Toen Reve nog Van het Reve was


auteur: Hanny Michaelis en Henk Romijn Meijer


bron: Henk Romijn Meijer, Toen Reve nog Van het Reve was. Uitgeverij Joost Nijsen, Amsterdam 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 33]

[IV]

Ik herinner me een enigszins verbouwereerde bespreking van The Acrobat in een Engels zondagsblad, in de toonaard van: ‘Hoe kan iemand die zo over het leven denkt zelf nog leven?’ De vraag is wat truttig en het antwoord hangt nog steeds in de lucht. Ook staat het genoteerd, van bladzij tot moeizame bladzij, regel tot regel.

Wat bij mijn weten nergens genoemd is, is de verwantschap van de verhalen in The Acrobat, in hun uitbeelding van grotesken, religieus geëxalteerde halfgaren, verminkten en idioten, en ook in hun zonderlinge humor en plechtstatige stijl, met het werk van de Amerikaanse schrijfster Flannery O'Connor die veel geheider dan Gerard katholiek was en jong stierf aan de lupus die haar had verlamd. ‘Ik ben niet mystiek van aard en ik leid geen vroom leven,’ schreef ze in een van haar prachtige brieven, verzameld in The Habit of Being. ‘Niet dat ik op belangwekkende of genoegen verschaffende zonden kan bogen (ik ben me te zeer van de duivel bewust)...’ Haar verhalen zijn dikwijls gruwelijk en sardonisch. De Amerikanen zijn met zulke gruwelen wat meer vertrouwd dan de vriendelijke Engelsen en het is dan ook niet zo'n wonder dat het in eerste instantie

[p. 34]

Amerikanen waren die zich geestdriftig toonden over de verhalen en er een of twee opnamen in The Paris Review.

In 1964 ontmoette ik in het huis van Kay Boyle in San Francisco Max Steele, een van de redacteuren van The Paris Review. Het eerste wat hij me vroeg was of ik Van het Reve kende, en of hij nog schreef. ‘Zijn verhalen kwamen voor ons precies op het goede moment,’ zei hij. ‘Ze waren toen precies wat wij zochten.’ Max Steele was, geloof ik, de schoonzoon van Kay Boyle. Hij was een wat onduidelijk persoon van wie mij werd verteld dat hij ‘een of andere gek’ was die ook een beetje knoeide in onroerend goed.

Gerards homosexualiteit was geen gesprekstof in die begintijd, althans niet in mijn bijzijn. Het openhartige lag nog in de kiem besloten. Gerard sprak over rauwe wortels en vitaminen. Hij was in die dagen aan rauwkost verknocht en wist precies hoe je een gezond leven moest leiden. Geen wortel was rauw genoeg, naar zijn smaak. Hij liet me opsommen wat ik al zo op een dag in mijn mond stak, om me daarna te berispen: ‘Dat is helemaal verkeerd, kerel, helemaal verkeerd.’

Het is nooit eenvoudig geweest om goed bij hem te doen. Zijn Engelse periode lag al weer achter hem, het was niet tot een ‘werelddoorbraak’ gekomen. Hij kreeg een geldprijs voor een toneelstuk in manuscript dat hij zelf ‘niet zo erg goed’ noemde. En hij werkte aan een roman over zijn Londense jaren die halverwege bleef

[p. 35]

liggen of in zijn geheel door hem afgekeurd werd. ‘Ik vind het maar een soepje,’ vertelde hij me, en de enkele fragmenten die ik ervan las waren merkwaardig levenloos.

Wat deed hij eigenlijk in Londen? Onduidelijke dingen. Hij werkte er een poos in een ziekenhuis, geloof ik, als zaalknecht of iets dergelijks. Ik vroeg hem eens wat hij gezien had. ‘Geen cultuur,’ zei hij eenvoudig. ‘Als ik ergens in het buitenland ben ga ik het liefst naar buurten als de Zeedijk.’ Cultuur verpestte ook verhalen die bij Tirade binnenkwamen, ‘...en dan zitten er zo gezellig een paar mensen bij elkaar en dan staat er een mooi stukje muziek aan van Bach of van Ravel...’ Wel was hij doordrongen van het marktgebeuren en wist hij van groente en fruit nauwkeurig de prijs. Wanneer iemand een dienst van hem vroeg, iets meenemen uit of naar Nederland, was hij strikt betrouwbaar. Ik weet niet waarom sommige mensen zich over die betrouwbaarheid zo verbaasden. Hij wekte de indruk niet, blijkbaar. Een kennis vertelde me dat hij er in gezelschap bijzat ‘alsof hij helemaal niet begreep waarover we praatten’. Misschien was hij gewoon afwezig of speelde het Engels een rol. Het aantal onderwerpen dat zijn aandacht gaande hield was beperkt en in het Engels werd hij nooit erg bedreven. In ieder geval was degeen die mij het verslag uitbracht communist, wat voor Gerard toen al gelijkstond aan een politiek warhoofd. Hij las bij voorkeur politieke geschriften die het marxisme als waanzin aan de kaak stelden.

[p. 36]

Schrijven was moeizaam, stapvoets, soms pas op de plaats, en dat zou het altijd blijven. ‘Jij zult ook wel een tobber zijn,’ zei hij eens tegen me en dat was voor mij een teken van erkenning, de hoogste lof die ik me kon wensen. ‘Toen De familie Boslowits als boek uitkwam heb ik één komma veranderd,’ zei hij, ‘en die komma heeft me nog dagenlang hoofdbrekens bezorgd.’

Al was Gerard dan misschien niet zo brutaal als Harry Mulisch, wanneer het om het bedingen van geld ging was hij een zwaargewicht. ‘Kijk eens,’ vertelde Geert van Oorschot mij eens vanachter zijn dikke sigaar, verdrietig omdat Gerard zijn heil bij een ander gezocht had (‘een jongen die ik nog op schoot heb gehad’), ‘Gerards standpunt is altijd geweest: voor geld doe ik alles.’ Eerder had ik hem Gerard juist om die eigenschap horen prijzen: ‘Dat is een zeer zakelijke jongen.’ Zelf vertelde Gerard me hoe hij een hoog bedrag voor het vertalen van Pinters The Caretaker had losgekregen. ‘Ik had wel in de gaten dat Pinter mij voor die vertaling wilde hebben.’ Hij werd door mensen bezocht die hem een prijs boden die hen redelijk leek. Hij had die mensen theatraal in zijn kamer heen en weer laten lopen als antwoord op zijn ‘onmogelijke’ eisen en hij had een van hen toegeroepen: ‘Je gulp staat open!’ Door middel van deze en dergelijke beledigingen werd het onmogelijke mogelijk gemaakt.

Van Oorschot had gelijk: hij was een zeer zakelijke jongen. Of hij voor geld alles deed, weet ik niet. Ik heb

[p. 37]

het hem nooit gevraagd en ik hoef het ook niet te weten. Wel heb ik hem gevraagd wat dat voor iemand was, die Pinter. Gerard hield zijn hoofd scheef. Het ging wel, een beetje glad, hij had iets weg van een behendige handelsreiziger.

Wie het gladst van die twee was kan ik niet zeggen, maar in elk geval kreeg Gerard zijn zeer zakelijke bedrag voor een prachtige vertaling waarin een blunder was blijven hangen: ‘Venetiaanse blinden’ voor ‘Venetian blinds’. Zelfs in zijn blunders was Gerard klassiek.