
bladzijden - waarin hij dan ook bij 1881 is blijven steken - mag ons niet
beletten om Schaepmans brede belezenheid te erkennen, waarvan het reeds
genoemde | | | | nog maar een zeer gedeeltelijke indruk geeft.
Voldoende echter om te beseffen, dat het internationalisme, waartoe reeds
zijn geloof, maar vooral ook zijn vorming hem voorbeschikten, bij hem geen
frase, maar werkelijkheid was. En juist dit internationalisme, onbekend in
het Nederland van zijn dagen, (want de conservatieven en liberalen hadden
het amper gekend en de socialisten zouden het pas leren kennen), maakte door
die onbekendheid ook in zijn beperkte vorm van het ultramontanisme zo'n
indruk in het afgesloten vaderland, dat hij, voor het eerst, het van een
zwakheid van de Nederlandse katholieken tot hun kracht omzette. Ingezogen
heeft hij het ultramontanisme - ‘aan Rome, Rome het hart!’ - in de jaren van
zijn verblijf als student in de pausenstad ('69-'70) juist in de tijd van
het Vaticaanse Concilie, dat als het ware de officiële bevestiging gaf van
de onsterfelijke levenswil zijner kerk, ondanks of beter: juist dank zij het
feit dat het samenviel met de wereldlijke vernedering daarvan.
Zijn jongste biograaf, Jos. van Wely, die het met
zijn meer dan zeshonderd grote bladzijden ook niet kort gemaakt heeft, - dat
vermocht bij Schaepman alleen Broms meesterschap - kreeg door die omvang intussen wel de
gelegenheid ook uit die Romeinse, voor zijn held zo bij uitstek belangrijke
jaren tekenende bijzonderheden mee te delen. Hij beschrijft eerst - in
Schaepmans eigen woorden en voor zover deze het zelf beleefde - de wel heel
menselijke strijd die aan de aanvaarding van het dogma der pauselijke
onfeilbaarheid voorafging: ‘De horizon is somber, bloedrood. Er zit een
varend onweer aan de lucht, en het is hier te Rome in veel opzichten niet
prettig. Al dat wegsterven van renommées zoals Dupanloup en Montalembert’ -
tegenstanders die zich later pas bij het voldongen feit hebben neergelegd -
‘doet pijn. Men brouilleert zich met zijn vrienden. De woorden worden gewikt
en gewogen, elk woord wordt een pijl. Ik ken en zie veel mensen van allerlei
soort, kunstenaars, journalisten, diplomaten, theologanten etc... alles
twist en buldert. Ik lig bijna met al mijn vrienden in Duitsland overhoop.
Het hindert me, dat soms zelfs de bisschoppen zo hard en ruw in hun oordelen
zijn, en dan antwoord ik en word ik scherp.’
En dan volgde de voor hem letterlijk onvergetelijke 18de juli 1870 waarvan
hij de bijzonderheden steeds meer gedramatiseerd heeft. Hij zou de schepping
zelf niet geestdriftiger hebben kunnen bezingen. Het herhaalde ‘placet’ van
de toestemmende bisschoppen... ultrajectensis... ‘placet’, harlemensis ...
placet, en steeds weer ‘placet, placet, placet’ is hem zijn leven lang als
een engelenkoor bij gebleven. ‘O Roma mia, dolce amore e principessa’
schrijft hij puur-verliefd aan Alberdingk Thijm,
en elders ‘De Kroon en de Zon van Rome is de Paus’.
Doch om preciezer te beseffen, wat dit ultramontanisme voor Schaepman en door
hem voor de Nederlandse katholieken betekend heeft, om te ervaren hoe zij,
merkwaardigerwijs, juist door dit internationalisme tot het nationalisme
gekomen zijn, juist als internationaal-georganiseerden deel van de natie
zijn gaan uitmaken, is het nodig, hoe vluchtig ook, de geschiedenis van de
katholieke emancipatie vóór Schaepman te onzent te overzien.
De ‘achterstelling’ van de katholieken in de Republiek - het woord is alles
| | | | welbeschouwd en vergelijkenderwijs gesproken toch meer op
zijn plaats dan ‘onderdrukking’ - begon in de patriottentijd te verschuiven
in de richting van gelijkwaardigheid. Het is bij later onderzoek gebleken,
dat bij de benoemingen van apostolische vicarissen in Den
Bosch de schikkingen russen de Staten-Generaal en Rome steeds
minder wrijving veroorzaakten, zodat die van 1790 zelfs helemaal zonder
conflict verliep. Hoofdoorzaak hiervan was de veldwinnende gedachte der
verdraagzaamheid bij de protestantse overheid. Twee eeuwen zwijgen had de
katholieken om zo te zeggen van hun eigen stem vervreemd en toen de
omwenteling van 1795 hun het recht van meespreken officieel hergaf, lieten
zij dan ook na enkele schrille geluiden in dat jaar vooreerst niet meer dan
een tamelijk zwak gestamel horen.
De aarzeling was ook in ander opzicht begrijpelijk genoeg. Zij dankten hun
vrijheid aan patriottendom en jacobinisme en moesten derhalve wel meedrijven
op stromingen waarvan zij intuïtief zeer wel beseften, dat zij noch met de
leer noch met de traditie van hun kerk strookten. De oprichting van de
seminaria te Warmond en Hageveld, respectievelijk in 1799 en 1817 betekende wel een stap,
maar nog geen mijlpaal op de weg der emancipatie. Had in die jaren niet
Le Sage ten Broek (1775-1847) geleefd, men
zou onder de regering van Willem i vooral na 1830
nauwelijks bemerkt hebben, dat nog altijd omstreeks een derde deel van de
bevolking van Nederland de rooms-katholieke godsdienst beleed.
Doch deze Le Sage, zoon van een in 1787 naar Antwerpen uitgeweken patriots predikant te Rotterdam, werd sinds zijn bekering in 1806 de wekker van wat de
katholieken hier vóór alles nodig hadden: zelfbewustzijn. Het is wel geen
toeval, dat het juist een bekeerling was die dit vermocht. Immers Le Sage
hing, vuriger dan vele geboren katholieken, zijn nieuw geloof aan. Maar
bovenal: hij kende, opgegroeid in een vrij milieu, hun gedruktheid niet. Zo
kon deze ‘vader der katholieke pers in Nederland’ de apologeet van het
katholicisme worden en vervolging noch blindheid hebben hem afgehouden van
die taak. In '20 stichtte hij zijn anti-Nutsmaatschappij de ‘rk Mij. ter bevordering van godsdienstige wetenschap en goede
zeden voor het Koninkrijk der Nederlanden’ die evenwel drie jaar later bij
koninklijk besluit opgeheven verklaard werd, terwijl in '25 de seminaria al
weer gesloten werden. Uit protest hiertegen richtte Le Sage in '26 een nieuw
tijdschrift op: De Ultramontaan, even
dapper van titel als inhoud, want hij waagde zich hier zelfs op politiek
terrein. De gevolgen bleven dan ook niet uit: het volgend jaar zag hij drie
maanden lang de Gevangenpoort van binnen. Hij bukte wel, maar hield toch
vast.
Toen met de komst van Willem ii aan de regering de ergste
tijd voor de katholieken voorbij was, verhief hij zijn stem opnieuw. In '40
liet hij zelfs een voor die tijd uiterst radicaal geluid horen door algemeen
kiesrecht te eisen. In '42 verscheen weer een rooms tijdschrift:
De Katholiek
. De liberalen begonnen hun nu tegemoet te komen. Dezelfde
overwegingen van weerszijden, die in '28 al de Belgische liberalen en
katholieken hadden doen samengaan, kregen nu ook op die in Nederland vat. De
grondwet van '48 bevestigde door de afschaffing van het recht van placet op
grond waarvan de overheid kerke- | | | |

‘Een geestelijke in het galacostuum der Tweede Kamer.’ Tekening
door J. Holswilder. Schaepmanarchief, Katholieke
Universiteit, Nijmegen.
| | | | lijke besluiten kon annuleren, de vrijheid voor de
kerk om zich naar eigen goedvinden te organiseren en het is bekend, dat Rome
in '53 daarvan gebruik gemaakt heeft door het herstel der hiërarchie.
In zijn laatste levensjaren stond Le Sage mede dankzij zijn eigen werk niet
meer zo eenzaam. Naast hem, in zekere zin boven hem, stonden mgr. C. Broere (1803-1860) en de aartspriester J.W. Cramer. Ook hen beiden heeft Schaepman
bejubeld en van zijn standpunt terecht. Bij Broere immers, die een studax en
geen politicus was, vinden wij hetzelfde ultramontanisme à outrance waardoor
het katholicisme zich van zijn bevrijders bevrijdde en zich zelf hervond,
als bij Schaepman. Bij Broere treffen we de theorieën aan die zowel de rede
in 18de-eeuwse zin, alsook haar kind, de revolutie, verdoemden, die de
revolutie als het verlengde van de hervorming voorstelden en dat alles op
een verdoemelijk pantheïsme, dat is op ongeloof en ondergang lieten
uitlopen.
Bij Cramer is het juist de organisatorische kant die Schaepman moest treffen.
Hij overwoog de wenselijkheid voor de katholieken van een normaalschool, een
dagblad, een kiesvereniging. Hij werd een der hoofdkrachten van
De Tijd
en stichtte inderdaad de kiesvereniging ‘Recht voor Allen’. Door
beider werkzaamheid begon het trotse devies: ‘Vindicamus hereditatem patrum
nostrorum’ (wij eisen het erfgoed onzer vaderen op) iets meer dan een holle
leus te worden; al blijft zij in zoverre hol, dat het niet in te zien is,
waarom de tegenwoordige protestantse en ook ongelovige Nederlanders minder
deel zouden hebben dan de katholieken aan de erfenis der middeleeuwse
voorvaderen, die toch welbeschouwd ons aller voorvaderen zijn.
De behoefte die Cramer reeds gevoeld had ‘aan een algehele om- en overwerking
van de vaderlandsche geschiedenis’ zette dan de Noordhollandse
plattelandsdokter Nuyens (1823-'94) in de daad
om. En het historisch recht van de katholieken om óók Nederlanders te zijn,
waarop Broere een beroep had gedaan in zijn
Bezadigd woord
tijdens de aprilbeweging in '53, werd door Alberdingk Thijm (1820-'89), zijn bewonderaar, tot werkelijkheid
gemaakt.
Sinds Broere zijn speculaties uitdacht, Nuyens in het dokterskoetsje zijn
geschiedwerken schreef en Thijm zijn
Dietsche Warande
en zijn
Volksalmanak
redigeerde, begon de intellectuele achterstand van de katholieken
merkbaar te verminderen. Er bleek, maar het werd in de toonaangevende
kringen nog niet zonder verbazing geconstateerd, ook uit ‘Rome’ wel iets
goeds te kunnen komen. Fruin onthield zijn lof
niet aan Nuyens, getemperde lof weliswaar, maar Fruin kende nauwelijks een
andere. Jan te Winkel getuigde ‘verbaasd te staan
over Thijms omvangrijke kennis’, en hij erkende grif, dat ‘in kennis van het
17de-eeuws geen zijner tijdgenooten hem overtrof’.
Ingehaald hadden de katholieke intellectuelen de voorsprong op het
niet-roomse intellect daarmee echter nog op verre na niet. Ook lang daarna
nog niet. De gewoonte van zijn omgeving en latere bewonderaars, waarmee pas
Brom in onze eeuw gebroken heeft, om
Schaepman altijd dr. Schaepman of zelfs kortweg ‘de doctor’ te noemen, is
slechts één der uitingen van een minderwaardigheidsgevoel in intellectueel
opzicht, dat blijkbaar gecompenseerd moest worden. Zo'n titulatuur pleegt
zich niet door te zetten, wanneer | | | | de drager ervan daarin niet
graag voorgaat en de aansprekers niet graag volgen. Het is te tekenender in
dit geval, omdat het met 's mans doctorsgraad niet eens helemaal pluis was.
Hij behaalde hem in Rome en niet aan de Gregoriana, waar hij eigenlijk
studeerde, maar aan de Sapienza, waar het nog minder tijd kostte. Een
proefschrift van hem zoekt men dan ook tevergeefs, waarmee overigens niets
ten nadele van zijn geleerdheid gezegd wil wezen. En zelfs tegenwoordig is
die achterstand, meet men haar niet naar kwalimaar naar kwantiteit, nog niet
ten volle ingehaald: het percentage katholieke intellectuelen onder het
Nederlandse intellect is niet bekend, maar het is stellig nog altijd iets
lager dan dat der katholieken op de hele bevolking.
Terwijl die formeel-politieke en culturele emancipatie zich voltrok, nam ook
de zuiver-politieke invloed van de roomsen bijna zienderogen toe. Onder de
honderdzesentwintig representanten die tezamen de Nationale Vergadering van
1796 vormden, waren niet minder dan dertig katholieken geweest waaronder elf
uit Bataafs-Brabant, maar deze elf zaten er meer om op te komen voor hun
onderdrukt gewest en alle dertig zaten er meer als jakobijnen dan als
partijgangers van Rome, ook al waren enkelen hunner zelfs geestelijken. Maar
daarom was het met hun politieke invloed ook weer uit, toen sedert 1801 een
gematigder marstempo werd geblazen. De katholieken weerden zich politiek pas
weer in de Dubbele Kamer van '40, die over de aanhangige grondwetswijziging
had te beslissen. Van de elf (op de honderdtwintig) die daar tegenstemden,
omdat de voorstellen hun niet ver genoeg gingen, waren zeven katholiek. Maar
dezelfde stemming toonde ook het gebrek aan eenheid onder de katholieken
aan: de tien overige katholieke afgevaardigden, Brabantse deftigheden met
dubbele namen, hielden het met de regering. Dit tegenstemmen is niet het
eerste symptoom van de neiging der katholieken om met de liberalen mee te
doen. Een hunner politieke voormannen, Van Sasse van IJsselt, had al in '31
voor dat doel een bezoek afgelegd bij de afgeleefde Gijsbert Karel van Hogendorp.
De beweging die tot de nieuwe grondwet van '48 zou leiden, betrok voor het
eerst de katholieke massa als zodanig in de actie. Een manifest Aan de Katholieken van Nederland, dat zich
tegen de ‘heerschzuchtige Kerkpartij’ (de conservatieven) richtte, werd in
duizenden en nog eens duizenden exemplaren verspreid en de petitionnementen
van Van Son en van De Tijd die ‘vrijheid van godsdienst,
onderwijs en vereeniging, rechtstreeksche verkiezingen met uitgebreide
kiesbevoegdheid eisten, tekenden een dertigduizend katholieken. De katholiek
Storm, een der Negenmannen van '44, al werd tot aan zijn dood in '59 een van
de trouwste medewerkers van Thorbecke. Noemen wij
naast Van Sasse van IJsselt, Van Son en Storm nog Lightenvelt, Luyben en Van
Sonsbeeck, minister in Thorbeckes eerste kabinet, dan is dat voldoende om te
beseffen, hoe omstreeks het midden van de vorige eeuw de wekroep van de
blinde pionier reeds tot een hele falanx van zijn geloofsgenoten was
doorgedrongen.
Zó ongeveer moet het beeld er uitgezien hebben, dat Schaepman, omstreeks '60 tot de eerste jaren des onderscheids
gekomen, zich van de worsteling zijner geloofsgenoten naar vrijheid en
gelijkheid gemaakt heeft. Met dit | | | | belangrijk onderscheid
intussen, dat wat hier voor de niet-katholieke twintigste-eeuwer een brok
historische emancipatiestrijd is van één volksgroep onder andere, voor hem
de kern van een zich nog steeds ontwikkelende werkelijkheid moet geweest
zijn, waar zijn stoutste verwachtingen rechtstreeks bij aanknoopten. Met dit
onderscheid, in één woord, dat, wat hier een zwarten-wit litho is, voor hem
een schilderij in bijna bovenaardse kleuren is geweest. Ja het ‘bijna’ kan
zelfs weg: het wás voor hem een teruggaaf door God van het erfdeel der
vaderen aan de wettige nakomelingen. Die veronderstelling is, gezien zijn
jeugd en temperament, waarlijk niet te stout. Is het dan wonder, dat hij
levenslang door een vrijheidspathos bezield bleef, dat hem ook in eigen
kring niet verliet en waarvan hij te pas en te onpas getuigde? Zijn rede op
de katholiekendag te Keulen in 1894 gehouden is te lang om hier op te nemen,
maar zij is één loflied op de Nederlandse vrijheid ook voor de katholieken.
‘In geen land ter wereld,’ zei hij onder andere ‘heeft men de politieke en
religieuze vrijheid zoo moedig opgevat, zoo onverschrokken doorgevoerd, zoo
krachtig hooggehouden.’
Is het dan wonder, dat zelfs zijn godsgeloof identiek lijkt met vertrouwen,
heel zijn leven een optimistische grondtoon kreeg en hij zijn levenstaak met
een zonder kennis van die voorgeschiedenis bijna onbegrijpelijke
opgewektheid aanvaard heeft? Zijn aard is er mede door gevormd. Alles wat er
vrijheidszuchtig en toekomst-zeker, alles wat zo het tegengestelde in hem
was van de alkoofsfeer, waarin het katholicisme tot dusver te onzent geleefd
had (en ten dele nog leeft, zelfs ondanks wat men een tweede emancipatie van
de laatste decenniën zou kunnen noemen) is door die voorgeschiedenis in hem
zo niet gewekt, dan toch stellig versterkt. Dat er veel conservatief kaf
onder het in Brabant opgeschoten radicale koren school, dat lang niet alle
bloesems uit de bloeiende bongerd in de roomse hof vruchten gedragen hebben,
dat alle verwachting altijd schoner is dan de vervulling, heeft hij pas
later ervaren. Maar gedeerd heeft het hem, krijgt men de indruk, weinig of
niet. Zelf heeft hij zich een onverbeterlijk optimist genoemd. Zijn
dichterlijke ziel kon zich gemakkelijk, al te gemakkelijk, telkens opnieuw
aan haar eigen gloed ontsteken en tegelijk was hij nuchter genoeg om zich
daaraan niet te branden en de dingen te nemen, zoals zij nu eenmaal waren.
Niet voor niets is Schaepman onze enige dichter-politicus, tenzij men vader
Cats óók dichter en óók politicus zou willen
noemen. Op zijn dichterschap berust zijn durf om, zesendertig jaar oud, de
brede weg der landspolitiek op te gaan zonder andere voorbereiding dan
journalistieke werkzaamheid, en om na een politieke loopbaan van drie jaar
de katholieken te willen verenigen in een partij en die partij een program
te willen voorschrijven, uitsluitend krachtens het eigen recht van zijn
persoonlijkheid en in een tijd, dat dit voorzichtiger geesten een vrijwel
hopeloze onderneming scheen. Heersten niet zijn meest principiële
tegenstanders, de liberalen, destijds nog oppermachtig in een nog
door-en-door protestants land? Op zijn nuchterheid berust het feit, dat hij
alle oppositie van buiten en van binnen als het ware schertsend de baas is
kunnen blijven. Op zijn combinatie van dichterlijkheid en nuchterheid het
succes, dat hij én als politicus én als partijleider gehad heeft.
| | | |
Schaepman in gezelschap van zijn petekind en haar broertje. Schaepmanarchief, Katholieke Universiteit,
Nijmegen.
| | | |
Maar het wordt tijd om te zien, wie deze man was, die niet alleen de stoot
gegeven heeft tot de volle gelijkberechtiging van zijn geloofsgenoten, maar
die stoot ook zó krachtig heeft toegediend; dat men wel mag zeggen, dat de
beweging, daardoor veroorzaakt, over het gestelde doel is heengeschoten,
waardoor de invloed der katholieken tegenwoordig ver uitgaat boven wat zij
aan hun getalsterkte gemeten, zou behoren te zijn.
Herman Johan Aloysius Maria Schaepman dan is
geboren op 2 maart 1844 in Den Eeschhof, een voormalig riddergoed te Tubbergen in Twente, waar zijn vader burgemeester
was. De streek is van belang, want met uitzondering van de gewesten beneden
de Moerdijk was nergens in Nederland het katholicisme ongerepter bewaard dan
in Twente. De oorzaak daarvan behoeft men niet ver te zoeken. De hervorming
was er niet doorgedrongen, vóór Maurits in 1597 deze streek binnen de tuin
der Verenigde Provinciën gesloten had, en Spinola had het in 1605 weer
heroverd. Zo was het zaad der toen juist inzettende contrareformatie er al
opgeschoten, voordat Ernst Casimir en Frederik Hendrik het in de tweede
helft van de jaren '20 wederom tot de Unie brachten. Het werd toen officieel
wel gereformeerd, zij het slechts van buitenaf en bovenop.
Maar we weten meer van Schaepmans jonge jaren dan deze algemeenheid omtrent
zijn geboortestreek. ‘In de jeugd van een groot man vooral ligt de
verklaring van zijn leven’ heeft Schaepman zelf met voor zijn tijd
fijn-psychologisch inzicht van De Montalembert gezegd. Met herinneringen uit
zijn jeugd is hij, even gul als gulzig, ook niet zuinig geweest, al heeft
hem de dood die hem vrij onverwacht nog vóór zijn zestigste overviel, het
schrijven van memoires jammer genoeg belet. Zo weten wij, dat vooral zijn
grootvader van vaders zijde en zijn moeder invloed op hem gehad hebben. Zijn
grootvader die een groot bewonderaar van Napoleon geweest is en de een of
andere half-legendarische Vie de Napoleon bezat, dat het
heldenboek werd van zijn eerste levensdromen. Maar van nog meer belang werd
de moeder: Nancy la Chapelle, van een familie uit Frans-Vlaanderen
afkomstig, die haar Franse klassieken kende, met pen en potlood tekende en
zelfs aquarellen schilderde, waarvan er een tiental bewaard gebleven zijn.
Volgens het getuigenis van een vertrouweling - vertelt Brom ons - was zijn moeder de enige vrouw, die hij ooit heeft
liefgehad. En wie dit - bij een dichter - niet zou willen geloven, moet
bedenken, dat die dichter ook priester werd en die priester ook professor en
die professor ook dagbladschrijver en tijdschriftredacteur en die allen
tezamen ook politicus en partijleider, waarmee we maar willen zeggen, dat
dit leven rijk genoeg was om een gebied onbetreden te kunnen laten, dat
bovendien verboden terrein was en waartoe het (zijn keuze van het
priesterschap kan een aanwijzing zijn) ook van nature reeds minder geneigd
was. Gewoonte weegt zwaar in dit opzicht en op moeilijke ogenblikken was er
de wijn om zich te vergeten en altijd was er het woord om zich in uit te
leven. En dan: liefdesbegeerte laat zich soms sublimeren zonder daarbij haar
bevrediging in te boeten. Deze boers-zinnelijke natuur hééft zijn
liefdesdrang kunnen vergeestelijken en overdragen op de moeder Gods en de
moederkerk. Hóé blijft haar geheim. Maar het feit staat wel vast.
| | | |
Nergens heeft hij dat duidelijker beleden, dan aan het slot van zijn polemiek
met De Laveleye over Godsdienst en volkswelvaart, waar wij lezen:
‘En nu eene bekentenis. Wanneer de Katholieke volken niet hier op aarde,
voor zoover mogelijk, het hoogste verwerkelijken, dan is dat niet de schuld
der Kerk. De zonen zijn 't der Moeder verplicht, de openbare belijdenis
hunner schuld af te leggen. Want het is onze schuld, o heilige Katholieke
Moeder, onze schuld, indien “al het overige” ons niet wordt toegeworpen...
Tot U richt men de verwijten, die ons gelden en het is onzer lafheid, onzer
loomheid schuld, indien men U niet huldigt naar Uwe waarde, maar helaas!
naar ons werk.’ Is dit niet, ongewijzigd zelfs, de houding van het
schuldbewuste kind, dat zich voor de vlekkeloos gewaande moeder
verootmoedigt in een poging om zijn schuldbesef te delgen? Men vraagt zich
alleen af wat er in deze man moet zijn omgegaan, als hij lord Acton las,
zijn Engelse geloofsgenoot die, als hij, naast de kerk de vrijheid liefhad.
Maar die, anders dan hij, in naam van die laatste liefde de eerste alles
verweet wat zij in de loop harer geschiedenis onvrij zinnigs gedaan had. We
kunnen het zelfs niet gissen, want uit niets blijkt, dat hij hem ooit
gelezen heeft.
Zouden we van zijn jeugd niet méér weten dan dit, we zouden ons voorstellen,
dat uit die jongen een man gegroeid moest zijn, wiens liefde voor zijn kerk
(als slechts een vergroting van zijn kindermilieu) hem tot een bekrompen
zeloot gemaakt had, voor wie de niet-katholieke buitenwereld de gezworen
vijand was, waar hij slechts angst voor voelde. Doch zo is het niet:
bekrompen kunnen alleen de zeloten uit het andere kamp Schaepman noemen,
voor wie het katholicisme identiek is met bekrompenheid. Maar hoe zou hij,
ware dit zo, dan de man hebben kunnen worden, die zijn volksgroep niet
alleen organiseerde, maar ook invoegde in het geheel, hoe zou hij dan, in
één woord de vader van de Coalitie hebben kunnen worden?
Uit zijn eigen mededelingen weten we bovendien, dat zijn vader, zoals hij
zelf aanvankelijk ook, tot de liberale katholieken gerekend moet worden. Het
was zijn vader, die terugkerend van een statenvergadering in Zwolle hem de
Vaderlandsche Geschiedenis
van Engelbert Gerrits meebracht, die zó
‘geus’ was, dat het Schaepman, naar hij later getuigde ‘altijd verwonderd
heeft, dat de man voor de Spanjaarden nog een hoofdletter over had’. En al
die ketterijen las het roomse jochie, alsof er op de keerzij van het
titelblad het imprimatur der kerkelijke overheid gestaan had, ‘Ik heb,’ zei
hij ook nog: ‘geen andere Muze gekend dan mijn moeder en mijn vader is mijn
Apollo geweest. De Hengstebron was Engelbert Gerrits.’ En wat deze het kind
aan ongewilde ruimheid nog niet bijbracht, deed meester Pley die protestant
en ondermeester Ter Marsch die een verklaard atheïst moet geweest zijn, maar
die hij toch ‘een knappe vent’ bleef noemen. Van hem leerde hij Frans en
Duits en wat van nog meer belang was, kreeg hij rijp en groen te lezen. De
pastoor zorgde voor het tegenwicht in de heiligenlevens: St-Franciscus,
St.-Anthonius, Ste.-Agnes, Willebrord, de martelaren van Gorkum en wat er maar meer van dien aard was in de bijna
tweeduizend jaar oude geschiedenis van zijn kerk.
Zo hebben we: zijn bewondering voor Napoleon, die zijn nog sluimerend | | | | machtsinstinct wekte en waarin hij het voor het eerst, passief
nog, uitleefde; zijn liefde als schuldbewuste knaap voor zijn vlekkeloos
gewaande moeder, later overgedragen op de internationale kerk; zijn neiging
tot het verleden van zijn land dat niet dat van de zijnen was, maar dat hij
hun eigen wilde maken, niet minder dan Thijm en
niet minder zelfs dan Potgieter dit wilde, de
bron van zijn nationalisme; zijn behoefte aan en vermogen over het woord,
opgewekt door de sonore verzen van Racine en de galmende der oud-vaderlandse
dichters waarmee Engelbert Gerrits ‘verlucht’ was; zijn polemische gave,
geschoold in het zoeken van tegenargumenten op het dwepen met de
verlichting, waaraan zich zijn meester te buiten ging; en ten slotte het
optimisme dat ja, diep verankerd lag in zijn ongeremde natuur, maar dat er
nooit zó zou geweest zijn, wanneer oudere geloofsgenoten het pad der
bevrijding niet airede geëffend hadden.
Voegen wij al deze heterogene elementen bijéén - maar hoeveel gemakkelijker
is dat voor ons dan het voor de halfwas zelf geweest moet zijn! - dan hebben
we in kort bestek de hele toekomstige Schaepman voor ons. Door de plaats van
zijn geboorte, door zijn omgeving en opleiding scheen hij voorbeschikt voor
de taak die hij zich later stellen zou. Voorbeschikt zegt men dan:
nabeschikt ware misschien beter. Immers plaats, omgeving en opleiding hebben
hem zó gemaakt, dat hij zich die taak onder aanpassing aan de omstandigheden
vrijwillig gekozen heeft en die taak eenmaal door hem volbracht, is het die
van de geschiedschrijver om te ontdekken, waarom hij haar koos en waaruit
hij de kracht geput heeft, nodig om haar te volbrengen.
Er is slechts één ding, dat op het eerste gezicht niet met die taak schijnt
te kloppen: het gezicht van Schaepman zelf. Welk portret van hem en hoe
doordringend men het ook bekijkt, het blijft altijd moeilijk te geloven, dat
we hier niet met een willekeurige dorpspastoor, maar met een begenadigd
priester, niet met een rijmelaar, maar met een dichter, niet met een
bierpul-politicus, maar met een partijleider en zelfs -stichter, niet eer
met een kenner van kelder- en keuken- dan van boekenkasten, kortom, dat we
hier met een werkelijk veelzinnig en veelzijdig en dus werkelijk groot man
te doen zouden hebben.
Moeten wij dan ook van Schaepman zeggen wat Huizinga, die ook een boerse kop had, schijnbaar in strijd met de
fijnzinnigheid zijner geschriften, eens van zich zelf zei: ‘men zie het
breinwerk wel, maar 't smoelwerk niet’? Wij geloven van niet. We weten, dat
wat we nu gaan zeggen, zich niet bewijzen laat, maar toch willen wij het
uitspreken: wij geloven, dat juist de kleine eigenschappen, die ons
duidelijker dan uit zijn werk uit zijn gezicht spreken, mede bijgedragen
hebben tot het succes van zijn zending. Wij geloven het, omdat wij uit de
geschiedenis, ook uit de jongste, weten, dat het lang niet altijd en
misschien zelfs nooit de werkelijk grote eigenschappen zijn die iemand tot
leider van zijn medemensen maken, dat veeleer voorwaarde voor hun echte
bewondering is, dat hij althans met een bepaalde kant van zijn wezen hun
kleine eigenschappen in zich draagt. Een leider moet boven de massa staan
die hij leidt, maar hij moet tegelijk een uit die massa zijn. De gedrukte en
kleinburgerlijke massa van de katholieken uit de jaren '80 der vorige eeuw
| | | |

‘Kijk eens wat ik voor jullie gereden heb. Dit kan misschien
nog alles redden...’ Spotprent in Uilenspiegel.
Anonieme litho. Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | zou Schaepman niet gevolgd zijn,
als zij hem aan zijn uiterlijk niet herkend hadden als een der hunnen.
Maar voorlopig was er van een bewust ambiëren van een politiek leiderschap
nog geen sprake. Schaepman was zelf nog in opleiding: in 1857 op het
progymnaisum in Oldenzaal; het jaar daarop in het
Klein-Seminarie Kuitenburg van de paters jezuïeten en in '63 in het
Groot-Seminarie te Rijsenburg, waar hij niet zo
heel lang daarna, van 1870-'80 zelf als professor in de kerkgeschiedenis op
de katheder zou staan. 1864 was het jaar van de scheiding der geesten, het
jaar waarin Pio Nono de encycliek ‘Quanta Cura’ publiceerde, gevolgd door de
‘Syllabus errorum’ die de liberale dwalingen principieel bestreed. Ook
Schaepman koos toen - voorgoed. Hij schreef zijn eerste grote gedicht:
De paus
('66) dat hij in '69 met vele andere: Vondel, De Pers, S. Maria,
de zondaresse van Egypte, de Eeuw en haar
Koning, als Verzamelde Dichtwerken
publiceerde, in de latere drukken onder andere vermeerderd met Parijs 1870-'71, een vloekzang tegen de
Commune. Zijn priesterwijding in '67 was er een tweede consequentie van. Hij
werd korte tijd kapelaan te Utrecht onder zijn oom
Andreas, die er plebaan en coadjutor van de toenmalige aartsbisschop mgr.
Zwijsen was, om het volgend jaar deze op te volgen. Het is in die tijd -
juli '68 -, dat onze Schaepman van de preekstoel in de Utrechtse kathedraal
het mandement der Nederlandse bisschoppen over het onderwijs mocht voorlezen
en daarmee in de kerkelijke hiërarchie een (nog bescheiden) plaatsje
innemen.
Niet bescheiden was toen al zijn plaats in de letteren. Door zijn bundel was
Schaepmans naam als dichter opeens gevestigd. Is dit terecht geweest, zoals
de meeste tijdgenoten meenden, niet alleen Thijm,
maar ook die uit het andere kamp? Van Lennep zei
niet minder dan dat ‘Vondel onder ons verrezen’
was en Van Vloten meende, dat ‘als de rots van
Petrus zoo vast stond als deze verzen, dat er dan vooreerst zeker geen
omvallen te vreezen ware’. Of is het ten onrechte geweest, zoals de '80-ers
algemeen van oordeel waren? De heer Joan Bohl,
een geloofsgenoot, maar geen vriend van Schaepman, heeft eens van hem
beweerd, dat hij een mán in de dichtkunst maar een schááp in de politiek
was. Zo het nageslacht dat niet alleen de bedoelingen, maar ook de gevolgen
beoordeelt, het hier al niet mee eens kan zijn, moet het dit oordeel dan
omkeren? Want zo volgzaamheid des schaaps is, dan was Schaepman toch eer een
schááp in de dichtkunst, waar hij altijd aan de leiband van Bilderdijk en Da Costa
is blijven lopen, en een mán in de politiek, waar hij zijn eigen, soms zelfs
steile en eenzame weg is gegaan. Of het moet dan zijn, dat men in hem de
belhamel wil zien die het eerst over de brug van de coalitie ging.
Hoe dit zij: ons oordeel over Schaepman als dichter is gevarieerder dan
aanvaarding óf verwerping. Dat hij een echt dichter zou geweest zijn,
geloven ook wij niet. Daarvoor is zijn geluid te oneigen, zijn zijn beelden
te weinig gezíen, zijn rijmen te banaal, zijn er te veel gemaakte bloemen in
zijn ruikers - en die geuren nu eenmaal met. Daarvoor laten zich al zijn
verzen te geredelijk in klankrijk proza omzetten, zonder veel van hun waarde
te verliezen, zoals hij zelf omgekeerd zijn oorspronkelijk essay
Frans Hals
later tot een ge- | | | | dicht heeft omgewerkt. Maar niet
zouden wij durven beweren, dat het hem aan de visie ontbrak die voor grote
poëzie even onmisbaar is als de onvervangbare wijze van zeggen. Het is de
visie die ondanks alle latere vernieuwingen van onze dichtkunst een epos als
de Aya Sofia - zijn grootste en beste dichtwerk wel - nog
lezenswaard maakt. ‘Glorie’, ‘victorie’, ‘historie’: het is Schaepman
indertijd al verweten een al te graag gebruik van die trits te maken, maar
dat zij een treffende karakteristiek van zijn verskunst boden, heeft hij
zelf erkend door in zijn overigens zwak verweer te bekennen, ‘dat er in die
woorden iets is, dat hem bijzonder wél deed’.
In elk geval kunnen de drie aangehaalde woorden als symbool van zijn visie
gelden. Die drie korte woorden drukken, beter dan welke lange zinnen ook,
het on-Hollandse en on-negentiende-eeuwse in hem uit, dat in het nuchtere
Nederland van zijn dagen treffen en bekoren moest door het onvoorwaardelijke
ervan. Het zijn vaak immers niet zozeer de denkbeelden zelf als wel de wijze
waarop en de mate waarin zij beleden worden, die opwekken en tot bewondering
en navolging dwingen.
Inderdaad: juist deze retorica was echt in hem en voorzover hij retorisch
dicht, dicht hij ook echt, want het is een misvatting te menen, dat retoriek
per se onecht moet zijn. Zij kan echt zijn, ook en misschien juist als zij,
zoals hier, in plaats van het kritische denken komt. Echt is daarom ook zijn
lofzang op het woord in
Uit de gevangenis van het Vaticaan
. ‘Daar is geen hooger kracht dan het menschelijk woord. Het is des
menschen meest levendige daad en schijnbaar stervend leeft het toch. De
klank vergaat, maar het woord blijft. De kiem der waarheid, die het in zich
draagt, is onsterfelijk...’ Uit dit geloof in het woord leefde hij als
dichter, leefde hij ook als redenaar, zo om één voorbeeld uit vele te noemen
op de meeting in de Parkzaal te Amsterdam in 1871:
de eerste algemene vergadering der Nederlandse katholieken naar aanleiding
van het vijfentwintigjarig pausschap van de als wereldlijk heerser
onttroonde Pio Nono. Hier sprak hij en zong de menigte ook zijn lied, door
Verhulst op muziek gezet:
Aan U, o Koning der eeuwen
.
Het is, menen wij, in het innig samengaan bij hem van ruimheid en
onvoorwaardelijkheid van visie die elkaar meestal uitsluiten, dat men het
geheim van Schaepmans succes als dichter én als politicus, moet zoeken.
‘Geen werk van Schaepman,’ zegt Brom ‘zou zijn
geloofsgenoten sterker bezielen dan deze eerste bundel, waarmee allen, tot
de nuchtere Nolens toe, bekenden te dwepen, omdat ze hun toekomst daarin
ontdekt hadden.’ Bij een dergelijke zendingstendens van gedichten telt de
zuivere schoonheidsontroering niet. Zou de kritiek en verachting van de
'80-ers hem zo geprikkeld hebben, wanneer hij zelf, diep-in, van de
esthetische waarde van zijn poëtisch oeuvre overtuigd was geweest? Doch
vanwaar die ruimheid én onvoorwaardelijkheid? De Paus
bewijst, dat hij er de aanleg toe bezat, maar onvervreemdbaar-eigen kan het
hem toch pas geworden zijn, zoals wij al aantoonden, in zijn Romeinse jaren:
1869-'70, zodat Rome in alle betekenissen van dat historisch overbelaste
woord en voor altijd, er het symbool van werd. De beslissende dagen uit zijn
leven zijn die, waarin hij als de rechterhand van zijn oom, de
aartsbisschop, het Vaticaans Concilie meemaakte, zijn kerk zag in | | | | haar aardse vernedering, maar daardoor juist des te dieper
doordrongen werd van haar hemelse pretentie, zoals die voor hem sprak uit
het toen aanvaarde dogma der pauselijke onfeilbaarheid.
In het vaderland terug, werd hij professor in de kerkgeschiedenis te Rijsenburg. Hij heeft het tien jaar volgehouden, maar
hoeveel hij ook geweten mag hebben, een echt geleerde was hij nochtans niet.
Diens devies kan bezwaarlijk credo pugno, ik geloof en
strijd, zijn en het leraarsambt in de normale zin van het woord komt daar
nog minder mee overeen. Dichter bij zijn roeping kwam hij door zijn
medewerking aan
De Tijd
waarvan hij tussen 1872 en '83 de hoofdredacteur was. Als
journalist ontwikkelde zich de politicus in hem. Zijn wens naar
grondwetsherziening waar de rest van de redactie het niet mee eens werd,
veroorzaakte zijn aftreden. Voortaan zou hij zijn eigen weg gaan, in eigen
organen afgebakend. Sinds '71 voerde hij ook, tezamen met Nuyens, de redactie van
De Wachter
, later na een conflict met Bohl
Onze Wachter
. Tot '85 toe schreven hij en Nuyens het blad vrijwel vol, want zijn
werkkracht in die jaren grensde aan het voor gewone heden onvoorstelbare.
Heel die werkzaamheid, waarbij we zijn spreekbeurten ook voor neutrale
verenigingen niet mogen vergeten, is doordrongen van diezelfde
eenheid-van-tegenstellingen: ruimheid en onvoorwaardelijkheid die ook zijn
gedichten hun betekenis verleenden. Maar zij kan hier beter anders genoemd
worden: als een eenheid namelijk van de tegenstellingen nationalisme en
internationalisme.
Schaepman heeft begrepen, waartoe ook Kuyper langs
heel andere wegen zou komen, dat de tijd van afzondering voor zijn
geloofsgenoten voorbij was (de ruimheid), maar tevens - en juist in dat
‘tevens’ schuilt het geheim van zijn succes - dat die afzondering niet
opgeheven kon worden door verflauwing, doch integendeel juist door markering
der grenzen (de onvoorwaardelijkheid). Dat wilde in de praktische politiek
zeggen: een eigen principieel-katholieke partij, maar deze bereid tot
samengaan met wie van de tegenstanders daarvoor maar te vinden waren, hoe
opportunistischer, zou men bijna zeggen, hoe beter. Die uitgestoken hand
hebben niet de stervende conservatieven, maar hebben de onder Kuyper
verjongde antirevolutionairen gegrepen. Krachtens haar klassekarakter
heerste de liberale partij, hoezeer onderling al sedert de jaren '60 in
doctrinairen en radicalen verdeeld, in die jaren nog oppermachtig, maar
zowel Schaepman als Kuyper voelden meer dan zij begrepen, dat in dit
klassekarakter van de liberale partij tegelijk haar zwakte gelegen was.
Organisatie en mobilisatie van de kleinburgerlijke massa, van ‘het volk
achter de kiezers’ zoals Groen het gezegd had -
Schaepman had het Duitse Centrum als voorbeeld - was de hefboom waarmee de
liberale alleenheerschappij uit haar voegen gelicht kon worden, maar
samenwerking tussen Rome en Dordt, hoezeer
ideologisch eikaars antipoden, was daarvoor onmisbaar. Ziedaar in weinige
woorden die, wij zijn het ons bewust, aan de ingewikkelde werkelijkheid van
het ontstaan der zogenaamde coalitie geen recht doen, de sociologische
onvermijdelijkheid en dus de zin van haar bestaan.
Dat doel had Schaepman van 1875 af gediend. Dat doel diende hij ook met zijn
intree in de Tweede Kamer. Toen - in '80 - de Bredase zetel van | | | |

Dr. H. Schaepman. Ets door Jan Veth. Schaepmanarchief, Katholieke Universiteit,
Nijmegen.
| | | | Luyben openviel, werd Schaepman met 1853 van de 1886 geldige
stemmen in zijn plaats gekozen en met 55 tegen 14 stemmen - hij was wel
priester en de grondwet sloot geestelijken van het lidmaatschap uit, maar
Schaepman bekleedde zijn priesterlijke
functie niet - werd hij aangenomen. En hij had, van zijn eerste redevoering
tot zijn laatste, het oor der Kamer. Wat dit betekende heeft nog in
hetzelfde jaar de liberaal D.C. Nijhoff
voortreffelijk begrepen en in de luttele bladzijden van zijn brochure
Dr. Schaepman in de Tweede Kamer
met zeldzame scherpzinnigheid aangetoond. ‘En even ongerijmd’ -
lezen wij daar - ‘als het klinken zou, wanneer wij beweerden, dat binnenkort
door de macht van zijn woord de heerschappij der Katholieke Kerk over onzen
staat gevestigd zou zijn, even zeker kan men voorspellen, dat niets door dr.
Schaepman onbeproefd zal worden gelaten om door zijn woord de katholieke
fractie onzer Tweede Kamer een ijzeren muur te doen worden, waarop elke
staatkundige verzoening met den modernen geest zal afstuiten.’ En nog verder
zag hij, toen hij zijn lezers herinnerde aan het woord van Schaepman zelf:
‘Wat er goeds en heilzaam is in het werk van Groen van
Prinsterer, komt der Katholieke Kerk ten goede!’
Maar vraag niet door welke vernederingen van zich zelf en zijn
partij-in-wording hij moest heengaan, vóór dit zelfvertrouwend woord
bewaarheid zou zijn. Hier had hij zijn dichterlijke visie wel nodig. Deze
deed hem de dingen groot zien, fantastisch als men wil, maar omgekeerd: hij
zou zich afgewend hebben van de kleine verhoudingen, indien zijn visie hem
geen grootse toekomst voorgespiegeld had. Zó als hij nu was, kon hij verzet,
hoon en vernedering over zich heen laten gaan en geduld oefenen, geduld
tegenover de conservatieve oppositie in eigen gelederen, geduld ook
tegenover de weerbarstigheid der anti's die zijn woord over Groen van
Prinsterer niet zo gemakkelijk vergaten.
Doch zijn geduld werd beloond, lang voor het uitgeput was. In '81 al gaf
Kuyper zich gewonnen. Bij de eerste
verkiezingen na de in '87 toch gekomen grondwetsherziening en de
kiesrechtuitbreiding die er mee samenhing, plukten zowel de katholieken als
de anti's de eerste nog wat groene vruchten van hun samenwerking. De nieuwe
Kamer van 100, in '88 gekozen, telde 26 katholieken, 27 anti's en één
conservatief, tezamen 54 aan de rechterzijde tegenover 45 liberalen en één
socialist aan de linkerkant. Het eerste coalitiekabinet - het ministerie
Mackay - was er het gevolg van: men kan het zonder veel overdrijving
Schaepmans ministerie noemen.
De betering echter kwam, als meestal, trager dan de kwaal. Niets bewijst
méér, hoe moeilijk het geweest is, de katholieken drie eeuwen van
achterstelling te doen vergeten, dat wil zeggen drie eeuwen van achterstand
te doen inhalen en ze te doen opgaan in de natie, dan de twee jaartallen,
waarvan het eerste de kiem, het tweede de volgroeide vrucht van hun
politieke emancipatiestrijd aanduidt: 1853 en 1897. Het jaar 1853 waarin
Cramer en Smits het eerste katholieke verkiezingscomité stichtten te Amsterdam en 1897, het jaar waarin Schaepman te Utrecht afgevaardigden van de katholieke
kiesverenigingen uit het hele land bijeenriep en het door de katholieke
kamerfractie ten vorige jare opgestelde program voor de r.-k. Staatspartij
liet | | | | aanvaarden. Het jaar 1853: dat is achtenvijftig jaar na
de ontvoogding van 1795. Het jaar 1897: dat is weer veertien jaar nadat
Schaepman in '83 krachtens eigen recht zijn brochure geschreven had:
Een Katholieke Partij. Proeve van een program
met Broeres woord als motto: ‘De
katholieken maken een politieke persoonlijkheid uit, die vrijheid vordert.’
Schaepman had al zijn bezieling, al zijn vertrouwen en al zijn vrijheidszin
nodig, om het zover te brengen. En wanneer hij het ten slotte gewonnen
heeft, dan lag dat waarlijk niet aan de meegaandheid van de Van Nispens,
Borrets en Bahlmanns of hoe de katholieke voormannen dier dagen verder mogen
heten, die geen hoger uitzicht kenden dan het steunen van de stervende
conservatieve partij en haar ‘beginselen’, noch aan de leidende organen der
katholieken als De Tijd, De
Maasbode of de Limburger
Koerier, maar behalve aan Schaepmans persoon, zien wij wel,
aan de volgende omstandigheden. Ten eerste aan het toenemend succes van zijn
tactiek, dat in 1901 nog kennelijker blijken zou dan het dat in 1888 reeds
gedaan had. Niets immers pleegt nu eenmaal zoveel succes te geven als het
succes. Ten tweede aan de volgzaamheid, zo niet van de katholieke
voormannen, dan toch, en dat des te meer, van de katholieke kleine burgerij.
Deze toch, van huis uit, of liever van de kerk uit, aan volgen gewend en
veel onvaster in leer en leven dan Kuypers broeders en daarom tot alle
opportunisme bereid, voelde instinctief haar belangen bij Schaepman veiliger
dan bij de nalopers van Heemskerk. De anonieme brochure:
Wordt dr. Schaepman begrepen?
‘Eenige opmerkingen van een burgerman aan zijn katholieke
medeburgers’, is in zijn bescheiden naamloosheid en
goedgelovigheid-op-het-onnozele af, even typerend voor het succes van
Schaepman als de scherpzinnige en bijna-profetisch aandoende analyse van
zijn tegenstander Nijhoff.
Naast die beide is er nog de derde omstandigheid - de voornaamste misschien -
het verschijnen van de ‘Rerum Novarum’ van Leo xiii in
1891. Die encycliek toch, waarin de paus het standpunt van de kerk in het
sociale vraagstuk vastlegde, was de beloning voor de onvoorwaardelijkheid
van Schaepmans pausentrouw. Niet in die zin, dat Schaepman deze denkbeelden
reeds eerder verkondigd had. Eer was het tegendeel het geval. In zijn Proeve van een program, in '83 dus, vinden we als artikel
9 nog de liberale leuze: ‘De staatsmacht moet worden beperkt tot het
rechtsgebied der staatseenheid, de staatszorg tot het onontbeerlijke.’ En
zelfs in '89 was Schaepman bij de wet op de vrouwen- en kinderarbeid van de
katholieke minister Ruys de Beerenbrouck nog terughoudend. Maar wel in deze
zin, dat Schaepman die als 's pausen Zwitser uiteraard niet de minste moeite
had deze roomse zwenking mee te maken, nu zijn gezag zag klimmen met dat van
zijn vereerde paus. Zijn geloof ja, maar ook zijn gezags- en machtsinstinct
had hem van het begin af onvoorwaardelijk trouw doen zweren aan de hoogste
autoriteit in zijn kerk. Het dogma van 's pausen onfeilbaarheid van 1870 had
in hem een van haar warmste aanhangers en pleitbezorgers gevonden. Het was
slechts logisch, dat hij nu ook de vrucht ervan plukte, toen via dit dogma
dat gezag zich nu ook in de sociale politiek liet gelden. Wat schaadde het
of alle Bahlmannen tegen hem waren, wanneer de éne paus vóór hem was, omdat
| | | | hij altijd vóór de éne paus geweest was? In een - hoe kon
het anders? - geestdriftige brochure maakte hij de nieuwe encycliek hier te
lande bekend en de eerste algemene geestelijke adviseur van de r.-k.
werkliedenverenigingen in het aartsbisdom Utrecht werd - hoe kon ook dat
anders? - Schaepman. Hij werd naar zijn eigen getuigenis, ‘een democraat in
eiken druppel van zijn bloed, in elken atoom van zijn beenderen’. Het is
geen toeval dat de jonge Ariëns in die jaren kapelaan in Enschede waar hij een werkzaam aandeel in de arbeidersbeweging
had, een van zijn trouwste volgelingen werd.
En toch: de onomstreden leider is hij ondanks zijn successen nooit geworden.
De schoolstrijd en de kiesrechtstrijd hadden hem in het zadel geholpen, die
over de persoonlijke dienstplicht en de leerplicht wipten er hem weer uit,
al bleef hij formeel tot zijn dood toe voorzitter van de katholieke
kamerclub. Tegen de persoonlijke dienstplicht, voorgesteld door het liberale
ministerie Pierson-Goeman Borgesius (1897-1901) stemden negentien
katholieken. Eén was er vóór: Schaepman. Tegen het leerplichtontwerp van dat
zelfde ministerie stemden alle katholieken op twee na: Schaepman en Kolkman.
‘De teerling is dus geworpen,’ schreef de Limburger
Koerier niet zonder van Schaepman afgekeken pathetiek, ‘de tyrannische
schooldwang is met 50 tegen 49 stemmen in de Tweede Kamer aangenomen. Dat
wil zeggen: één mensch heeft aan honderdduizenden landgenooten het gevloekte
slavenjuk van den leerplicht op den nek getast. Die ééne mensch kan er zich
op beroemen, dat hij het Nederlandsche volk een dwangbuis heeft
aangewrongen. En vraagt gij, wie die ééne mensch is, dan moeten wij u helaas
antwoorden: Dat is dr. Schaepman. Ja waarachtig hij is het.’
De triomfen van 1888 en '89; het rechtse ministerie en de rechtse schoolwet
waren in 1891 uitgewist, toen Schaepman zelfs niet herkozen werd en zonder
kamerzetel zou geweest zijn, indien niet de man van Almelo, dat verder zijn district bleef, voor hem was opgestaan. De
triomfen van '96 en '97: de eenheid der katholieke partij werden in 1900
uitgewist. En de nieuwe triomf van 1901: het ministerie-Kuyper zou niet
Schaepmans triomf meer zijn. Al verleende hij bij de samenstelling wel zijn
diensten, het ministerschap dat hem in zijn jeugddromen had voorgestaan,
kreeg hij toch niet. Hij stond zelfs weer alleen. Sinds 1900 had hij in zijn
Chronica
over Staatkunde en Letteren, die op ongeregelde tijden verscheen,
zijn eigen orgaan. Is zijn verheffing tot huisprelaat, is de lof, hem in de
desbetreffende breve toegezwaaid, is 's pausen toespraak die hem ‘de
trouwste zijner zonen’ noemde, ja is zelfs wel zijn verheffing in 1902 tot
‘protonotarius apostolicus’ voldoende balsem geweest op de schrijnende wonde
van een eenzame die nooit zonder gezelschap kon? Het blijve zijn geheim.
In september van dat jaar is hij nog voor het laatst in zijn vaderland dat
hij tot het vaderland van alle katholieken daar gemaakt had, teruggeweest.
Maar het hart trok naar Rome. Einde 1902 ging hij er weer heen. De
suikerziekte waaraan hij sinds '89 al leed - te veel suiker was gevaarlijk
voor hem, zei hij, toen hij van Persijns
loftuitingen op hem hoorde - sloopte zelfs zíjn krachten. Franse nonnen van
de inrichting waar hij verpleegd werd, wijdden hem de laatste zorgen. Op 21
januari 1903 kwam het einde. ‘Quis non fleret’, | | | |

Het handschrift van Schaepman op het briefje dat hij de dag
voor zijn overlijden te Rome geschreven heeft. Schaepmanarchief, Katholieke Universiteit,
Nijmegen.
| | | | wie weent niet? het waren de woorden uit het ‘Stabat Mater’
die Abraham Kuyper, onder de verse indruk van dit
overlijden naar Rome seinde. Zo ooit, dan had dit keer de minister-president
Kuyper reden om te menen wat hij zei. Maar of de latere ambteloze burger
Kuyper die nog vijftien jaar na zijn aftreden als premier de gelegenheid
gehad heeft het politieke leven van zijn tijd en de steeds wassende invloed
der katholieken daarin gade te slaan - of hem nooit zijn telegram berouwd
heeft? Wie was het ook weer, die gezegd had: wat er goeds en heilzaams is in
de beginselen van Groen van Prinsterer komt der
katholieke kerk ten goede? O ja, die priester, Herman
Schaepman. Quis non fleret?...
|
|
|