|
|
|
| | | | | |
Over de Muiderkring
L. Strengholt
| |
1. Inleiding
Op het mythische karakter van het oude beeld van de Muiderkring is
al dikwijls de aandacht gevestigd. De Muiderkring als een geregeld
bijeenkomende groep van kunstenaars en geleerden, zowat alle grote geesten van
de vrije Nederlanden in de eerste helft van de zeventiende eeuw omvattend, is
een schepping van de negentiende eeuw. Er bestaan merkwaardige afbeeldingen uit
die tijd, waarop we nagenoeg alle gerenommeerde dichters van de gouden eeuw
bijeenzien; romantische montages waarop b.v.
Bredero en
Huygens met anderen tegelijkertijd om
Hooft en
Vondel geschaard zijn, ofschoon ze elkaar nimmer
ontmoet hebben. En tot in onze tijd leeft b.v. hardnekkig de gedachte voort,
dat
Jan Pietersz Sweelinck een geregelde gast was op het
Muiderslot, ‘lid’ van de Muiderkring.
1
Het vroegere beeld is allang achterhaald. Van Tricht geeft in het
achtste hoofdstuk van zijn biografie van Hooft een genuanceerde beschrijving
van de Muiderkring. Hij gaat van de periferie naar het centrum, en zijn
uitgangspunt daarbij is de identificatie van de Muiderkring met de
vriendenkring van Hooft. In de periferie treffen we Haagse heren als
Nicolaas van Reigersberg,
Willem Staakmans,
George Rataller Doublet,
Apollonius Schotte en
Rochus van den Honerdt. Ook de Veluwse predikanten
Franciscus Martinius en
Conradus Goddaeus worden in die brede rand geplaatst.
Meer naar de kern toe zet Van Tricht figuren als
Jacob van der Burgh,
Johan Brosterhuysen,
Joachim van Wicquefort en
Constantijn Huygens. En de weg van de omtrek naar het
middelpunt voltooiend, schetst hij in gevoelige tinten de vriendschap van
Hooft met
Caspar Barlaeus en, bovenal, met
Maria Tesselschade.
2
De gelijkstelling van Hoofts vriendenkring en de Muiderkring is
veelzeggend genoeg. Van een georganiseerde vaste kring met een uitdrukkelijk
literair streven of een program is geen sprake. Toch geloof ik, dat het woord
‘Muiderkring’ gemakkelijk blijvende misverstanden zal veroorzaken.
Ook bij Van Trichts voorzichtige benadering rijst b.v. de vraag, of het voor
het deelgenootschap in de Muiderkring voldoende is, vriendschappelijke
betrekkingen met Hooft te onderhouden. Ook komt het me voor, dat men niet
genoeg de indruk vermijdt, dat Hooft nog maar nauwelijks zijn ambtswoning in
Muiden betrokken had of er was zoiets als een Muiderkring in
nuce. Nu we door Van Trichts bewonderenswaardige uitgave van | | | | Hoofts correspondentie, gevoegd bij de in de kring van Hoofts vrienden
overgeleverde gedichten, moeiteloos over al het bestaande bronnenmateriaal
kunnen beschikken, is het de moeite waard, nog eens een en ander te
overzien.
De weg ad fontes te gaan is te meer nuttig, waar we in het
lemma ‘De Muiderkring’ in de nieuwe editie van de Moderne
Encyclopedie van de Wereldliteratuur een aantal feitelijke onjuistheden
vinden, die toch weer het voortbestaan van een vertekend beeld zouden kunnen
bewerkstelligen.
3
| |
2. Eén hoofdpersoon
Het ligt in de lijn van Van Trichts tekening van de Muiderkring
erop te wijzen, dat er in zekere zin maar één hoofdpersoon is als
we het begrip definiëren als de vriendenkring van
Hooft: Hooft zelf. Zijn (tweede) vrouw,
Leonore Hellemans, kan men als in hem inbegrepen
beschouwen. Eén hoofdpersoon: de gastheer op het Muiderslot
of in het herenhuis aan de Amsterdamse Keizersgracht. Natuurlijk,
als er een gastheer is, is er op z'n minst ook één gast. Maar
terwijl de naam van de gastheer in dit verband steeds dezelfde is, is de
invulling van de naam van de gasten in beginsel willekeurig. Anders gezegd: er
is geen vaste kring. Er is immers geen georganiseerd verband in deze
‘Cercle de Muyde’, behalve dat er een auteur is die er een gewoonte
van maakt, zijn familie, vrienden en bekenden dikwijls bij zich thuis te
nodigen. Het gevolg van die ruimhartige gastvrijheid is, dat er zich met name
in de zomermaanden op het Muiderslot een va et vient van vrienden en
verwanten voordoet. Het principiële punt is nu, dat de samenstelling van
de ‘kring’ der tegelijkertijd presente gasten in hoge mate
wisselend en bijna altijd toevallig is. Vandaar mijn vraag of er van een
bijeenkomst van ‘de’ Muiderkring gesproken kan worden, als
Hooft een paar vrienden - laten het literatoren zijn -
bij zich aan tafel heeft. Zelf heb ik in mijn Huygens-studies, waar ik
handel over
Huygens' bezoeken aan de Muiderkring, het bezoek van
de jonge Haagse dichter aan Muiden in de zomer van 1621 nog
opgevat als een ‘bezoek aan de Muiderkring’, maar in het licht van
de zojuist geopperde twijfel ben ik daar thans niet meer toe geneigd. In
hetzelfde werk heb ik herinnerd aan het feit, dat Huygens, als hij in de zomer
van 1628 met een groepje familieleden een tochtje door Holland en Utrecht
maakt, op die reis ook in Muiden aanklopt. De Drost ontvangt het gezelschap met
open armen. Hoort zo'n ontmoeting van Hooft en een aantal vrienden nu tot de
activiteiten van de Muiderkring? Mijn antwoord luidt ontkennend.
4
Een ietwat andere invalshoek.
Tesselschade en
Huygens worden tot de intiemste vrienden van
Hooft gerekend.
Geeraardt Brandt herinnert in zijn
Leven van Hooft met name aan hun rol, als hij
spreekt over de beoefening van muziek en zang op het Muiderslot: ‘ook
verstrekte 't Muider Slot meenighmaal voor een zangberg van vroolykheit: daar
de konstighste en lieffelykste keelen, op zyne noodiging, by een vergaarderden;
(inzonderheit als de
Heer van Zuilichem en de zanggierige
Tesselschaede hier hunne uitspanning hadden) om de
verstandighste ooren te streelen, met den galm haarer noten.’
5 De passage noopt tot de vraag: hoe vaak | | | | zijn die twee
nu in vereniging bij
Hooft te gast geweest, al of niet samen met anderen? Uit
de documenten kom ik tot het onthutsende totaal van twee keer: vermoedelijk in
de zomer van 1621 (vergelijk de vorige alinea) en vervolgens twee en twintig
jaar later, in april 1643.
6 Ik sla de
bijeenkomst van een grote groep vrienden te Amsterdam in februari
1640 vooralsnog over; ook daar waren zowel
Tesselschade als
Huygens, maar de gastheer was
Joachim van Wicquefort, niet
Hooft.
7
Het was die befaamde bijeenkomst, waarop Huygens, reeds weduwnaar, zich door
een kring van hem omringende vrouwen liet verbidden om nog wat langer te
blijven. Mag men deze gezamenlijke krokusvakantie in Amsterdam tot het
Muiderkring-gebeuren rekenen? Dat betekent dan wel, dat we abstraheren niet
alleen van de conventionele plaats van handeling (Muiden, of
althans Hoofts woning), maar ook van Hoofts gastheerschap.
| |
3. Muiderkring vanaf 1609?
Temporeel gezien het ruimst vat Brachin het begrip
‘Muiderkring’ op, als hij in de titel van een van zijn artikelen de
jaren 1609 en 1647 vermeldt.
8 Hij geeft daarmee de periode aan dat
Hooft, Drost van Muiden, het Muiderslot
als zijn ambtswoning mocht beschouwen. Ik zou de periode m.b.t. het
functioneren van Hoofts vriendenkring als vrije ontmoetingsruimte van
literatoren en literair geinteresseerden drastisch willen inperken.
In de jaren van Hoofts huwelijk met
Christina van Erp, 1610-1624, zijn er allicht
incidenteel dichters bij Hooft op bezoek geweest, te Muiden of te
Amsterdam. Er is een brief van
Anna Roemers Visscher, vermoedelijk van 1614, waarin
ze aan Christina een boekje van haar vader, de
Sinnepoppen, aanbiedt.
9 Zo'n
contact zal niet op zichzelf gestaan hebben. Het kost me geen moeite me voor te
stellen, dat Anna Roemers, al of niet vergezeld van haar veel jongere zuster,
de Hoofts in Muiden bezocht heeft. In Amsterdam zagen ze elkaar ongetwijfeld
ook, zij het waarschijnlijk eerder ten huize van
Roemer Visscher. We moeten evenwel vaststellen, dat er van
vóór 1621 geen enkel bezoek van
Anna Roemers en
Maria Tesselschade aan Muiden is gedocumenteerd.
Een bezoek waarover wij in de jaren van het bestand wel horen is dat
van
Bredero en
Hugo de Groot aan Muiden, in de nazomer van
1616. Het initiatief kwam van Bredero. Die greep de gelegenheid aan, toen
Grotius voor een bruiloft in Amsterdam verbleef. Van enigerlei
planning is geen sprake. Het bezoek aan Muiden was niet zonder belang. Grotius
kreeg het manuscript van
Baeto mee en gaf korte tijd later zijn oordeel
over het spel.
Hooft schreef op zijn beurt een sonnet op het Delfts
orakel. De ontmoeting bleef dus niet zonder literaire gevolgen. Trouwens, van
dat jaar begint de correspondentie tussen Hooft en De Groot. Hooft zal Bredero
dankbaar geweest zijn voor zijn initiatief. Maar het incidentele karakter van
de ontmoeting springt in het oog en het is wel wat zwaarwichtig om hier nu
ineens de term ‘Muiderkring’ in de mond te nemen.
10
Het ligt ook niet erg voor de hand dat het Muiderslot al in die
jaren een soort van | | | | cultureel centrum zou zijn geweest. Voor zover
het literaire leven in Holland georganiseerd verliep, speelde het zich af in de
steden, wat Amsterdam betreft in de verschillende kamers. En als
het gaat om particulier initiatief binnen de muren van Amsterdam, dan fungeerde
het huis van
Roemer Visscher als ontmoetingsplaats. Er is geen enkel
teken dat
Hooft daarnaast te Muiden met een (zomers)
alternatief kwam.
Voor het gezicht van de Nederlandse letterkunde in de zeventiende
eeuw is de kennismaking van
Huygens met
Hooft van ingrijpende betekenis geweest. Hun eerste
ontmoeting in februari 1619 bleef aanvankelijk zonder gevolg. Eind 1620
schrijft Huygens een uitvoerig gedicht waarin hij de zorg voor de wees geworden
meisjes Visscher aan Hooft opdraagt. Daardoor is Hoofts belangstelling voor de
begaafde Hagenaar voorgoed gewekt. De gedichtenwisseling in de vorm van de
bekende ‘schonckensonnetten’ in het begin van 1621 is, naar we
reden hebben om aan te nemen, te danken aan een initiatief van
Anna Roemers.
11 Zijn we hier dan getuige zo
niet van de geboorte dan toch van de conceptie van de Muiderkring? Bij de
creatie van de sonnetten in kwestie zijn immers niet alleen
Hooft en
Huygens en
Anna Roemers, maar ook
Tesselschade,
Brosterhuysen en
Rataller Doublet betrokken. Hier lijkt iets te ritselen,
weliswaar niet van een bijeenkomst in de letterlijke zin met Hooft als
‘hoofdman’, maar toch van een gemeenschappelijke literaire
activiteit, als een preludium op het literaire verkeer dat we onder de naam
‘Muiderkring’ plegen samen te vatten.
Toch past ook hier terughouding. Als de Muiderkring in beginsel
gegroepeerd is om één figuur, dan is het bij de
‘schoncken’ anders. Daar is veeleer sprake van een ellips, met
Hooft èn
Huygens als de twee brandpunten. Dat wil zeggen dat er
onder de ‘schoncken’ dichters zijn die op dat ogenblik slechts met
een der beide hoofdfiguren in betrekking staan. Dat geldt in elk geval voor
Rataller Doublet en als ik me niet vergis ook voor
Brosterhuysen. Ik tref in de stukken geen teken aan van
persoonlijk of schriftelijk contact van die twee met Hooft. Dit brengt me op de
passage in het lemma ‘Muiderkring’ in de MEW die ik meen te
moeten aanvechten.
12
| |
4. ‘De kern van een vriendenkring’
In dat lemma wordt de oude mythe terecht ontmaskerd: ‘Als
besloten gemeenschap van constante samenstelling met literaire doeleinden
waarvan de leden geregeld vergaderden op het Muiderslot (…) is de
Muiderkring een produkt van 19de-eeuwse fantasie. (…) In werkelijkheid
is de Muiderkring te vereenzelvigen met de uitgebreide vriendenkring van
P.C. Hooft, drost van Muiden, die 's
winters te Amsterdam, 's zomers op het Muiderslot woonde waar hij
en zijn vrouw
Christina van Erp hun gasten ontvingen’.
13 Een en ander is hierboven gereleveerd. Het lemma vervolgt:
‘Anna Roemersd. Visscher behoorde ook tot deze kring. Toen
zij
Hooft en
Huygens met elkaar in contact bracht, en deze laatste
ook zijn Haagse vrienden
George Rataller Doublet,
Jacob van der Burgh,
Johan van Brosterhuysen en
Johan | | | | van Heemskerck, het
“klaverblad van vier”, introduceerde, was de kern ontstaan van een
vriendenkring, die zich onderhield met letterkundig werk en met muziek.’
14
De moeilijkheid is dat er in de jaren die direct volgen op 1621
geen gegevens zijn te vinden die de introductie van dat
‘klaverblad’ ondersteunen. Zeker behoren
Van der Burgh en
Brosterhuysen later tot Hoofts vriendenkring. Maar dan
zijn we in de jaren dertig. Dat
Anna Roemers een obligaat versje schrijft in het
‘collegeboek’ van het viertal, hoeft niet op een nauwe relatie te
duiden, zoals D.H. Smit al in 1933 heeft betoogd.
15
Van Heemskerck heeft in het geheel niet tot de
vriendenkring van
Hooft behoord. Dezelfde D.H. Smit heeft dat met de
stukken aangetoond. In de briefwisseling van Hooft komt zijn naam niet voor.
Gedichten hebben Hooft en Van Heemskerck niet uitgewisseld.
16 Opvallender is,
dat er van een geregelde intieme omgang van Van Heemskerck en
Huygens evenmin bewijs te leveren valt. Ze hebben
elkaar als student in Leiden gekend; Huygens heeft in 1622 in
Londen een kleine bijdrage in Van Heemskercks album amicorum geschreven.
17 Dat is
alles. In de reusachtige briefwisseling van Huygens komt geen enkel epistel van
of aan Van Heemskerck voor. Eén keer, in 1641, doet iemand anders in een
brief aan Huygens een goed woordje voor hem om hem aan een of andere betrekking
te helpen. Zoiets doet ook niet bepaald aan vertrouwelijkheid denken.
18
Tenslotte
George Rataller Doublet. Van het
‘klaverblad’ is hij de enige Hagenaar. Hij is de jongste zoon van
Philips Doublet (overl. 1612), ontvanger-generaal der
Unie, uit diens tweede huwelijk met
Cornelia Rataller. Hij moet geboren zijn in 1599 of
1600. Uit het eerste huwelijk van zijn vader was o.a. Philips Doublet
(1590-1660) geboren, die van 1619-1629 rentmeester van de Espargne was,
vervolgens, in opvolging van zijn oudste broer Jan (1580-1650),
ontvanger-generaal der Unie. Die post was blijkbaar zoveel als familiebezit. In
1632 werd deze Philips Doublet zwager van Huygens door zijn huwelijk met
Geertruyd Huygens.
George Rataller Doublet studeerde rechten te
Leiden (sinds 1615) en reisde in de jaren 1621-1625 dor Engeland,
Frankrijk en Italië.
19 Hij schreef twee ‘schoncken’, hetgeen hem doet
kennen als vriend van
Huygens.
20 Hij was in zijn studiejaren bijzonder bevriend met
Van Heemskerck, zoals uit de poëzie van de
laatste blijkt.
21 In 1629 nam hij van zijn halfbroer Philips de
betrekking van rentmeester van de Espargne over. In 1640 werd hij lid
van de Hoge Raad, in 1653 - na de dood van zijn drie zoons - lid van de
‘Chambre-Mipartie’ te Mechelen. Kort na zijn terugkeer uit
Mechelen stierf hij te Den Haag, 30 april 1655. Van
zijn verblijf in Mechelen heeft hij een om veel redenen interessant dagboek
bijgehouden, waarover Fruin een en ander geschreven heeft.
22 Behalve de twee ‘schoncken’ kennen we van hem nog drie
sonnetten: een in het album amicorum van
Petrus Scriverius, een in het album van zijn
vriend
Van Heemskerck, en een dat als lofdicht fungeert voor
Huygens'
Dagh-werck.
23 Deze gedichten getuigen
van zijn voorliefde voor een vernuftige poëzie-stijl.
Ik sta wat langer stil bij deze figuur, omdat zijn opneming in de
Muiderkring door de literatuurhistorici illustratief is voor de manier waarop
zoiets toegaat.
Geeraardt Brandt rekent
Doublet tot de ‘voornaamste’ onder
‘zyn gemeen- | | | | zaamste vrienden’, samen met enige andere
leden van de Hoge Raad.
24 Dat lijkt in
de traditionele manier van denken m.b.t. de Muiderkring al ruimschoots
voldoende. Maar waarop berust Brandts opsomming? Ongetwijfeld op de brieven die
hij kende. Inderdaad behoort
Doublet tot Hoofts correspondenten. Eerst is er alleen
sprake van ambtelijk contact.
25 In
1631 ontvangt
Hooft in dat ambtelijke kader een brief van
‘Joris’ Doublet die van direct belang is voor mijn beschouwingen.
Doublet spreekt de hoop uit, ‘dat, waer andersints brieven pleghen
vruchten te zijn van voorhands geslotene vrientschap, een omslach (dit woord
refereert aan Hoofts voorafgaande briefje, dat alleen ter begeleiding van een
stuk diende) mettertijt tot een brieff opgroeijen sal, ende brieven middelaers
werden, om UEd vrientschap uijt te wercken’.
26 Duidelijker kan het niet: anno 1631 waren Hooft en Doublet
geen vrienden; Doublet hoopt slechts, dat er een briefwisseling zal ontstaan
die mettertijd zal kunnen uitgroeien tot vriendschap. Dat schrijft Doublet op 3
oktober 1631, tien jaar na de vermeende introductie van deze Hagenaar in Hoofts
vriendenkring. De correspondentie heeft na 1631 overigens inderdaad een
persoonlijker karakter gekregen. Wie weet hebben de heren elkaar in Den
Haag ook wel eens ontmoet. In 1642 stuurt Hooft een exemplaar van zijn
pas verschenen
Histoorien aan Doublet. Diens reactie is weer
veelzeggend. Hij zet omstandig uiteen, dat hij aarzelt het geschenk aan te
nemen: hij mag als rechter (in de Hoge Raad immers) geen geschenk aanvaarden
van iemand die (zoals Hooft op dat moment) partij is in een geding.
27 Voorts merk ik op, dat er geen enkel bewijs is dat
Doublet ooit Hooft in Amsterdam of Muiden bezocht
heeft, laat staan dat hij aan een ‘kringbijeenkomst’ heeft
deelgenomen. Eénmaal leek het er bijna van te komen. In februari 1640
doet
Huygens een poging om Doublet mee naar Amsterdam te
krijgen, naar de ‘kring’ ten huize van
Wicquefort. We weten dat uit Doublets weigering. De
geletterde vrienden zouden mijn aanwezigheid moeten vrezen, zo schrijft hij aan
Huygens. Hij zinspeelt op redenen tot droefenis, waarschijnlijk gelegen in de
dood van zijn vrouw in mei van het voorgaande jaar.
28
George Rataller Doublet heeft, voor zover onze kennis
reikt, nimmer een bezoek aan
Hooft gebracht, nimmer een bijeenkomst van (een deel
van) Hoofts vriendenkring bijgewoond. We mogen, zo luidt mijn conclusie, niet
zo maar alle door
Brandt opgesomde relaties van Hooft, zelfs als hij van
de ‘gemeenzaamste vrienden’ spreekt, in de Muiderkring
onderbrengen. En de introductie van het ‘klaverblad van vier’ als
beslissend moment in het ontstaan van ‘de kern van een
vriendenkring’ vindt geen steun in de beschikbare gegevens.
| |
5. Het begin van de jaren dertig
Als er al zoiets bestaan heeft als een literaire kring om Hooft,
dan valt het begin daarvan heel wat later dan de literatuurgeschiedenis ons
lange tijd heeft willen doen geloven. Wanneer we afzien van het bezoek van
individuele literaire connecties van
Hooft aan Muiden en als bepalend
beschouwen, dat Hooft een aantal vrienden opzettelijk tegelijk inviteert,
alsmede dat een aantal vrienden gezamenlijk aan die uit- | | | | nodiging
gehoor geeft, dan komen we terecht in het begin van de jaren dertig. In 1631
probeert Hooft voor de eerste maal een logeerpartij in Muiden tot iets meer te
maken dan een individuele aangelegenheid. Aan zijn zwager
Joost Baeck schrijft hij, dat
Maria Tesselschade in Muiden is. Nu nodigt hij niet
alleen Baeck en zijn vrouw uit, maar via hem ook
Reael.
29 Een dag later horen we uit een volgende brief aan
Baeck, dat er van de vijf of zes paar vrienden die Hooft aangeschreven heeft,
maar één komt: neef
Joachim van Wicquefort.
30 De
gemeenschappelijke logeerpartij ging dus niet door. Overigens weten we niet wie
er allemaal geïnviteerd waren. De enige letterkundige namen zijn die van
Tesselschade en Reael. Mogen we Baeck ook nog tot de literatoren rekenen, dan
geldt dat toch niet zonder meer voor alle verwanten van
Hooft, hoe geregeld ze ook in Muiden te gast
waren.
Van 1632 is er een brief, afkomstig van Hoofts neef
Pieter Janszoon Hooft, die meldt dat hij een
uitnodiging om naar Muiden te komen heeft overgebracht aan
Vossius en
Barlaeus. We lezen, dat de heren professoren i.v.m.
hun colleges op z'n vroegst de eerstkomende zaterdag kunnen verschijnen. Ze
hebben ook beloofd dat te doen, als het weer althans niet tegenwerkt, maar ze
willen 's avonds weer thuis zijn. Of het bezoek is doorgegaan weten we niet.
31
Pas in het jaar 1633 is er de allereerste geattesteerde
bijeenkomst van kunstzinnige vrienden op het Muiderslot, die ook als zodanig
‘ervaren’ werd. Op 7 juli nodigt
Hooft Maria Tesselschade en haar man uit, ook
Francisca Duarte en haar echtgenoot (evenals
Tesselschade in Alkmaar woonachtig), verder
Daniël Mostaert,
Jacob van der Burgh en
Johan Brosterhuysen.
32
Tien dagen later volgt een invitatie aan
Baeck.
33 Op 23
juli meldt Brosterhuysen aan
Huygens, die op dat ogenblik niet in het leger maar
ziek thuis is, dat hij naar Muiden gaat. Zijn formulering is m.i.
beslissend voor de vaststelling, dat het hier werkelijk om een artistieke
gebeurtenis te doen is. Hij schrijft: ‘morgen op sondagh hoop ick nae
Amsterdam te trecken en van dae(-) nae Muijden,
alwaer de heer Drossaert de Cunst ghedaghvaert heeft om de Duijvel een been af
te singhen en te rijmen, vrees ick; de Juffrouwen
Tesselschae en
Francisca sitten der al en quinckeleren aen gheen
groen' heijde.’
34 Uit de
correspondentie van die weken valt af te leiden, dat inderdaad bij
Hooft te gast waren:
Tesselschade,
Francisca Duarte,
Van der Burgh en
Brosterhuysen. Dat was de laatste week van juli. Op 1
augustus meldt Hooft aan de inmiddels vertrokken Tesselschade, dat ze haar
muiltjes vergeten heeft. Het is een van Hoofts befaamdste brieven. Hij deelt
ook mee, dat
Brosjen en
Burghjen kort na Tesselschade eveneens weggegaan zijn.
De brief maakt duidelijk, dat Tesselschade en Duarte voor het gezelschap
gezongen hebben.
35
Laten we dit een bijeenkomst van Hoofts vriendenkring noemen. Maar
laten we tevens noteren, dat er maar een klein deel van die kring in
participeerde. Van ‘de’ Muiderkring zou ik zelfs bij deze
gelegenheid nog maar nauwelijks durven te spreken.
Dat doet aan de betekenis van deze zomerse samenkomst niets af. De
poëzie van
Hooft moet onderwerp van gesprek geweest zijn. Dat
blijkt uit het feit, dat Hooft in het najaar van 1633 aan
Baeck vertelt over het ‘verschrijven’ van
zijn poëzie. Dat doet hij, zegt hij, op verzoek van
Brosterhuysen en
Van der Burgh, die | | | | aangeboden hebben zijn
gedichten uit te geven.
36 We
mogen aannemen dat die twee vrienden hun aanbod tijdens het zomerse verblijf
enige maanden tevoren hebben gedaan. De in 1636 door
Van der Burgh bezorgde bundel
Gedichten mag als een vrucht van de
logeerpartij van juli 1633 worden beschouwd.
| |
6. 1634-1647
Het spreekt vanzelf, dat
Hooft in de zomer van het volgende jaar uitzag naar
een herhaling van het vrolijke bijeenzijn. Hoe ontijdig de uitnodiging voor die
zomer van 1634 voor
Tesseltje kwam (of liever: gekomen zou zijn - de brief
werd nog te rechter tijd niet naar Alkmaar verzonden), is
overbekend.
37 Zij had, toen Hooft de brief
opstelde, juist haar dochtertje en haar man verloren. Desondanks probeert Hooft
een reeks vrienden tot een gemeenschappelijke vakantie op het Muiderslot te
bewegen. De invitatie aan Baecks adres is ook bestemd voor
Vossius,
Barlaeus en
Mostaert.
38 In
juli wordt de uitnodiging herhaald. Op 21 juli deelt Hooft aan zijn zwager mee,
dat de professoren geweest zijn, Mostaert eveneens.
39 De
bijeenkomst omvatte aldus opnieuw niet meer dan een segment van Hoofts
vriendenkring.
In september van hetzelfde jaar wordt
Baeck nog eens genodigd, nu op ‘een' Poetschen
maeltijdt’.
Vondel heeft namelijk toegezegd, het vijfde boek van
zijn
Constantinade te zullen voorlezen. Hooft verwacht
ook de
arts Pauw uit Alkmaar.
40
Is de laatste ‘zitting’ doorgegaan - we lezen er verder
niets over -, dan zijn er dus twee ‘bijeenkomsten’ geweest in 1634:
in juli en in september. Het is karakteristiek, dat het gaat om geheel
verschillend samengestelde gezelschappen, daargelaten de gastheer. Ook hier
valt derhalve niet van ‘de’ Muiderkring te spreken. Buitendien:
tenminste twee van de in de conventionele Muiderkring-voorstelling figurerende
personages,
Tesselschade en
Huygens, schitteren door afwezigheid.
Tekenend voor Hoofts behoefte aan gezelschap in de zomerse
eenzaamheid van Muiden is de wijze waarop hij
Vossius in de vroege zomer van 1635 naar Muiden tracht
te lokken. Hij mag zijn boeken meenemen, hij krijgt een eigen werkkamer,
Hooft zal gelukkig zijn met de enkele tafelspraak.
41 We
weten niet of de hooggeleerde Vos de verleiding heeft kunnen weerstaan.
In juli 1636 is er wat we een echt bijeenzijn van de Muider vrienden
zouden kunnen noemen, op voorwaarde dat we ook nu een segment uit Hoofts
vrienden- en verwantenkring voldoende achten om in deze termen te spreken.
Huygens was medio juli met zijn vrouw in
Amsterdam met het oog op een bruiloft in de familie. Met een
aantal Amsterdammers gaan ze ook een dagje Muiden ‘d
oen’. De reisgenoten zijn - al of niet met hun eega's -
Barlaeus,
Vossius,
Wicquefort,
Bartolotti,
Baeck en
Huygens.
42 De dag eindigt letterlijk stormachtig en een deel van het gezelschap
durft de terugreis over de Zuiderzee niet aan, hetgeen leidt tot het steekspel
in Latijnse verzen tussen
Huygens en
Barlaeus over de watervrees van de laatste. Men heeft al
opgemerkt, dat
Tesselschade ontbrak op dit appèl. Haar treffen
we later in die zomer te Muiden, in augustus, en
Hooft probeert met haar | | | | presentie opnieuw
enige geletterde vrienden -
Barleus,
Mostaert,
Vossius,
Baeck - naar Muiden te tronen.
43 Er is niets
dat erop duidt dat hem dat lukte.
In 1637 zijn er geen tekenen van een bijeenzijn van enige van de
vrienden op het Muiderslot. In 1638 vinden we in de zomermaanden op wisselende
tijden diverse gasten bij
Hooft:
Tesselschade,
Barlaeus,
Mostaert, een paar verwanten; maar niet tegelijkertijd
in een georganiseerde ‘kring’. Kenmerkend is wat Barlaeus, terug in
Amsterdam, schrijft ter verontschuldiging over zijn te lange
verblijf in Muiden: ‘Maar mij hield vast de zoete omgang met zovele
elkander almaar aflossende vrienden’.
44 Het was een gaan en komen, als in een vakantieoord voor de
culturele elite.
Voor 1639 ontbreken harde gegevens. Iets heel anders is, dat
Huygens zijn
Dagh-werck in afschrift naar
Amsterdam zendt om het er te laten lezen door
Hooft,
Vondel,
Baeck en
Mostaert.
45 De
gezamenlijke lectuur heeft plaatsgevonden ten huize van
Barlaeus.
46
De bijeenkomst van de vrienden in februari 1640 in
Amsterdam is de eerste die
Huygens bijwoont na de dood van zijn vrouw in 1637.
Hierboven kwam dit gebeuren al even aan de orde in verband met
Doublet. Ik heb in mijn Huygens-studies hier van
een samenkomst van de Muiderkring gesproken.
47 Ik heb daarbij verzuimd er de aandacht op te vestigen, dat
Wicquefort als gastheer optrad. Wie waren er present? In
zijn Latijnse gedicht vooraf noemt
Huygens:
Barlaeus,
Vossius,
Vondel,
Hooft (‘hoofd en kooraanvoerder van allen’ -
dat wel!) en
Wicquefort (‘welsprekend gastheer van
allen’).
48
Tesselschade was er eveneens, getuige een gedicht van
Barlaeus;
Jacob van Campen vermoedelijk ook.
49 Er is een
vriendenkring bijeen die nagenoeg identiek blijkt met de kring van
Hooft. Wat evenwel opvalt is, dat
Vondel er is. Dat zal, gezien de verkoeling die er in
deze tijd begon te komen in de verhouding tussen hem en Hooft, nu juist te
danken zijn aan de omstandigheid dat niet Hooft de gastheer was. Zo'n
bijkomstigheid is de plaats van handeling dus toch ook weer niet. Het valt mij
daarom moeilijk, hier zonder reserve de term ‘Muiderkring’ of zelfs
maar ‘kring van Hooft’ te bezigen.
Dat het besef van een Muider vriendenkring bestond, ontken ik
daarmee niet. In het najaar van 1642 meldt
Barlaeus aan
Van der Burgh, dat over veertien dagen amicorum
comitia bijeen zal komen.
50 Was
Hooft van plan de verschijning van zijn
Histoorien te vieren? Het is moeilijk om aan die
indruk te ontkomen. Er speelde overigens een bruiloft doorheen in Barlaeus'
familiekring.
51
Huygens, die kort tevoren zijn broer verloren had,
excuseerde zich voor al die festiviteiten. Dat hij
‘Muijden’ noemt, terwijl Hooft met de zijnen de winter
in Amsterdam doorbrengt, bevestigt, dat de naam
‘Muiden’ in deze jaren bezig is een begrip te worden.
52 Dat effect had Hooft dan toch met zijn royale gastvrijheid
in de jaren dertig bereikt.
Het is er in de laatste maanden van 1642 kennelijk niet van gekomen,
maar in april 1643 is het weer zover, voor het eerst sinds 1636 eigenlijk als
we op de overgeleverde feiten afgaan: op het Muiderslot is een culturele
vriendenkring van
Hooft bijeen. Er zijn, behalve Hooft en zijn vrouw:
Huygens,
Barlaeus,
Tesselschade; een paar nieuwe gezichten uit Den
Haag, uit de ‘kring van Huygens’:
Anna Treslong,
Leonora Treslong en
Maria Charlotte van Dorp; verder
Wicquefort en de nieuwe | | | | ster aan het
literaire firmament,
Jan Vos.
53 Er zijn versjes bewaard die getuigenis afleggen van een gezellige
sfeer als onder goede vrienden.
54 Die spreekt ook uit de
‘obligatie’ die
Huygens mede namens de andere Hagenaars na afloop aan
Hooft stuurt: ze verbinden zich, er het volgend voorjaar
weer te zijn.
55
Anderhalf jaar nadien, op 30 augustus 1644, stuurt het dan op het
Muiderslot verblijvende gezelschap (buiten Hooft en zijn vrouw zijn dat:
Tesselschade,
Barlaeus,
Dirck Graswinckel en
Jan Vos; ook Tesselschades enig overgebleven dochter
Maria was er
56) aan
Huygens, die zich dan in het leger voor Sas van
Gent bevindt, een schertsende herinnering aan de aangegane verplichting.
57 Een kring van Hoofts vrienden, stel ik
vast, maar: opnieuw een segment, en dat in een tevoren niet eerder vertoonde
samenstelling.
Uit het voorjaar van 1645 stamt wat men wel genoemd heeft het enige
ooggetuigeverslag van de gesprekken in de Muiderkring. Het is afkomstig van de
predikant van Epe op de Veluwe,
Franciscus Martinius, die in februari 1645 een paar keer
aan Hoofts tafel meeat.
58 Aanwezig
waren ook
Vossius,
Barlaeus en een hoogleraar van de Sorbonne,
Poirier. Martinius wordt om deze twee keer tafelen bij
Hooft tot de periferie van de Muiderkring gerekend. Daar
is dus niet erg veel voor nodig.
In de zomer van datzelfde jaar is het weer een zaak van de komende
en de gaande man op het Muiderslot, het gewone beeld van een zomervakantieoord.
59 In het najaar
meldt
Barlaeus aan
Huygens, dat hij diens gedicht
Ad Antverpiam heeft gelezen samen met
Hooft,
Vossius,
Mostaert en
Vondel.
60 Dat zal, gezien de aanwezigheid van de
laatstgenoemde, niet ten huize van Hooft geschied zijn.
In het laatste jaar voor Hoofts dood, 1646, treffen we
Tesselschade nog eens te Muiden, eind
augustus.
61 Of Hoofts invitaties uit diezelfde tijd
aan andere vrienden opgevolgd zijn, blijft in het duister. Een bijeenkomst van
(een deel van) Hoofts vriendenkring is voor 1646 niet geattesteerd.
| |
7. Besluit
Het ongrijpbare diffuse karakter van de realiteit die we gewoon
zijn aan te duiden met de naam ‘Muiderkring’ is ons nog weer eens
duidelijk geworden. Het is inderdaad de naam voor de wisselende kring van
Hoofts culturele vrienden, die in allerlei combinaties bij hem aten, soms ook
overnachtten, genoten van muziek en zang. Onder de vrienden van
Hooft leeft, naar we zagen, een zeker bewustzijn van
een ‘Muider vriendenkring’. Dat was te danken aan de logeerpartijen
op het gastvrije Muiderslot, die klaarblijkelijk bij degenen die eraan
deelnamen reeds iets van een lichte roes bewerkstelligden als ze b.v. een
uitnodiging voor een nieuwe bijeenkomst ontvingen. Op het karakter van
gezellige logeerpartijen moet echter de volle nadruk vallen. Van een literaire
kring met een doelstelling en een werkprogram is in geen enkel opzicht sprake.
Voor zover de term ‘bijeenkomsten’ op zijn plaats is, blijft toch
waar dat het doel gelegen was in de ‘recreatie’, de ontspanning,
onder de leus A demain les affaires. Dat is niet de leus van een
gesloten groep van literatoren die Holland hoog willen opstoten in de vaart der
volken, veeleer van mensen | | | | die de vaart van Holland temidden der
volken voor een ogenblik wensen te vergeten voor de genoegens van een geleerde
of geestige conversatie, muziek en zang en een goede maaltijd.
Wil men van een kern in de vriendenkring van
Hooft spreken, op grond zowel van presentie op het
Muiderslot als van de omvang en de aard van de briefwisseling met Hooft, dan
behoren daartoe
Tesselschade,
Huygens,
Barlaeus,
Vossius,
Van der Burgh,
Brosterhuysen,
Mostaert,
Wicquefort en
Baeck. Significant is, in hoge mate, dat er geen
enkele ‘bijeenkomst’ van Hoofts vriendenkring te noemen is waarop
deze intimi alle tegelijk present waren.
De term ‘Muiderkring’ roept te zeer de suggestie op,
dat we te doen hebben met meer dan in wisselende samenstelling bij
Hooft logerende vrienden. Ik geloof dan ook dat we er
verstandig aan zouden doen, de term af te schaffen en te vervangen door
‘de vriendenkring van Hooft’. Het losse, ongeorganiseerde, niet op
een literair doel gerichte en niet geprogrammeerde karakter van de daarmee
aangegeven werkelijkheid komt zo veel duidelijker tot uitdrukking.
Voor mijn zeer gewaardeerde collega Keersmaekers hoefde ik een en
ander niet uit de doeken te doen. Zijn kennis van zaken en helder inzicht met
betrekking tot de zeventiende-eeuwse literatuur zijn alom bekend. Hij moge deze
bijdrage beschouwen als een teken van collegiale erkentelijkheid voor het feit,
dat schrijver dezes mag behoren tot al was het maar de periferie van zijn
vriendenkring.
|
1Sweelinck geen lid van de Muiderkring, vgl.
B. van der Sigtenhorst Meyer in NNBW, X, Leiden, 1937, kol. 1000-1003;
desondanks heet hij in
Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491
gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam, 1977, p. 18,
toch weer ‘een graag geziene èn gehoorde gast’ in de
Muiderkring. Sweelinck overleed in oktober 1621.
2H.W. van Tricht,
Het leven van P.C. Hooft, 's-Gravenhage,
1980, p. 171-194.
3A.G.H. Bachrach, G.J. van Bork e.a. (red.),
Moderne Encyclopedie van de
Wereldliteratuur, VI, Haarlem; Antwerpen, 1982 2, p.
276.
4L. Strengholt,
Huygens-studies, Amsterdam, 1976, p.
127-140.
5G. Brandt,
Het leven van Pieter Corn. Hooft en de
Lykreeden, P. Leendertz Jr. (ed.), 's-Gravenhage, 1932, p.
31-32.
6Vgl. L. Strengholt,
Huygens-studies, p. 127-140.
7Vgl. J.A. Worp,
Een onwaerdeerlycke Vrouw. Brieven en verzen van en aan
Maria Tesselschade, 's-Gravenhage, 1918, p. 199, r. 2 en 3 van
Huygens' gedicht
Ad amicos Amstelodamenses mox adeundos.
8P. Brachin, Le cercle de Muiden (1609-1647)
et la culture française, in ID., Faits et valeurs, Den Haag,
1975, p. 99-131.
9H.W. van Tricht,
De briefwisseling van Pieter Corneliszoon
Hooft, I, Culemborg, 1976, p. 234, brief nr. 74.
10H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, I, p.
271, brief nr. 95; p. 273, brief nr. 97; p. 274, brief nr. 98; p. 286, brief
nr. 104. Het sonnet van Hooft op Grotius in P.C. Hooft,
Sonnetten/Reden van de Waerdicheit der Poesie,
P. TUYNMAN (ed.), Amsterdam, 1971, p. 31 (en vgl. p. 82 voor de datering: 3
sept. 1616).
11Vgl. B.C. Damsteegt,
De schonckensonnetten, in ID., Van Spiegel tot
Leeuwenhoek, Leiden, 1981, p. 49-78.
13Moderne Encycl. Wereldlit., VI, p.
276.
15D.H. Smit,
Johan van Heemskerck 1597-1656, Amsterdam,
1933, p. 34.
17Album amicorum Johan van
Heemskerck (KB Den Haag, sign. 131H7), f. 133r.
18J.A. Worp,
De briefwisseling van Constantijn Huygens
(1608-1687), III, 's-Gravenhage, 1914, p. 278, brief nr.
2983.
19P.J. Blok in NNBW, VII, Leiden, 1927,
kol. 379-380.
20B.C. Damsteegt, het in noot 11 genoemde
werk.
21Vgl. D.H. Smit, in zijn monografie over Van
Heemskerck, p. 47-50.
22Fruin,
Verspreide Geschriften, IV, p. 195
e.v.
23Album amicorum Petrus
Scriverius (KB Den Haag, sign. 133M5), f. 162r (d.d. 27 juli 1621);
Album amicorum Van Heemskerck (cf. noot 17), f.
98v.; f. L. ZWAAN,
Dagh-werck van Constantijn Huygens,
Assen, 1973, p. 20-21.
24G. Brandt,
Leven van Hooft, p. 32.
25Fruin, heeft er al op gewezen, dat de brieven
van Hooft ‘Aen M Doublet Rentm r vande Espargne’ (bij
H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, I, de nrs. 213 en 310) niet aan Rataller
Doublet gericht zijn, maar aan zijn ambtelijke voorganger, zijn halfbroer
Philips. Hoofts oudste brief aan ‘Joris’ Doublet is van 28 sept.
1631 (H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, II, p. 248, nr. 484).
26H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, II, p.
251, nr. 486.
27H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, III, p.
457-459, nr. 1133.
28J.A. Worp, Briefw. Huygens, III, p.
10-11, nr. 2315.
29H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, II,
p. 227, nr. 470.
30Ibid., p. 228-229, nr. 471.
31Ibid., p. 347, nr. 535.
32Ibid., p. 426-427, nr. 580.
33Ibid., p. 433, nr. 584.
34Ibid., p. 435, nr. 585.
35Ibid., p. 439, nr. 587.
36Ibid., p. 470-473, nr. 604.
37De brief aan Tesselschade in Ibid.,
p. 511, nr. 628; vgl. p. 516-517, nr. 631.
38Ibid., p. 518-519, nr. 632.
39Ibid., p. 543, nr. 646.
40Ibid., p. 559-560, nr. 655.
41Ibid., p. 634-636, nr. 698.
42Vgl.
De gedichten van Huygens, III, p. 5, noot
3.
43H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, II, p.
837-838, nr. 813; p. 841-842, nr. 815; p. 851-852, nr. 824.
44H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, III, p.
72-74.
45Ibid., p. 107-108, nr. 943.
46Ibid., p. 109, nr. 944.
47L. Strengholt, Huygens-studies, p.
132.
48J.A. Worp, Onwaerdeerlycke Vrouw, p.
199.
50Ibid., p. 440, nr. 1121.
51Vgl. ibid., p. 441-442, nr. 1122.
52Cf. ‘Kom' ick te Muijden niet, ick kom'er
met mijn Hert’ (Huygens d.d. 6 december 1642 aan Leonora
Hellemans).
53Gedichten van Huygens, III, p.
277.
54Cf.
Stenen Antwoort van Tesselschade, niet van
1640, maar van 1643, in reactie op Huygens' ‘Verleider van Gods
Volck…’, eveneens van april 1643. Vgl. P. Minderaa,
Een geestige pennestrijd tussen Tesselschade en
Huygens, in Revue des langues vivantes/Tijdschr. voor levende
talen, 33, 1967, p. 115-123.
55Gedichten van Huygens, III, p.
276-277.
56H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, III, p.
611, nr. 1223.
57Vgl. Huygens' antwoord in Gedichten van
Huygens, III, p. 321-323.
58H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, III, p.
657, nr. 1251; p. 658-659, nr. 1252; p. 697-700, nr. 1275.
59Vgl. b.v. in H.W. van Tricht, Briefw.
Hooft, III, de nrs. 1279 (p. 707) en 1280 (p. 708).
60J.A. Worp, Briefw. Huygens, IV, p.
260-261, nr. 4214.
61H.W. van Tricht, Briefw. Hooft, III, p.
761, nr. 1312; p. 762, nr. 1313.
|
|