|
|
|
| |
| | | |
Inleiding
| |
In de literatuurwetenschap bestaat het besef dat er geen
oorzakelijke samenhang behoeft te zijn tussen het niveau van een auteur en de
reputatie die deze geniet. Er zijn voortreffelijke eenlingen geweest onder de
schrijvers die in bijna volstrekte vergetelheid zijn geraakt en anderzijds
houdt de reputatie van sommigen niet noodzakelijk in dat hun verzen of verhalen
van uitzonderlijke kwaliteit zijn (Sötemann 1994: 146). Bij
Maria Tesselschade Roemers Visscher
(1594-1649) ligt de situatie nog ingewikkelder. Zij is waarschijnlijk de meest
bekende vrouw uit de zeventiende eeuw. Alom wordt zij geprezen als de wijze en
charmante vriendin van een aantal grote mannen uit de republiek der letteren.
Haar werk is redelijk toegankelijk. Toch heeft zij als dichter nauwelijks
aandacht gekregen.
De literatuurgeschiedenis van
G. Knuvelder (1977: 198) noemt haar samen
met haar zuster
Anna Roemers de beroemde dochters van de
dichter Roemer Visscher (1547-1620); verderop ‘een bevallige
dichteres’ wier naam echter vooral voortleeft ‘als vrouw, als
“onwaerdeerlycke Vrouw”’ (1977: 276), een typering van de
dichter
Constantijn Huygens (1596-1687). In
Nederlandse Literatuur, een geschiedenis (Schenkeveld 1993) wordt zij weliswaar een aantal malen
genoemd, maar voornamelijk als lid van de literaire elite van haar tijd.
Sinds 1918 beschikken we over vrijwel haar gehele oeuvre:
Een onwaerdeerlycke Vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria
Tesselschade (Worp 1918; facsimile 1976). Desondanks is het
onderzoek naar haar werk nauwelijks op gang gekomen. De opzet van het boek van
Worp kan daar aanleiding toe hebben gegeven:
hij maakte een levensbeeld in documenten door middel van gedichten en brieven
van en aan de dichter, en getuigenissen van tijdgenoten over haar persoon en
werk, alles zoveel mogelijk chronologisch geordend. Waar een datering
onmogelijk was, heeft hij de teksten op grond van de levensgeschiedenis een
plaats toebedeeld die hem het meest plausibel voorkwam. De uitgave is verbeterd
en aangevuld door
P. Leendertz Jr. (onuitgegeven handschrift,
1929).
In 1987 bewerkstelligde
L. Strengholt met de literair-stilistische
analyse van het gedicht Die Rejsen wil op aerdt (gedicht
21) een ommekeer. Hij stelde vast dat zich in de interpretatie van de gedichten
van Tesselschade Roemers, voor zover die bestaat, bepaalde denkbeelden hebben
genesteld die meer berusten op de (veronderstelde) samenhang met haar
levensgeschiedenis dan op een grondige studie van de teksten als zodanig. Toch
vraagt iedere overgeleverde tekst in de allereerste plaats om een onderzoek
naar wat er eigenlijk staat (1987: 114). Daarbij wijst Strengholt | | | |
op de noodzaak om, waar mogelijk, terug te keren naar het handschrift als de
enige bron om vast te stellen wat de dichter geschreven heeft (1987: 119).
Ook vanuit een ander perspectief is een nieuwe publikatie waardevol.
Na de uitgave van Worp zijn er nog gedichten gevonden van Tesselschade Roemers'
hand. Zo wist Worp van het bestaan van het gedicht Dat Bareleus pen,
soo met mij om wou springen (gedicht 6), maar hij heeft het niet
kunnen vinden. Van een tweede onbekende tekst werd pas in 1952 voor het eerst
melding gemaakt door P. Maximilianus o.f.m. Deze had
in de pastorie van Zierikzee een exemplaar van
Huygens' Korenbloemen
(1672) aangetroffen, waarin zich een los blaadje bevond aan weerszijden
beschreven met een gedicht van Tesselschade Roemers. Het betreft een variant
van de tekst Claes seijde tegens Trijn (gedicht 16) en
een tot dan toe onbekend gedicht Ons beijder Vader seijdt
(gedicht 20). Onze speurtocht naar dit nadien onvindbare handschrift heeft
resultaat gehad. Op aanwijzing van dr.
C.S.M. Rademakerss.cc. te Zierikzee hebben
we het teruggevonden in het Provincialaat van de Minderbroeders Kapucijnen te
's-Hertogenbosch. [zie ill. p. 89 en p. 104]
Naast Strengholt heeft ook
E. van Koeven (1989b) onderzoek gedaan
naar een aantal gedichten, waarbij zij de handschriften opnieuw heeft bekeken.
Dit heeft geleid tot het aantonen van enkele onjuiste lezingen. Hoezeer het
onderzoek van de handschriften steeds weer mogelijkheden biedt oudere lezingen
te corrigeren, blijkt bij voorbeeld uit de bestudering van een afschrift van
Constantijn Huygens van de zogenaamde schoncken-sonnetten, een reeks
sonnetten van
P.C. Hooft (1581-1647),
Constantijn Huygens, Anna Roemers Visscher (1583-1654),
Tesselschade Roemers en anderen, alle
geschreven op dezelfde rijmwoorden. In het sonnet van Tesselschade Roemers
(gedicht 1) heeft Huygens onder andere het begin van vers 12 doorgestreept en
vervangen door Moetblasers. Men heeft dit door de eeuwen heen steeds
beschouwd als een verbetering van Mijn vaders, dat op taalkundige of
culturele grond onjuist zou zijn. Opnieuw lezen van de doorgehaalde passage
brengt echter aan het licht dat er oorspronkelijk Minvaders moet hebben
gestaan, een nieuwvorming naar analogie van min(ne)moeder, en een
doorvoering van de beeldspraak van zuigeling en zogen in het sonnet. Dit
laatste wordt door Huygens' wijziging ongedaan gemaakt.
| |
Het dichterschap van Tesselschade Roemers
Voor het lezen en waarderen van poëzie uit een oudere fase
van onze geschiedenis is een zekere bekendheid met de poëticale eisen en
de schoonheidsidealen van de tijd van ontstaan noodzakelijk. Tesselschade
Roemers dichtte in een traditie die wij nu typeren als maniëristisch.
Veelal wordt deze wijze van kunstbeoefening gezien als een uiting van de barok.
Grote namen hierbij zijn de Italiaanse dichter
Giambattista Marino (1569-1625) en de
Engelse
John Donne (1572-1631). In de Republiek
is deze stijl vooral bestudeerd bij P.C. Hooft en Constantijn Huygens. Naar
| | | | Marino wordt ook wel de term marinisme gebruikt; een andere veel
gebruikte typering is concetto, een figuur die met behulp van gedachtenrijke en
scherpzinnige bedenksels ver uit elkaar liggende of elkaar uitsluitende beelden
of begrippen tot verrassende, vaak geestrijke vergelijkingen en
correspondenties verbindt (Porteman 1977: 45). Er bestaat een voorkeur voor een
gekunstelde woordenschat, zoals Hoop Heemelhertie (gedicht 2 v. 3) voor
‘een hartje dat hoopvol uitkijkt naar de hemel’, en voor de
antithese, de paradox en het oxymoron, de innerlijk tegenstrijdige woordgroep,
zoals grijze jeucht (gedicht 7 v. 1). Het klankspel is belangrijk.
Annominatio, een combinatie van woorden opgebouwd uit dezelfde of bijna
dezelfde klanken, maar met een geheel andere betekenis, kan eveneens als
concetto beschouwd worden, omdat vorm en betekenis van de woorden de
tegenstrijdigheid manifesteren: Licht of ick mee wat Lichts (gedicht 12
v. 6). Syntactisch stellen de dichters zich hoge eisen. Het brevitas-ideaal
daagt hen als het ware uit met een minimum aan woorden een maximale
zeggingskracht te bewerkstelligen. In de vele elliptische zinnen en de
(overspannen) samentrekkingen wordt dit streven manifest.
Gedichten uit deze sfeer laten zich niet gemakkelijk lezen. Pas
als de lezer/es zich geduldig verdiept in de vele mogelijkheden die de tekst
biedt, kan een zinvolle interpretatie ontstaan. Dan pas blijkt de
zeggingskracht en het taalkunstig vermogen.
| |
Over de naam Tesselschade Roemers
In maart 1594 werd in het gezin van
Roemer Pietersz. Visscher en
Aefgen Jansdr. Onderwater een dochter
geboren die Maria, Marritgen, zou worden genoemd. Het feit dat een groot
gedeelte van de vloot waar haar vader als assuradeur en graanhandelaar bij
betrokken was, enkele maanden daarvoor bij het eiland
‘Tessel’ was vergaan, vormde de inspiratie tot een
tweede naam:
Tesselschade. Onder deze naam zou de
dochter de geschiedenis ingaan. De voornaam was zo bijzonder dat het in de
geschiedschrijving niet nodig bleek haar achternaam te vermelden. Er werd en
wordt over haar geschreven als Tesselschade, en zelfs alfabetische
persoonsindexen voeren haar regelmatig op onder deze voornaam.
Van deze voornaam werd ook de koosnaam gevormd waarmee haar
(oudere) vriend P.C. Hooft haar enige malen in zijn brieven aanspreekt:
Tesseltje. Andere vrienden en tijdgenoten gebruiken deze naam in brieven heel
soms als ze over haar berichten. Het is merkwaardig dat deze koosnaam
regelmatig in de literatuurgeschiedenis wordt gebruikt, alsof zij altijd een
jong meisje is gebleven.
De achternaam van Maria Tesselschade kan op verschillende wijzen
worden gevormd. Als dochter van Roemer Visscher kon zij aangeduid worden als
Roemers of als Roemers Visscher. Na haar huwelijk zou het ook nog mogelijk
geweest zijn haar de naam van haar echtgenoot,
Crombalgh, te geven. Dit laatste was in
de zeventiende eeuw echter geen algemeen gebruik.
Voor de naamgeving moeten we uitgaan van de wijze waarop zij
zichzelf voorstelde. | | | | Bij de gedichten volgde zij de gewoonte van
haar tijd door haar zinspreuk ‘Elck zyn waerom’ te gebruiken, die
ze ontleende aan een embleem van haar vader uit
de Sinnepoppen (1614) [zie ill. p 18]. Even zo vele malen
dragen haar verzen als ondertekening ‘Tesselscha(de)’, en een
enkele keer ‘Tesselschade Roemers (Visscher)’. Haar brieven geven
soms ‘Sachte Sede Les’, een anagram van haar naam door P.C. Hooft,
en ‘M(aria) Tesselschade’, vaker ‘Tesselschade’, maar
overwegend ‘Tesselscha(de) Roemers’. Met deze laatste, meest
voorkomende ondertekening van haar brieven heeft zij zich waarschijnlijk
maatschappelijk gepresenteerd. We sluiten ons daarbij aan met de keuze voor de
naam ‘Tesselschade Roemers’.
| |
De inrichting van de bundel
In een bundel verzameld werk is de plaatsing van de teksten immer
een probleem. Overwegingen van verschillende aard hebben de volgorde van de
gedichten in deze uitgave bepaald. Een chronologische opbouw bleek voor het
oeuvre van Tesselschade Roemers niet mogelijk, aangezien niet alle gedichten te
dateren zijn. Dit heeft bij de editie Worp geleid tot fouten, omdat op grond
van vermeende biografische gegevens een bepaalde plaats aan een gedicht werd
toegekend. Daarnaast dreigt het gevaar dat de teksten te snel vanuit
biografische bijzonderheden worden geïnterpreteerd. Nu is een belangrijke
vernieuwing in de renaissance de ordening van gedichten in een bundel volgens
genres. Het sonnet wordt dan beschouwd als de meest prestigieuze korte
dichtvorm, zodat sonnetten een centrale plaats krijgen (Waterschoot 1993: 153).
Vanuit aandacht voor de vorm opent de bundel daarom met de sonnetten, door de
gevarieerdheid van de vorm en de inhoud een goede kennismaking met het rijke
dichterlijke talent.
Daarop volgen de gedichten met grote verscheidenheid in opbouw:
liedteksten, een vertaling, een lof- en een grafdicht, reacties op aanvallen
ten aanzien van het geloof, gedichten over de liefde, over
Maria Magdalena of over een of andere
afbeelding.
De derde afdeling bevat de zeer korte epigrammatische teksten.
Deze komen het beste tot hun recht binnen het kader van de brieven waarin zij
geschreven zijn, vandaar dat de briefcontext in de meeste gevallen is
opgenomen. Hoezeer de Italiaanse gedichten ook het talent van de dichter
manifesteren, voor de meeste lezers zal er een taalbarrière zijn. Het
leek ons daarom juist de bundel ermee af te sluiten.
Binnen de verschillende afdelingen is de chronologie gehandhaafd
met dien verstande dat waar mogelijk uitgegaan is van de datering van het
handschrift. In andere gevallen konden gedichten gedateerd worden op grond van
historische gebeurtenissen. Waar deze gegevens ontbraken, is uitgegaan van de
eerste druk, zo deze tijdens het leven van de dichter geschiedde. De niet op
deze wijze te dateren gedichten zijn steeds aan het einde van de afdeling
geplaatst.
| | | | | |
De lezer/es
De bundel is samengesteld met het oog op de geoefende lezer/es van
poëzie, en zeker niet alleen de letterkundige, maar ook de historicus en
de beoefenaar van vrouwenstudies kan vreugde beleven aan deze veelkleurige
verzameling teksten. Voor de weergave van de gedichten zelf geldt dat er is
gestreefd naar een niet al te ‘technisch’, maar mooi, eenvormig
beeld zoals een poëziebundel betaamt, ongeacht of de verzen nu uit een
kladhandschrift of uit een verzorgde uitgave afkomstig zijn. Daarom zijn de
inspringingen veelal ongedaan gemaakt en beginnen alle versregels met
hoofdletters. De hoofdletters in de teksten zijn gehandhaafd. Ze bemoeilijken
het lezen nauwelijks. Wie niet is geïnteresseerd in de verantwoording van
de tekstweergave, kan gerust het eerste gedeelte van het commentaar bij de
gedichten overslaan. De enkele inleidende opmerkingen boven de teksten kunnen
de niet-specialist van dienst zijn. Ze zijn van zeer verschillende aard,
afhankelijk van de vorm en de inhoud van de tekst.
| |
De soorten commentaar
De toelichtingen bij de gedichten volgen een vast patroon. Op de
aangrenzende pagina staan de taalkundige en lexicale annotaties als directe
ondersteuning bij het interpreteren. Hiervoor is intensief gebruik gemaakt van
het Woordenboek van de Nederlandsche taal; de verwijzingen naar deel en
kolom zijn steeds tussen ronde haken aangegeven. Voor verdere informatie dienen
de toegevoegde bladzijden.
De bronvermelding opent de rij. Hier treft men de vindplaats aan
van het handschrift of van de uitgave waarin het desbetreffende gedicht voor
het eerst is verschenen. Hierop volgt de verantwoording van de
tekstweergave. Elk verschil met het handschrift of de druk is vermeld, vaak
aangevuld met varianten uit eigentijdse uitgaven of uit
Worp (1918).
De rijke informatie die de handschriften bevatten, blijkt uit de
diplomatische transcriptie. Hier zien wij de dichter schrappen en
verbeteren, en aarzelen tussen woorden. Ook zien we bevriende dichters
ingrijpen in de tekst. Anders dan in Worp (1918) zijn deze zogenaamde
verbeteringen, ‘betuttelingen’, slechts vermeld, maar nooit
overgenomen.
Als notities komen stilistische zaken aan de orde,
problematische duidingen, mythologische verwijzingen en dergelijke. Daarna
volgt de korte inhoud. In de paragraaf achtergrond zijn teksten
opgenomen waarop de dichter reageert, zoals bij het
Antwoort (gedicht 11) of in het geval van de
schoncken-sonnetten (gedicht 1). Soms ook betreft het hier
vergelijkingsmateriaal, zoals bij het grafschrift van
Pieter van Veen (gedicht 10), zodat het
gedicht gelezen kan worden in het licht van de literaire conventies. Voorts
bevat de paragraaf persoonsgegevens, historische gebeurtenissen en andere
buitentekstuele bijzonderheden voor zover die inzicht verschaffen in de
| | | | situatie waarin het gedicht ontstond. De datering en de
motivering daarvan sluit de rij. Op geen van de bovengenoemde punten is
gestreefd naar volledigheid. Eerder kan het commentaar gezien worden als een
stimulans voor verder onderzoek.
| |
Over de omvang van het oeuvre
Er is van
Tesselschade Roemers maar een beperkt
aantal gedichten overgeleverd. Keer op keer is er in correspondentie sprake van
verzen waarvan we geen enkel spoor hebben. Pas in 1952 werd Ons
beijder Vader seijdt (gedicht 20) bekend, een reactie op een
smaadgedicht van Constantijn Huygens. Reconstructie levert het volgende op:
Roemers zond in één brief aan
P.C. Hooft het beledigende gedicht van
Huygens (mogelijk mede ondertekend door
Caspar van Baerle/Barlaeus 1584-1648), een
verloren gegaan gedicht van C. Barlaeus, haar reactie aan die twee (gedicht
20), en ten slotte een sonnet voor (de zieke) Hooft (gedicht 6). Er moeten hele
pakketten verzonden zijn, waar we nu alleen nog maar de resten van hebben.
Hetzelfde geldt voor de vertaling van het epos Gerusalemme
liberata (1575) van de zeer bewonderde Italiaanse dichter
Torquato Tasso (1544-1595). Gedurende vele
jaren wordt er in brieven over geschreven.
Johan de Brune de Jonge (1616-1647) maakt er
melding van in zijn boek de Wetsteen der Vernuften
(1644): ‘Ioffrou Maria Tesselscha Roemers, die met de vertaling van 't
verloste Ierusalem bezigh is’ (1994: 315). Toch is het enige wat over is
de vertaling van één stanza (gedicht 19).
Dit maakt het hachelijk het overgebleven materiaal biografisch te
duiden. Zo weten we dat Roemers de geestelijke en musicus
Johan Albert Ban (1597/8-1644) kende. Toch
mag het feit dat hij in meerdere gedichten het onderwerp vormt (gedicht 5 en
24) niet zomaar leiden tot de conclusie dat hij een grote plaats in haar leven
innam. Evenzeer geldt dat als er uit een bepaalde periode geen gedichten zijn
overgeleverd, dit niet hoeft te betekenen dat de dichter
‘zweeg’.
| |
Enige jaartallen
| 1594 | Geboorte van Maria Tesselschade Roemers
Visscher te Amsterdam. Dochter van de koopman en dichter Roemer Pietersz.
Visscher (1547-1620) en Aefgen Jansdr. Onderwater (overleden 1619). Zuster van
Anna (1583-1651), Pieter (onbekend) en Geertruy (1588-1658/9) Roemers
Visscher. |
| 1621 | Vroegst bekende gedicht, het sonnet
Hoewel ick noijt en sooch (gedicht 1); voor het eerst
gepubliceerd in Huygens' Otia
(1625). |
| tot 1647 | Bezoeken aan de vriendenkring op het
Muiderslot, aldaar te gast bij
P.C. Hooft en
Christina van Erp (1592-1624) en vanaf
1627
Heleonora Hellemans
(1595-1661). |
| | | |
| ±1623-1647 | Werkt aan een vertaling van
Torquato Tasso's epos
Gerusalemme liberata (gedicht
19). |
| 1623 | Huwelijk met
Allert Jansz. Crombalgh (overleden
1634). Verhuizing naar Alkmaar. Kinderen uit dit huwelijk: Taddea
(1625-1634) en Maria Tesselschade (1629-1647). |
| na
1623 | Werkt aan een vertaling van
Giambattista Marino's
Adone. |
| 1626 | Publikatie in
Minne-plicht ende
Kuysheyts-kamp. |
| 1630 | Deelname aan de
polemiek van
J. van den Vondel (1587-1679) tegen de
contraremonstranten met het Antwoort (gedicht
11). |
| 1634 | Plotselinge dood van dochter Teettge en van
echtgenoot. |
| 1638 | Publikatie van ‘In honore della
Christianissima Regina Maria de Medici’ (gedicht
34). |
| 1641/2 | Commotie onder vrienden over de overgang
van de dichter naar het
rooms-katholicisme. |
| 1642 | Publikatie in
Johan Albert Bans
Zangh-bloemzel; het linkeroog van de dichter wordt
beschadigd in een smidse. |
| 1644 | Publikatie in
Minnedichten van
Jacob Westerbaan (1599-1670); lof voor de
dichter in
Jan de Brune de Jonge's Wetsteen
der Vernuften. |
| 1647 | Dochter Maria
Tesselschade overleden. |
| 1649 | Overleden op 20 juni;
begraven in de Oude Kerk te Amsterdam. |
Levensbeschrijvingen zijn te vinden in Worp (1918: xi-xlix)
en in Mieke B. Smits-Veldt: Maria Tesselschade. Leven met talent en
vriendschap. Zutphen, 1994.
| |
De muzikale activiteiten van Tesselschade Roemers
(Louis Peter Grijp)
Een van de meest geprezen talenten van
Tesselschade Roemers was haar zangkunst.
Verscheidene malen gebruikte
P.C. Hooft deze als attractie om
vrienden naar het Muiderslot te lokken. ‘Ach hoe binden die
keelbanden’, verzuchtte hij (Hooft De briefwisseling, brief 587).
Tesselschade nam uit Alkmaar vaak haar vriendin
Francisca Duarte mee, met wie zij
duetten zong. ‘Op dit paer keelen, heb ik zes paer' ooren ten middaghmael
genoodight’, schreef Hooft in 1638 aan zijn zwager
Joost Baeck, in een poging ook hem naar
het slot te lokken (Hooft De briefwisseling, brief 924). Hooft noemde
Duarte de ‘Franse nachtegaal’, maar stelde de zangkunst van Roemers
expliciet boven de hare. Bij een zomerpartij in 1633 zijn beiden te gast op het
Muiderslot. Hooft was van zins ook de muziekliefhebbers
David Mostaert,
Jacob van der Burgh en
Johan Brosterhuisen uit te nodigen,
‘om (...) de zangmaete te helpen vol maecken’ (Hooft De
briefwisseling, brief 580). Blijkbaar hoopte de drost een vocaal kwintet
bijeen te kunnen brengen. Brosterhuisen neemt de uitnodiging aan. Aan
Constantijn Huygens schrijft hij naar Muiden te zullen vertrekken,
‘alwaer de heer Drossaert [= Hooft] de Cunst ghedaghvaert | | | |
heeft om de Duijvel een been af te singhen en te rijmen, vrees ick; de
Juffrouwen Tesselschae en Francisca sitten der al en quinckeleren aen gheen
groen' heijde’ (Hooft De briefwisseling, brief 585).
‘Aen gheen groen' heijde’ lijkt een van de zeldzame
referenties aan het repertoire dat tijdens de zomerpartijen werd gezongen. Het
betreft een oud volksliedje en dat is eigenlijk het laatste dat we in deze
kring verwachten. Misschien maakte Brosterhuisen een grapje. Waarschijnlijker
lijkt het dat Roemers vooral eigentijds internationaal repertoire zong, met
name Franse en Italiaanse liederen. Verscheidene keren citeert Hooft (brieven
580 en 628) aan haar een Italiaanse versregel: ‘Torni, ritorni alle
dolcezze prime’ uit het lied Phillide mia belta van de beroemde
componist Caccini. Ook Myn Lief ik min uw (gedicht 22)
kan door haar zelf gezongen zijn. Het gedicht is een navolging van
T'amo mia vitavan de Italiaanse dichter
Guarini, een madrigaal dat door verscheidene
componisten op muziek is gezet:
Don Carlo Gesualdo,
Giovanni Giacomo Gastoldi en
Ruggiero Giovanelli. Laatstgenoemde
componeerde op Guarini's tekst een vijfstemmig madrigaal, dat werd uitgegeven
door de Antwerpse uitgever
Phalèse (1606). Het madrigaalboek in
kwestie is opgedragen aan
Gasparo Duarte, de muzikaal begaafde vader
van Francisca.
In 1632 stuurde P.C. Hooft (brief 551) het begin van een lied in
wording aan Tesselschade Roemers, de Klagt van Koning Henrik de
Groote. Een half jaar later was het af en stuurde hij de rest op,
in de hoop dat haar de zanglust nog niet vergaan zou zijn (Hooft De
briefwisseling, brief 566). Roemers reageerde enthousiast met een uiterst
bondig epigram (gedicht 28). Hooft verwachtte blijkbaar dat zij zijn lied zou
zingen, en wel op de melodie van het Franse lied Ou luis tu soleil de mon
ame. Het is een van de weinige liederen waarvan we zeker weten dat het in
de Muiderkring is gezongen, zij het door een minder frequente gast,
Anna Treslong, tijdens een partij waarbij
zowel Roemers als Huygens aanwezig waren. Er is nog een aanwijzing dat
Tesselschade Roemers Hoofts eigen liederen kende. In de bekende brief (811) uit
1636 waarin de pruimen om ‘Tesseltjes mondtje’ roepen, citeert
Hooft een lied dat hij vijftien jaar tevoren voor
Christina van Erp had geschreven:
Rozemondt, hoor je speelen nocht zingen? Kennelijk kende Roemers het
vervolg, al houdt dit niet per se in dat ze het lied ook werkelijk gezongen
heeft.
In dezelfde brief roepen ‘(e)tlijke deuntjes van
Belusar’ (dat is een letteromzetting van Barlaeus) dat ze door
‘Tesseltjes keeltje’ gezongen willen worden. Dit is iets
bijzonders: zover bekend schreef
Caspar Barlaeus geen liederen op bestaande
melodieën, zoals Hooft. Op welke muziek zouden die verzen dan gezongen
zijn? Hetzelfde probleem doet zich voor bij twee gedichten die Roemers in 1633
meestuurde met een brief aan Hooft (HooftDe briefwisseling, brief 582).
Het betreft een drinkliedje van
Brosterhuisen en een verloren gegaan
gedichtje van haar zelf. Het was de bedoeling dat deze ‘op noeten
gestelt’ werden: er moest dus muziek bij gecomponeerd worden. Maar door
wie?
Mostaert en wellicht ook
Verburgh en
Brosterhuisen zouden het hebben gekund,
maar er is geen enkele concrete aanwijzing dat ze het inderdaad deden. Hooft
sluit ik uit. Hij beschouwde zich weliswaar als | | | | een ‘vurige
beminner’ van de muziek maar niet als kenner. Ook het toedichten van
compositorische gaven aan Roemers zou pure speculatie zijn.
Wel is het opvallend dat de muzikale Tesselschade Roemers - behalve
dat ze zong, bespeelde ze ook enkele instrumenten, vermoedelijk de viola da
gamba en het clavecimbel (Rasch 1992: 153) - zelf voor zover bekend slechts
één lied dichtte, dat wil zeggen één tekst op een
bestaande melodie: Hoe Crachtich ick verpyn (gedicht 9)
op de melodie van het Franse lied
l'Orangée. Wellicht mogen we hierin een
parallel zien met Constantijn Huygens. Ook hij dichtte, in vergelijking met
andere dichters, opvallend weinig liederen op bestaande melodieën en het
lijkt me niet gewaagd de grond daarvan juist te zien in zijn muzikaliteit. Het
eenvoudige liedgenre was immers voor iedereen weggelegd, ook voor muzikaal
ongeschoolden: een slag mensen waarvan Constantijn Huygens zich maar al te
graag onderscheidde.
Van één van Roemers' gedichten is het zeker dat dit op
muziek gezet is. In zijn
Zangh-bloemzel (1642) nam de Haarlemse
amateur-componist
Johan Albert Ban, naast gedichten van Hooft
en Huygens Prijst vry den Nachtegael (gedicht 14) op. De
vergelijking tussen een nachtegaal en een menselijke zangeres valt uit in het
voordeel van de zangeres, niet zozeer vanwege haar virtuositeit, maar omdat zij
met haar zang de tekst bezielt. Dit thema was koren op de molen van Ban. Hij
had een uitvoerige studie gemaakt van wat hij noemde de ‘zielroerende
kracht’ van de muziek en een methode ontworpen om de affecten van de
tekst zo sterk mogelijk in de muziek tot uiting te laten komen.
Monteverdi was zijn grote voorbeeld. Bans
muziek zaaide verwarring. Huygens leek er aanvankelijk wel iets in te zien,
maar hield zich op de vlakte toen er uit Frankrijk zware kritiek kwam van
geleerden als
Descartes en
Mersenne. Roemers daarentegen was van Bans
muziek gaan houden, na aanvankelijke aarzelingen. Juist door deze nuancering
komt haar lofdicht op Ban, Vrye Zieltje (gedicht 24),
geloofwaardig over. Als eenmaal haar twijfels overwonnen zijn, raakt ze in de
ban van Ban, zoals ze het zelf uitdrukt.
De theorieën van Ban laten een wonderlijk rationele benadering
zien van de kunst emoties op te roepen. Hij stelt dat bepaalde intervallen
bepaalde emoties bewerkstelligen - een gedachte die ook bij Italiaanse
theoretici opgeld deed - en trachtte de werking van een en ander te versterken
door een bijzonder toonsysteem, waarvoor achttien tonen per octaaf vereist
waren. Deze werden gerealiseerd op het ‘volmaakte klauwier’, een
clavecimbel met behalve witte en zwarte, ook rode toetsen. Het meest bijzondere
aan Bans traktaat is de terminologie, die streng puristisch is. Een kwint wordt
door hem een vijfling genoemd, een octaaf een achteling en zo
verder. Consonant wordt meeklank, dissonant onklank, interval
tussenval, stemtrap of stemsprong, noot zangmerk,
komma snipzel, monochord eensnaar, clavecimbel
klauwecymbel, viola da gamba knie-vedel enzovoort.
Tot voor kort was het moeilijk een oordeel te vellen over Bans
muzikale kunnen. Van de vier stemboekjes van het Zangh-bloemzel -
bovenzang (sopraan), hoogstem (alt), grondstem (bas) en gemene grondstem (basso
continuo) - zijn er slechts twee overgeleverd: alt en bas. De sopraanpartij
ontbreekt, op een kort fragment na dat | | | | is overgeleverd bij de
correspondentie van Huygens met Ban (Jonckbloet 1882: lv). Mijn
reconstructie van de bovenstem (cd van Camerata
Trajectina Globe glo 6026) laat evenwel horen dat Bans
muziek weliswaar eigenzinnig van structuur is, maar wel degelijk
‘zielroerende’ kwaliteiten bezit. Deze worden bereikt door
opmerkelijke harmonische opvolgingen en talrijke woordschilderingen, waartoe de
beeldende taal van Tesselschade Roemers alle aanleiding geeft. In
Prijst vry den Nachtegael (gedicht 14) worden
snikjes (v. 31) en Zwijght (v. 25) in de muziek weergegeven door
rusten, quinkelere (v. 5), tiereliertje (v. 7) en ydel
galmen (v. 52) door virtuoze coloraturen, passages als met een tongh
alleen (v. 12) en verscheide tongen (v. 40) zijn voor solistische
stemmen gezet, en de tegenstellingen als tussen hoogh' en laeghe Zwier
(v. 13) en tussen grof ghedreun (v. 37) en teer ghekreun (v. 38)
zijn voor een ieder hoorbaar.

‘(...)hoemen het bewimpelt, elck heeft zijn
waerom, al is die voor alleman niet bekent.’ Uit Roemer Visscher,
Sinnepoppen p. 70.
|
|
|