|
|
|
| |
| | | |
IV. Het Oosten na het verval van de Griekse maatschappij
Ondanks alle hellenistische invloed was de oude beschaving van het Nabije Oosten
nooit verdwenen: in de Alexandrijnse wetenschap zien we zowel Oosterse als
Griekse invloeden duidelijk aan het werk. Oost en West konden elkaar ook
ontmoeten in zulke plaatsen als Constantinopel of in India. In 395 stichtte
Theodosius i het Byzantijnse Rijk met Constantinopel als
hoofdstad, dat, ofschoon zelf Grieks, tegelijk het administratieve centrum was
van grote gebieden waarvan de Grieken slechts een gedeelte van de stedelijke
bevolking uitmaakten. Dit rijk streed duizend jaar lang tegen machten uit het
Noorden, Oosten en Westen, en diende tevens als een bolwerk van Griekse
beschaving en als een brug tussen de Arabische en Latijnse wereld. Alreeds in de
tweede eeuw na Christus werd Mesopotamië onafhankelijk van de
Romeinen, eerst onder de Parthische koningen, na 266 onder de zuiver Perzische
dynastie der Sassanieden. In het Indusgebied treffen we enige eeuwen lang
Griekse dynastieën aan, die in de eerste eeuw na Christus verdwenen,
doch de volgende Indische heersers bleven culturele betrekkingen met Iran en het
Westen onderhouden.
Met de plotselinge opkomst van de Islam komt de politieke overheersing van het
Nabije Oosten door de Grieken bijna geheel tot een einde. Na 622, het jaar van
de Hegira, veroverden de Arabieren stormenderhand grote gedeelten van westelijk
Azië en hadden voor het einde van de zevende eeuw niet alleen grote
delen van het Oost-Romeinse, doch ook van het oude West-Romeinse Rijk bezet,
landen als Sicilië, Noord-Afrika en Spanje. Waar zij kwamen poogden
zij de Grieks-Romeinse cultuur door die van de Islam te vervangen. De ambtstaal
en wetenschappelijke taal werd Arabisch, in plaats van Latijn of Grieks, maar
ook al werden nu geleerde werken in het Arabisch geschreven, toch bleef onder de
Arabische heerschappij de continuïteit van de oude Griekse en
Oosterse beschaving voor een groot deel bewaard. De oude inheemse culturen
hadden onder deze heerschappij zelf een betere kans om bewaard te blijven dan
onder de Grieken, wier cultuur altijd een opgelegd karakter had gedragen. Zo
bleef bijvoorbeeld Perzië ondanks het Arabische bestuur toch in menig
opzicht het oude land der Sassanieden. De wedijver tussen de verschillende | | | | tradities leefde voort, ook al nam hij nieuwe vormen aan. Gedurende
de gehele periode van de heerschappij van de Islam bleef ook ononderbroken een
Griekse traditie bestaan, een traditie die haar eigen karakter te midden van de
inheemse culturen wist te handhaven.
| |
2.
Wij hebben gezien dat gedurende het bloeitijdperk van het Romeinse Rijk de
mooiste wiskundige resultaten waren verkregen in Egypte, waar Oosterse en
Griekse beschaving enige eeuwen lang vruchtbaar op elkaar konden inwerken.
Met de ondergang van het Romeinse Rijk kwam het centrum der scheppende
wiskundige bedrijvigheid langzamerhand in India te liggen, en vandaar uit
kwam het op den duur weer naar Mesopotamië toe (wij spreken hier
niet van China, dat zijn eigen weg ging, doch met India in culturele
uitwisseling stond.) De eerste Indische bijdragen tot de exacte
wetenschappen, die tamelijk goed bewaard zijn gebleven, zijn de Siddhāntā's, waarvan een gedeelte, de Sūrya, bewaard is in een vorm die misschien nog
de oorspronkelijke is. Ze dateert mogelijkerwijze uit de vierde eeuw na
Christus. Deze boeken bevatten veel sterrenkundige bijdragen met de
epicykeltheorie en sexagesimale breuken. Dit wijst op Griekse invloed, die
misschien reeds teruggaat tot de tijd vóór de Almagest, maar een direct verband met de Babylonische
astronomie is ook niet uitgesloten. De Siddhāntā's hebben overigens ook vele
karakteristieke trekken. De Sūrya
Siddhāntā bevat tafels van sinussen en niet,
als die van Ptolemaios, van koorden. Die sinussen zijn halve koorden van de
dubbele hoek bij een gegeven waarde van de straal R: R sin α = ½ koorde
(2α). Eerst bij Euler (1748) wordt
stelselmatig R = 1 gesteld en houdt de sinus op een lijn
te zijn, maar is een getal.
De resultaten van de Siddhāntā's
werden in de Indische scholen van wiskundigen, die men o.a. in Ujjain
(Centraal-India) en in Mysore (Zuid-India) vond, stelselmatig bestudeerd en
verder uitgewerkt. Nu beginnen wij enige namen van individuele wiskundigen
en hun geschriften te verkrijgen; enige dezer geschriften bestaan in een
vertaling in een moderne taal.
De meest bekende dezer wiskundigen zijn Āryabhata (wel de
‘Eerste’ genoemd, ca. 500)1 en Brahmagupta (ca. 625). Hoezeer zij door de
Griekse, Babylonische of Chinese wetenschap zijn beïnvloed is
niet met zekerheid uit te maken, doch het eigen karakter | | | | van
hun werk is niet te ontkennen. Dit werk heeft meer een
arithmetisch-algebraïsch karakter, en in zijn nadruk op
onbepaalde vergelijkingen (vaak ontstaan uit kalenderberekeningen) vertoont
het een zekere verwantschap met dat van Diofantos enerzijds en dat van de
Chinezen anderzijds. Deze auteurs werden in de volgende eeuwen door anderen
gevolgd, die in dezelfde geest werkzaam waren; hun werk had gedeeltelijk een
astronomisch, gedeeltelijk een arithmetisch-algebraïsch karakter,
zijdelings werden praktische meetkunde en trigonometrie behandeld.
Āryabhata had voor π de waarde 3,1416. Een geliefkoosd
onderwerp was het vinden van rationale driehoeken en vierhoeken (hierbij
moet het oppervlak geheel zijn als de zijden gehele getallen zijn); hierbij
denken we in het bijzonder aan Mahāvirā, die tot de
wiskundigen van Mysore behoort (ca. 850). En in Ujjain, waar Brahmagupta had
gewerkt, vinden we omstreeks 1150 een andere uitstekende wiskundige,
Bhāskara, genaamd Bhāskara II.1
Voor de oplossing van onbepaalde vergelijkingen van de eerste graad ax + by = c
(a, b, c geheel), zoals we die o.a. bij Brahmagupta
vinden, werden gehele getallen vereist. Het is daarom, als men precies wil
zijn, niet juist om zulke vergelijkingen Diofantisch te noemen, omdat
Diofantos oplossingen met breuken toeliet. De Hindoes waren de eersten die
vasthielden aan de eis dat de oplossingen gehele getallen moeten zijn. Een
ander verschil met Diofantos was dat in India ook negatieve wortels voor een
vergelijking werden aanvaard, al was dit misschien een oudere praktijk,
ontleend aan de Chinese wiskunde of misschien aan de astronomie. Hoe dit ook
zijn moge, wij weten dat Bhaskara aan de vergelijking x2 - 45x = 250 de wortels x = 50 en x = -5 toekende, al was hij er niet
geheel van overtuigd dat zulk een negatieve wortel zin had. Zijn Lilāvati (opgedragen aan een dame, naar men
zegt zijn dochter) was eeuwen lang een standaardwerk over reken- en
meetkunde in India en ook daarbuiten: Keizer Akbar liet het in het Perzisch
vertalen (1587). In 1892 werd het nog weer eens in Calcutta uitgegeven.
Bij de Indische wiskundigen vinden we ook studies in de oplossing van
vergelijkingen van de gedaante x2 -
Ay2 = 1 (A
geheel) in gehele getallen, vergelijkingen die we nu naar Pell noemen. Ook
vinden we alreeds bij Āryabhata rekenwijzen die als
oplossingsmethoden van vergelijkingen met kettingbreuken kunnen worden
opgevat. Bij Brahmagupta vindt men de formule | | | |

voor het oppervlak van een koordenvierhoek met zijden a, b, c, d.1
Overigens moeten we erop bedacht zijn, dat het oude India nog wiskundige
schatten bezit die eerst nu weer langzaam aan het licht worden gebracht en
uit de Sanskrietteksten in moderne wiskundige taal worden vertaald. Zo zijn
we b.v. te weten gekomen dat de reeks voor π/4, die we naar
Gregory of Leibniz noemen, reeds te vinden is bij Nïlakantha (ca.
1500), natuurlijk in een terminologie die zeer van de onze verschilt.2
| |
3.
Het meest bekende resultaat van de wiskunde der Hindoes is het decimale
positiestelsel. Het decimale stelsel is zeer oud, en het positiestelsel zijn
we alreeds in het oude Mesopotamië tegengekomen, doch de
verbinding van die twee ontwikkelde zich naar het schijnt eerst in China, en
daarna in India. Hier verkreeg het geleidelijk de overhand op oudere
stelsels, die niet op positie berustten. In India wordt het decimale
positiestelsel het eerst gevonden op een inscriptie van het jaar 595 na
Chr., waar men de datum 346 aantreft, met de drie tekens voor 3, 4, 6
geschreven. De Indiërs hadden reeds vele eeuwen lang een systeem
waarin getallen, ook zeer grote, in woorden werden uitgedrukt volgens een
positiebeginsel, en er bestaan teksten uit vroege tijd met de term
‘sūnya’, dat nul betekent.3
| | | |
Het zgn. Bakshāli-manuscript, dat uit zeventig bladen van
berkenschors bestaat, en dat van onzekere ouderdom is (schattingen
variëren van de derde tot de twaalfde eeuw na Chr.) en
traditioneel Indisch materiaal over benaderingen, onbepaalde vergelijkingen
en vierkantsvergelijkingen bevat, heeft een punt om de nul uit te drukken.
De eerste keer dat een teken voor nul in een opschrift verschijnt, is de
negende eeuw. Dit is veel later dan het optreden van een teken voor nul in
Babylonische teksten.
Het teken voor nul dat wij hebben, de 0, kan Griekse invloed verraden
(‘oudèn’ is het Griekse woord voor niets,
een woord dat met een omikron begint). Terwijl de Babylonische punt voor nul
slechts tussen cijfers wordt geschreven, komt de Indische nul ook aan het
einde van een getal voor, en dit maakt 0, 1, 2,..., 9 tot gelijkwaardige
symbolen.1
Het decimale positiestelsel verspreidde zich geleidelijk langs de
karavaanwegen van India uit naar verschillende richtingen en veroverde zich
een plaats te midden van allerlei andere stelsels. Details omtrent deze
verspreiding kennen we eigenlijk alleen maar uit latere eeuwen, doch we
kunnen ons voorstellen dat het decimale positiestelsel onder de Sassanieden
(224-641) naar Perzië is gekomen: er bestond toen een vrij nauw
contact tussen Mesopotamië, India en Egypte. Het is niet
onmogelijk dat in deze periode de herinnering aan het oude Babylonische
positiestelsel nog leefde. Ook tot Egypte is het decimale positiestelsel
misschien toen al doorgedrongen. De oudste duidelijke vermelding van het
Indische positiestelsel buiten India wordt gevonden in een uitlating van de
Syrische bisschop Severus Sēbōkht, die van 662
dateert. Dan begint met Al-Fāzarī's vertaling van de
Indische Siddhāntā's in het Arabisch
(ca. 773) de wereld van de Islam met het Indische stelsel kennis te maken.
Dit stelsel begint zich nu over de Arabische wereld en ook daarbuiten te
verspreiden, ofschoon ook het Griekse getallensysteem en ook andere systemen
in gebruik bleven, zowel als het rekenen op het telbord (abacus). Bij die
verspreiding van het decimale positiestelsel kunnen ook maatschappelijke
factoren een rol hebben gespeeld, omdat het positiestelsel tegenover het
rekensysteem van de Grieken en dat van de Romeinen meer in de Oosterse
traditie lag. Op den duur bleek het decimale positiestelsel, ook
Indisch-Arabisch stelsel genoemd, van het standpunt van de rekentechniek
aanzienlijke voordelen boven alle andere stelsels te | | | | hebben, en
dit heeft het doen zegevieren.
De symbolen die men voor het schrijven der tien cijfers gebruikte, lopen
nogal uiteen. Men kan evenwel twee hoofdtypen onderscheiden: de symbolen
waarmee men in de Oost-Arabische wereld de cijfers aangaf, en de zgn.
ġobâr (of ghubär) cijfers, die in de
West-Arabische wereld voorkwamen, o.a. in Spanje. Die Oostelijke vormen
worden in de Arabische wereld nog steeds gebruikt, doch uit die
gobârgetallen schijnt zich het stelsel ontwikkeld te hebben, dat
wij gebruiken. Er bestaat ook een (reeds vermelde) theorie van Woepcke,
volgens welke de gobâr getallen al in Spanje gebruikt werden voor
de Arabieren daar aankwamen. Alexandrijnse Neo-Pythagoreeërs
zouden dan reeds ca. 450 na Chr. die getallen naar het Westen hebben
gebracht.1
De voornaamste overbrengers van de tien decimale getallen met hun rekenwijze
zullen echter wel kooplieden en andere praktisch ingestelde mensen zijn
geweest.2
Het woord ġobâr betekent
stof, omdat het telbord (abacus) vaak bestond uit een
bord met zand bestrooid, waarin de tekens werden aangegeven, dus een
stof-bord. Ons woord cijfer komt van het Arabisch sifr, dat
‘leeg, nul’ betekent (vgl. bladz. 91); het woord voor
nul werd overgebracht op alle negen andere symbolen.
| |
4.
Mesopotamië, dat onder haar Hellenistische en Romeinse heersers
een grensgebied van het Grieks-Romeinse cultuurgebied was geworden, herwon
haar centrale positie langs de handelswegen onder de Sassanieden, die als
inheemse vorsten over Perzië en aangrenzende gebieden regeerden
in de traditie van Cyrus en Xerxes. Over de stand der wetenschap onder de
Sassanieden is niet veel bekend, al wijst de legendarische geschiedenis,
zoals ze uit de Duizend-en-Een Nacht, de verzen van Firdawsi en Omar Khayyam
te voorschijn treedt, op een periode van culturele bloei. Tussen
Constantinopel, Alexandrië, India en China gelegen, was het
Perzië der Sassanieden een land waar verscheidene beschavingen
elkaar | | | | ontmoetten. Babylon was verdwenen om plaats te maken
voor Seleukia-Ktesiphon, tot dit na de Arabische verovering van 641 weer
plaats moest maken voor Bagdad. Al werd nu Arabisch de officiële
taal, veel van het oude Perzië bleef onder de Islam onveranderd
bestaan. Zelfs de Islam werd slechts in een gewijzigde vorm aanvaard (het
Sjiisme). Christenen, Joden en aanhangers van Zoroaster bleven bijdragen tot
het culturele leven onder het kalifaat van Bagdad.
Evenals in Alexandrië en in India nemen we ook onder de Islam een
vermenging van allerlei stromingen in de wiskunde waar. De grote tijd der
‘Arabische’ wiskunde1 begint met de kaliefs uit het huis der Abbasieden:
Al-Mansor (754-775), Haroen-al-Rasjied (786-809) en Al-Mamoen (813-833), die
ook de sterrenkunde en andere wetenschappen aanmoedigden. Al-Mamoen richtte
zelfs in Bagdad een ‘Huis der Wijsheid’ op met een
bibliotheek en een sterrenwacht. Dit wetenschappelijke werk dat aanving met
Al-Fāzarī's reeds vermelde vertaling van de Siddhāntā's, leidde omstreeks 825
tot de activiteiten van Mohammed ibn Moesā
Al-Chwārizmī, een wiskundige geboortig uit Khiwa. Van
de boeken, die Al-Chwārizmī heeft geschreven, hebben
er twee, ook door een Latijnse vertaling, aanzienlijke invloed uitgeoefend.
Vooreerst hebben we een elementaire rekenkunde, bewaard gebleven in een
Latijnse vertaling van de twaalfde eeuw, die tot de verspreiding van het
decimale positiestelsel in de Arabische en later in de Latijnse landen heeft
bijgedragen. De Latijnse vertaling met de aanhef ‘Algorismi de
numero Indorum’ heeft het woord algoritme, een latinisering van
Al-Chwārizmī, blijvend aan onze wiskundige taal
toegevoegd.
Iets dergelijks is ook geschied met Mohammeds tweede boek, zijn algebra,
waarvan de titel luidde: Hisāb al-jabr
wal-moeqābala, hetgeen ‘wetenschap van
hergroeperen en tegenover- | | | | stellen’ betekent, wat
staat voor de leer der vergelijkingen. Het woord al-jabr heeft, ook door
latinisering, tot het woord algebra gevoerd. Inderdaad was algebra tot aan
de tweede helft van de negentiende eeuw niets anders dan de leer der
vergelijkingen.
Deze Algebra van Al-Chwārizmī bevat een bespreking van
eerste- en tweedegraadsvergelijkingen, maar alles in woorden. Zelfs het
gesyncopeerde algebraïsche formalisme van Diophantos is afwezig.
De vergelijkingen worden in zes categorieën verdeeld, die we in
onze notatie als volgt schrijven:
ax2 = bx, ax2 = c, bx = c,
x2 + bx =
c, x2 + c = bx, x2 + c = bx, x2 = bx + c,
waarin a, b, c constanten zijn. De manier waarop
Al-Chwārizmī ze aangeeft is b.v. ‘kwadraten
en getallen zijn gelijk wortels’ voor x2 + c = bx; het woord ‘wortel’, latijn
‘radix’, staat voor de onbekende x.
In de gevallen die behandeld worden zijn a, b, c altijd
positieve getallen, zodat we als voorbeelden o.a. de vergelijkingen x2 + 10x
= 39, x2 + 21 = 10x, x2 = 3x
+ 4 vinden, die ieder afzonderlijk behandeld worden. Deze drie
vergelijkingen komen geregeld in de literatuur voor, zodat L.C. Karpinski
eens gesproken heeft over ‘de vergelijking x2 + 10x = 39’,
die ‘verscheidene eeuwen lang als een gouden draad door de
algebra loopt’.1 De
oplossingen van deze vergelijkingen (alleen positieve wortels komen in
aanmerking) worden gevonden met behulp van een algebraïsch
recept, aangevuld met een meetkundig diagram, direct of indirect aan
Euklides ontleend.
Ook Mohammeds astronomische en trigonometrische tafels (met waarden van
sinussen en tangenten) zijn later in het Latijn vertaald. Zijn meetkundeboek
is een catalogus van meetrecepten, het is van enig belang omdat het de
directe invloed toont van een Joodse tekst uit 150 na Chr. Het vertoont
overigens geen spoor van sympathie voor de Euklidische traditie. Zijn
sterrenkunde was een uittreksel uit de Siddhāntā's en kan daardoor via de tekst in
het Sanskriet misschien enige Griekse invloed tonen. Algemeen gesproken zien
we bij Al-Khwārizmī de Oosterse invloed veel sterker
dan de Griekse2, en best
mogelijk is dit opzet geweest.
| | | |
Het werk van deze wiskundige, ofschoon verre van oorspronkelijk, en nogal
elementair, blijft belangrijk omdat het mee heeft geholpen de Indische
getallen en de Arabische algebra in Latijns Europa bekend te maken. Dat
receptachtige is deze algebra tot in het midden van de negentiende eeuw
bijgebleven, ze bleef haar Oosterse oorsprong getrouw door haar gebrek aan
axiomatische opbouw, waardoor ze verschilde van de meetkunde zoals Euklides
die uiteenzette. Zeer lang kon men dit verschil tussen algebra en meetkunde
nog in het schoolonderwijs waarnemen.
| |
5.
Andere Arabisch schrijvende geleerden verdiepten zich in de studie van de
wiskunde zoals die door de Grieken was beoefend. Met grote toewijding werden
de Griekse klassieken, Apollonios, Archimedes, Euklides, Ptolemaios en
anderen in het Arabisch vertaald en becommentarieerd. Het woord Almagest, waarmee we Ptolemaios' sterrenkundig handboek aanduiden,
is een mengsel van het Arabische ‘al’ en het Griekse
‘magistë’ (grootst). Dit overschrijven en
vertalen heeft menig Grieks werk, dat in het oorspronkelijk is verloren
geraakt, voor ons behouden.
Algemeen gesproken was er een voorliefde voor de berekenende en praktische
zijde van de Griekse wis- en sterrenkunde, al vinden we ook vele
theoretische beschouwingen in de Arabische literatuur. Maar de gonio- en
trigonometrie was een gebied waarin de wis- en sterrenkundigen van de
Arabische wereld bijzonder waren geïnteresseerd. Zo vinden wij
heel wat tabellen van wat we nu goniometrische functies noemen. Met de
Indiërs voerden ze de sinus in als de halve koorde van de dubbele
hoek. Dit Latijnse woord ‘sinus’, dat
‘bocht’ of ‘boezem’ betekent, is
een letterlijke vertaling van het Arabische woord
‘gaib’, dat uit ‘gîb’
ontstond, een woord dat de Arabische manier was om het Indische woord
‘jyā’, koorde, op te schrijven.1
Men vindt heel wat gonio- en trigonometrie in de geschriften van de astronoom
Al-Battānī (ca. 858-929), als Albategnius beroemd om
zijn planetentheorie. Hij beschouwde niet alleen sinussen, doch beschouwde
ook als hoekmaat de schaduw van een gegeven staaf voor invalshoeken van de
zon die van graad tot graad opklimmen. Deze ‘umbra
extensa’ was dus een cotangens. Rekenregels voor boldriehoeken,
die bij Al-Battānī voorkomen, kunnen als de
cosinusregel worden geïnterpreteerd.
| | | |
Het werk van Al-Battānī toont dat de geleerden in de
cultuurwereld van de Islam niet alleen kopieerden, doch ook tot nieuwe
resultaten kwamen door hun kennis van Griekse, Indische, inheemse en
misschien ook Chinese methoden. Dit geldt ook voor Aboe-I-Wafa (940-998),
die zijn kennis der trigonometrie gebruikte om (sexagesimale) sinustabellen
voor intervallen van 15' samen te stellen, met waarden tot in acht decimalen
nauwkeurig.
Hij werkte ook met tangenten en voerde in studies over zonnewijzers de secans
en de cosecans in. Hij vergemakkelijkte de studie van boldriehoeken, waarbij
hij het equivalent van de sinusregel gebruikte. In zijn Meetkundige Constructies vindt men werkstukken opgelost met behulp
van een passer met één vaste opening. Al-Karagi
(Al-Karkī), die ca. 1025 is gestorven, heeft een algebra
geschreven die bij Diofantos aanknoopt. Men vindt bij hem werk over
irrationalen, zoals de formules √8 + √18 =
√50, ∛54 - ∛2 = ∛16, verder de
sommen Εk2, Εk3 voor k = 1,
2,..., n, en onbepaalde vergelijkingen in de stijl van
Diofantos. Hij had een duidelijke voorliefde voor de Grieken, zijn
‘verwaarlozing van de wiskunde der Hindoes moet opzettelijk zijn
geweest’.1
| |
6.
Het is hier niet nodig een verslag te geven van alle politieke en
etnologische veranderingen die de wereld van de Islam verstoorden. Soms
kwamen zij de wetenschap ten goede, dan weer brachten zij achteruitgang,
soms gingen centra van studie verloren, dan kwamen weer andere op. Het
karakter van de wis- en sterrenkunde bleef in het algemeen onaangetast. Wij
kunnen slechts enige hoogtepunten aanstippen.
Omstreeks het jaar 1000 verschenen in Noord-Perzië nieuwe
heersers, de Seldsjoekse Turken, wier rijk een tijdlang bloeide rondom het
irrigatiecentrum van Merw. Hier leefde Omar Khayyam (ca. 1038/48 tot
1123/24), sinds 1859 in het Westen bekend als de dichter van de Rubaiyat, kwatrijnen zeer vrij vertaald in het Engels door Edward
Fitzgerald.2 Omar
was een astronoom, wiskundige en (Aristotelisch) wijsgeer.
| In een der kwatrijnen (lix) leest men |
|
| |
(vrij vertaald) |
| Ah, but my Computations, |
Maar mijn Kalenderwerk. Wat is |
| People say |
de Reden |
| | | |
| Have squared the Year to |
Van dit gecijfer. Ach, mijn vriend, |
| human Compass, eh? |
het Heden |
| If so, by striking from the |
Viert in mijn rekening triomfen |
| Calendar |
Over afwezend Morgen en het |
| Unborn tomorrow, |
dood Verleden |
| and dead Yesterday. |
|
Dit schijnt een toespeling te zijn op Omars hervorming van de oude Perzische
kalender, die de fout terugbracht op één dag in 5000
jaren (1540 of 3770 jaren volgens andere interpretaties), waar onze
Gregoriaanse kalender een fout heeft van één dag in
3330 jaar. Deze hervorming werd in 1079 ingevoerd, doch later weer vervangen
door de maankalender. Omar schreef een Algebra, die een
systematische studie van derdegraadsvergelijkingen bevat.1 Hierbij gebruikte hij een methode die de Grieken wel
eens hebben gebruikt (b.v. bij de constructies voor het vinden van de
dubbele evenredigen x, y tussen twee lijnsegmenten a, b, zodat a : x =
x : y = y : b), waarbij de oplossing wordt gevonden door de snijpunten
van twee kegelsneden te bepalen. Omar was niet in de numerieke berekeningen
van oplossingen geïnteresseerd en maakte een onderscheid tussen
‘meetkundige’ en ‘rekenkundige’
oplossingen; de laatste bestonden slechts - net als bij de Grieken - als de
wortels positief rationaal waren. Zijn methode was dus in beginsel
verschillend van die der latere wiskundigen, die, beginnende met de
Bolognezen van de zestiende eeuw, naar een algemene numerieke oplossing
streefden. In een ander geschrift over de moeilijkheden bij Euklides verving
Omar het parallellenaxioma door een aantal andere veronderstellingen.
Hierbij stelde hij de figuur op die we nu verbinden met de zgn. hypothesen
van de stompe, de scherpe en de rechte hoek, en waarbij dan de eerste twee
(die we tegenwoordig als beginselen van de niet-euklidische meetkunde
erkennen) door vernuftige redeneringen ad absurdum werden gevoerd. Omar
trachtte ook de euklidische leer der verhoudingen door een getalsmatige
theorie te vervangen, waarbij hij tot een benadering van irrationale
getallen werd gevoerd en dichtbij het begrip reëel getal
kwam.2
Nadat Bagdad in 1256 door de Mongolen was geplunderd, ont- | | | | stond
in de omgeving een nieuw centrum van studie in de sterrenwacht van
Marāgha, gesticht door de Mongoolse heerser Hoelāgoe
voor de astronoom Nasīr-al-dīn at-Toesi (Nasir-eddin,
1201-1274). Hier werd weer getracht alle beschikbare wiskundige
wetenschappen, zowel van het Oosten als van de Grieken, bijeen te brengen.
Nasir is een der eersten geweest die de gonio- en trigonometrie als
zelfstandige tak van wetenschap van de sterrenkunde heeft gescheiden. Zijn
pogingen om het parallellenaxioma te bewijzen doen sterk aan die van Omar
denken en tonen duidelijk Griekse invloed. De invloed van Nasir (of
At-Toesi, zoals hij vaak wordt genoemd) was zeer groot, zowel in de richting
van Indië en China als naar het Westen. Zijn werk is aan de
Europeanen van de Renaissance-tijd bekend geweest: nog in 1651 en 1663 zien
we John Wallis bezig met de studie van het parallellenaxioma volgens
Nasir-eddin.
Nasirs onderzoekingen over de leer der verhoudingen en de numerieke
benadering van irrationale getallen zijn eveneens in de traditie van Omar
Khayyam.
Een andere Perzische wiskundige, Jamsjid Al-Kashi (eerste helft vijftiende
eeuw, Samarkand) was bedreven in het maken van grote rekenkundige en
algebraïsche berekeningen, zodat we hem kunnen vergelijken met de
wiskundigen die we in het Europa van de laatste jaren der zestiende eeuw
zullen ontmoeten, zoals Viète of Van Ceulen. Hij loste
derdegraadsvergelijkingen op met behulp van iteratieprocessen of van
trigonometrische methoden, en benaderde wortels van vergelijkingen van
willekeurige graad met de benaderingsmethode die we gewoon zijn te noemen
naar de Engelsman W.G. Horner, die ze in 1819 opnieuw heeft ontdekt.1 Bij Al-Kashi vindt men de binomiale formule voor
positief gehele exponenten2 en een beheersing niet
alleen van berekeningen met sexagesimale, doch ook met decimale breuken
(b.v. 25,07 maal 14,3 is 358,501), hetgeen evenals het gebruik van
‘Horners methode’ op Chinese invloed schijnt te wijzen
(zie bldz. 101). Om in decimale breuken het gehele deel van het gebroken
deel te onderscheiden, gebruikte Al-Kashi verschillende kleuren, en niet
zoals wij een | | | | scheidingsteken als komma of punt. Hij kent
π in 16 decimalen, en schrijft π ook in sexagesimalen
- met een versje om de getallen te onthouden.
Een belangrijke figuur in Egypte was Ibn Al-Haitham (Alhazen, ca. 965-1039).
Men beschouwt hem wel als de grootste Islamitische natuurkundige; zijn Optica (of Perspectiva) heeft in een
Latijnse vertaling veel invloed in het Westen uitgeoefend, zoals we b.v. bij
Kepler zien. Het ‘vraagstuk van Alhazen’ bestaat
daarin, door twee punten in het vlak van een cirkel rechte lijnen te trekken
die elkaar zó op de cirkelomtrek ontmoeten, dat zij met de
cirkel-normaal in het snijpunt gelijke hoeken maken. Het vraagstuk leidt tot
een vierdemachtsvergelijking, die door Al-Haitham op Griekse wijze werd
opgelost door een cirkel met een hyperbool te snijden.
Alhazen is ook vertrouwd met de exhaustiemethode om de inhoud te vinden van
lichamen die ontstaan door de omwenteling van een parabool om een middellijn
of een lijn er loodrecht op.
Honderd jaar voor Alhazen vinden we in Egypte Aboe Kāmil, die het
algebraïsche werk van Al-Chwārizmī
voortzette en uitbreidde. Men kan zijn invloed zowel in Al-Kashi als in
Leonardo van Pisa ontdekken.
Andere wetenschappelijke centra bestonden in Spanje, waar de scholen van
Cordoba en Toledo eeuwen lang een grote reputatie genoten. Een der
beroemdste sterrenkundigen van Cordoba, later van Toledo, was
Al-Zarqāli, (Arzaquiel, ca. 1029-ca. 1087), de beste waarnemer
van zijn tijd en de samensteller van de zgn. Toledaanse planetentafels. Deze
tafels, die ook gedeeltelijk in het Latijn werden vertaald, hebben op de
verdere ontwikkeling der astronomie een zekere invloed uitgeoefend, vooral
als voorgangers van de zgn. Alfonsinische tafels, naar koning Alfonso x, de
Wijze, van Castilië (13e eeuw) genoemd. Ook het trigonometrische
gedeelte van deze tafels heeft doorgewerkt tot in de trigonometrie van de
Renaissance.
Ofschoon een groot gedeelte van de ‘Arabische’ wiskunde
en bijna de gehele Chinese wiskunde het algoritmisch-algebraïsch
karakter van de Oostelijke wiskunde behield, betekende ze wel degelijk een
fikse stap vooruit vergeleken bij de antieke methoden. West-Europa bereikte
eerst tegen het einde van de zestiende eeuw een hoogte die met deze
Arabisch-Chinese wiskunde kan worden vergeleken.
| |
7.
Wat deze Chinese wiskunde betreft, het is al wel gebleken dat men haar niet
moet beschouwen als een geïsoleerd verschijnsel, | | | |
zoals b.v. de wiskunde der Maya's in Centraal Amerika. Reeds ten tijde van
de Han-dynastie (ongeveer ten tijde van het Romeinse Rijk), ja, nog wel
vroeger, onderhield China commerciële en culturele betrekkingen
met andere gebieden van Azië, of zelfs Europa. Indische,
Arabische en Chinese wetenschap hebben elkaar wederzijds
beïnvloed. We denken b.v. aan de verspreiding van het decimale
positiestelsel en de negatieve getallen, die mogelijkerwijze van China naar
Indië zijn gekomen. Bij deze beïnvloeding kunnen we
ook denken aan de komst van het Boeddhisme in China, die in de eerste eeuw
na Chr. plaatsvond.
Van een direct Chinees-Griekse beïnvloeding kunnen wij echter
weinig bespeuren, ondanks het bestaan van parallelle ontwikkelingen, b.v. in
het berekenen van de waarde van π. De onderzoekingen over de
verhouding van omtrek tot middellijn in de cirkel, die typerend zijn voor de
eeuwen na de Han-dynastie, zijn waarschijnlijk zonder kennis van Archimedes
doorgevoerd. Liu Hui, de schrijver van een overgeleverde commentaar op de
Negen Hoofdstukken (263 na Chr.) vond met behulp van
in- en omgeschreven regelmatige veelhoeken dat 3,1401 <
π < 3,1427, en twee eeuwen later gaven Zu Chong Zhi
(Tsoe Chhung-Chih, 430-501) en zijn zoon niet alleen een waarde van
π in zeven decimalen, doch ook de waarden π = 22/7 en
π = 355/113.1
Onder de T'ang-dynastie (618-907) werd een verzameling van de gewichtigste
wiskundige werken samengesteld en gebruikt als officieel tekstboek voor de
keizerlijke beambtenexamens. In deze periode begon men boeken te drukken,
doch de eerste gedrukte wiskundige werken, die wij kennen, dateren van 1084
of later. In 1115 verscheen een belangrijke gedrukte uitgave van de Negen Hoofdstukken.
Reeds in een boek van Wan Xiaotong (Wang Hsiao Thung, omstreeks 625) vinden
we een derdemachtsvergelijking die ingewik- | | | | kelder is dan de
vergelijking x3 = a
uit de Negen Hoofdstukken. De bloeiperiode van de
oud-Chinese wiskunde kwam echter eerst gedurende de Soeng-dynastie
(960-1279) en de eerste jaren der Mongolenheerschappij van de
Yüan (de ‘Grote Khan’ van Marco Polo's
reisbericht). Van de leidende wiskundigen noemen wij Qin Jiushao (Chhin
Chioe-Shao), die de toen reeds oude theorie der onbepaalde vergelijkingen
verder ontwikkelde (zijn boek is 1247 gedateerd). Een zijner voorbeelden
kunnen wij als volgt schrijven:
x ≡ 32(mod 83) ≡ 70(mod 110)
≡ 30(mod 135).
Qin was ook geïnteresseerd in de numerieke oplossing van
vergelijkingen van hogere graad, b.v. van
-x4 + 763 200x2 - 40 642 560 000 = 0.
Zulke vergelijkingen loste hij op door een generalisatie van de methode der
opvolgende benaderingen, die reeds in de Negen
Hoofdstukken gebruikt was om vierkants- en derdemachtswortels uit te
rekenen. Deze ‘methode van Horner’, is reeds vermeld
bij de bespreking van de wiskunde onder de Islam.
Nog een andere wiskundige van de Soeng-periode is Yang Hui. Hij werkte met
decimale breuken en schreef deze in een vorm die wat doet denken aan onze
moderne manier van schrijven. In zijn boek, dat van 1261 dateert, vindt men
een vraagstuk dat tot de berekening 24,68 × 36,56 = 902,3008
voert. Yang Hui maakt ons ook bekend met de oudste ons overgeleverde
afbeelding van de driehoek van Pascal, die we terugvinden in een boek van
Zhu Shijie (Choe Chioe-Shao) van 1303 en die op de kennis van binomiale
formules voor gehele exponenten wijst. Zhu wordt wel voor de meest
vooraanstaande wiskundige van deze periode gehouden; in zijn boeken vindt
men de meest uitgewerkte Chinese arithmetisch-algoritmische
rekenmethoden.1
Hij generaliseert de ‘matrix’-oplossingen van een
systeem van lineaire vergelijkingen op stelsels van vergelijkingen van
hogere graad met verscheidene onbekenden en komt zo tot eliminatiemethoden
die enigszins aan die van Sylvester herinneren. Voor zulke berekeningen
moeten wel verscheidene telborden gebruikt zijn.
In de tijd na de Soeng-dynastie bleef er wel wiskundig werk te doen, maar
veel nieuws is er niet meer uitgevonden. Westerse wiskunde en astronomie
kwamen tot China gedurende de Ming perio- | | | | de met de
Jezuïeten, geleid door Pater Matteo Ricci, die in 1583 kwam en
tot zijn dood in 1610 te Peking woonde.1
Algemeen gesproken kan men zeggen dat de Chinese wiskundigen in hun
vaardigheid gecompliceerde rekenkundige en algebraische vergelijkingen op te
lossen niet alleen de evenknie waren van de Indische geleerden en die van
het Arabische taalgebied, doch deze vaak voorbijstreefden. Zo vinden we
Horner's methode en de tiendelige breuken weer, als gezegd, terug in het
werk van Al-Kashi uit Samarkand (ca. 1420).2
Vanaf de twaalfde eeuw beginnen wij berichten te krijgen over de wiskunde in
Japan. Hier ziet men duidelijk de Chinese invloed. Nieuwe vormen van
wiskunde worden in de zeventiende eeuw en later ontwikkeld, gedeeltelijk
onder Europese invloed, waarbij ook Nederlanders een rol spelen. De
wiskundige Seki Kǒwa3 kwam ca. 1683 bij zijn werk over vergelijkingen tot
een rekenwijze die met de determinantenmethode equivalent is, en die wij met
de aloude ‘matrix’ methode in verband kunnen brengen.
Dit was tien jaren voor Leibniz tot soortgelijke beschouwingen kwam.
| |
Literatuur
Behalve de werken genoemd aan het einde van Hoofdstuk 1, noemen we nog over
Chinese en Indische wiskunde:
| B. Datta, The Science of the Sulba, a Study in Early
Hindu Geometry, (Calcutta 1932). |
| D.E. Smith-L.C. Karpinski, The Hindu-Arabic Numerals
(Boston, 1911). |
| D.E. Smith, Unsettled Questions concerning the
Mathematics of China, Scientific Monthly 33 (1931) 244-250. |
| H.T. Colebrooke, Algebra, with Arithmetic and
Mensurations from the Sanskrit of Brahmagupta and Bhascara
(London, 1817, herzien door H.C. Banerji, 2e uitg. Calcutta, 1927). |
| W.E. Clark, The Aryabhatya of Aryabhata (Chicago,
1930). |
| D.J. Struik, On ancient Chinese mathematics, The
Mathematics Teacher 56 (1963) 424-432, herdruk in Euclides 1964, 65-79. |
| U. Libbrecht, Chinese Mathematics in the thirteenth
Century. |
| | | |
| The Shu-Shu Chiu-Chang of Ch'in Chiu-Shao
(Cambridge, Mass., 1973). |
| L.Y.A. Lam, A critical Study of the Yang Hui Suan Fa: A
thirteenth Century Chinese mathematical Treatise (Singapore,
1977). Vgl. J. Needham, HM 6 (1979) 466-468. |
| F.J. Swetz, A brief chronological and bibliographical
Guide to the History of Chinese Mathematics HM 11 (1984) 39-56.
Zie hierbij A.P. Joesjkewitsj, ib. 13 (1986) 36-38. |
Over de wiskunde in het Arabisch:
H. Suter, Die Mathematiker und Astronomen der Araber und
ihre Werke (Leipzig, 1900, Nachträge, 1902).
zie ook H.P.J. Renaud, Isis 18 (1932) 166-183. |
D.S. Kasir, The Algebra of Omar Khayyam (New York,
1931). Er bestaat nog een andere Engelse vertaling. (Journ. Roy.
Asiatic Soc. of Bengali 16 (1950) 27-77) en een Franse vertaling van F.
Woepcke (1951). |
| F. Rosen, The Algebra of Mohammed ben Musa (London,
1931) zie S. Gandz, Quellen und Studien z. Gesch. d. Mathem. 2 A (1932)
61-85. |
| L.C. Karpinski, Robert of Chester's Latin Translation of
the Algebra of Al-Khwārizmī (New York,
1915). |
| A.P. Joesjkewitsj, Geschiedenis van de Wiskunde in de
Middeleeuwen, Moskou, 1963, in het Russisch. |
A.P. Joesjkewitsj-B.A. Rosenfeld, Kommentaar op de
wiskundige verhandelingen van D.G. Al-Kashi (Istor, Matem.
Issled, 7 (1954) 380-449, in het Russisch). Deze auteurs hebben ook
de twee verhandelingen van Al-Kashi met fotografische reproduktie van de
tekst en Russische vertaling uitgegeven (Moskou, 1956). In het Duits is
van hen vertaald: |
| A.P. Joesjkewitsj-B.A. Rosenfeld, Die Mathematik der
Länder des Ostens im Mittelalter. Sowjetische
Beiträge zur Geschichte der Naturwissenschaft (Berlin, 1960)
62-160 (ook afzonderlijk als boek uitgegeven). |
| P. Luckey, Die Ausziehung der n-ten Wurzel und der
binomische Lehrsatz in der islamischen Mathematik. Mathem.
Annalen 120 (1947-49) 217-274. Zie ook Abh. Deutsche Akad. Wiss. Berlin,
Klasse für Mathem. 1950, Nr. 6 (1953) 95 blz. |
| D.J. Struik, De tiendelige Breuken bij Al-Kashi.
Simon Stevin 33 (1959) 65-71. |
| J. Macdonald S.J., Jesuit Geometers (Vaticaanstad,
1989). |
| | | |
| L.Y. Lam-K.S. Shen, Methods of solving linear equations
in traditional China, H.M. 16 (1989) 107-122; met bibliografie
van andere artikelen van mevr. Lam. |
|
1Een
Āryabhata II, ook een wiskundige en astronoom, leefde in de
elfde eeuw n. C.
1Een Bhāskara I, een astronoom, beïnvloed door
Āryabhata I, leefde omstreeks 630 n. C.
1Brahmagupta schrijft ergens in
zijn boek dat hij sommige vraagstukken alleen ‘voor de
aardigheid’ had opgenomen. Dit bewijst nog eens ten
overvloede dat deze wiskunde van het Oosten zijn zuiver utilitaristisch
karakter had verloren - iets dat we reeds bij de oude Babylonische
wiskunde hadden opgemerkt. Honderdvijftig jaren na Brahmagupta vinden we
dit speelse karakter ook in de Vraagstukken voor het
scherpen van de geest der jongeren (Propositiones ad acuendos
iuvenes), vermoedelijk geschreven door Alcuin van York, door Karel de
Grote met het oprichten van scholen belast (ca. 800). Wiskunde in de
vorm van puzzels heeft vaak tot nieuwe resultaten geleid en heeft zelfs
nieuwe gebieden geopend, b.v. de analysis situs. Dit geldt ook heden
nog, en sommige puzzels wachten nog steeds op hun opname in de
hoofdgebieden der wiskunde. Eerst in onze dagen heeft men zich b.v.
ernstig met de wiskundige theorie der knopen beziggehouden.
2C.T. Rajagopal en T.V. Vedamurthi Aiyar, Scripta mathematica 17 (1951), 65-74, vgl. daarbij J.E.
Hofmann, Mathem. physik. Semesterberichte 3 (1953),
194-206.
3Men kan dit misschien vergelijken met het gebruik van het
woord ‘kenos’ in het Grieks, b.v. in Aristoteles'
Physica
iv 8, 215 b, dat ‘het
lege’ betekent. Zie C.B. Boyer, Zero; the
symbol, the concept, the number, National Mathematics Magazine
18 (1944), 323-330.
1Vgl. H. Freudenthal, 5000
jaren internationale wetenschap (Groningen, 1946).
1Vgl. S. Gandz, The Origin
of the Ghubar Numerals, Isis 16 (1931) 393-424. Er bestaat ook
een theorie van N. Bubnov, waarin de ġobâr vormen
uit oude Grieks-Romeinse symbolen, die op de abacus werden gebruikt,
worden afgeleid. Zie ook de voetnoot op bldz. 90 in F. Cajori, History of Mathematics (New York 1938), en D.E.
Smith-L.C. Karpinski, The Hindu-arabic Numerals
(Boston 1911) blz. 71.
2Zie verder: The Tjoe Tie, De oorsprong van het tientallig positiestelsel. Scientiarum
Historia A (1962) 24-34.
1Met dit
woord ‘Arabisch’ bedoelen we alleen dat de taal
waarin de verhandelingen geschreven werden, het Arabisch is. Onder de
geleerden die Arabisch schreven, waren maar weinig Arabieren. Men vindt
er Perzen, Tadjuks, Egyptenaren, Joden, Moren en anderen onder. Op
dezelfde manier kunnen we vele Europese schrijvers van
Boëthius tot Gauss ‘Latijnse geleerden’
noemen, omdat ze in het Latijn schreven. Overigens wordt het eerst in de
laatste jaren iets makkelijker voor de niet-Arabist, om in directe
vertaling uit het Arabisch de wis- en sterrenkunde van dit tijdperk te
bestuderen, zodat men niet meer bijna geheel op tweede- en derdehands
informatie is aangewezen. Zie verder o.a. A.P. Juschkewitsch-B.A.
Rozenfeld, Die Mathematik der Länder des Ostens
im Mittelalter, Beiträge zur Geschichte der
Naturwissenschaft (Berlin, 1960). Vele vertalingen en
beschrijvingen zijn in het Russisch, maar komen nu ook uit in andere
talen.
1L.C. Karpinski, Robert of Chester's Latin translation of the Algebra of
Al-Khwārismi, New York, 1913, blz. 19.
2S. Gandz, The sources of
Al-khwārizmīs Algebra, Osiris 1 (1936),
263-277. Over Al-Chwārizmī's erfenisproblemen
volgens Arabisch recht, zie Osiris 5 (1938) 319-391.
1Zie o.a. E.J. Dijksterhuis, Van Koorde tot
Sinus, van Umbra tot Tangens, Euclides 29 (1953-54),
271-285.
1G. Sarton, Introduction to the History of Science
i (1927), 719. Zie ook M. Cantor, Vorlesungen
i (3e uitgave, 1907), 763.
2P.C. Boutens, J.H. Leopold en
anderen hebben de Engelse versie in het Nederlands herdicht.
1Risāla
fī'l-barāhin 'alā
masā'cl il-jabr wa'l-muqābala =
Verhandeling over de bewijzen van vraagstukken uit de algebra. Khayyams
naam is vaak gevonden in de vorm Al-Khayyāmi. Zie DSB 7
(1973) 327.
2Zie o.a. D.J. Struik, Omar
Khayyam, Mathematician, Mathem. Teacher 51
(1958)280-285.
1Zie over Horner: J.L. Coolidge, The
Mathematics of Great Amateurs (London 1949, New York 1963),
Hoofdstuk 15.
2Zie M. Yadagari, The binomial Theorem. A widespread Concept in Medieval
Islam, HM 7 (1980) 401-406. We vinden tiendelige breuken reeds
bij Al-Uglīdīsī in Damascus, in de
jaren 952/953. Zie onder Literatuur.
1Deze laatste waarde van
π kan ook uit de waarden van Ptolemaios en van Archimedes
worden verkregen:
Deze waarde, die een tweede naderingsbreuk van π is
zo men zijn decimale uitdrukking in een kettingbreuk ontwikkelt (de
eerste is 22/7), wordt wel eens de waarde van Metius genoemd, naar de
Alkmaarse burgemeester Adriaen Anthonisz (ca. 1543-1620), wiens zoon die
zich Adriaan Metius noemde en die professor in Franeker was, vertelt dat
zijn vader in 1584 deze waarde van π heeft aangegeven. Zie
DSB IX (1974) 335.
1L.Y. Lam, The
Chinese Connection between the Pascal triangle and the Solution of
numerical Equations of any Degree, HM 7 (1980) 407-424.
1H. Bosmans,
L'oeuvre scientifique de Mathieu Ricci S.J., Revue
des Questions scientifiques, Januari 1921, 16 blz.
2Vgl.
A.P. Joesjkewitsj, Over de resultaten van de Chinese
geleerden op het gebied der wiskunde (Russisch), Istor.-Mat.
Issled. 8 (1955) 539-572 en het reeds geciteerde boek van J. Needham,
vooral deel III (1959).
3Ook Seki Takakusu
(1642-1708).
|
|