|
|
|
| |
| | | |
III. Griekenland
Gedurende de laatste eeuwen van het tweede millennium v.C. hadden grote
economische en politieke verschuivingen plaats in het gebied rondom de
Middellandse Zee. In een woelige en ongetwijfeld vaak gewelddadige atmosfeer
werd het Bronzen Tijdvak naar het verleden geschoven en vervangen door het
IJzeren, het tijdvak waarin we nog heden verondersteld worden te leven. Over
deze periode zijn maar weinig bijzonderheden bekend, maar het is de tijd van
saga's, de tijd der Homerische liederen, de tijd van Mozes. Tegen het einde van
deze periode van volksverhuizingen en oorlogen, misschien omstreeks 900 v.C.,
blijken de rijken der Minoërs (Kreta), der Myceners en der Hittieten
(N. Klein Azië) verdwenen en de macht van Egypte en
Babylonië sterk verminderd te zijn. Nieuwe volkeren verschijnen nu op
het wereldtoneel op de plaats waar wij ze historisch kennen, volkeren als de
Israëlieten, de Foeniciërs, de Assyriërs en de
Hellenen of Grieken. Deze vervanging van brons door ijzer voor werktuigen voor
dagelijks gebruik veranderde niet alleen de kunst van het oorlog voeren, doch
ook het hele economische en politieke leven. Het gebruik van werktuigen werd
goedkoper, gemakkelijker en meer doeltreffend, zodat het sociale surplus groter
werd, wat weer handel en nijverheid bevorderde en de belangstelling van bredere
kringen dan een eng verbonden bureaucratie in politieke, economische en ook
technisch-wetenschappelijke vragen vergrootte. Twee grote uitvindingen
illustreren deze veranderingen: die van het alfabet en die van het geld. Het
alfabet verving de onhandige schrijfwijze die in de oudere periode gebruikelijk
was, wat het lezen en schrijven vergemakkelijkte, ook voor niet-geleerden. De
invoering van het gemunte geld bracht grote veranderingen in het oude
ruilverkeer, wat de handel en ook de belangstelling in het rekenen en in de
aardrijkskunde bevorderde. De tijd was aangebroken waarin de beschaving niet
zonder meer het uitsluitend bezit van een beambtendom kon blijven.
Aanvankelijk brachten de aanvallen van de ‘zeerovers’,
zoals sommige dezer trekkende volkeren in de Egyptische teksten worden genoemd,
meer culturele verliezen dan winsten. De Minoïsche beschaving op
Kreta verdween, de kunst van Egypte ging achter- | | | | uit, Babylonische en
Egyptische wetenschap stagneerden eeuwen lang. Wij kennen geen wiskundige
teksten uit deze overgangsperiode. Toen na eeuwen het leven der volkeren wat
stabieler werd, herstelden sommige rijken van het Oude Oosten zich weer, min of
meer in traditionele banen. Maar nu was het toneel geopend voor een geheel
nieuwe vorm van beschaving, die van de Grieken.
De steden die langs de kust van Klein Azië, van Zuid-Italië
en in het eigenlijke Griekenland ontstonden, waren in hoofdzaak niet langer
administratieve centra van een irrigatie-economie. Zij waren in de eerste plaats
handelscentra, waarin de feodale heren van de oude stempel hadden te strijden
met een onafhankelijke, politiek zelfbewuste klasse van kooplieden; een strijd
die ze op den duur moesten verliezen. Deze koopliedenklasse werd gedurende de
zevende en zesde eeuw v. C. steeds machtiger, maar had nu zelf te kampen met de
kleinere handelaren en ambachtslieden, de demos. Zo ontstond
de Griekse polis, de zichzelf besturende stadstaat, een nieuw
maatschappelijk experiment, verschillend niet alleen van steden zoals Thebe of
Babylon, doch ook van vroegere stadstaten als we in Soemerië en
andere Aziatische landen hebben aangetroffen. Tot de meest belangrijke Griekse
stadstaten behoorden Milete en andere steden in Ionië aan de
Klein-Aziatische kust van de Middellandse Zee, wier handel zich uitstrekte tot
de kusten van de gehele Middellandse en Zwarte Zee, tot Mesopotamië,
Egypte, Scythië (het tegenwoordige Z. Rusland) en nog verder
verwijderde landen. Er waren ook steden aan andere kusten die in aanzien en
rijkdom de Ionische evenaarden, b.v. Corinthe en later Athene in het eigenlijke
Griekenland, Croton en Taras (Tarente) in Zuid-Italië, Syracuse op
Sicilië.
Deze nieuwe maatschappelijke orde bracht een nieuw soort mensen voort. De
koopman-vaarder en reiziger had zelden zo veel onafhankelijkheid gekend, maar
hij wist ook dat deze onafhankelijkheid alleen door constante en harde strijd
verkregen en behouden kon worden. In zijn gedachtenwereld was weinig ruimte voor
het statische, het behoudende, dat zoveel in het Oosten kenmerkt. Hij leefde in
een tijdperk van aardrijkskundige ontdekkingen dat enigszins doet denken aan dat
van het zestiende-eeuwse Europa; hij erkende noch absolute monarchie noch enige
andere macht geworteld in een statische Godheid. Bovendien kon hij zich tijd
gunnen voor verpozing en tot nadenken: het gevolg van rijkdom en althans
gedeeltelijk, van slavernij. Hij kon over die nieuwe wereld filosoferen, wat, in
de afwezigheid van een diep gewortelde godsdienst, vaak de bewoners van deze
kuststeden tot de een of andere | | | | vorm van mysticisme leidde, doch
anderzijds ook juist tot de tegenpool van zulk mysticisme: een groeiend
rationalisme en een wetenschappelijke wereldbeschouwing.
| |
2.
In deze geestelijke atmosfeer van het Ionische rationalisme werd een nieuw
soort wiskunde geboren, een wiskunde die niet alleen de Oosterse vraag
‘hoe?’, doch ook de hogere wetenschappelijke vraag
‘waarom?’ stelde. We zouden dit het ontstaan van de
moderne wiskunde kunnen noemen. De vader van deze nieuwe, deze Griekse,
wiskunde is volgens de overlevering Thales van Milete, een koopman uit de
eerste helft van de zesde eeuw, die geld en wijsheid had verkregen in verre
landen zoals Babylon en Egypte. Zelfs zo men zijn figuur meer legendarisch
dan historisch ziet, behoudt ze betekenis omdat ze iets zeer
reëels belichaamt. Thales symboliseert de omstandigheden
waaronder niet alleen de moderne wiskunde, doch ook onze gehele moderne
wetenschap en wijsbegeerte in het leven kwamen.
De vroege Griekse studie der wiskunde had als voornaamste doel de plaats van
de mens in het heelal op redelijke wijze te begrijpen. De wiskunde leende
daarbij haar hand door orde in de chaos te scheppen, gedachten in logische
ketenen te leggen, en dus het vinden van grondbeginselen te
vergemakkelijken. Wiskunde is van alle wetenschappen het meest op het
redenerende verstand ingesteld, en ofschoon er weinig twijfel bestaat dat de
Griekse kooplieden op hun handelswegen ook de Oosterse wiskunde leerden
kennen, we kunnen ook begrijpen dat zij ontdekten dat de rationalisatie van
de wiskunde nog grotendeels ongedaan was gebleven. Waarom had de
gelijkbenige driehoek twee gelijke hoeken? Waarom was het oppervlak van een
driehoek gelijk aan dat van de halve rechthoek met gelijke basis en hoogte?
Zulke vragen kwamen op natuurlijke wijze op bij mannen en vrouwen die
gelijksoortige kwesties stelden in de kosmologie, biologie, natuurkunde en
staatsbestuur.
Er bestaan geen bronnen waaruit we de vroege ontwikkeling der Griekse
wiskunde uit de eerste hand kunnen bestuderen en na kunnen gaan hoe
beslissend het contact met de oude beschavingen van Egypte en
Babylonië is geweest. De bestaande wiskundige codices dateren uit
Christelijke en Arábische tijden, en we hebben ook enige
Egyptische papyri met fragmenten die wat ouder zijn. Uit dit materiaal
hebben geleerden, thuis in klassieke talen en in de wiskunde, uitstekende
teksten kunnen construeren. De vroegste van deze teksten, voor zover ze geen
verspreide aanhalingen, doch | | | | volledige geschriften zijn, gaan
terug tot de vierde eeuw v. C. en niet verder. Op die manier bezitten we nu
betrouwbare uitgaven van Euklides, Archimedes, Apollonios en andere grote
wiskundigen van de Oudheid. Maar deze geschriften vertegenwoordigen een
reeds geheel volwassen wiskunde, waarvan het moeilijk is de historische
wortels uit te graven, zelfs met behulp van wat latere commentatoren aan
gegevens hebben nagelaten. Om iets van de formatieve periode van de Griekse
wiskunde te leren moeten we ons dus tot fragmenten beperken, overgeleverd
door latere schrijvers of op verspreide opmerkingen bij wijsgeren en andere
niet strikt wiskundige schrijvers. Toch hebben scherpzinnige tekstcritici
uit dit materiaal vele duistere punten kunnen ophelderen en ons zo een beeld
kunnen geven van de vroegste ontwikkeling van de Griekse wiskunde. We denken
hier aan het werk van Paul Tannery, T.L. Heath, H.G. Zeuthen, E. Frank en
anderen, die het ons mogelijk hebben gemaakt een samenhangend, zij het vaak
hypothetisch beeld van deze periode te schetsen.
| |
3.
Op de ruïnes van het Assyrische Rijk ontstond in de zesde eeuw v.
C. een nieuwe macht: het Perzische Rijk der Achaemenieden. Het veroverde de
Anatolische steden, doch de maatschappelijke structuur van het eigenlijke
Griekenland was alreeds te hecht om ontworteld te worden. De Perzische
aanval werd afgeslagen in de beroemde slagen van Marathon, Salamis en
Plataeae (490-479). Een belangrijk resultaat van deze overwinningen was de
uitbreiding en de hegemonie van de macht van Athene. Onder Perikles, in de
tweede helft van de vijfde eeuw, kregen de democratische elementen steeds
meer invloed. Zij waren het die achter de militaire en economische expansie
stonden, die het Athene van ca. 430 v. C. niet alleen tot de leidende macht
van een Grieks Rijk, doch ook tot het middelpunt van een nieuwe en ondanks
het bestaan van slavernij toch bewonderenswaardige beschaving maakte.
Hier, temidden van het gewoel der maatschappelijke en politieke twisten,
bewogen zich leraars en wijsgeren die hun theorieën verkondigden,
en met die theorieën ook de nieuwe wiskunde. Voor het eerst in de
geschiedenis hield zich een groep kritisch ingestelde mannen en vrouwen,
minder dan ooit voorheen door traditie belemmerd, met wiskundige
vraagstukken bezig ter wille van het zuivere begrip, en niet uit directe of
indirecte nuttigheidsoverwegingen. Men noemt die kritisch ingestelde leraars
vaak ‘sofisten’, een woord dat van
‘sofia’, wijsheid, afkomstig is en dus oorspronkelijk
niet ‘drogredenaars’ betekent, al schenen zij die naam
| | | | wel eens door hun paradoxen te verdienen. Van die
discussies der sofisten, die tot aan de wortel van het exacte denken
reikten, is maar weinig bewaard, al kunnen wij er in de dialogen van Plato
wel een indruk van krijgen. Wat de wiskunde betreft bezitten wij slechts
één samenhangend fragment uit deze tijd, en dit is
geschreven door de Ionische filosoof Hippokrates van Chios (ca. 440). Dit
fragment toont al reeds een grote beheersing van de wiskundige redeneerwijze
en behandelt, op karakteristieke wijze, een merkwaardig
‘onpraktisch’, doch theoretisch belangrijk onderwerp,
de zgn. ‘lunulae’ of maantjes begrensd door twee of
drie cirkelbogen.
Dit onderwerp - zekere oppervlakken begrensd door cirkelbogen te vinden die
rationaal kunnen worden uitgedrukt in hun middellijnen - hangt direct samen
met het vraagstuk van de cirkelkwadratuur, een kernkwestie in de Griekse
wiskunde. In de bespreking van zijn maantjes1 toont Hippokrates dat de wiskundigen
van Griekenlands Gouden Eeuw reeds een stelselmatig geordende vlakke
meetkunde hadden, waarin het beginsel, door logische gevolgtrekkingen van de
ene stelling tot de andere (‘apagoge’) te komen,
volledig was geaccepteerd. Men had al een soort axiomatiek, zoals men kan
opmaken uit de naam van een boek dat op naam van Hippokrates staat, en dat
Elementen (‘Stoicheia’) heet, en
dus de naam heeft van alle Griekse axiomatische verhandelingen, ook die van
Euklides. Hippokrates onderzocht de oppervlakken van vlakke figuren begrensd
door lijnsegmenten of cirkelbogen. Hij leert dat de oppervlakken van
gelijkvormige cirkelsegmenten zich verhouden als de kwadraten op hun koorden
beschreven. Hij kent het theorema van Pythagoras en de corresponderende
ongelijkheid voor niet-rechthoekige driehoeken. Het gehele fragment zouden
we haast ‘in de Euklidische traditie’ willen noemen,
maar het is meer dan een eeuw ouder dan Euklides.
Het vraagstuk van de cirkelkwadratuur is een van de zgn. ‘drie
beroemde wiskundige vraagstukken van de Oudheid’. Deze begonnen
in de tijd van Hippokrates een onderwerp van studie te worden. Deze
vraagstukken waren:
| | | |
| 1. | De driedeling van de hoek, dwz. de vraag een gegeven hoek in drie
gelijke delen te verdelen. |
| 2. | De verdubbeling van de kubus, dwz. een kubus te construeren, waarvan
de inhoud het dubbele is van de inhoud van een gegeven kubus. |
| 3. | De kwadratuur van de cirkel, dwz. een vierkant te construeren, waarvan
het oppervlak gelijk is aan dat van een gegeven cirkel. |
Het belang van deze vraagstukken ligt daarin, dat ze niet meetkundig kunnen
worden opgelost door een eindig aantal rechte lijnen en cirkels te
construeren, behalve dan bij benadering, en daardoor dienden zij als een
middel om nieuwe wiskundige gebieden aan te boren.
De twee eerste problemen werden vaak teruggevoerd tot het vraagstuk twee
lijnsegmenten x en y te construeren zo
dat, voor gegeven lijnsegmenten a en b,
de verhouding bestaat a : x = x : y = y : b (het vraagstuk een lijnsegment x te
vinden zo dat a : x = x : b kan met passer en lineaal worden opgelost).
Dit leidde weer tot de studie van kegelsneden, van sommige krommen van de
derde en hogere graad (b.v. de cissoïde en de
conchoïde) of van een transcendente kromme, de kwadratrix. De
anekdotische vorm waarin die vraagstukken soms zijn overgeleverd (Delphische
orakels, enz.) moet ons hun fundamentele betekenis niet doen vergeten. Het
gebeurt wel meer dat zulk een gewichtig probleem met een anekdote of een
puzzel is verbonden - wij denken b.v. aan Cardano's gebroken belofte, aan
Keplers wijnvaten, aan Newtons appel. Wiskundigen van verschillende
perioden, ook hedendaagse wiskundigen, hebben op het verband gewezen dat er
bestaat tussen deze Griekse vraagstukken en de moderne leer der
vergelijkingen, der algebraische getallen en de groepentheorie.1
| |
4.
Waarschijnlijk buiten de groep der sofisten, die tot op zekere hoogte met de
democratische beweging waren verbonden, stond een andere groep van wiskundig
geïnteresseerde wijsgeren, die meer tot de aristocratische
richting werden aangetrokken. Zij zijn bekend als Pythagoreeërs,
zo genaamd naar de min of meer legendarische stichter van de school,
Pythagoras, waarvan verhaald wordt dat hij een mysticus, een man van
wetenschap en een aristocratische staatsman was. In tegenstelling tot de
sofisten, die de | | | | werkelijkheid van de verandering leerden - dit
was althans het geval met de atomisten, volgelingen van Leukippos en
Demokritos - vindt men bij de Pythagoreeërs de nadruk op het
onveranderlijke in natuur en gemeenschap. In hun streven de eeuwige wetten
van het heelal te onderkennen kwamen zij met religieuze eerbied tot de
getallenleer, niet als de Babyloniërs en Egyptenaren, omdat ze
behoefte hadden praktisch te rekenen, maar omdat zij in het getal het wezen
van het heelal zagen. Dus ontwikkelden zij de theoretische getallenleer,
zowel als de (theoretische) meetkunde, de astronomie en de muziekleer, die
tezamen het latere ‘quadrivium’ zouden uitmaken. Hun
meest bekende leider was Archytas van Taras (Tarente), die omstreeks 400
leefde en in wiens school, zo we de hypothese van E. Frank volgen, het
voornaamste van de als ‘Pythagoreïsch’
bekende wiskunde moet zijn ontwikkeld. De getallenleer was niet alleen
theoretisch, maar zelfs speculatief, en had weinig gemeen met de
Babylonische rekentechniek van diezelfde tijd. Getallen werden in klassen
verdeeld, even, oneven, even maal even, oneven maal oneven, ondeelbaar,
samengesteld, volkomen; ook waren er vriendschaps-, driehoeks-, vierkants-,
vijfhoeksgetallen, enz. In de driehoeksgetallen komt de verbinding tussen
meetkunde en rekenkunde, zoals de Pythagoreeërs die zagen,
duidelijk aan het licht:

enz.
Evenzo hadden de Pythagoreeërs vierkantsgetallen

enz.
die wij nog zo noemen (Grieks: tetragona, Lat.: quadrati), en ook vijfhoeks-,
en viervlaksgetallen. De figuren zelf zijn vaak veel ouder, en sommige ervan
kunnen wij op aardewerk uit de Nieuwe Steentijd zien. De
Pythagoreeërs bestudeerden de eigenschappen van zulke polygonale
en piramidale getallen, voegden er | | | | hun soort getallenmystiek
aan toe, en gaven hun een wezenlijke rol in hun kosmische filosofie, waarin
zij trachtten alle betrekkingen tot getallenbetrekkingen te herleiden
(‘alles is getal’). Een punt was ‘eenheid
in positie’. Nadruk werd gelegd op de verhouding van getallen
(‘logos’, Lat. ‘ratio’). Zo
kenden zij een rekenkundige (2b = a
+ c), een meetkundige (b2 = ac) en een harmonische (2/b; = 1/a; + 1/c;) verhouding, die ze ook wijsgerig en maatschappelijk
interpreteerden.
De Pythagoreeërs kenden sommige eigenschappen van regelmatige
veelhoeken en veelvlakken. Zij toonden aan hoe het vlak kan worden gevuld
met mozaïeken van regelmatige driehoeken of zeshoeken, en de
ruimte met kubussen, waaraan Aristoteles later ten onrechte de regelmatige
viervlakken toevoegde.1 De Pythagoreeërs hebben
waarschijnlijk ook de andere regelmatige veelvlakken gekend. De kennis van
het twaalfvlak kunnen zij verkregen hebben doordat pyriet in regelmatige
twaalfvlakken kristalliseert. Pyriet wordt in Italië
aangetroffen, en was een voorwerp van belangstelling in een periode waarin
het ijzer regelmatig verwerkt begon te worden. We vinden reeds bij de
Etrusken modellen van regelmatige dodekahedra als sieraden of misschien als
magische symbolen.2
Wat het theorema van Pythagoras betreft, de ontdekking hiervan werd door de
Pythagoreeërs aan hun Meester zelve toegeschreven, die volgens
een (laat) verhaal in dankbaarheid aan de goden een honderdtal ossen (een
‘hekatombe’) zou hebben geofferd - een eigenaardige
handeling voor een man die zijn school in strikt vegetarisme moet hebben
opgevoed. Wij hebben gezien dat het theorema al reeds in Hammurabi's Babylon
bekend was als een getallenbetrekking, doch Pythagoras of een zijner
leerlingen kan best het eerste bewijs uit axioma's hebben gegeven. Voor hen
was het theorema een meetkundige betrekking tussen oppervlakken.
Een der meest belangrijke ontdekkingen, die aan de Pythagoreeërs
wordt toegeschreven, is die van de onderling onmeetbare Iijnsegmenten. Deze
ontdekking van het irrationale is wellicht het | | | | resultaat
geweest van hun studie van de meetkundige verhouding a :
b = b : c, die ook
als een symbool van de aristocratie diende. Wat nu was de meetkundig
evenredige tussen 1 en 2, twee gewijde symbolen? Deze vraag kwam ook op bij
de vraag naar de verhouding van diagonaal en zijde van het vierkant. De
Pythagoreeërs ontdekten dat deze verhouding niet kon worden
uitgedrukt in wat zij ‘getallen’ (arithmoi) noemden,
dat is, in wat wij met de naam rationale (dus gehele of gebroken) getallen
aanduiden. In andere woorden, wat wij als √2 schrijven, kan niet
als breuk worden uitgedrukt.
Dit kan men met Aristoteles als volgt inzien. Veronderstel dat deze
verhouding p : q was, waarbij we de
getallen p en q als onderling ondeelbaar
kunnen aannemen. Dan moet p2 = 2q2 zijn, dus p2 en daarom ook p moet even zijn, b.v.
p = 2r. Dan moet q
oneven zijn. Maar q2 = 2r2, waaruit volgen zou dat q
even is. Deze tegenspraak werd niet, zoals in het Oosten of in het Europa
van de renaissance, opgelost door het getalbegrip te generaliseren, doch
door de getallentheorie voor zulke gevallen opzij te schuiven en een nieuwe
synthese in de meetkunde te zoeken. Deze ontdekking, die de eenvoudige
harmonie tussen de meetkunde en de getallenleer verstoorde, werd
vermoedelijk gedurende de laatste tientallen jaren van de vijfde eeuw v. C.
gemaakt. Uit die tijd dateert nog een andere moeilijkheid, voortgekomen uit
de debatten over de werkelijkheid van de verandering, debatten die toen
zowel als later de wijsgeren hebben beziggehouden. De moeilijkheid in
kwestie wordt toegeschreven aan Zeno van Elea (ca. 450 v. C.), een leerling
van Parmenides, een conservatief filosoof die leerde dat de rede alleen het
absolute wezen erkent en dat verandering slechts schijnbaar is. Deze
wijsgerige wijze van argumenteren kreeg een wiskundige betekenis toen het
bleek dat men oneindige processen moest beschouwen, zoals b.v. bij de
bepaling van de inhoud van een viervlak. Zeno's paradoxen kwamen hier in
conflict met sommige oude en intuïtieve begrippen omtrent het
oneindig kleine en het oneindig grote, en openden de discussie over het
probleem der continuïteit. Men had steeds zonder veel bedenken
aangenomen dat de som van een oneindig aantal grootheden zo groot kan worden
gemaakt als men wil, zelfs als iedere grootheid zeer klein is (∞
× ε = ∞) en ook dat de
som van een oneindig aantal grootheden van dimensie nul ook nul is (n × 0 = 0, ∞ × 0 = 0).
Hier nu zette Zeno's kritiek in. Met zijn vier paradoxen ondermijnde hij het
geloof in die opvattingen en van de steen die hij in de filosofische poel
wierp kan men de rimpels nog heden ten dage waarne- | | | | men. Men kan
Zeno's argumenten bij Aristoteles vinden; ze zijn bekend als de Achilles, de
Pijl, de Dichotomie en het Stadium. Ze waren zo gekozen dat de
tegenstrijdigheden in de begrippen van beweging en tijd scherp worden
uitgebracht, en geen poging werd gedaan (zover we weten) om die
tegenstrijdigheden te verzoenen.
Wij geven hier de Achilles en de Dichotomie, waaruit we kunnen zien wat de
geest is die uit de ‘paradoxen’ spreekt. Wij geven ze
weer in onze eigen woorden.
Achilles. Achilles en een schildpad bewegen zich
op een rechte weg in dezelfde richting. Achilles is achter de schildpad en
wil hem inhalen. Hij loopt veel sneller dan de schildpad, doch om het dier
te bereiken moet hij eerst het punt P passeren vanwaar de
schildpad begon. Als Achilles in P is aangekomen, is de
schildpad in het punt P1 gekomen.
Achilles kan de schildpad niet bereiken voordat hij P1 passeert, maar dan is de schildpad alweer iets vooruit
in P2 gekomen. Als Achilles in P2 is, is de schildpad in P3, enz. Daarom kan Achilles de schildpad
nooit bereiken.
Dichotomie. Ik wil van A naar B langs een rechte lijn gaan. Om B te
bereiken moet ik eerst B1 halfweg
tussen en A en B bereiken, doch om B1 te bereiken moet ik eerst in B2 komen halfweg tussen A en B1. Dit kan men oneindig
vaak voortzetten, zodat we zien dat de beweging zelfs niet kan beginnen.
Uit Zeno's argumenten bleek dat een eindig segment kan worden opgedeeld in
een oneindig aantal segmenten, ieder van eindige lengte. Ook bleek daaruit
dat er een moeilijkheid was in de uitspraak dat een lijn uit punten is
‘samengesteld’, want uit de samenvoeging van punten
kan nooit meer dan een punt, en nooit een stuk lijn, worden gevormd. Het is
wel mogelijk dat Zeno zelf niet besefte hoezeer zijn redenering de gedachten
der wiskundigen na hem zou verontrusten. En niet alleen de wiskundigen:
vraagstukken die verband houden met Zeno's paradoxen zijn ook geregeld in
wijsgerige en theologische discussies opgekomen. In zulke discussies spreekt
men wel van de tegenstelling tussen het potentieel en het actueel oneindige,
dwz. tussen het oneindige beschouwd als een proces, en het oneindige
beschouwd als iets voltooids (iets ‘wordt’ oneindig,
en iets ‘is’ oneindig). Paul Tannery, de Franse
historicus van de wiskunde, geloofde dat het Zeno er vooral om te doen was
het Pythagoreïsche begrip van de ruimte als de som van haar
punten aan te tasten (‘het punt is eenheid in
positie’, volgens de Pythagoreeërs).1 Wat hiervan ook de
| | | | waarheid moge zijn, het is zeker dat Zeno's redenering het
mathematisch denken eeuwenlang heeft beïnvloed. Zijn paradoxen
kunnen met die van George Berkeley worden vergeleken, toen deze
achttiendeeeuwse bisschop aantoonde hoe de vage formulering van de
grondbeginselen der differentiaalrekening tot logische absurditeiten leidt,
eveneens zonder zelf een betere formulering voor te stellen. Ook in de
tegenwoordige discussies omtrent de grondslagen der wiskunde spelen een
aantal paradoxen over oneindige verzamelingen een rol (paradox van Russell,
van Burali Forti, etc.). En de discussies over de betekenis van de paradoxen
van Zeno gaan onverminderd voort.1
De paradoxen van Zeno kregen een diepere wiskundige betekenis ongeveer
terzelfder tijd dat het irrationale werd ontdekt. Was het eigenlijk wel
mogelijk de wiskunde als een exacte wetenschap te behandelen? Tannery2
heeft als zijn mening geuit dat we hier van een ‘waarlijk logisch
schandaal’, van een crisis, in de Griekse
wiskunde mogen spreken.3 Zo dit het geval geweest
is, is deze crisis opgetreden in de latere jaren van de Peloponnesische
oorlog, die eindigde met de val van Athene (404). Het is dan mogelijk een
verband te ontdekken tussen de crisis in de wiskunde en de maatschappelijke
crisis, aangezien de val van Athene de nederlaag betekende van de
slavenhoudende democratie en een nieuw tijdperk inluidde waarin de
aristocratie weer de overhand had. De crisis in de wiskunde werd opgelost in
de geest van het nieuwe tijdperk.
| |
5.
Deze nieuwe periode in de Griekse geschiedenis zag de rijkdom der meer
gegoeden vermeerderen en de lagere klassen meer en meer in armoede
vervallen. De slavernij nam grotere afmetingen aan, wat aan menige
vermogende familie de gelegenheid gaf meer aandacht te wijden aan kunsten,
wetenschappen, wijsbegeerte of een persoonlijke ethiek, en daarbij tevens
neer te zien op alle werk dat handwerkers of slaven konden verrichten. Wij
zien deze geesteshouding bij Plato en bij Aristoteles, en het is in Plato's
Repu- | | | |
bliek (misschien
omstreeks 360 v. C. geschreven), dat wij de helderste uitdrukking vinden van
de idealen van de slavenhoudende aristocratie. De
‘wachters’ van Plato's republiek moeten het quadrivium
bestuderen, dus de arithmetica, de meetkunde, de astronomie en de
muziekleer, teneinde de wetten van het heelal te begrijpen.1 In zijn Timaeus geeft Plato het
voorbeeld van zulk een begrijpen: de dialoog schetst een kosmogonie waarin
als bouwstenen van het heelal de elementen vuur, aarde, lucht en water
optreden, ieder opgebouwd uit regelmatige veelvlakken, waarbij het
twaalfvlak de rol van een soort ether vervult. Zulk een
Pythagoreïsche atmosfeer leidde, althans in haar eerste periode,
tot de discussie van de meer theoretische kanten van de wiskunde, dus naar
onderwerpen die met de grondslagen samenhangen.
Minstens drie belangrijke wiskundigen waren met Plato's Akademie verbonden,
Archytas, Theaitetos (die in 369 stierf) en Eudoxos (ca. 408-355).
Theaitetos' naam is verbonden met het onderzoek van die irrationaliteiten
die we nu met √2, √3, √5,...,
√17 aanduiden, een onderzoek dat geheel meetkundig was; misschien
is van hem de theorie der irrationale lijnstukken afkomstig die we in het
tiende boek van Euklides' Elementen vinden. Eudoxos heeft,
naar men met vrij grote stelligheid kan aannemen, de theorie der
verhoudingen ontdekt die we in het vijfde boek van deze Elementen vinden, en ook de zgn.
‘exhaustie’-methode, waarmede oppervlak en
inhoudsberekeningen streng konden worden behandeld zonder dat de
moeilijkheden die lagen in de paradoxen van Zeno optraden.
Dit betekent dat het Eudoxos is geweest die de zgn. crisis in de Griekse
wiskunde heeft opgelost en wiens strenge formuleringen de koers van de
Griekse axiomatica, en tot op zekere hoogte die van de gehele Griekse
wiskunde, hebben bepaald.
Eudoxos' leer der verhoudingen was een breuk met die van de
Pythagoreeërs, die alleen voor onderling meetbare grootheden
geldig was. Ze was zuiver meetkundig en in haar strikt axiomatische vorm
maakte ze elk onderscheid tussen meetbare en onmeetbare grootheden
overbodig.
Voor die leer is Definitie 5 van Boek v van Euklides' Elementen karakteristiek:
| | | |
‘Men zegt, dat grootheden in dezelfde verhouding staan,
de eerste tot de tweede en de derde tot de vierde, wanneer willekeurige
zelfde veelvouden van de eerste en de derde tegelijk groter zijn dan, gelijk
aan of kleiner dan willekeurige zelfde veelvouden van de tweede en de
vierde, in overeenkomstige volgorde genomen’.
Dit betekent, in onze notatie, dat a : b
= c : d, zo tegelijk met ma > nb ook mc
< nd, tegelijk met ma = nb ook mc = nd, en
tegelijk met ma < nb ook mc < nd, waar m en n gehele getallen zijn. Dat zo iets mogelijk
is, moest eerst door het zgn. axioma van Archimedes worden vastgelegd, dat
in Euklides als Definitie 4 aan de vorige definitie voorafgaat:
‘Men zegt dat grootheden een verhouding tot elkaar
hebben als zij, vermenigvuldigd, elkaar kunnen overtreffen’.
Deze definitie zou dus wel beter als het axioma van Eudoxos aangeduid kunnen
worden. De moderne theorie van de irrationale getallen, door Dedekind en
Weierstrass ontwikkeld, vertoont grote overeenkomst met die van Eudoxos,
ondanks het feit dat de moderne theorie aritmetisch, de klassieke theorie
meetkundig is. De aritmetische opzet van de moderne theorie heeft echter
wijdere perspectieven geopend.
De ‘exhaustie’-methode (deze naam komt eerst voor in
1647 bij Grégoire de Saint Vincent) was het antwoord van de
school van Plato op Zeno. Ze ontdook de struikelblokken van het oneindig
kleine door ze te vermijden, door vraagstukken die tot infinitesimalen
konden voeren, terug te brengen op vraagstukken die alleen formele logica
inhielden. Wanneer, om een voorbeeld te noemen, men had te bewijzen dat de
inhoud V van een viervlak gelijk is aan het derde deel van
een prisma P met dezelfde hoogte H en
hetzelfde grondvlak, dan werd bewezen dat de aannamen V
> ⅓P en V
< ⅓P allebei tot ongerijmdheden
voeren, zodat de enige overblijvende mogelijkheid, V =
⅓P, de waarheid bevat. Om deze
ongelijkheden te bewijzen moest weer een axioma worden ingevoerd equivalent
aan dat van Archimedes (of Eudoxos). Bij Archimedes luidt het als volgt:
‘dat het verschil, waarmee het grootste van ongelijke
oppervlakken het kleinste overtreft, bij zichzelf gevoegd, elk
voorgeschreven begrensd oppervlak kan overtreffen’, waarbij dit
bij zichzelf toevoegen willekeurig herhaald mag worden. In ons geval van het
viervlak werd de hypothese V = A, A
> ⅓P dan weerlegd door het viervlak
in te sluiten in een omgeschreven trappenpiramide van n
prisma's, ieder van hoogte H/n en dan te bewijzen dat n zo
groot kan wor- | | | | den gemaakt dat de inhoud der trappenpiramide
& A is. Aangezien de inhoud der trappenpiramide
zeker > V is, komen we tot een
tegenstrijdigheid. Evenzo bewijst men met een ingeschreven trappenpiramide
dat ook V < ⅓P tot
een ongerijmdheid voert. Euklides bewijst o.a. op deze manier dat de
oppervlakken van twee cirkels zich verhouden als de vierkanten op de
diameters.
Deze indirecte behandeling van wat we nu met limietovergangen beredeneren
bleef de geaccepteerde vorm van bewijs in de wiskunde der Grieken en later
in die van de Renaissance. Zulke bewijzen waren streng, en kunnen zonder
veel moeite in een vorm worden gebracht die de moderne analyse accepteert.
Maar ze hadden het nadeel dat aan alle indirecte bewijsvoeringen kleeft: men
moet eerst het antwoord weten vóór men het bewijs kan
geven. Het antwoord zelf moet dus op een andere, meer heuristische en minder
exacte methode worden gevonden.
Er bestaan duidelijke aanwijzingen dat zulk een meer tastende methode ook
werkelijk werd gebruikt. Wij bezitten een brief, door Archimedes omstreeks
250 v. C. aan zijn vriend Eratosthenes geschreven, en die eerst in 1906 door
J.L. Heiberg is teruggevonden in een manuscript dat te Jeruzalem werd
bewaard. In deze brief beschrijft Archimedes hoe hij het oppervlak van een
segment van de parabool heeft berekend door het oppervlak als som van
koorden te beschouwen, dan die koorden op te tellen en deze met behulp van
de wetten van de hefboom te wegen. Zulk een methode is niet streng, maar
geeft, in de handen van een goede wiskundige, resultaten, die dan later met
de ‘exhaustie’-methode streng kunnen bewezen worden.
Deze brief is uitgegeven en is bekend onder de naam
‘Methode’ (Ephodos).
Er bestaat een theorie van S. Luria waarin de gedachte wordt uitgesproken dat
de gehele gedachtengang van Eudoxos in een soort concurrentieverwantschap
stond met die van een andere, de Platonische traditie tegenoverstaande,
school, verbonden met de naam Demokritos, met Leukippos de stichter van de
atoomtheorie. In deze school, zo zegt deze theorie van Luria, werd voor
wiskundige beschouwingen het begrip ‘meetkundig atoom’
ingevoerd. Een lijnsegment, een oppervlak, een inhoud bestond dan uit een
groot, doch eindig, aantal ondeelbare (indivisibile) atomen. Wilde men een
inhoud berekenen dan moest men de som bepalen van de inhoud van al de atomen
waaruit het betreffende lichaam bestaat. Deze theorie doet wel wat vreemd
aan, totdat we beseffen dat verscheidene wiskundigen in de jaren
vóór Newton, in het bijzonder Kepler, (en ook wel er
na) zich eigenlijk van de- | | | | zelfde gedachtenwijze bedienden als
ze, om een voorbeeld te noemen, de omtrek van een cirkel beschouwden als
samengesteld uit een oneindig aantal kleine lijnsegmenten. Er bestaan geen
documenten die bewijzen dat men in de Oudheid ooit een strenge methode op
deze grondslag heeft ontwikkeld, doch ons moderne limietbegrip heeft het
mogelijk gemaakt deze ‘atoom’-theorie om te zetten in
een theorie die even streng is als die waarop Eudoxos' exhaustiemethode
berust. Zelfs heden ten dage gebruiken we geregeld dit begrip van
‘atomen’ als we een vraagstuk uit de theorie der
elasticiteit, der natuur- of scheikunde, of zelfs der
differentiaalmeetkunde, opstellen, waarna we het strenge bewijs aan de
specialist in de analyse overlaten.1
Het voordeel van de ‘atoom’-methode boven de
‘exhaustie’-methode was dat men er gemakkelijker
resultaten mee bereikte. De Oudheid had dus de keuze tussen een strenge maar
tamelijk steriele, en een onvoldoend gebaseerde doch veel vruchtbaarder
theorie. Het is interessant te zien dat in bijna alle boeken die uit de
Oudheid tot ons zijn gekomen de strenge theorie wordt aangewend. Dit heeft
wel te maken gehad met het feit dat de wiskunde een lievelingsbezigheid was
geworden van mannen en vrouwen die tot een klasse behoorden wier bestaan
gedeeltelijk op slavernij berustte, geen belang had in uitvindingen, doch
wel in een beschouwende levenswijze. Men moet met zulk een generalisatie
evenwel voorzichtig zijn - Archimedes was b.v. wel in uitvindingen
geïnteresseerd -, doch zij bevat toch een historische waarheid.
Deze kan ook uitgedrukt worden door te zeggen dat het Platonische idealisme
op het Demokritische materialisme althans op het gebied der wiskundige
filosofie in de Oudheid de overwinning heeft behaald.
| |
6.
In het jaar 334 begon Alexander de Grote zijn veldtocht tegen
Perzië. Toen hij in 323 in Babylon stierf, behoorde het gehele
Nabije Oosten met Egypte en delen van Noord-Indië tot zijn rijk.
Zijn generaals verdeelden het veroverde gebied, en tenslotte ontstonden drie
grote koninkrijken: Egypte onder Ptolemaios, Meso- | | | | potamië en Syrië onder de Seleuciden en
Macedonië onder Antigonos en zijn opvolgers. Deze vorsten en hun
hogere ambtenaren waren Grieken of waren vergriekst. Zelfs in de vallei van
de Indus heersten een tijd lang Griekse vorsten. Het tijdperk van het
Hellenisme was aangebroken.
Als onmiddellijk gevolg van Alexanders veroveringstochten zien we een grote
versnelling in de uitbreiding van de Griekse beschaving over grote gebieden
van het Oosten. Egypte, Mesopotamië en een deel van
Indië werden gehelleniseerd. De Grieken overstroomden het Oosten
als beambten, handelaren, kooplieden, dokters, reizigers, huursoldaten en
avonturiers. De steden, waarvan verscheidene, kenbaar aan hun Griekse namen,
eerst onder Alexander en zijn navolgers waren gesticht, stonden onder
Griekse militaire en ambtelijke controle en hadden een bevolking die een
mengsel was van Grieken, Aziaten en Afrikanen. Het Hellenisme was in wezen
een stedelijke beschaving; het platteland bleef vrijwel onberoerd of
opstandig (men denke aan de Maccabeeën). In de steden kwam de
oude Oosterse beschaving met de ingevoerde Griekse cultuur in aanraking, en
ofschoon er een gedeeltelijke versmelting van die levenswijzen plaatsvond,
een diepe kloof bleef bestaan. De Hellenistische monarchen namen Oosterse
gewoonten over, hadden zich bezig te houden met Oosterse
administratieproblemen, zoals irrigatie, doch moedigden Griekse kunsten en
wetenschappen aan.
De Griekse wiskunde, dus naar vreemde streken overgeplaatst, behield vele
traditionele kenmerken, doch ondervond ook de invloed van de vraagstukken in
administratie die het Oosten had op te lossen, en die de belangstelling
wakker hielden in berekenende arithmetica en astronomie. Dit nauwe verband
tussen Griekse en Oosterse wetenschap heeft grote resultaten gehad, vooral
gedurende de eerste eeuwen, vóór de Romeinse
overheersing begon. Praktisch al die werkelijk scheppende wiskunde die we
‘Grieks’ noemen is ontstaan in het betrekkelijk korte
tijdperk van ca. 400-ca. 200, van Archytas en Eudoxos tot Apollonios, en
zelfs de resultaten van de eerste decennia van deze periode zijn ons vrijwel
alleen bekend door hun interpretaties bij Euklides en de andere
Alexandrijnse wiskundigen. En het is ook merkwaardig dat de grootste bloei
der Hellenistische wiskunde plaatsvond in Egypte onder de
Ptolemeeën, en niet in Mesopotamië, ondanks het feit
dat de oude Babylonische wiskunde veel verder ontwikkeld was dan de oude
Egyptische, althans voor zover wij weten.
Men kan de oorzaak van deze verschuiving zien in de verander- | | | | de
rol van Egypte, dat in Hellenistische tijden een centrale positie in de
gebieden rondom de Middellandse Zee innam. De nieuwe hoofdstad
Alexandrië was aan de zeekust gesticht en werd het
commerciële en intellectuele middelpunt van de Hellenistische
wereld. Babylon bleef nog naleven als een centrum van karavaanwegen op de
grens van deze wereld, maar verdween op den duur om plaats te maken voor
Seleukia-Ktesiphon, de nieuwe hoofdstad der Seleuciden. Met Babylon, voor
zover we weten, zijn nooit grote Griekse wiskundigen verbonden geweest, maar
Antiochië en Pergamum, ook steden van het rijk der Seleuciden
doch dichter bij de Middellandse Zee, hadden belangrijke Griekse scholen.
Maar onder de Seleuciden bloeiden wel de oude Babylonische astronomie en
wiskunde, die zelfs hun hoogtepunt in dit tijdperk bereikten, en deze
ontwikkeling stimuleerde ook de Hellenistische astronomie. Naast
Alexandrië bestonden er nog enige andere Hellenistische
wiskundige centra, in het bijzonder Athene en Syracuse. Athene bleef een
middelpunt van opvoedkundig werk, Syracuse bracht Archimedes voort, de
grootste Griekse wiskundige.
| |
7.
In deze periode zien we de beroepsgeleerde optreden, de man die zijn leven
aan de beoefening der wetenschap wijdt en er een salaris voor ontvangt.
Enige van de allerbeste vertegenwoordigers van deze groep woonden in
Alexandrië, waar de Ptolemeeën in het zgn. Museum
(Mousaion) met haar beroemde bibliotheek een groot wetenschappelijk centrum
gesticht hadden. Hier werd het grote Griekse erfgoed in wetenschap en
letteren bewaard en met groot succes verder ontwikkeld. En zo vinden we
onder de eerste geleerden die met dit Museum verbonden waren de figuur van
Euklides, een der meest invloedrijke wiskundigen van alle tijden.
Euklides, van wiens leven niets met zekerheid bekend is, leefde vermoedelijk
ten tijde van de eerste Ptolemaios (306-283), tot wien hij moet gezegd
hebben dat er voor koningen geen speciale weg naar de meetkunde bestaat.
Zijn beroemdste en belangrijkste werken zijn de dertien boeken van de Elementen (Stoicheia), maar hem worden nog verscheidene
andere werken toegeschreven, waarvan sommige ook bewaard zijn gebleven.
Onder deze bevinden zich de Data, dat in zuivere
meetkundige vorm toepassingen van de algebra op de meetkunde geeft. We weten
niet hoeveel van deze werken van Euklides door hemzelf zijn geschreven en
hoevele er compilaties zijn, maar ze tonen op vele plaatsen een treffende
diepzinnigheid. De werken zijn de eerste volledige wiskundige geschriften
die ons uit de Griekse Oudheid zijn overgeleverd.
| | | |
De Elementen is wel, op de Bijbel na, het boek geweest dat
in de Westerse wereld het meest is gereproduceerd en bestudeerd. Sedert de
uitvinding van de boekdrukkunst zijn er meer dan duizend uitgaven van
verschenen, en vóór die tijd waren er vele exemplaren
in manuscript en in verschillende talen in omloop. Het grootste deel van
onze schoolmeetkunde is, soms letterlijk, aan negen van de dertien boeken
ontleend, en de Euklidische traditie weegt nog steeds zwaar op ons
onderwijs. Voor de beroepswiskundige hebben deze boeken steeds een grote
bekoring gehad (al hebben ze aan zijn leerlingen menige zucht ontlokt), en
als model van logische uiteenzetting hebben ze het wetenschappelijk denken
door de eeuwen heen misschien meer beïnvloed dan enig ander boek.
Euklides' uiteenzetting is gebaseerd op een aantal definities, postulaten en
axioma's, waaruit dan de verdere stellingen streng logisch worden afgeleid.
De eerste vier boeken behandelen de vlakke meetkunde voor zover ze niet op
de leer der verhoudingen berust, en voeren van zeer elementaire stellingen
en constructies (de eerste propositie van het eerste boek, dus i, 1 laat zien hoe men een gelijkzijdige driehoek construeert als
een zijde is gegeven) over stellingen omtrent lijnen en hoeken tot de
congruentie van driehoeken, de gelijkheid van oppervlakken, de cirkel en de
regelmatige veelhoeken. De stelling van Pythagoras (i,
47) en de gulden snede (ii, 11) worden ingevoerd als
eigenschappen van oppervlakken. In het vijfde boek vinden wij de leer der
verhoudingen van Eudoxos, die zoals wij hebben gezien, geen verschil kent
tussen onderling meetbare en onmeetbare grootheden. Deze leer wordt dan in
het zesde boek op de gelijkvormigheid van vlakke figuren aangewend; hier
vinden we het theorema van Pythagoras en de gulden snede terug (vi, 31, 30) als stellingen over verhoudingen. In deze
late invoering van de leer der verhoudingen verschilt de Euklidische
behandeling van de vlakke meetkunde van de methode die tegenwoordig
gebruikelijk is; dit moet worden verklaard uit het gewicht dat Euklides
hechtte aan de in zijn tijd nieuwe leer der onmeetbare grootheden. In dit
zesde boek (vi, 27) vinden we ook het eerste
maximumvraagstuk dat ons heeft bereikt, en dat, algebraïsch
uitgedrukt, leert dat ax - λx2 voor x = a/2λ haar grootste waarde bereikt, zodat van
alle rechthoeken met gelijke omtrek het vierkant het grootste oppervlak
heeft. Het meetkundige vertoog wordt hervat in het tiende boek, vaak als het
moeilijkste deel der Elementen beschouwd (Stevin sprak van
‘het kruis der mathematici’), waarin we een
meetkundige classificering vinden van de kwadratische irrationalen en hun
vierkantswortels, grootheden die we | | | |

Gedeelte van een bladzijde uit de Elementen
van Euklides (uitgave van 1482).
| | | | nu met a ± √b, aangeven. De laatste drie boeken xi-xiii
bevatten de stereometrie en brengen de lezer via ruimtehoeken, de inhouden
van blokken, prisma's en piramiden tot de bol tot wat wel als de climax is
beschouwd: de leer van de regelmatige (Platonische) lichamen met het bewijs
dat hun aantal vijf bedraagt.
De boeken vii-ix zijn aan de getallentheorie gewijd - niet
aan rekentechniek doch aan zulke Pythagoreïsche onderwerpen als
de deelbaarheid van getallen, de bepaling van volkomen getallen, de sommatie
van een meetkundige reeks en sommige eigenschappen van priemgetallen. Ook
vindt men hier weer een leer der verhoudingen, nu van (gehele) getallen. De
methode waarbij (vii, 2) de G.G.D. van een gegeven aantal
getallen wordt bepaald wordt nog steeds de algoritme van Euklides genoemd.
Vaak aangehaald is het bewijs (ix, 20) dat het aantal
priemgetallen onbeperkt is.
Gegeven de drie eerste priemgetallen α,
β, γ. Vorm het produkt αβγ en tel er de eenheid bij op.
Dan is αβγ + 1
noch deelbaar door α, noch door β, noch door γ en is dus
òf priem, òf deelbaar door een priemgetal groter dan
γ. Euklides beperkt zich tot 3 getallen,
maar zijn bewijs geldt algemeen.
Van alle postulaten en axioma's in Boek i (het verschil
tussen beide is niet zeer duidelijk) heeft het vijfde postulaat het meeste
stof doen opwaaien. Het is equivalent met wat gewoonlijk het
parallellenaxioma wordt genoemd en dat zegt dat er door een punt P buiten een lijn l
één en slechts één lijn in het
vlak door P en l kan worden getrokken
die l niet snijdt, hoe ver ook verlengd. Gedurende meer
dan tweeduizend jaren heeft men getracht dit axioma tot een stelling te
maken, dus uit andere axioma's van Euklides af te leiden. In de negentiende
eeuw heeft men tenslotte Euklides' wijsheid beseft en begrepen dat geen
bewijs van de gezochte aard mogelijk is. Door het parallellenaxioma door een
ander te vervangen is hieruit de niet-euklidische meetkunde ontstaan (zie
ons hoofdstuk over de Negentiende Eeuw). Verwerping van het axioma van
Archimedes heeft later ook tot niet-archimedische meetkunden gevoerd.
We vinden geen algebra bij Euklides, maar in zijn meetkundige redeneringen
zit veel dat wij nu liever algebraïsch uitdrukken. Wat wij
√A schrijven wordt als de zijde van het
vierkant A uitgedrukt, een produkt ab
als het oppervlak van een rechthoek met zijden a en b. Lineaire en kwadratische vergelijkingen worden door
meetkundige constructies opgelost met behulp van de zgn. leer der
‘aanpassing van oppervlakken’. Deze uitdrukkingswijze
was een | | | | consequent gevolg van Eudoxos' leer der verhoudingen,
waarin vermeden werd de lengte van lijnsegmenten door getallen weer te
geven.
Wat had Euklides eigenlijk voor met zijn Elementen?
Eén antwoord is dat hij in één werk
systematisch drie grote ontdekkingen van het recente verleden wilde
samenvatten: Eudoxos' leer der verhoudingen, Theaitetos' leer der
irrationaliteiten, en de theorie der vijf regelmatige lichamen die zulk een
belangrijke rol speelden in Plato's kosmogonie. Deze drie ontdekkingen waren
karakteristiek ‘Grieks’.
| |
8.
De grootste wiskundige van het Hellenistische tijdvak - en van de gehele
Oudheid - was Archimedes (287-212), die in Syracuse op Sicilië
woonde als adviseur van Koning Hieron. Hij is een der weinige
wetenschappelijke figuren van de Oudheid die meer is dan een naam: we weten
iets van hem als persoon. Zo weten we dat hij gedood werd toen in 212 de
Romeinen onder Marcellus Syracuse innamen na een lang beleg waarin de
bejaarde geleerde zijn grote technische bekwaamheid in dienst der belegerden
had gesteld.
Zulk een ijver voor praktische toepassingen doet ons enigszins vreemd aan als
wij aan de minachting denken waarmee de school van Plato op zulk
‘misbruik’ van de wetenschappen neerzag, maar
Plutarchus heeft in zijn ‘Marcellus’ een soort
verklaring gegeven:
‘Ofschoon deze uitvindingen hem de reputatie van
bovenmenselijke wijsheid hadden verschaft, heeft hij het beneden zijn
waardigheid geacht enig geschrift over die onderwerpen na te laten - doch,
aangezien hij al dit construeren van werktuigen en andere kunsten die nut of
winst afwerpen als onedel en minderwaardig verwierp, plaatste hij zijn
gehele eerzucht in die speculaties waarvan de schoonheid en de
diepzinnigheid buiten contact met de gewone noodzakelijkheden des levens
blijven.’
Dat was echter geschreven door een Platonist ongeveer drie eeuwen na
Archimedes' dood. Schrijvers als Polybius en Vitruvius, die nader tot
Archimedes' tijd stonden, vermelden die gewetensbezwaren niet en zien in hem
vooral de grote werktuigkundige.
De belangrijkste bijdragen van Archimedes tot de wiskunde behoren tot het
gebied dat we nu de integraalrekening noemen: de bepaling van het oppervlak
van vlakke figuren en de inhoud van lichamen. In zijn Cirkelmeting berekende hij benaderingswaarden van de cirkelomtrek
met behulp van ingeschreven en omgeschreven regelmatige veelhoeken. Hij
berekende achtereenvolgens door een verdubbelingsformule de zijde van de
veelhoek met 6, 12, 24, | | | | 48 en 96 zijden, en vond (in onze
notatie)
een resultaat dat gewoonlijk geresumeerd wordt door te zeggen, dat Archimedes
een waarde van π vond die dicht bij 3 1/7 ligt.1 In
Archimedes' boek Over de bol en de cilinder vinden we de
uitdrukking voor het oppervlak van de bol in de vorm dat dit oppervlak
gelijk is aan het viervoud van het oppervlak van een grote cirkel, en ook
een uitdrukking voor de inhoud van de bol als ⅔ van de inhoud van
de omgeschreven cilinder. Archimedes' stelling, dat het oppervlak van een
parabolisch segment met de koorde k als basis, gelijk is
aan 4/3 maal het oppervlak van de ingeschreven driehoek met basis k en top in dat punt van de parabool, waar de raaklijn
evenwijdig is aan k, vindt men in de
‘Kwadratuur van de parabool’. Het bewijs hier is
volgens de strikte methode van het indirecte bewijs, doch wij hebben alreeds
gezien dat Archimedes het op een meer directe wijze gevonden had (in de
‘Methode’). In het boek over
‘Spiralen’ vinden we berekeningen omtrent de
‘spiraal van Archimedes’, in het boek ‘Over
Konoïden en Spheroïden’ vinden we de
inhouden van zekere kwadratische omwentelingsoppervlakken. We herinneren ons
nog wel uit onze schooljaren het zgn. theorema van Archimedes over
ondergedompelde lichamen; dit vinden we in zijn boek over de hydrostatica:
‘Over drijvende lichamen’. Archimedes kende ook de wet
van de hefboom. Deze natuurwetten behoren tot de eerste die ooit
geformuleerd zijn, en hebben als model gediend toen in de 17e eeuw het
begrip natuurwet in zijn moderne vorm werd ontwikkeld.
In al deze werken verbond Archimedes een grote oorspronkelijkheid met een
meesterlijke hantering van de rekentechniek ener- | | | | zijds en de
strenge bewijsvoering anderzijds. Kenmerkend voor deze strengheid van
wiskundig denken is het reeds vermelde ‘axioma van
Archimedes’ en zijn gebruik van Eudoxos'
‘exhaustie’-methode. In zijn hantering van de
rekentechniek verschilde Archimedes van de meeste grote Griekse wiskundigen.
Zo kreeg zijn werk, door en door Grieks als het is, toch een Oosters trekje:
Archimedes was nu eenmaal niet bang alle wiskunde die hij kende, scheppend
te gebruiken.
Dit ‘Oosterse’ trekje vinden we ook in het vaak aan
Archimedes toegeschreven ‘Runderprobleem’, een
ingewikkeld vraagstuk in onbepaalde analyse, dat men kan interpreteren als
een probleem dat leidt tot een zgn. vergelijking van Pell
t2 - Au2 = 1
waarvan de oplossing moet worden gevonden in gehele getallen t en u. In het
‘Runderprobleem’ is A = 4729494 en
u is een veelvoud van 9304, het antwoord bestaat uit
zeer grote getallen.1
| |
9.
Met de derde grote Hellenistische wiskundige, Apollonios van Perga, (ca.
260-ca. 170) zijn we weer geheel in de meetkundige traditie. Apollonios, die
in Alexandrië en in Pergamum gedoceerd schijnt te hebben, schreef
acht boeken over kegelsneden, de Konica. Hiervan zijn
zeven boeken bewaard gebleven, de laatste drie alleen in een Arabische
vertaling. Apollonios voert de kegelsneden in als snijlijnen van vlakken met
een rechte of scheve cirkelkegel, en ofschoon zijn behandeling zuiver
meetkundig is kan men ze licht herleiden tot de studie van de homogene
vergelijkingen y2 = px (1 + ε x/d), waar ε = - 1 de ellips, ε = 0 de parabool, ε =
+ 1 de hyperbool geeft (p en d zijn lijnen). Deze namen, die wij aan Apollonios ontlenen, vinden
hun verklaring in | | | | de ‘aanpassingstheorie’
van oppervlakken die we in Euklides kunnen bestuderen, ε = - 1 is aanpassing met defect
(‘elleipsis’), ε = 0
(precieze) aanpassing (‘parabolê’), ε = + 1 aanpassing met exces
(‘hyperbolê’).
Apollonios had onze coördinatenmethode niet, omdat hij geen
algebraïsche notatie had, die misschien onder invloed van Eudoxos
bewust verwerpend. Vele van zijn resultaten kunnen echter onmiddellijk in de
taal van onze analytische meetkunde vertaald worden, ook zijn theorie van de
evoluten der kegelsneden.1
Ook vele andere werken van Apollonios, waarvan gedeelten tot ons zijn
gekomen, bevatten wat wij algebraïsche meetkunde zouden noemen,
doch in meetkundige en dus homogene vorm. Tot die gedeelten behoort het zgn.
raakprobleem van Apollonios: een cirkel te construeren die aan drie gegeven
cirkels raakt, de cirkels mogen door punten of rechten vervangen
worden.2 Bij Apollonios vinden we de eis dat men in
meetkundige constructies zich moet beperken tot passer en lineaal, expliciet
geformuleerd (ofschoon ze impliciet al in de Elementen
voorkomt); deze eis was dus niet zo typisch Grieks als men soms wel
gelooft.
| |
10.
Het is moeilijk de wiskunde gedurende haar gehele verloop tot op betrekkelijk
moderne tijd van de sterrenkunde te scheiden. In de Oosterse en
Hellenistische wetenschap nam de sterrenkunde door haar belang voor de
landbouw en speciaal de irrigatie een overwegende plaats in - om van de
astrologie maar te zwijgen. Daardoor had de ontwikkeling van de astronomie
een sterke invloed op die der wiskunde, vooral op de rekentechniek, doch ook
op de begripsinhoud van de wiskunde. Anderzijds hing de voortgang der
sterrenkunde weer van de beschikbare mathematische kennis af. De bouw van
het planetensysteem is zo dat betrekkelijk eenvoudige wiskundige methoden
reeds machtige resultaten ople- | | | | veren, doch terzelfder tijd is ze
ingewikkeld genoeg om de verbetering van die methoden te stimuleren, hetgeen
dan weer de astronomische theorieën beïnvloedt. Het
Oosten had grote vooruitgang in de berekenende sterrenkunde geboekt in die
periode die juist aan de Hellenistische voorafgaat, in het bijzonder in
Mesopotamië gedurende de laat-Assyrische en Perzische perioden.
Hier had de stelselmatige bestudering van waarnemingen over vele jaren tot
een opmerkelijk begrip van vele verschijnselen gevoerd, b.v. van de beweging
van de maan, die door haar schijnbare grilligheid de wiskundige steeds weer
tot nieuwe studie heeft aangespoord, in de Oudheid zowel als in meer moderne
tijden. Babylonische (‘Chaldese’) sterrenkundigen
hadden tabellen van zulke efemeriden opgesteld, die, als we ze grafisch
voorstellen, door trapfuncties kunnen worden voorgesteld. Toen, gedurende de
periode der Seleuciden, Griekse en Babylonische wetenschap elkaar
ontmoetten, leidde deze kennismaking tot vooruitgang, niet alleen in de
berekenende, doch ook in de theoretische astronomie. Doch terwijl de
Babylonische wetenschap in haar oude kalendarische tradities bleef
voortgaan, behaalde de Griekse wetenschap nieuwe triomfen op theoretisch
gebied.
De oudste Griekse bijdrage tot de theoretische sterrenkunde was de
planetentheorie van dezelfde Eudoxos die Euklides inspireerde. Ze was een
poging om de beweging der planeten (rondom de vaststaande aarde) te
verklaren door vier boven elkaar liggende, draaiende, concentrische bollen
aan te nemen, ieder draaiende om zijn eigen as waarvan de eindpunten vast
zaten in de omgevende bol. Dit was iets nieuws en typisch Grieks: een
kinematisch model van het planetenstelsel in plaats van de tabellen waarmee
de Babyloniërs zich vergenoegden: een meetkundige verklaring in
plaats van een beschrijving. Ondanks haar tamelijk eenvoudige vorm bevat
deze theorie van Eudoxos het centrale denkbeeld dat aan alle planetaire
theorieën tot de zeventiende eeuw ten grondslag heeft gelegen, en
dat daarin bestaat dat de onregelmatigheden in de schijnbare banen van maan,
zon en planeten worden verklaard uit de superpositie van cirkelvormige
bewegingen. Een moderne analogie is de techniek, waarbij we functies in
trigonometrische reeksen ontwikkelen.
Na Eudoxos krijgen we Aristarchos van Samos (ca. 280), de
‘Copernicus van de Oudheid’, waarvan we bij Archimedes
lezen dat hij de hypothese opstelde dat niet de aarde, maar de zon het
middelpunt is van de planetenbanen. Aristarchos' verhandeling zelf is nooit
teruggevonden, wij bezitten van hem alleen een werk | | | | over de
bepaling van de afstand van maan en aarde. Wat zijn heliocentrische
hypothese betreft, deze vond weinig bewonderaars in de Oudheid -
waarschijnlijk om dezelfde reden waarom Copernicus' leer in den beginne
weinig aanhangers had: de moeilijkheid om deze leer met die van Aristoteles
in overeenstemming te brengen. In de Oudheid werden Aristarchos'
theorieën door die van Hipparchos in de schaduw gesteld.
Hipparchos van Nicaea, vaak als de grootste astronoom van de Oudheid
beschouwd, verrichtte zijn observaties tussen 141 en 127 v. C. Directe
kennis van zijn werk hebben we niet; wat we weten komt voornamelijk van
Ptolemaios, die ongeveer drie eeuwen later leefde. Er is veel in Ptolemaios'
groot astronomisch handboek, bekend als Almagest, dat op
rekening van Hipparchos komt, speciaal het gebruik van eccentrische cirkels
en epicykels om de beweging van zon, maan en planeten te beschrijven. Ook
wordt aan Hipparchos de ontdekking van de precessie der nachteveningspunten
toegeschreven. Van hem is misschien ook het denkbeeld afkomstig plaatsen op
aarde door lengte en breedte aan te geven en deze
‘coördinaten’ door astronomische metingen
te bepalen, doch men heeft nooit gedurende de Oudheid de wetenschappelijke
organisatie gehad die zulk een geografisch program op grote schaal mogelijk
maakte. Mannen van wetenschap waren in de Oudheid nu eenmaal dun gezaaid,
zowel in tijd als in plaats. Het werk van Hipparchos stond in nauwe
betrekking tot de Babylonische sterrenkunde, die in zijn dagen een periode
van bloei beleefde, zodat we in dit werk een uiterst belangrijk
wetenschappelijk resultaat van het contact tussen de Griekse en de Oosterse
beschaving in het Hellenistische tijdvak kunnen zien.1
| |
11.
De derde en laatste periode van de klassieke Oudheid is die van de Romeinse
overheersing. Rome veroverde Syracuse in 212, Carthago in 146, Griekenland
in 146, Mesopotamië in 64, Egypte in 30 v. C. Het Oosten, dat
Rome had veroverd, werd een kolonie, beheerd door Romeinse bestuurders en
beambten. Deze controle beïnvloedde de economische structuur van
de Oosterse landen maar weinig zolang de belastingen en andere tributen maar
rustig konden worden geïnd. Verder was het Romeinse Rijk nu op
na- | | | | tuurlijke wijze in twee delen verdeeld, een Westelijk
gedeelte met extensieve landbouw die op massale slavenarbeid berustte, en
een Oostelijk gedeelte met intensieve landbouw, waarin de slavernij in het
algemeen alleen voor openbare werken en voor huisdiensten in aanmerking
kwam. Ondanks het bestaan van een aantal steden en een handel die het hele
Rijk omvatte, en zelfs het Rijk met landen als China en Indië
verbond, vormde de landbouw de economische grondslag. De uitbreiding der
slavernij in zulk een maatschappij ondermijnde steeds meer de mogelijkheid
van oorspronkelijk wetenschappelijk werk. Slavenhouders zijn als een klasse
bitter weinig geïnteresseerd in technische verbeteringen, zolang
ze genoeg slaven kunnen vinden om al het werk te doen, en bovendien, het is
gevaarlijk om enig werktuig in de hand van een slaaf te geven dat helpen zal
zijn kennis te vergroten. Vele leden van de slavenhoudende klasse amuseerden
zich met kunsten en wetenschappen, doch zulk een bezigheid gaf meer
aanleiding tot middelmatig dan tot scheppend denken. En toen uiteindelijk de
toevoer van slaven meer en meer beperkt werd en de gehele Romeinse
volkshuisvesting in verval raakte, bleven er slechts weinig mensen over om
zelfs de middelmatige wetenschap van de vergane eeuwen voort te zetten.
Zolang als het Romeinse Rijk nog stabiliteit vertoonde, bleef in het
Oostelijk deel de wetenschap bloeien in een merkwaardige vermenging van
verschillende cultuurelementen, Hellenistische zowel als Aziatische en
Egyptische. Het is waar dat scheppingskracht en oorspronkelijkheid
langzamerhand minder en minder werden, doch de pax Romana,
die verscheidene eeuwen het leven van velen voor grote schokken vrijwaarde,
bevorderde wetenschappelijke en wijsgerige speculatie, in grotendeels
traditionele banen. Naast de pax Romana genoot een ander deel van de wereld
een tijdlang de pax Sinensis: in de gehele geschiedenis
heeft het Eurazische continent nooit meer zulk een periode van ononderbroken
vrede genoten als onder de Antonienen in Rome en de Han in China. In dit
tijdperk kon zich wetenschappelijke en technische kennis gemakkelijker dan
voorheen van West naar Oost en van Oost naar West verspreiden.
Hellenistische wetenschap kwam naar Indië en misschien ook naar
China, en werd zelf door intellectuele stromingen van het Oosten
beïnvloed. Zekere trekken van de Babylonische sterrenkunde en de
Griekse wiskunde kwamen naar Italië, Spanje en Gallië,
zoals b.v. de sexagesimale indeling van uur en hoek, die zich over het
gehele Romeinse Rijk verbreidde. Er bestaat een theorie van de
Oriëntalist-wiskundige F.W. Woepcke (1863) waar- | | | | in de
verspreiding van de zogenaamde Hindoe-Arabische getallen over Europa alreeds
in de latere jaren van het Romeinse Rijk wordt verzet, een verspreiding
waarbij misschien neo-Pythagoreïsche invloeden een rol hebben
gespeeld. Dit kan wel waar zijn, doch zo de verspreiding van die getallen
over de Westerse wereld reeds zo vroeg plaatsvond, is ze waarschijnlijk wel
meer door de handel dan door de filosofie beïnvloed.
Alexandrië bleef ook onder Rome het middelpunt van de wiskunde der
klassieke Oudheid. Men bleef oorspronkelijk werk verrichten, ofschoon
compilatie en exegese hoe langer hoe meer de plaats van scheppend denken
begonnen in te nemen. De geleerden van die dagen hebben ons menig wis- en
sterrenkundig resultaat overgeleverd, dat anders zou zijn verloren gegaan,
en het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen wat zij overgeschreven
of wat zij zelf ontdekt hebben. Als we trachten de geleidelijke
achteruitgang van de Griekse wiskunde te begrijpen moeten we ook aan haar
technische zijde denken, haar vaak omslachtige meetkundige manier van
uitdrukken zonder de hulp van een algebraïsche schrijfwijze. In
de leer der krommen maakte dit elke systematische vooruitgang boven de
kegelsneden bijkans onmogelijk. Algebra en rekentechniek werden aan de
volkeren van het Oosten overgelaten, waar een rechtgeaarde Griek op neer
zag, ook al was hun beschaving met een Grieks vernisje overdekt. Het is
evenwel verkeerd te geloven dat de Alexandrijnse wiskunde zuiver
‘Grieks’ was in de traditionele Euklidisch-Platonische
zin: er bleef steeds naast de abstracte meetkundige denkwijze een
Egyptisch-Babylonische, algebraïsch-berekenende wiskunde bestaan.
We hoeven slechts aan Heroon, Ptolemaios en Diophantos te denken om dit in
te zien. Al die verschillende scholen hadden één
kenmerk gemeen: ze gebruikten de Griekse taal voor wetenschappelijke
doeleinden.
| |
12.
Een der vroegste Alexandrijnse wiskundigen van de Romeinse periode was
Nikomachos van Gerasa (ca. 100 n. C.), wiens Inleiding tot de
Arithmetica de meest complete uiteenzetting van de rekenkunde der
Pythagoreeërs is. Men vindt er, algemeen gesproken, dezelfde
onderwerpen die men in de arithmetische boeken van Euklides' Elementen vindt, doch waar Euklides getallen door lijnsegmenten
voorstelt, gebruikt Nikomachos een rekenkundige schrijfwijze, waarbij hij de
gewone taal gebruikt als onbepaalde getallen moeten worden uitgedrukt. Zijn
behandeling van polygonale en piramidale getallen heeft middeleeuwse
rekenkunde, in het bijzonder het werk van Boëtius,
beïnvloed.
| | | |
Een der belangrijkste documenten uit dit tweede Alexandrijnse tijdvak was het
Grote Systeem (Megalè Syntaxis) van
Klaudios Ptolemaios, beter bekend onder de gearabiseerde naam van Almagest (ca. 150 n. C.). Deze Almagest
is het grote astronomische meesterwerk van de Oudheid, een werk dat zowel
grote originaliteit als meesterlijke techniek tentoon spreidt, ook al zijn
vele van de leidende ideeën afkomstig van Hipparchos of van
Babylonische sterrenkundigen als Kidinnu (of Kidenas), die circa 450 v.Chr.
zijn observaties verrichte, ongeveer terzelfder tijd als de Ionische
filosofen. Voor ons is van belang dat de Almagest ook een
goniometrie bevat, met een koordentafel voor verschillende hoeken, die dus
equivalent is met een sinustafel volgens de formule:
koorde α - 2R sin α/2, met R = 60.
Ptolemaios' hoeken gaan van 0° tot 90° met inter vallen
van 30′, de straal van de cirkel is 60 eenheden en de koorden
worden in sexagesimale breuken uitgedrukt. Toegevoegd is een tabel voor
interpolatie naar minuten. Als hij dus b.v. voor de koorde van 1°
de waarde (1,2,50) geeft, betekent dit dat deze koorde
1/60 + 2/602 + 50/603 = 0,0174537 van de straal is.
Voor π heeft de Almagest de waarde (3, 8, 30) = 3 17/120 =
3,14166. We vinden in dit boek de zgn. ‘stelling van
Ptolemaios’ over de diagonalen en de zijden van een
koordenvierhoek, zowel in het vlak als op de bol, en zo men in deze stelling
voor de vlakke koordenvierhoek één zijde als
middellijn kiest krijgt men een meetkundige betrekking equivalent met de
tegenwoordige formules voor de sinus en cosinus van de som en het verschil
van twee hoeken. Deze stelling wordt dan bij het berekenen der tafels
gebruikt, omdat ze het mogelijk maakt van de koorde van α tot die van α/2 over te
gaan. Zo vindt Ptolemaios uit de koorde van 72° en 60°
die van 12°, 6°, 1°30′ en
45′, welke waarden dan weer gebruikt worden om de koorde van
1° te benaderen door de ongelijkheid
zodat koorde 1° < 4/3 koorde 45′ en
> ⅔ koorde 1°30′.
| | | |
In Ptolemaios' boek Planisphaericum vinden we de
stereografische projectie. Zijn Geographia heeft nog enige
andere kaartprojecties, en voert lengte en breedte op aarde in. Dit zijn dus
antieke voorbeelden van een coördinatenstelsel. Met deze
stereografische projectie is de constructie verbonden van het astrolabium,
reeds in de Oudheid bekend en later door de Arabische beschaving verder
ontwikkeld, en in de vorm van werkelijke kunstwerken uitgevoerd.1
Iets ouder dan Ptolemaios was Menelaos (ca. 100 n. C.), wiens Sphaerica een meetkunde van het boloppervlak bevat. Hier vindt men
een bespreking van boldriehoeken, iets wat bij Euklides ontbreekt, waarbij
gebruik wordt gemaakt van ‘Menelaos' theorema’ over
transversalen van een driehoek, in dit geval een boldriehoek. Waar
Ptolemaios' sterrenkunde veel rekenwerk (in sexagesimale breuken) bevat, is
de verhandeling van Menelaos meetkundig in de zuivere Euklidische traditie.
Het is zeer waarschijnlijk dat tot deze periode ook Heroon (of Hero) behoort,
wij weten althans dat hij een maaneclips van 62 n. C. precies
beschrijft.2 Heroon was een encyclopedisch schrijver, hij schreef
over meetkundige, rekentechnische en mechanische onderwerpen. In zijn Metrica vinden we de ‘Heronische’
formule voor het oppervlak van een driehoek:
in een meetkundige vorm, een formule die ook wel aan Archimedes wordt
toegeschreven. Bij Heroon komen Griekse en Oosters-Egyptische elementen
beide voor, zo vindt men in de Metrica typische Egyptische
stambreuken, als in de benadering voor √63 door 7 +
½ + ¼ + ⅛
+ 1/16. Heroon's formule voor de inhoud van een afgeknotte
vierzijdige piramide kan herleid worden tot die welke in de oude Moskouse
papyrus voorkomt. Zijn uitdrukkingen voor de inhoud van de vijf regelmatige
lichamen zijn daarentegen weer in de geest van Euklides.
| |
| | | |
13.
De invloed van het Oosten is nog veel sterker in de Arithmetica van Diofantos (ca. 250 n. C.). Van de oorspronkelijke
boeken zijn er nog zes over, hoeveel er totaal waren weten we niet precies.
Uit de bekwame manier waarop bepaalde en onbepaalde vergelijkingen behandeld
worden blijkt dat de aloude algebra van Babylon of misschien ook van
Indië onder het Griekse vernis niet alleen nog voortleefde, doch
ook verbeterd werd. Hoe en wanneer dit gebeurde weten we niet, evenmin als
we weten wie Diofantos was, misschien wel een gehelleniseerde
Babyloniër. Zijn Arithmetica is een der meest
fascinerende verhandelingen die ons uit de Grieks-Romeinse oudheid zijn
overgeleverd.
Diofantos' verzameling van vraagstukken omvat vele gebieden en de behandeling
is vaak hoogst vernuftig. ‘Diofantische analyse’
bestaat in het vinden van oplossingen van allerlei onbepaalde
vergelijkingen, zoals (in onze notatie)
y2 = Ax2 + Bx + C, of y3 = Ax3 + Bx2 + Cx + D
of stelsels van zulke vergelijkingen.
Karakteristiek was Diofantos' verlangen positief rationale oplossingen te
vinden, dus niet noodzakelijk oplossingen in gehele getallen. Irrationale
oplossingen waren ‘onmogelijk’, en hij zorgde ervoor
dat zijn coëfficiënten getallen waren die tot
positieve rationale oplossingen voerden. Onder zijn vergelijkingen vinden we
x2 + y2 = z2
(de ‘Pythagoreïsche drietallen’), en de
vergelijkingen van Pell x2 - 26y2 = 1, x2 - 30y2 = 1.
Diofantos heeft ook verscheidene stellingen op het gebied der
getallentheorie, zoals het theorema (iii, 19) dat als elk
van twee gehele getallen de som is van twee vierkanten hun produkt op twee
manieren kan gesplitst worden in de som van twee vierkanten. Hij heeft ook
theorema's over de splitsing van een getal in de som van drie en vier
vierkanten.
In Diofantos vinden we voor het eerst een stelselmatig gebruik van
algebraïsche symbolen. Hij heeft een eigen teken voor de
onbekende, voor het minteken, voor omgekeerden. De symbolen hebben nog meer
de natuur van afkortingen dan van algebraïsche symbolen in onze
zin, en zo spreekt men wel van Diofantos'
‘gesyncopeerde’ algebra in tegenstelling tot onze
‘symbolische’. Voor elke macht van de onbekende had
hij een eigen symbool. Hier vinden we dus niet alleen, zoals in Babylon,
arithmetische kwesties van een duidelijk algebraïsch karakter,
doch ook een goed ontwikkelde algebraïsche notatie die meehielp
om vraagstukken op te lossen die ingewikkelder waren dan die welke vroeger
aan de orde | | | | waren gesteld.1 Toen, in het laatst van de zestiende en het
begin van de zeventiende eeuw de studie van Diofantos weer werd opgevat,
door Stevin, Viète en vooral Fermat, heeft de
‘Arithmetica’ er toe bijgedragen dat zowel algebra als
getallenleer een nieuwe bloeiperiode tegemoet ging.
| |
14.
De laatste grote Alexandrijnse wiskundige verhandeling was de Verzameling (Synagoge) van Pappos (eind 3e eeuw). Dit werk, in acht boeken, was een soort
inleiding tot de studie van de Griekse meetkunde met historische noten,
verbeteringen en veranderingen in bestaande theorema's en bewijsvoeringen.
Het behoorde eigenlijk met de oorspronkelijke werken tezamen gelezen te
worden, en niet onafhankelijk ervan. Vele resultaten van antieke schrijvers
zijn ons echter alleen bekend in de vorm waarin Pappos die aan ons heeft
overgeleverd. Voorbeelden zijn vraagstukken die betrekking hebben op de
driedeling van een hoek, de verdubbeling van de kubus, en de kwadratuur van
de cirkel. In een sectie over isoperimetrische figuren (dat een boek van
Zenodorus, misschien ca. 180 voor Chr., volgt) vindt men de uitspraak dat de
cirkel een groter oppervlak heeft dan elke regelmatige veelhoek met dezelfde
omtrek. Hier vindt men ook een opmerking over het feit dat de cellen in een
honingraat een hexagonale vorm hebben, omdat zulk een figuur onder de
gegeven voorwaarden van ruimtevulling een maximum aan honing kan
bevatten.2 De
dertien halfregelmatige lichamen van Archimedes (die van de vijf regelmatige
lichamen daarin verschillen, dat zij niet door één
doch door twee of drie stelsels van congruente regelmatige veelhoeken
begrensd zijn), zijn ook door Pappos bekend gemaakt. Sommige eigenschappen
die hij vermeldt behoren tot wat we nu de projectieve meetkunde noemen, maar
ze zijn geïsoleerd en schijnen er op te wijzen dat de Oudheid
nooit aan een systematische projectieve meetkunde is | | | |
toegekomen. Maar met zijn verscheidenheid van problemen, en juist door het
feit dat hij zoveel vragen aanroert doch slechts ten dele oplost, heeft
Pappos, met zijn Verzameling, evenals Diofantos met zijn
Arithmetica, een boek achtergelaten dat vele latere
geesten tot verder werk heeft aangespoord.
Met het langzame verval van de antieke maatschappij verviel ook de
Alexandrijnse school. Ze bleef, globaal gezien, een bolwerk van de heidense
filosofie tegen het opdringende Christendom, en sommige wiskundigen van die
school hebben zich ook een plaats verworven in de geschiedenis der antieke
wijsbegeerte: Proklos (410-485), wiens commentaar tot het eerste boek van
Euklides' Elementen een van onze voornaamste bronnen van
de geschiedenis der Griekse wiskunde is, was de leidende figuur van een
Neo-Platonische school in Athene. Een andere commentator van de Elementen was Theon van Alexandrië (ca. 370). Zijn
behandeling van de Elementen is tot aan de negentiende
eeuw toe voor de oorspronkelijke tekst aangezien. Theons dochter Hypatia
heeft ook commentaren op klassieke wiskundigen geschreven. Ze werd in 415
door aanhangers van de heilige Cyrillus vermoord, hetgeen Charles Kingsley
tot het schrijven van de roman Hypatia inspireerde
(1853).1 In deze filosofenscholen met hun commentatoren
wisselden eeuwen lang tijden van voorspoed af met tijden van achteruitgang.
De Akademie in Athene werd in 529 door Keizer Justinianus als
‘heidens’ opgeheven, doch omstreeks die tijd waren er
al weer andere scholen, b.v. in Constantinopel en in (Perzisch) Jundishapur.
Vele oude teksten weerstonden de eeuwen in boekerijen van Constantinopel
waar Grieks schrijvende commentatoren doorgingen, tot de val in 1453, de
herinnering aan de Griekse wetenschap en wijsbegeerte levend te houden. In
het jaar 641 werd Alexandrië door de Arabieren veroverd, die de
Griekse beschaving van de opperste lagen der maatschappij door een Arabische
vervingen. Men behoeft het verhaal dat de Arabieren de beroemde bibliotheek
vernield hebben niet te geloven; het is best mogelijk dat er van die
bibliotheek al niet veel meer over was.2 Aan het
karakter van de wiskunde in Egypte hebben de Arabische veroveraars weinig
veranderd. Er was een tijdelijke achteruitgang, | | | | maar als we
weer van Egyptische wiskunde horen heeft ze nog steeds het Alexandrijnse
half Grieks, half Oosterse karakter (b.v. Alhazen).
| |
15.
Wij eindigen dit hoofdstuk met enkele opmerkingen over Griekse arithmetica en
logistica. De ‘arithmetica’ was de leer der getallen
(arithmoi), de ‘logistica’ was de praktische
rekenkunst. De term ‘arithmos’ werd gebruikt voor wat
wij een natuurlijk (dus positief geheel) getal noemen, een getal dat een
grootheid is ‘bestaande uit eenheden’ (Euklides vii, Def. 2); één werd dus niet als
een getal beschouwd.1
Ons begrip reëel getal was onbekend, en een lijnsegment had dus
niet altijd een lengte, die in getallen kan worden uitgedrukt. Waar wij
reële getallen gebruiken, gebruikte de Griekse wiskundige
theoreticus meetkundige beschouwingen. Als Euklides wil uitdrukken dat het
oppervlak van een driehoek gelijk is aan het halve produkt van hoogte en
grondlijn zegt hij dat dit oppervlak de helft is van dat van een
parallellogram met gelijke grondlijn dat tussen dezelfde evenwijdige lijnen
ligt als de driehoek (Euklides i, 4). De stelling van
Pythagoras was een betrekking tussen de oppervlakken van drie vierkanten en
niet tussen de lengten van drie zijden. Vierkantsvergelijkingen komen in de
Elementen voor, doch als meetkundige constructies op
de zgn. ‘aanpassing’ berustende. De wortels zijn dan
zekere lijnstukken, en daarom altijd positief. Deze opvatting over lijnen en
getallen was een welbewuste daad, die op de overwinning van het Platonische
idealisme binnen de Griekse bezittende klasse (voor zover ze in de wiskunde
belangstelling had) berustte, en die een afkeer vertolkte tegenover de
Oosterse opvattingen, die in de betrekkingen tussen meetkunde, algebra en
rekenkunde geen beperkingen aan het getalbegrip oplegden. Er bestaan
voldoende redenen om aan te nemen dat deze opvattingen, b.v. dat van het
theorema van Pythagoras als een getallenbetrekking, aan de Ionische
wiskundigen bekend moeten zijn geweest, en die opvattingen moeten dus later
bewust verworpen zijn.
Toch is het gewone getallenrekenen, de logistica, gedurende alle perioden van
de Griekse geschiedenis steeds levend gebleven, ook onder wiskundigen.
Euklides moge het verworpen hebben en het aan de marktplaats hebben
overgelaten, Archimedes en Heroon | | | | gebruikten het met groot
gemak en zonder gewetensbezwaren. Dit rekenen was gebaseerd op een notatie
die met de tijd veranderde. Oorspronkelijk hadden de Grieken een stelsel
waaraan een additief decimaal beginsel ten grondslag lag, als bij de
Egyptenaren en later de Romeinen. In de Alexandrijnse periode, en misschien
wel vroeger, kwam een methode in gebruik die anderhalf duizend jaar bestaan
heeft, en niet alleen door mannen van wetenschap, doch ook door kooplieden
en beambten werd aangewend. In dit stelsel gebruikte men de notatie van het
Griekse alfabet om getallen uit te drukken1, eerst 1, 2,..., 9 (dus 1
= α, 2 = β, enz.),
dan de tientallen van 10 tot 90, (dus ι = 10,
κ = 20, enz.) en eindelijk de honderdtallen
van 100 tot 900 (dus ρ = 100, σ = 200, enz.). Soms werd er een streepje boven gezet,
b.v. ᾶ = 1. Drie verouderde letters werden aan
de 24 letters van het Griekse alfabet toegevoegd om de nodige 27 symbolen te
krijgen. Zo kon men elk getal beneden 1000 met ten hoogste 3 symbolen
uitdrukken, b.v. 14 als ιδ, 257 als
σνζ, getallen groter
dan 1000 werden door een eenvoudige toevoeging van symbolen aangegeven,
b.v., α voor 1000. Breuken kon men er ook mee
uitdrukken. Men vindt dit stelsel zowel in de bestaande manuscripten van
Archimedes, Heroon en andere klassieke auteurs, als in
koopmanshandschriften. Er bestaat archeologisch materiaal dat laat zien dat
het ook op school werd onderwezen.
Dit was een decimaal, maar niet een positiestelsel, ιδ en δι konden beide alleen maar 14 betekenen. Dit
ontbreken van een plaatswaarde en het gebruik van niet minder dan 27
symbolen zijn vaak als bewijzen voor de inferioriteit van dit stelsel
aangevoerd. Het gemak, waarmee de antieke wiskundigen het gebruikten, het
feit dat Griekse kooplui het zelfs voor ingewikkelde berekeningen
accepteerden, de lange tijd dat het gebruikt werd (in het Oost-Romeinse Rijk
tot aan zijn ondergang in 1453), wijzen er op dat dit Griekse stelsel ook
enige voordelen had. Als men zich een beetje oefent in het gebruik, blijkt
dat er weinig kunst voor nodig is om de elementaire operaties ermee te
verrichten, zodra de betekenis van de 27 symbolen is begrepen (een taak niet
moeilijker dan de 26 letters van ons alfabet te leren). Breukenrekening was
ook vrij eenvoudig, maar hier waren de Grieken inconsequent, omdat een
algemeen aanvaard systeem ontbrak. Ze gebruikten Egyptische | | | |
stambreuken, Babylonische sexagesimaalbreuken en ook breuken in een notatie
die enigszins aan de onze herinnert (Archimedes schrijft 10/71 als ῖοα´, met een
accent om de noemer aan te wijzen). Decimale breuken werden niet gebruikt;
deze verschijnen eerst in Europa nadat het rekenapparaat ver was uitgegroeid
boven dat van de antieke wereld en in vele schoolboekjes vindt men decimale
breuken niet voor de achttiende of zelfs negentiende eeuw.
Men heeft wel beweerd dat deze alfabetische manier van schrijven een slechte
invloed heeft gehad op de groei van de Griekse algebra, omdat het gebruik
van letters voor bepaalde getallen hun gebruik voor getallen in het
algemeen, zoals wij het in onze algebra doen, verhinderde. Wij kunnen zulk
een formele verklaring voor de afwezigheid van een Griekse algebra
vóór Diofantos moeilijk aanvaarden, ook al waarderen
wij ten volle de betekenis van een goede notatie. Indien de klassieke
schrijvers de behoefte hadden gevoeld aan een goede algebra hadden ze wel de
bijbehorende notatie gevonden, zoals we dat dan ook bij Diofantos zien
beginnen. Het vraagstuk dat het bestaan en niet-bestaan van de Griekse
algebra opwerpt kan alleen worden benaderd door verdere studies over het
verband tussen Griekse en Babylonische wiskundigen, en dit weer in de gehele
samenhang van de betrekkingen tussen de Griekse en de Aziatische wereld.
| |
Literatuur
De klassieke Griekse wiskundige auteurs zijn allen in moderne uitgaven te
verkrijgen, en van bijna allen bestaan vertalingen in het Engels, het Duits
of het Frans. In de Nederlandse taal bezitten wij:
E.J. Dijksterhuis, De Elementen van Euclides (2 dln,
Groningen, 1930). Dit boek bevat ook een kritisch overzicht van de
literatuur vóór Euclides. |
| E.J. Dijksterhuis, Archimedes (eerste deel
Groningen, 1938; vervolgd in ‘Euclides’ 15-17, 20
(1938-44), het geheel ook in het Engels, Kopenhagen 1956). |
| B.L. van der Waerden, Ontwakende wetenschap
(Groningen 1950, ook in het Duits en Engels). |
E.M. Bruins, Fontes mateseos (Leiden 1953). Dit
boek bevat een aantal Griekse teksten voor schoolgebruik met
verklaringen in het Nederlands. |
| | | |
Verder in andere talen:
| T.L. Heath, A History of Greek Mathematics (2 dln.,
Cambridge, 1912). |
| T.L. Heath, A Manual of Greek Mathematics (Oxford
1931, ook in Dover herdruk 1963). |
| T.L. Heath, The Thirteen Books of Euclid's Elements
(3 dln., Cambridge 1908, ook in Dover herdruk 1955). |
Al deze boeken van Heath (er bestaan nog andere, o.a. over Aristoteles,
Diofantos en Archimedes) zijn standaardwerken.1
| P. Ver Eecke, Oeuvres complètes
d'Archimède (Brussel 1921, herdruk Parijs 1961,
heeft ook het commentaar van Eutocius). |
| P. Ver Eecke, Pappus d'Alexandrie. La Collection
mathématique, (Parijs-Brugge 1933). |
| P. Ver Eecke, Proclus de Lycie. Les Commentaires sur le
Premier Livre des Eléments d'Euclide (Brugge 1948). |
| I. Schneider, Archimedes (Darmstadt, 1979). |
K. Manitius, Ptolemäus' Handboek der
Astronomie, 2e uitg., bewerkt door O. Neugebauer, 2 delen
(Leipzig, 1963), eerste uitgave 1912-13. Engelse vertaling met
commentaar van J.G.T. Toomer (Springer, New York enz., 1984). |
| B.L. van der Waerden, Die Pythagoreër,
Religiöse Bruderschaft und Schule der Wissenschaft
(Zürich, München, 1979). |
| G. Loria, Le Scienze esatte nell'antica Grecia (2e
ed., Milaan 1914). |
| G.J. Allman, Greek Geometry from Thales to Euclid
(Dublin 1889). |
| J. Gow, A Short History of Greek Mathematics
(Cambridge, 1884). |
| T. Dantzig, The Bequest of the Greeks (New York
1955). |
| W. Blaschke, Griechische und anschauliche Geometrie
(München, 1953). |
| O. Becker, Das mathematische Denken der Antike
(Göttingen, 1957). |
| G. Hauser, Geometrie der Griechen von Thales bis
Euklid (Luzern, 1955). |
| K. Reidemeister, Die Arithmetik der Griechen,
Einzelschriften |
| | | |
| Hamburger Mathem. Seminar 26 (1939). |
| K. Reidemeister, Das exakte Denken der Griechen
(Hamburg 1959). |
| H. Wussing, Mathematik in der Antike (Leipzig, 1965)
(behandelt ook de voor-Griekse wiskunde). |
| A.D. Steele, Über die Rolle von Zirkel und
Lineal in der griechischen Mathematik, Quellen und Studien A2
(1932) 61-89. |
| A. Szabó, The Beginnings of Greek
Mathematics, (Dordrecht enz., 1978). |
| W.R. Knorr, Archimedes and the Pre-Euclidean Proportion
Theory, Arch. intern. hist. sc. 28 (1978) 183-244. |
Vergelijkende Griekse, Latijnse en Engelse teksten in
| J. Thomas, Selections illustrating the History of Greek
Mathematics. (Londen, Cambridge Mass., 1939). |
Verdere tekstkritiek in
| P. Tannery, Pour l'histoire de la Science
hellène (2e ed., Parijs 1930). |
| P. Tannery, Mémoires scientifiques (dln.
1-4) (Toulouse Paris 1912-20). |
| H. Vogt, Die Entdeckungsgeschichte des Irrationalen nach
Plato und anderen Quellen des 4ten Jahrhunderts, Bibliotheca
mathematica (3e ser.) 10 (1909-10) 97-105. |
| E. Sachs, Die fünf Platonischen
Körper (Berlin 1917). |
| E. Frank, Plato und die sogenannten Pythagoreer
(Halle, 1923). |
| S. Luria, Die Infinitesimaltheorie der antiken
Atomisten, Quellen und Studien zur Gesch. d. Mathem. B 2 (1932)
106-185 vgl. hierbij het in het Russisch geschreven boek van dezelfde
schrijver met dezelfde titel. Verh. Inst. v. Gesch. d. Wetenschap en
Techniek ii 5 (Akademie der Wetenschappen USSR,
1935). |
Over de betrekking tussen Griekse en Oosterse astronomie:
| O. Neugebauer, The History of Ancient Astronomy. Problems
and Methods, Journ. Near Eastern Studies 4 (1945) 1-38. |
| Id. A History of ancient mathematical Astronomy (3
dln., Springer, New York enz., 1975). |
Vgl. hierbij:
| B.L. van der Waerden, Die Anfänge der
Astronomie. Erwachende Wissenschaft II (Groningen,
1967). |
| | | |
Verdere literatuur:
| W. Lietzmann, Der Pythagoreische Lehrsatz. Mit einem
Ausblick auf das Fermatsche Problem. (Leipzig, 1951). |
| H.A. Naber, Das Theorem des Pythagoras (Haarlem,
1908). |
| F. Cajori, The History of Zeno's Arguments on
Motion. Amer. Math. Monthly 22 (1915). Acht artikelen. Zie ook Isis
3 (1920-21) 8-20. |
| M.R. Cohen-J.E. Drabkin, A Source Book in Greek
Science (New York, 1948). |
| T.L. Health, Mathematics in Aristotle (Oxford,
1949). |
| H.G. Apostle, Aristotle's philosophy of mathematics
(Chicago, 1952). |
| P. Lorenzen, Die Entstehung der exakten
Wissenschaften (Berlin 1960). |
In het Russisch:
| E. Kolman, Geschiedenis van de wiskunde in de
Oudheid (Moskou, 1961). |
| I.G. Bashmakova, Lessen over de geschiedenis van de
Griekse wiskunde, Istor.-matem. issledovaniye 11 (1958)
225-438. |
| De DSB heeft uitvoerige artikelen over Euklides, Archimedes en andere
Griekse wiskundigen. In het Lexikon der antiken Welt
(Stuttgart, 1965) vindt men ook artikelen over die wiskundigen, door K.
Vogel en anderen. |
Over Byzantijnse wiskunde, zie
| K. Vogel, Der Anteil von Byzanz an Erhaltung und
Weiterverbreitung der griechischen Mathematik, in Miscellanea
mediaevalae Ia, Berlin 1962, 112-128. Zie ook Istor.-matem. Issled.
10(1973) 249-263 (Russisch). |
|
1Een
moderne onderzoeking van zulke maantjes door E. Landau, Über quadrierbare Kreisbogenzweiecke, Berichte
Berliner Mathem. Gesellsch. 2 (1903) 1-6. Zie ook T. Dantzig, The Bequest of the Greeks (New York, 1955), Hoofdstuk
10, en DSB VI (1972) 411-416, zowel als C.J. Scriba, Welche
Kreismonde sind elementar quadrierbar?, Mitt. Mathem. Ges.
Hamburg 11 (1988) 517-539.
1Zie b.v. F. Klein, Vorträge
über ausgewählte Fragen der
Elementargeometrie (Leipzig, 1895); F. Enriques, Fragen der Elementarmathematik II (Leipzig, 1907, Italiaanse
tekst, Bologne 1906).
1D.J. Struik, Het
Probleem ‘de impletione loci’. Nieuw
Archief v. Wiskunde 15 (1925), 121-137. Zie hiertoe: M. Senechal,
Which Tetrahedra fill Space?, Mathematics Magazine
54 (1981) 227-243.
2F. Lindemann, Sitzungsber. Bayer,
Akad. Wiss. München 26 (1897) 625-768; ook 1934,
265-275.
1P. Tannery, La géométrie
grecque (Paris, 1887)217-261. Een andere mening bij B.L. van
der Waerden, Mathem. Annalen 117 (1940) 141-161. Zie
ook E.J. Dijksterhuis, De Elementen van Euclides
(Groningen 1929) I, 41-55, met een uitvoerige bespreking van de Griekse
meetkunde vóór Euklides.
1Uitvoerige
bespreking met literatuurlijst vindt men in het artikel van K. von Fritz
in DSB XIV (1976) 607-612.
2P. Tannery, ibid. p. 98. Op deze plaats houdt zich
Tannery alleen bezig met het bankroet van de oude verhoudingsleer, een
gevolg van de ontdekking van onderling onmeetbare lijnsegmenten.
3Zie hierover H. Freudenthal,
Y avait-il une crise des Fondaments des
Mathématiques dans l'Antiquité? Bulletin
Soc. Mathem. Belgique 18 (1966) 43-55.
1Volgens late bronnen (o.a. Philoponos, 6e eeuw n. C.) was
er een opschrift boven de ingang van Plato's school, de Akademia luidend: ‘Laat niemand hier binnentreden
die geen meetkunde kent’ (‘ ageōmetrêtos’). Zie D.H.
Fowler, The Mathematics of Plato's Academy (Oxford,
1987).
1Zie, om een
voorbeeld te noemen, H.B. Phillips, Differential
Equations, (New York 1922) bldz. 7 (een boek voor aanstaande
ingenieurs): ‘Zo kan men, zolang men zich tot eerste
differentialen beperkt, een klein deel van een kromme bij een punt als
recht en een klein deel van een oppervlak als vlak beschouwen; voor
korte tijdsperioden mag men aannemen dat een deeltje zich met constante
snelheid beweegt en een willekeurig fysisch proces in een constant tempo
verloopt’.
1Ofschoon π een Griekse letter is, hebben de
Grieken daarmee nooit de verhouding van omtrek en middellijn van de
cirkel aangegeven. Het symbool komt in enige geschriften van de 18 e eeuw voor, doch werd het eerst algemeen aanvaard
nadat. Euler het in zijn veel gelezen Introductio van
1748 geregeld had gebruikt. In decimale notatie betekent Archimedes'
benadering: 3,1409... < π
< 3,1429... Het rekenkundig gemiddelde van beide waarden
geeft π = 3,1419... Correct is π = 3,14159... Archimedes gebruikte ook de
letter π (of beter, de hoofdletter Π) als een
getal. Maar dit getal betekende toen wat wij met 80 aanduiden.
1Zulke vergelijkingen van Pell
ontmoet men ook in de Pythagoreïsche getallenleer, waar
speculaties over de verhouding van diagonaal en zijde van een vierkant
tot de studie van t2 - 2 u2 = ± 1 hebben
gevoerd. Oplossingen zijn hier (3,2), (7,5), (17,12), enz. die de
benaderde breuken 3/2, 7/5, 17/12,... van de kettingbreukenontwikkeling
voor √2 geven. Hierover zie men b.v. E.J. Dijksterhuis, De Elementen van Euclides II (Groningen 1930), 20-25;
B. v.d. Waerden, Ontwakende Wetenschap (Groningen,
1950) 141, 232. Dat de vergelijking naar Pell is genoemd berust
vermoedelijk op een misverstand van Euler. John Pell (1611-1685) werd in
1643 professor aan de Amsterdamse Illustre Academie, in 1646 aan de pas
geopende academie in Breda (waar de jonge Christiaan Huygens studeerde).
Later keerde hij naar Engeland terug.
1‘Mijn stelling,
dan, is dat het wezen der analytische meetkunde bestaat in de studie van
meetkundige plaatsen met behulp van hun vergelijkingen, en dat dit aan
de Grieken bekend en de basis van hun studie der kegelsneden
was’: J.L. Coolidge, A History of Geometrical
Methods (Oxford 1940), bldz. 119. Zie in dit verband onze
opmerkingen over Descartes. Coolidge's ‘Stelling’
is onzes inziens onhistorisch, het hele karakter van het wiskundig
denken der Grieken verschilde van het onze.
2Dit probleem heeft door de eeuwen heen
wiskundigen beziggehouden, o.a. Viète, Newton en Steiner. Het
algemeen probleem heeft 8 oplossingen. Zie b.v. P. Molenbroek, Leerboek der vlakke Meetkunde (10e druk, Groningen,
1948) 544-553.
1O. Neugebauer, Exact Science in
Antiquity, Studies in Civilization, Univ. of Pennsylvania
Bicentennial Conference (Philadelphia, 1942) 22-31; en The
exact Sciences in Antiquity (Princeton, 1952, 2e uitg. 1957,
Dover herdruk 1969).
1H. Michel, Traité de
l'astrolabe (Parijs, 1947), zie ook O. Neugebauer in Isis 40 (1949)
240-256, en P.H. van Cittert over astrolabia in het Utrechts
Universiteitsmuseum (1954). Algemeen: Eva G.L. Taylor, The
Haven-finding Art (1956).
2O. Neugebauer, Über eine Methode zur Distanzbestimmung Alexandria-Rom
bei Heron. Hist. fil. Medd. Danske Vid. Sels. 26 (1938) No. 2,
28 bldz.
1Papyrus 620
van de Universiteit van Michigan, in 1921 verkregen, bevat sommige
vraagstukken in Griekse algebra die tot een periode
vóór Diofantos behoren, misschien tot het begin
van de tweede eeuw na Chr. In dit manuscript vindt men al reeds sommige
van Diofantos' symbolen. Zie F.E. Robbins, Classical
Philology 24 (1929), 321-329, K. Vogel, ibid. 25 (1930)
373-375. De indeling van de algebra in
‘retorische’ (geheel in woorden),
‘gesyncopeerde’ (half en half), en
‘symbolische’ (algebra van heden) komt het eerst
voor bij G.H.F. Nesselman, Die Algebra der Griechen
(Berlijn, 1842).
2Een uitvoerige discussie van dit
probleem vindt men in D'Arcy W. Thompson, Growth and
Form (2 e uitg., Cambridge, 1942).
1Ook: F. Mauthner, Hypatia,
Roman aus dem Altertum (1892). Zie verder D.J.E. Schrek, Hypatia van Alexandrië, Euclides 21
(1945-46) 164-173.
2A. Parsons,
The Alexandrian Library. Glory of the Hellenistic
World (Amsterdam enz., 1952) is anders van oordeel.
1Wij vinden nog bij Stevin, in
zijn Arithmétique van 1585, een bijna
hartstochtelijk betoog om
‘één’ als een getal te
erkennen.
1Eigenlijk
werden hoofdletters gebruikt, dus Α voor α,
Γ voor γ, enz. De letters α,
β, γ, enz. zijn eerst in de Middeleeuwen
ingevoerd, door Byzantijnse geleerden.
1Thomas Little Heath (1861-1940) was een hoge beambte in het Engelse
ministerie van financiën (tot 1926), Hij was een Fellow van
de Universiteit van Cambridge. Zijn werken zijn klassieken op het gebied
der Griekse wiskunde.
|
|