|
|
|
| | | | | |
8 Ghy koelen herders soon van 't sangerige choor (geen
datering)
Een mogelijk concrete aanleiding voor dit sonnet is niet bekend;
evenmin kan worden vastgesteld wie met de personages Cicilia en
Silvius worden bedoeld.
Cicilia aen den jaghtsuchtigen Silvius, vers uyt de
modder gehaelt.
opschrift
Ghy koelen herders soon van 't sangerige choor,
1
Hoe komt gy soo verhit op jachtigh haese loopen,
2
Op wonden, moorden, en onnosel vel te stroopen,
3
Ghy kont hier volgen naeuw, en by my gingt ghy voor.
4
5
Eer netter tijt-verdrijf van looplust was uw spoor,
5
Als ghy mijn hoeder waert om wisse maet te noopen;
6
Daer ick uw weder in sal spooren, derf ick hoopen,
7
Ick, die u tot de staet van Opper-priester koor:
8
9
Verruylt gy nu het ampt om sulcke slechte leuren,
9
En laet sijn stemmigheydt van 't wilde wilt verscheuren,
10
Bejaeght, in plaets van jaght, niet als een slobrich lijf
11.
12
Verwisselt met u kleedt dees slobberige sinnen;
12
En wilt sulck wilt niet meer, maer tammer seden minnen
Van godlijck zang-gesught, dat eeuwigh tijdt-verdrijf.
14
| | | | Naar de eerste druk in Hollantsche Parnas, deel
i, Amsterdam, J. Lescaille, 1660, p.504-505. ub Leiden 1198
f 30.
| |
Verantwoording
In de Hollantsche Parnas staan er witregels tussen de
strofen en zijn de versregels 4-5, 8, 11 en 14 ingesprongen. De schrijfwijze
van het eerste woord, ‘GHy’, is hier genormaliseerd.
De uitgave van Worp (1918: 217) bevat enkele varianten: in plaats
van looplust (v. 5) ‘loopen’, in plaats van maet (v. 6)
‘moet’, wat een drukfout is aangezien de annotatie wel
‘maet’ geeft, en in plaats van niet (v. 11)
‘niets’. Aan het einde van v. 11 heeft Worp een vraagteken
geplaatst.
| |
Notities
De paradox die dit gedicht kenmerkt, bestaat erin dat twee
tegengestelde zaken, de jacht en de zang- of dichtkunst in gelijke woorden
worden weergegeven (Van Koeven 1989a: 122). Het sonnet is een spel van
woord en klank: - loopen (v. 2) en looplust
(v. 5): hier is verschil van betekenis: in v. 2 gaat het om het letterlijke
(hard) lopen, in v. 5 om plezier in geheel andere vormen van lopen, namelijk in
de muziek (vgl. een loopje zingen) of in de dichtkunst.
- spoor (v. 5) en spooren (v. 7): in v. 5
kiest de aangesproken persoon zelf die weg, in v. 7 gaat de actie van de
ick/Cicilia uit. Bij spoor (v. 5) kan ook gedacht worden aan het
spoor dat een dier achterlaat (xiv, 2941).
- slobrich lijf (v. 11) en slobberige sinnen
(v. 12): in v. 12 is sprake van metonymisch gebruik. Er gaat de suggestie van uit
dat uiterlijkheden het innerlijk weerspiegelen.
- wilde wilt (v. 10) en wilt en wilt
(v. 13): vers 10 bevat een pleonasme; het bijv.naamwoord wilde vormt een
antithese met tammer (v. 13). De tegenstelling wordt versterkt doordat in
dezelfde versregel 13 nog tweemaal homonymisch de woordvorm wilt
voorkomt. - jaghtsuchtigen (opschrift),
jachtigh (v. 2), Bejaeght (v. 11) en jaght (v. 11): alle
aanduidingen voor bezigheden die door de ick/Cicilia niet op prijs
worden gesteld; jaght in v. 11 is een metonymia voor resultaat van de
jacht, de buit. 9/11 Het vraagteken dat Worp (1918: 217)
aan het einde van v. 11 heeft toegevoegd, dwingt de lezer/es het eerste terzet
te lezen als drie vraagzinnen. Dit is onjuist. Het onvermogen van Silvius dat
al in v. 4 Ghy kont hier volgen naeuw is vastgesteld, kan in v. 11 niet
tot een vraag leiden, maar moet een conclusie bevatten.
10 stemmigheydt: behalve de betekenis
‘ingetogenheid’ wordt een niet-gelexicaliseerde afleiding van
stem (xv, 1368) opgeroepen: het stemgeluid betreffende; daarin
kan stem als zangwijs of melodie geduid worden.
14 eeuwigh tijdt-verdrijf: er is geen vluchtiger
vorm van kunst dan zingen. Dat toch het adjectief eeuwig eraan wordt
toegekend, kan een verwijzing impliceren naar de eeuwigheid of hemelse
zaligheid waar het zingen traditioneel de belangrijkste activiteit is. Het
staat in ieder geval tegenover het tijdelijke van de jacht. Indien
zang-gesught betrekking heeft op de dichtkunst is er eventueel wel
sprake van eeuwigh omdat de voortbrengselen de dichter overleven.
| |
Korte inhoud
Cicilia adviseert Silvius, die verzot is geraakt op het jagen,
weer naar zijn vroegere activiteiten terug te keren. In de zang- of dichtkunst
was hij een meester, van de jacht brengt hij niet veel terecht. Een reden te
meer om de kunst weer een eerste plaats in zijn leven te geven.
| | | |
| |
Achtergrond
De naam Silvius is afgeleid van het Latijnse
‘silva’ en verwijst naar de pastorale traditie in de letterkunde.
Zo ook de term herders soon (v. 1) en hoeder (v. 6). De heilige
Caecilia was de patrones van de
kerkelijke muziek en de muziek in het algemeen. De pastorale literatuur bezingt
de liefde voor het platteland en roept steeds een idyllisch, ongerept, vredig
natuurkader op. Een veel voorkomend thema is de verheerlijking van de gouden
eeuw in het verre verleden die sterk contrasteert met het door de rede
verduisterde tijdperk van nu (vgl. Verkuyl 1971: 68). Cicilia kan het
natuurlijke leven echter niet waarderen en wenst de herder juist tot een
geciviliseerd bestaan terug te brengen. Het sonnet keert zich dus tegen een
idealisering van het pastorale leven.
Voor de waardering van het gecultiveerde maakt de dichter gebruik
van dezelfde woordenwild/tam die een rol spelen in Prijst vry den
Nachtegael (gedicht 14).
| | |
1van 't sangerige choor: onduidelijk om
welke groep het gaat.
2verhit op: belust op
(XIX, 2566).
jachtigh haese loopen: omschrijving voor
jagen.
4Ghy...voor: u kon het wild nauwelijks
volgen, terwijl u bij mij voorop liep;
hier: nl. bij de
jacht.
naeuw: nauwelijks.
5Eer: vroeger.
looplust:
neologisme; bij loop- kan gedacht worden aan: in de maat lopen, nl.
zingen ( xx, 2821) en dichten.
6Als: toen.
wisse:
vaste.
te noopen: bij te brengen ( ix, 2159).
7Daer(...) in: waarin; t.w. in
uw spoor (v. 5).
uw: u.
9ampt: t.w. van Opper-priester
(v. 8).
leuren: vodden ( viii, 1692); ook: onzin, gekheid
( viii, 1693).
10sijn: t.w. van het ampt
(v. 9).
stemmigheydt: ingetogenheid
( xv, 1416).
van: door.
Verruylt...verscheuren:
twee voorwaardelijke bijzinnen: indien gij... en indien gij...,
dan...
11Bejaeght: (dan) bemachtigt (gij)
( ii, 1550); overspannen samentrekking op gy
(v. 9).
jaght: buit ( vii, 70).
niet als: niets
dan.
slobrich: modderig ( xiv, 1835).
12Verwisselt: imperatief.
u:
uw.
14Van godlijck zang-gesught: bepaling
bij tammer seden (v. 13).
|
|