mensen dan voorheen investeren in meer riskante ondernemingen als
spoorwegen, mijnen en fabrieken, zonder zich echter rechtstreeks met het beheer
te bemoeien. Zij die een veiliger investering zochten, vonden een alternatief in
overheidsleningen. De expanderende staat garandeerde de zekerheid van zijn
obligaties met alle autoriteit en mystiek waarover hij beschikte.
Met andere woorden, veiligheid leek nu een kwestie van privé-bezit. De eerdere
noodzakelijke voorwaarden van pacificatie en beveiliging tegen gewelddadige
aanvallen werden nu als vanzelfsprekend genegeerd, en ook vakeconomen gaan er
vaak aan voorbij. Het voorvoegsel ‘privé-’ raakte bijna onlosmakelijk verbonden
met bezit en suggereerde dat rijkdom de eigenaar onafhankelijk maakt van
anderen, terwijl in werkelijkheid die afhankelijkheid van andermans inspanningen
onverminderd voortduurt, maar in een meer abstracte en algemene vorm. In
sociologisch perspectief bezien is niemand ‘onafhankelijk’, niemand kan voor
zichzelf zorgen. Rijkdom is slechts een - zeer effectief - hulpmiddel om anderen
in de eigen behoeften te laten voorzien, nu en in de toekomst. Toch is het idee
van autonomie, van het leven in eigen hand hebben, wezenlijk om te kunnen
begrijpen waarom mensen zo hardnekkig hebben vastgehouden aan persoonlijk bezit,
wanneer ze werden geconfronteerd met de mogelijkheid het te collectiviseren. En
staatscollectivisering is nu juist waar het in de sociale zekerheid om draait.
Daarin steekt de betrekkelijke nieuwigheid.
De strijd om sociale zekerheid ging om deze opgelegde collectivisering van bezit
als bescherming tegen toekomstige tegenslag. De schaaluitbreiding naar gehele
naties en de dwingende oplegging door de staat zijn noodzakelijke complementen
van de collectivisering van de voorzorg.
Deze collectiviseringscampagne stuitte op verzet bij mensen die dachten in
toekomstige tegenspoed te kunnen voorzien door privé-accumulatie in een
geldeconomie onder de gegeneraliseerde bescherming van de staat: kleine
ondernemers, winkeliers, ambachtslui, handelslieden, boeren en vrije
beroepsuitoefenaren. De campagne werd ondersteund door mensen die daarop niet
konden hopen en die zich steeds meer realiseerden dat dit niet hun persoonlijke
afwijking was, maar dat dit voortkwam uit de gemeenschappelijke omstandigheden
van hun arbeidsbestaan: de industriearbeiders. Grote industriëlen, politici en
ambtenaren gingen dit standpunt meer en meer delen en aanvaardden de
collectivisering van de voorzorg niet voor zichzelf, maar voor de arbeiders.
Aan het eind van de negentiende eeuw was het staatsapparaat groter dan ooit
tevoren. Staatsbureaucratieën onderhielden staande legers, controleerden de
armenzorg op nationaal niveau, verschaften volksonderwijs in het hele land en
ondersteunden de stedelijke gezondheidsdienst, politie en transportnetwerken. De
staat leek nu bij machte om bestuurlijke taken uit te voeren op een schaal die
vereist was voor de nieuwe verzekeringsprojecten.