|
|
|
| |
4 Veranderende betrekkingen in de vierzijdige figuratie
De kleine bezitters, de industriële ondernemers, de industriearbeiders en het
zittende regime vormden in elk land een figuratie van wisselende machts- en
afhankelijkheidsbalansen. Deze figuraties waren in een nog bredere context van
internationale wedijver ontstaan. Staten hadden zich in onderlinge rivaliteit
gevormd, en nationale economieën ontwikkelden zich in een wedijver om
buitenlandse markten. Hierdoor veranderden weer de betrekkingen tussen de kleine
burgerij, de industriële klassen van werkgevers en arbeiders, en het gevestigde
regime. In dergelijke constellaties van verschuivende tegenstellingen en
coalities kwam de institutie van overdrachtsvermogen als een alternatief voor de
voorzorgsfuncties van privé-bezit.
| |
4.1 De kleine burgerij
De kleine burgerij, wier economisch leven draaide om particuliere
accumulatie, verzette zich het meest verbitterd en verbeten tegen de
oplegging van collectieve verzekeringsprojecten. En hierbij ging het om meer
dan louter economische redenen - een stijl van leven stond op het spel: de
kleine ondernemers, die zich bedreigd voelden door de opkomst van grote
bedrijven en groothandel, en elke staatsinmenging wantrouwden, klampten zich
vast aan hun autonomie, wilden baas in eigen bedrijf blijven, naar eigen
goeddunken aannemen en ontslaan, en zij verzetten zich dan ook tegen elke
wetgeving die hun soevereiniteit zou beknotten.25 Zelfs toen de industriearbeiders en de industriëlen de
verdiensten | | | | van sociale-zekerheidsplannen gingen inzien, bleven
zelfstandige ondernemers, boeren en ambachtslieden zich er nog tegen te weer
stellen; zij vormden de ‘rem’ op sociale hervorming: tegen hun verzet in
moest de sociale zekerheid gevestigd worden.26
Dit verzet tegen elke bemoeienis omvatte echter meer, hoe minzaam het zich
ook voordeed. Het was een verwerping van maatschappelijke gelijkheid, maar
niet zozeer door de aristocraten en de grand bourgeois, de
grote bezitters en ondernemers. Zij vreesden de arbeiders in het geheel niet
als potentiële gelijken en rivalen. De verschillen die door
regeringsinterventie zouden kunnen worden genivelleerd waren veel kleiner,
en de daarop gebaseerde onderscheidingen waren dienovereenkomstig veel
subtieler: wat op het spel stond was het kleine verschil dat onafhankelijke
handwerkslieden, handelaars en ondernemers, Frankrijks bijna
spreekwoordelijke petits et moyens commerçants, nog net
boven de geschoolde loonarbeiders plaatste.
Bezit betekende veiligheid, en het was deze veiligheid die de burger van de
proletariër onderscheidde, die hij aan zijn bruid kon beloven en aan zijn
kinderen trachtte mee te geven, die hem en de zijnen beter maakte dan ‘hen’.
Om te begrijpen waarom de lagere middenklassen zich zo hevig verzetten tegen
staatsinterventie ter bescherming tegen inkomstenderving, moet men zich niet
afvragen wat zij te verliezen hadden, maar wat de sociale groep die hen het
meest bedreigde, de groep die net onder hen stond, erbij zou kunnen winnen:
een klein voordeel dat niettemin de afstand waarop hun superioriteit
berustte teniet zou kunnen doen. De kleine burgerij herdefinieerde een
situatie die zich aan anderen voordeed als een spel met variabele opbrengst,
waarvan dus allen zouden kunnen profiteren, als een spel met nulopbrengst,
waarin de winst van de arbeiders hun verlies betekende, omdat zij dachten in
termen van sociaal prestige. Het was een politiek van de jaloezie, of in
meer sociologische bewoordingen van gelijke strekking, een politiek die
anderen ter handhaving van het sociale onderscheid onthield wat zij zelf
reeds bezaten.27
Sociale historici hebben de mentaliteit van de misbruikte maar zegevierende
industriële arbeidersklasse zo naarstig bestudeerd, dat ze het onderzoek
naar de verliezers in het drama, de zelfstandige middenklassen, de kleine
burgerij, hebben verwaarloosd. Het merendeel van de winkels, werkplaatsen en
kantoren is verdwenen, en daarmee ook de herinnering aan de trots en de moed
waarmee ze gedreven werden, en de woede en angst die elke bedreiging opriep:
het was geen verheven of revolutionaire zaak, enkel maar een burgerlijke en
zelfs reactionaire beslommering.
De kleine zelfstandigen verloren de slag, maar ze vochten een hardnekkige
strijd. Ze verzetten zich tegen de sociale verzekering omdat ze die
beschouwden als de geleidelijke uitholling van voorzorg en
verantwoordelijkheid door een massaal dwangstelsel om eigen bestwil,
ongeacht oorzaak of bedoeling, onverschillig voor prestatie of verdienste,
dat allen blindelings de gelijkheid van potentiële slachtoffers opdrong.
| | | |
De kleine ondernemers veranderden niet zozeer van mening over het sociale
beleid - ze veranderden eerder van klasse: wanneer zij of hun kinderen in
dienst traden bij grote bedrijven of regeringsbureaucratieën, veranderde hun
instelling dienovereenkomstig. Ze gaven de voorkeur aan bedrijfs- en
overheidsverzekering boven particuliere voorziening, vooral wanneer het
niveau van de witteboordenpolis duidelijk superieur was aan de
arbeidersverzekering - wat doorgaans het geval was.
De opkomst van de sociale zekerheid is minder een geschiedenis van de ‘kracht
van de arbeidersklasse’, dan het relaas van de tanende macht van de kleine,
zelfstandige burgerij en de teruggang van particuliere bezitsaccumulatie. En
minder dan een geschiedenis van klassenstrijd tussen proletariaat en
burgerij, is de ontwikkeling van de sociale zekerheid het resultaat van een
conflict tussen enerzijds de kleine burgerij, en anderzijds uiteenlopende
coalities van georganiseerde arbeiders, grote werkgevers en een
activistisch, hervormingsgezind regime van politici en bestuurders. In die
zin is de sociale zekerheid het resultaat van een ‘klassenstrijd’, maar dan
een strijd met verwisselde bondgenoten.
| |
4.2 Werkgevers
Vooral onder grote werkgevers en onder arbeiders in de geavanceerde
industrieën veranderden de opvattingen. Zij waren natuurlijk het meest
vertrouwd met de omstandigheden van het industriële leven, en ondergingen
als eersten, ieder kamp op een heel andere wijze, de rechtstreekse gevolgen
van de economische coördinatie op veel grotere schaal dan voorheen.
Aanvankelijk hielden de grote werkgevers, net als de kleine ondernemers, vol
dat het armoedeprobleem zichzelf zou oplossen zodra de industrie het land,
inclusief de arbeiders, tot voorspoed zou hebben gebracht. Wilde de
industrie blijven groeien en haar concurrentiepositie tegenover andere
landen behouden, dan mochten de lonen niet stijgen. De werkgevers
beschouwden het sociale vraagstuk vooral als een probleem van liefdadigheid
en filantropie, of als een kwestie van verlicht personeelsbeleid. Het was op
de eerste plaats een zaak tussen hen als patroons, oppermachtig in eigen
bedrijf, en de afzonderlijke arbeiders. Als het schaarse, speciaal opgeleide
of betrouwbare arbeiders betrof, waren ze veel eerder bereid om perioden van
ziekte of ongeschiktheid te overbruggen en hen zelfs in slappe tijden op de
loonlijst te houden.
Ondertussen moesten de arbeiders leren in hun eigen toekomst te voorzien door
te sparen. De werkgevers waren het erover eens dat vrijwillige onderlinge
fondsen de arbeiders zouden kunnen bewegen zich te verzekeren tegen ziekte,
arbeidsongeschiktheid en ouderdom, maar ze wantrouwden doorgaans elke vorm
van arbeidersorganisatie, die altijd een dekmantel kon zijn voor
vakbonds-activiteit of, erger nog, politieke samenzwering. Ze waren vooral
gekant tegen werkeloosheidsverzekering die, zo vreesden zij, gemakkelijk in
een stakings- | | | | fonds kon veranderen.28
Bedrijfsfondsen, gefinancierd door arbeidersbijdragen, onder toezicht van de
bedrijfsleiding, en daar soms ook door gesubsidieerd, leken een
betrouwbaarder alternatief.
Collectieve verzekeringsprojecten voor eigen werknemers werden het eerst
opgezet door de grootste ondernemingen van die tijd: mijnen29 en
spoorwegmaatschappijen, de eerste vanwege het gevaarlijke werk, de laatste
omdat er bijzondere stiptheid werd geëist, en beide sectoren waren hechter
met de staat verbonden dan andere industrieën. Ten gevolge van hun centrale
positie in de economie, waren het ook de eerste industrieën waarin de
overheid zich mengde door vaststelling van normen voor contributies en
uitkeringen. Ook groei-industrieën, zoals de textielproducenten in
Noord-Frankrijk, zetten eigen verzekeringsprojecten op die model stonden
voor andere ondernemingen.
De ondernemers moesten echter toegeven dat hun bedrijfsprojecten arbeiders in
minder welvarende industrieën of kleinere zaken uitsloten, en dat de
spaargelden van de arbeiders in geval van een bedrijfsbankroet verloren
dreigden te gaan.30 Dit laatste gevaar bracht
hen ertoe tot gefuseerde fondsen toe te treden, waarbij ze noodgedwongen
gemeenschappelijke normen voor de voorzieningen moesten aanvaarden - zelfs
deze gecombineerde verzekeringen bleken in tijden van crisis kwetsbaar te
zijn.31 Voor de bedrijven die het zich
konden veroorloven, waren de voordelen van een bedrijfsproject aanzienlijk:
het was een pluspunt bij de werving van arbeiders, het verzekeringskapitaal
hoefde niet al dadelijk gestort te worden en de reserves konden in het eigen
bedrijf geïnvesteerd worden, het liet de leiding vrij in de bepaling van de
uitbetalingsvoorwaarden, en, wat voor de arbeiders het grootste onrecht was,
het bond hen aan hun baan, omdat bij ontslag of opzeggging de aanspraken van
de arbeider geannuleerd werden, zonder dat zijn gestorte bijdragen werden
gerestitueerd. Om al die redenen hadden arbeiders een grote afkeer van
bedrijfsprojecten, tenzij zij zelf het beheer konden voeren.
Op lange termijn evenwel liepen zelfs grote en welvarende bedrijven het
risico te worden belast met omvangrijker pensioenverplichtingen dan ze
hadden voorzien; die lasten dreigden hun concurrentiepositie te verzwakken
ten opzichte van bedrijven die zulke projecten op later datum of in het
geheel niet hadden opgezet: tegen het eind van de negentiende eeuw was de
gemiddelde levensverwachting van de arbeiders sneller toegenomen dan men bij
de vaststelling van de oorspronkelijke bijdragen had verwacht, en dus bleven
arbeidsongeschikte of gepensioneerde uitkeringstrekkers langer dan voorzien
op de bedrijfslijsten. Dezelfde demografische ontwikkeling bracht ook veel
arbeidersonderlinges in de problemen, met name in Groot-Brittannië.32
Moderne ondernemers, vertrouwd met de technieken van personeels- en
salarisadministratie, gewend aan grootschalige en lange-termijn
financiering, en gericht op een zo strak mogelijke leiding over hun
personeel, accepteerden het beginsel van collectieve en verplichte
verzekering voor hun werknemers dus vrij gemakkelijk, op voorwaarde dat zij
de zeggenschap hielden, de arbeiders de | | | | kosten zouden dragen,
en de regering zich afzijdig zou houden.33 In een tijdperk van snelle
kapitaalconcentratie lukte het ondernemers bovendien om verzekeringsfondsen
te fuseren en eigen risico's in een herverzekering onder te brengen. Wanneer
ze redenen hadden om te geloven dat de arbeiders een eigen verzekeringsfonds
zouden organiseren, werkte dat als een extra stimulans om hen met een
bedrijfsplan vóór te zijn.
De volgende stap, van de collectivisering van voorzieningen tegen
inkomstenderving door de bedrijven naar de dwingende oplegging van zo'n
verzekering op nationale schaal door de staat, stuitte op meer problemen:
die staatsregulering kon de bedrijfsleiding het gezag over het personeel in
alledaagse kwesties van fabrieksdiscipline ontnemen. Steeds wanneer
georganiseerde werkgevers met een wetsvoorstel voor nationale verzekering
geconfronteerd werden, trachtten ze greep te krijgen op de uitvoering ervan,
desnoods door een deel van de kosten op zich te nemen. Slechts een besef van
verderstrekkende externaliteiten en gevolgen op lange termijn kon de
industriëlen verzoenen met een nationale verzekering.
| |
4.3 Arbeiders
Halverwege de negentiende eeuw waren de werklieden die het ook maar even
konden betalen graag bereid om tot een collectieve verzekering toe te
treden, of dat nu arbeidersonderlinges, vakbondsfondsen, gemeentekassen of
bedrijfsprojecten waren. Maar de arbeidersklasse stond allerminst als één
man achter de nationale verzekering. Een radicale traditie binnen de
arbeidersbeweging was gekant tegen elke vorm van sociale hervorming, omdat
dit niet meer was dan gemorrel in de marge van de kapitalistische
onderdrukking, dat de komst van de revolutie maar zou vertragen. Dicht bij
deze positie stonden de maximalisten in de arbeidersbeweging, die verlangden
dat de staat een verplichte verzekering tegen alle risico's van
inkomstenderving zou opleggen en financieren met een belasting voor de
rijken, elk minder voorstel werd afgewezen. Maar andere groepen waren juist
gekant tegen staatsinmenging, op grond van een minimalistische stellingname.
Zij stonden voor het autonome beheer van arbeidersinstituties: de
anarcho-syndicalisten omdat ze geloofden dat de onafhankelijke organisaties
van de arbeidersklasse de kiemen vormden voor proletarisch zelfbestuur,34 de meer conservatieve aanhangers van
de mutualistische beweging omdat ze in deze instituties de weg zagen naar
emancipatie van de arbeiders en het beheer wilden behouden over wat ze met
zoveel moeite hadden opgebouwd.35 Voor de vakbonden was er nog een reden om zich
tegen staatsinmenging te verzetten: zij boden veelal verzekering aan als een
individuele prikkel om lid te worden van een organisatie waarvan de
voornaamste doelstelling collectief was: verbetering van de lonen en
arbeidsomstandigheden van alle arbeiders. Voor deze vakbonden was
verzekering een van de belangrijkste middelen in de oplossing van hun
dilemma van collectieve actie: dat niet-leden zouden profiteren | | | | van alle voordelen waar vakbondsleden voor gestreden hadden, onder
vermijding van alle kosten en risico's die strijdbaarheid in die tijd met
zich meebrachtvakbondsverzekering bood de leden een voordeel waarvan
niet-leden wel konden worden uitgesloten. Zulke selectieve voordelen
speelden dan ook een belangrijke rol bij het werven en behouden van de
leden.36
Afzonderlijke werknemers zullen de voordelen die een bedrijfsplan kon bieden
waarschijnlijk ook verwelkomd hebben: alles was beter dan helemaal geen
dekking; maar de arbeidersorganisaties beseften weldra welke
beheersingsmogelijkheden dit de bedrijfsleiding verschafte, en bleven dan
ook wantrouwend tegenover bedrijfsprojecten staan, tenzij ze de zeggenschap
erover naar zich toe konden trekken.
Het beheer over verzekeringsinstituties had onmiddellijke en verstrekkende
gevolgen. Ten eerste brachten beslissingen over aanspraken vaak een
herdefiniëring van de arbeidsverhoudingen met zich mee: wat was rechtmatige
afwezigheid van het werk, wie kon wanneer en hoe lang ziek genoemd worden,
en wie had in deze aangelegenheden het laatste woord? Welke ziekten moesten
als een gevolg van de arbeidsomstandigheden beschouwd worden, welke
ongevallen waren een ‘beroepsrisico’, wie kon verantwoordelijk en wie
aansprakelijk gesteld worden? Wat waren aanvaardbare ontslaggronden, wat
voor werk was gepaste arbeid, tegen welk loon? Kon men van werkeloze
arbeiders verlangen dat ze stakingen braken of picket lines passeerden?
Konden partners zonder boterbriefje of buitenechtelijke nakomelingen als
nabestaanden aangemerkt worden? Moesten zwangere vrouwen en jonge moeders
verlof of ziekengeld ontvangen?
Een derde partij, de verzekering, dreigde zich in de permanente en diepgaande
strijd om de arbeidsdiscipline op de werkvloer te mengen. Omdat deze partij
in staat was gederfd of ingehouden loon te vergoeden, zou zij op den duur de
machtsbalans tussen arbeiders en bedrijfsleiding kunnen veranderen. Naarmate
het bereik van de verzekeringen zich uitbreidde, en vooral met de komst van
nationale verzekeringen konden de beheerders van deze arrangementen het
dagelijks verloop van het sociale beleid bepalen, en het opleggen aan elk
verzekeringskantoor en aan iedere werkvloer in het hele land. De resultante
van al deze interventies was dat een grotere gelijkvormigheid werd
voorgeschreven met betrekking tot fabrieksprocedures, arbeidsgewoonten en
zelfs familieaangelegenheden.
Het beheer van de verzekering omvatte echter meer. De instellingen groeiden
al gauw uit tot bureaucratieën die banen boden aan mannen met enige
administratieve vaardigheid, een talent voor het hanteren van conflicten, en
ervaring met industriële arbeidsverhoudingen: vakbondsleiders. Een
aanstelling als verzekeringsbeambte kon promotie inhouden, prestige,
loonsverhoging, en bestaanszekerheid. Wie deze beloningen kon uitdelen had
een stevige greep op de voorgangers van de arbeiders, en vooral de vakbonden
konden die gelegenheid gebruiken, omdat hun activisten de eigen baan op het
spel zetten, en op weinig anders konden terugvallen.37 De rekrutering van
arbeidersleiders in de sociale- | | | | verzekeringsbureaucratie had
belangrijke en onbedoelde gevolgen voor de domesticatie van de
arbeidersbeweging, in het bijzonder onder de sociaal-democraten in het
Duitsland van keizer Wilhelm;38 ze verhevigde anderzijds het verzet tegen nationalisatie
in die landen waar al lokale of sectorale verzekeringen bestonden en werk
verschaften aan talrijke voormalige vakbondsactivisten.
Ten derde vormde het overdrachtsvermogen dat zich in de verzekeringsfondsen
ophoopte een bron van enorme financiële en economische macht: het kon aan de
betrokken bedrijven worden uitgeleend, of in overheidsobligaties
geïnvesteerd worden, voor arbeidershuisvesting gebruikt worden, of zelfs als
stakingskas. Terwijl de kapitaalmarkt zich uitbreidde groeide het
overdrachtsvermogen zelfs nog sneller. Vandaag de dag is het wellicht de
grootste bron van beleggingsfondsen in de economie.39 Deze overwegingen ontgingen de
vakbondsleiding niet, ook al was de achterban zich niet altijd geheel bewust
van de implicaties.
Ten slotte, wie het verzekeringsfonds beheerde, maakte ook aanspraak op de
loyaliteit van de arbeiders die er hun hele arbeidsleven lang aan hadden
bijgedragen en in tijden van arbeidsongeschiktheid een uitkering ervan
getrokken hadden. Zulke bindingen vormden alweer een machtig middel in de
machtsstrijd binnen het bedrijf en in de politieke conflicten op nationaal
niveau.
Over het geheel genomen ondersteunden dus de betrekkelijk bevoorrechte strata
van de arbeidersklasse - geschoolde arbeiders met een vaste baan in de
geavanceerde industrieën - vrijwillige verzekeringen en zelfs
bedrijfsfondsen, maar verzetten zij zich vaak evenzeer tegen meer omvattende
en vooral dwingende vormen van verzekering die hun relatieve voordeel teniet
zouden doen, hen met de risico's van de minder bevoordeelde arbeiders zouden
opschepen, en hun zeggenschap zouden verminderen over de arrangementen die
uitsluitend hen gedekt hadden.
Er was nog een andere reden waarom vakbonden dikwijls niet aandrongen op
sociale-zekerheidswetgeving: een generatiekloof. De arbeidersbeweging, en
met name haar militante vleugel, was gericht op de toekomst: de jongeren
bevonden zich in de voorhoede en in het centrum der belangstelling.
Verzekering tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid of pensioenen voor
nabestaanden spraken vooral de ouderen aan.40 De meeste arbeiders dachten dat ze er niet
oud genoeg voor zouden worden. Hogere lonen, kortere arbeidstijden en betere
werkomstandigheden daarentegen brachten onmiddellijk verlichting. De
verzekeringskwestie vereiste dus een gerichtheid op de toekomst die jonge
arbeiders pas later ontwikkelden.
De arbeidersbeweging bepleitte aanvankelijk de collectivisering van de
bescherming tegen risico's, en ging pas geleidelijk nationalisatie van de
verzekeringen steunen. Deze stap vergde enig vertrouwen in de staat en zijn
administratief potentieel; maar juist de vakbonden moesten nog een nationale
organisatie en oriëntatie ontwikkelen. De vakbonden moesten, evenals
werkgeversverenigingen, een efficiënt netwerk van afdelingen door het hele
land opzetten, met | | | | voldoende administratieve samenhang en
ideologische consistentie om aan de nationale politiek te kunnen deelnemen.
Zolang zij plaatselijk gefragmenteerd bleven, bleef het onmogelijk om
inzicht te krijgen in het verband tussen problemen op lokaal niveau en de
nationale economie en politiek. De ontwikkeling van institutionele
oplossingen op nationaal niveau was dan ook niet te verwachten, en
dergelijke voorstellen kregen al helemaal geen steun als ze van andere
partijen afkomstig waren. Programma's werden dus voorafgegaan en bepaald
door organisatie.
De vakbonden moesten hun hoge verwachtingen van ofwel zelfhulp ofwel een
aanstaande revolutie opgeven en bovendien de krappe belangen van
plaatselijke afdelingen of afzonderlijke bedrijfstakken overstijgen, vóór ze
zich tot een nationale verzekering konden bekeren. Maar deze bredere
oriëntatie kon slechts bereikt worden in samenhang met een verbreding van de
organisatie. Verschillende beroepsgroepen moesten hun krachten verenigen,
sektarische scheidslijnen moesten overbrugd worden, plaatselijke afdelingen
dienden zich op provinciale, regionale en ten slotte nationale schaal te
verenigen. Zoals zo vaak was ook in dit integratieproces conflict de
drijfveer: een strijd tegen opponenten die zich eveneens gedwongen zagen
gaandeweg grotere eenheden te vormen. Stakingen en uitsluitingen waren
uiteraard zowel voor werkgevers als werknemers een hoofdmotief om met
collega's samen te gaan werken. Als een bedrijf arbeiders in dienst nam die
door zijn concurrent waren uitgesloten, dan zou het strijdmiddel daarmee
ontkracht zijn. Wanneer sommige arbeiders werk zouden uitvoeren dat door hun
elders stakende collega's geweigerd was, dan was de strijd van meet af aan
al een verloren zaak.41 Het proces van fusering en federatievorming van werkgevers- en
werknemersorganisaties vertoont veel trekken van de dynamiek van
statenvorming: het is een voorbeeld van een figuratie waarin tegenstanders
elkaar dwingen tot de ontwikkeling van hogere integratieniveaus.
Ook de bemoeienis van het staatsapparaat met de arbeidsverhoudingen droeg bij
tot de uitbreiding van het organisatorische bereik van arbeiders- en
werkgeversorganisaties. Arbeiders, werkgevers, en de opeenvolgende regimes
waren tezamen in een voortdurend leerproces verwikkeld. Fabriekswetten op
arbeidstijden, vrouwen- en kinderarbeid, produktkwaliteit, geluidsoverlast,
vervuiling enzovoort noopten tot talloze ingrepen door inspecteurs en
ambtenaren in de betrekkingen tussen arbeiders en bedrijfsleiding, die toch
al in ontwikkeling waren. Deze staatsbureaucraten introduceerden nationale
regels en overwegingen van landelijke relevantie in hun omgang met vakbonden
en bedrijven, en belichaamden de dwingende kracht van regulering door de
centrale staat.
Werkgevers en werknemers organiseerden elkaar, en werden door de staat
georganiseerd toen deze op zijn beurt in industriële aangelegenheden
betrokken raakte. Werkgevers, ambtenaren en vakbondsleiders raakten gewend
aan onderlinge onderhandelingen, of dat hun beviel of niet.
Regeringsinterventies dwongen werkgevers en arbeiders hun belangen op
centraal niveau te bundelen en te bepleiten. Met grote steden en grote
ondernemingen kwam ook een grote | | | | overheid, hoezeer dat
indertijd ook werd bestreden of ontkend.
| |
4.4 Het regime
Rond het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde een nieuw slag
bureaucraten en academische experts een praktische wetenschap van openbaar
bestuur, en velen waren erop gebrand te experimenteren met de machtige en
fascinerende nieuwe regeringsmachinerie: inspectoraten, nationale netwerken
van agentschappen, bureaus van de burgerlijke stand, enzovoort. Dit
staatsapparaat in opkomst bood ongekende carrièremogelijkheden aan jonge
mannen zonder familienaam of vermogen. De helden van de negentiende-eeuwse
regeringsexpansie waren veelal afkomstig uit eenvoudige burgerlijke kring en
werkten zich op de kracht van hun expertise, volharding en inzet, omhoog
over aristocraten die nog steeds dachten dat het allemaal om eervolle
sinecures ging.
Maar politici konden zich nauwelijks veroorloven om te experimenteren: zij
moesten hun begroting sluitend krijgen en de eerstvolgende verkiezingen
winnen. Overal waar het kiesrecht werd uitgebreid of waar die uitbreiding
het doelwit van agitatie was, gingen de opvattingen van de arbeidersklasse
in de politiek steeds zwaarder wegen. Activistische bestuurders en
hervormingsgezinde politici die zich bewust waren van het politieke
potentieel van een arbeidersaanhang, stelden zich een regime voor dat de
administratieve en financiële hulp- en dwangmiddelen van de staat zou
mobiliseren in een nieuwe onderneming: de invoering van verplichte nationale
verzekeringen.42 Zonder zo'n activistisch regime kon geen
wetgeving worden voorgesteld, en al helemaal niet worden uitgevoerd; de
regering was de noodzakelijke partner in elke coalitie die een nationale
verzekering wilde opzetten. Maar een activistisch regime was op zichzelf nog
niet voldoende: het had nog steeds steun nodig vanuit het parlement, en dus
vanuit het hele land: van de industriële werkgevers, van de georganiseerde
arbeiders, of van beide.
Het lijdt geen twijfel dat dit hernieuwd hervormingsgezind activisme onder de
politieke elites niet alleen door de verlening van kiesrecht aan de
arbeidersklasse werd gemotiveerd, maar ook door de ervaringen en
verwachtingen uit de oorlogsjaren: de gegevens over de gezondheid van
rekruten waren aanleiding tot een grondig opgezette campagne voor de
verbetering van de levensomstandigheden van de arbeidersklasse.43 De loyaliteit van
de soldaten in de nieuwe volkslegers moest met een belofte van sociale
hervormingen worden zeker gesteld. Maar bovenal massale mobilisaties maakten
een regime van totale verzorging noodzakelijk, en daar leerden regeringen de
administratieve technieken van grootschalige gezondheidszorg of, in de
nasleep van de oorlog, uitgebreide pensioenstelsels voor veteranen: rond het
einde van de negentiende eeuw waren dergelijke pensioenen het voornaamste
instrument van de welzijnszorg in de Verenigde Staten,44 in 1926 besloegen ze 13%
van de totale overheidsuitgaven in Frankrijk.45 Het totale karakter van de moderne
oorlogvoering bedreigde ook | | | | de burgerbevolking, en dwong zo
regeringen om algemene rantsoenerings- en beschermingsmaatregelen te
treffen, die later in vredestijd overheidsbemoeienis vereenvoudigden.46 De rivaliteit
tussen staten en de tegenstellingen tussen klassen hebben zo dus beide
bijgedragen tot de statenvorming, en vooral tot de ontwikkeling van
verzorgingsstaten.47
Samenvattend, gedurende de gehele periode stelden boeren, kleine ondernemers
en ambachtslieden, zeg de kleine burgerij, zich te weer tegen de
nationalisatie van verzekeringen. Hun verzet moest overwonnen worden door
een coalitie die effectief was in het parlement en het land. Zonder de steun
en inzet van het regime kon geen nationale verzekering tot stand komen. Zo'n
regime moest wachten totdat de arbeidersklasse voldoende aan politiek
gewicht gewonnen had, de tegenstand van grote werkgevers genoeg geluwd was,
en de administratieve capaciteit adequaat gebleken was om het project tegen
het verzet van de kleine burgerij in door te voeren. Het regime bezette dus
een spilpositie in een machtsevenwicht tussen de kleine bezitters en de
industriële klassen, dat met de stuwkracht van de industrialisatie in de
richting van de laatsten verschoof.
Het institutionele karakter van het verzekeringsstelsel was afhankelijk van
voorafgaande vormen van institutionalisering, maar werd ook in hoge mate
bepaald door de aard van de coalitie die nationale verzekering tot stand
bracht: het regime kon zich verenigen met de grote werkgevers en een stelsel
scheppen dat de arbeiders van toezicht zou uitsluiten, zolang dezen maar
geen bijdrage hoefden te leveren. Het kon ook een coalitie vormen met de
vakbonden en hun een aanzienlijke mate van zeggenschap verlenen, waarbij de
contributies rechtstreeks van de verzekerden geheven werden of uit de
algemene belastingfondsen werden geput om de medewerking van de werkgevers
te kunnen vermijden. Ten slotte kon de regering een coalitie aangaan met
zowel de werkgevers als de georganiseerde arbeiders, met als resultaat een
drieledig stelsel van beheer en financiering. Voor het laatste was het nodig
dat alle drie de partijen een nationale verzekering aanvaardden, terwijl
daarentegen de andere twee strategieën ook uitvoerbaar waren wanneer een der
betrokken industriële partijen een verplicht nationaal project niet wilde
steunen: het verzet door werkgevers kon overwonnen worden wanneer zij bij de
uitvoering en financiering omzeild konden worden door rechtstreeks beheer
van staatswege en financiering uit de algemene middelen of uit directe
premieheffing. Het regime kon ook samenwerken met de werkgevers, en de
vakbonden buitensluiten: maar voor een werkbaar stelsel moest er op de
voorkeuren van de arbeiders geanticipeerd worden.48
Uit deze vierzijdige strijd ontstonden in de halve eeuw tussen 1880 en 1930
de staatsarrangementen voor de accumulatie van overdrachtsvermogen. Het
proces werd in hoge mate gecompliceerd door de aanwezigheid van allerlei
verzekeringsinstituties op een lager aggregatieniveau; commerciële,
vakbonds-, bedrijfs- of onderlinge fondsen die streden voor de handhaving
van hun verworven voorrechten, en posities innamen die door het regime
moesten worden afge- | | | | kocht of in zijn nationale projecten
dienden te worden geïncorporeerd. In deze ontwikkeling speelde bovendien één
beroepsgroep een zeer bijzondere rol: de medici, die de verzekerden moesten
behandelen en in alle gevallen van ongeschiktheid onpartijdige expertise
moesten bieden. Maar de fundamentele dynamiek in de opkomst van de sociale
zekerheid was gelegen in de traag verschuivende machtsbalans tussen de
kleine burgerij en de industriële klassen, met het regime in een
spilpositie.
|
25Vgl.
Hatzfeld, 1971, voor Frankrijk; Maier en de bijdragen aan Crossick en
Haupt voor Engeland, Frankrijk en Duitsland; Wiebe voor de Verenigde
Staten.
26Het
idee dat ‘rechts’, en meer in het bijzonder de kleine zelfstandige
burgerij, het voornaamste struikelblok voor sociale zekerheid vormde is
voor Frankrijk zorgvuldig gedocumenteerd door Hatzfeld. Onafhankelijk
van die studie is het systematisch onderzocht in vergelijkende studies
door Castles, bijv. Castles en McKinlay, 1979, p. 166: ‘We stellen een
uiterst eenvoudig model voor, waarin de afhankelijke variabele wordt
gevormd door ons samengesteld indexcijfer van de openbare sociale
uitgaven, en de onafhankelijke variabele door het aantal stemmen voor de
grootste rechtse partij.’ Vgl. ook Castles, 1982, p. 71: ‘De kracht van
de grootste rechtse partij in het parlement en in de regering is hecht
verbonden met een of meer aspecten van elke categorie van openbare
uitgaven en elke component van de sociale uitgaven, en vertoont eveneens
een significante relatie met de belangrijkste dimensies van de
verandering in die periode.’ De soms tamelijk ruwe operationalisaties
gaan echter voorbij aan het feit dat grote industriëlen - die zich
doorgaans ook in rechtse partijen georganiseerd hadden - dikwijls de
sociale-zekerheidswetgeving ondersteunden.
28In
het midden van de vorige eeuw werden vooral in Frankrijk de onderlinge
verenigingen ervan verdacht als dekmantel te fungeren voor
arbeidersagitatie, en vaak waren het ook verzetshaarden; vgl. Hatzfeld,
1971, p. 195. Dit was een reden waarom in Franrijk notables, onder wie werkgevers, bereid waren om contribuerende
ereleden te worden van de sociétés mutuelles, waar ze
bijdroegen aan de middelen en toezagen op de zaken van het fonds.
29Metaalgieterijen waren er ook vroeg bij, omdat arbeiders
plachten weg te lopen en de ovens in de steek lieten.
30Het ontslag van arbeiders door
Aniche in 1872, net vóór hun pensionering, of het faillisement van de
Terrrenoire-mijnen in Bessège in 1888 waren traumatische gebeurtenissen,
omdat de employés de pensioenen kwijtraakten waar ze zo naarstig voor
hadden gespaard; vgl. Trempé, p. 106.
31Zoals het failissement in 1869 van La Fraternelle, een onderlinge
verzekeringsmaatschappij die aanvullingen op bedrijfsuitkeringen
verstrekte; vgl. Trempé, p. 108.
32Vgl. Heclo, 1974, pp. 157 e.v.
33Vgl. de
kerken in hoofdstuk 3, paragraaf 4.
34Vooral in Frankrijk, waar de herinnering aan de
Parijse Commune voortleefde.
35Deze wens van
onafhankelijk toezicht over arbeidersklasse-instituties beheerste tevens
de American Federation of Labor onder Gompers tot
1920, en daarna.
36Crouch past Olsons argument specifiek toe
op vakbonden. Met name in de Verenigde Staten zijn selectieve voordelen
en tot vakbondsleden beperkte ‘extraatjes’ van belang geweest. De
vakbondsleden vreesden dat sociaal regeringsbeleid arbeiders niet langer
zou aansporen om lid te worden en waren dan ook slechts bereid
pensioenwetgeving te accepteren omdat ze de ouderen niet nodig hadden;
vgl. Derthick, p. 119; Furniss en Tilton, pp. 160-1.
37Crouch, p. 175, wijst erop dat de achterban van vakbonden vooral in
loonsverhogingen geïnteresseerd is, en niet zozeer in procedurele
doelen, terwijl ‘de leiding, qua organisatie, rechtstreeks te winnen
heeft bij het nastreven van participatiedoelen, omdat deze activiteiten
haar rol en bereik uitbreiden.’
38Vgl. Tennstedt, pp.
223 e.v.
39Wilterdink heeft een nauwkeurig onderzoek gedaan naar de groeipatronen
van dit ‘semi-particulier vermogen’ (overdrachtsvermogen en
levensverzekeringen) in Nederland: tussen 1920 en 1980 is het aandeel
ervan in het nationaal vermogen gegroeid van 4% naar 15%, en het
overschreed de hoogte van het particulier vermogen in 1974 (p. 119).
Viscusi, p. 95, vermeldt dat rond 1974 in de Verenigde Staten de
‘verwachte waarde van sociale-zekerheidsannuïteiten 2,4 biljoen dollar
bedroeg’ op een totaal geschatte waarde van alle overige particuliere
activa van 3,3 biljoen dollar. Slechts 2% van de uitstaande
sociale-zekerheidsobligaties werden werkelijk gedekt door beheerde
fondsen; Feldstein, 1975, p. 77.
40Vgl.
Hatzfeld, 1971; Stearns, p. 53: over Frankrijk: ‘Met de wet van 1911
dwongen de arbeiders hun leiders tot aanvaarding van elke kruimel die de
staat zou aanbieden.’
41Vgl. Crouch, pp. 68
e.v.
42Na een periode van kwantitatieve
vergelijkende studies die de groei van sociale zekerheid verklaarden in
termen van ecologische of sociaal-economische variabelen, is er weer
belangsteling ontstaan voor de politieke rol van politici en
deskundigen: ‘Politiek doet ertoe’. Vgl. Castles; ook Skocpol en Amenta,
en Heclo's ‘kleine bende van autodidacte sociale hervormers binnen en
buiten de regering’ (1974, p. 155) of Hatzfelds ‘grand commis de l'Etat’
(1971, p. 269).
43Vgl. Thane, p. 60; Titmuss, p. 80.
44Vgl. Skocpol en Ikenberry.
45Vgl.
Rosanvallon, p. 165.
46Vgl. Marshall, 1965, pp. 82 e.v.
47O'Connor, p. 100, suggereert
een nauw verband in de marxistische traditie: ‘De verzorgingsstaat neigt
tot expansie ten gevolge van de groei van een surplusbevolking die
betrekkelijk weinig eigen koopkracht heeft, en de oorlogsstaat neigt tot
groei ten gevolge van de expansie van een surpluskapitaal dat niet in
het binnenland kan worden uitgegeven (ten dele vanwege de groei van de
surplusbevolking).’
48In
de zin van Friedrichs ‘regel van geanticipeerde reacties’, pp. 199
e.v.
|
|