ook
hun recht op een deel van het surplus. Dezelfde god die de diefstal verbiedt,
gebiedt liefdadigheid. Een maatschappij die voorgeeft prestaties te belonen,
moet ook gebrek aan kansen compenseren. Het bestaan van eigendom en armoede legt
de eigenaars de plicht op om aan de armen te geven of om hen te helpen hun
levensomstandigheden te verbeteren.
Het idee van armoede is dus dubbel paradoxaal: het verwijst naar tekort in
aanwezigheid van een surplus, en naar aanspraak onder omstandigheden van
uitsluiting. Een vertoog over armoede moet tegelijkertijd deze uitsluiting - het
bestaan van eigendomsrechten - en de grenzen ervan - de aanspraken van de
behoeftigen - verklaren.
Het probleem van de armen is om in leven te blijven; het probleem van de armoede
is een probleem voor de rijken - het probleem om een deel van het surplus te
verdelen zonder de regels voor het vergaren en bewaren ervan te wijzigen. In dit
perspectief bezien is de oplossing dat men genoeg van het surplus uitdeelt om de
reproduktie van de arbeidskracht en van de arbeiders op lange termijn te
waarborgen, om degenen te pacificeren die de regels voor de accumulatie willen
veranderen, om te voorkomen dat de gevolgen van de armoede - de kwaden van
overbevolking, besmetting of rebellie - ook de gelederen der welgestelden
aantasten.
De dialectiek van armoede en eigendom impliceert al een zekere mate van
gestructureerde interdependentie tussen hen die veel en en hen die weinig
bezitten. Zonder dergelijke wederzijdse banden hadden zij elkaar kunnen negeren,
of elkaar zo nu en dan overvallen en plunderen, zoals de primitieve stammen die
leven in een toestand van ‘gefragmenteerde anarchie’.2 Maar zodra mensen zich in eenzelfde
gemeenschappelijk gebied vestigen en daar bestaansmiddelen vinden en voorraden
opbouwen, ontwikkelen ze wederzijdse afhankelijkheden, die bij ongelijke
bestaanskansen weliswaar asymmetrisch, maar daarom niet minder sterk worden.
Het instituut van de eigendom betekent een voortdurende verdediging tegen
aanspraken en aanvallen, ook van de andere rijken; het concept armoede voegt aan
dit stelsel van uitsluiting de complementaire begrippen van verplichting en
ondergeschiktheid toe. Gegeven een configuratie van materieel surplus, van
politieke autoriteit en gehoorzaamheid, van militaire en economische
overheersing en onderwerping, bestaat het vraagstuk van armoede uit het probleem
een minimale hoeveelheid van het sociale surplus uit te delen zonder de patronen
van afhankelijkheid en uitsluiting te wijzigen die enerzijds de rijken
definiëren, anderzijds de armen en alle anderen daar tussenin.
Wat de zaken compliceert, is het feit dat de rijken niet altijd eendrachtig
optreden om hun positie ten opzichte van de armen en van andere rijken te
handhaven. Elk van hen zou de armenzorg veel liever aan de anderen overlaten:
voor de bezittende klassen is het probleem van de armoede in laatste instantie
een probleem van collectieve actie.
Hoewel de welgestelden de armen dikwijls in het openbaar voor profiteurs