|
|
|
| |
| | | |
13 Noch heb ick hert, al is my 't harnas-tuyg ontdragen
(1639)
De ik reageert verontwaardigd op de onhoffelijke bejegening
van een man die mogelijk verliefd op haar is geworden.
Noch heb ick hert, al is my 't harnas-tuyg ontdragen,
1
Die my, met schijn van deught, mijn wapens troonden af,
3
5
En bood' hem aen, dat ick 't geheim hem soud ontdecken,
5
Om tot sijn eer te strecken.
Maer hoe! een Hopman, hoe! een Kristen-Hertogh-heer,
7
Geeft die geen leening weêr,
Onnosel afgeleent, en dat met smekend vleyen,
9
Weet dat mijn kracht bestaet in geen locksoete tael,
Maer in het vinnigh stael,
12
Dat dwing ick naer mijn sin, daer kan ick my me wreken,
13
In plaets van smijdigh smeken,
14
15
En segh hun oorlog aen, die sachte vrede breeckt,
15
En anders doet als spreeckt.
Ick sweer by 't snedigh stael, dat door kristal kan streven,
17
En Roemers brengt om 't leven,
18
Dat ghy my weder geeft, waer me ghy streefden deur,
19
20
Ce
* qui
n'est point mon Coeur.
20
| | | |
Naar de eerste druk in Hollantsche Parnas, of verscheide
gedichten I. Amsterdam, J. Lescaille, 1660, p.504. ub Leiden 1198
f 30.
| |
Verantwoording
De inspringingen uit de Hollantsche Parnas zijn
overgenomen; ‘NOch’ is geschreven Noch (v. 1). Een variant
bevat de uitgave van Worp (1918: 182): ‘En segh hem oorlog aen’ in
plaats van En segh hun oorlog aen (v. 15).
In de Hollantsche Parnas wordt de laatste versregel
verklaard door middel van een noot:
20 Ce
* qui
n'est point mon Coeur.
| | | |
| |
Notities
De tekst laat zich lezen als het verslag van een schermwedstrijd.
Daarbij draagt men bijzondere schermwapenen, waaronder een borstlap en een
masker. Kennelijk heeft de ik haar wapentuig op verzoek vrijwillig
afgelegd zonder daarmee een volledige overgave te bedoelen.
1 hert: naast de uitdrukking heb ick hert
als ‘de moed hebben’ speelt de uitdrukking ‘je hart
verliezen’ een rol, zoals blijkt uit v. 20, waar de oneerlijke minnaar
haar hart niet veroverd blijkt te hebben. Dit geeft het gedicht een cyclische
bouw.
harnas-tuyg: de dichter speelt een vernuftig spel met de
woorden harnas en tuyg. Beide woorden kunnen namelijk de
betekenis ‘gereedschap’ of ‘gerei’ hebben. Daarnaast
kan de samenstelling als ‘oorlogsbenodigdheden’ geduid worden. De
versluierende beeldspraak in het woord dient er tevens voor dat lezers niet op
een gemakkelijke manier kunnen uitmaken wat er precies is voorgevallen tussen
de ik en de Rover van 't harnas-tuyg.
6 eer: dit begrip heeft juist ten aanzien van de
liefde, de oorlog en de sport zeer vele connotaties. 7 De
verontwaardigde uitroep wordt bekrachtigd door de h-alliteratie.
Kristen-Hertogh-heer is geen gebruikelijke samenstelling; in combinatie
met Hopman geven de aansprekingen kennelijk aan hoezeer M.D.
zich niet houdt aan de codes die hij aan zijn stand verplicht is.
10 Dalilas verleyen:
Delila was de Filistijnse vrouw die
volgens Richteren 16: 4-21
Simson op verraderlijke wijze ertoe
verleidde het geheim van zijn kracht te openbaren, waardoor zijn kracht te niet
ging. Ook de ik in het gedicht geeft haar geheim prijs (vgl. v. 5); zij
zal zich echter weten te verdedigen. In het gedicht wordt de toegesproken man
vergeleken met de vrouw Delila, de ik daardoor impliciet met Simson.
12 vinnigh stael: de betekenis
‘dichtproeve’ voor stael ligt binnen het tekstverband het
meest voor de hand, ook vanwege de tegenstelling met locksoete tael
(v. 11). Toch klinkt de betekenis ‘zeer sterk metaal’ zeker mee;
deze wordt nog versterkt door het adjectief vinnigh.
14 smijdigh smeken: de alliteratie benadrukt hier
de negatieve gevoelens van de dichter ten aanzien van verondersteld afhankelijk
gedrag in haar relatie tot een Rover (v. 2). De woordgroep vormt een
chiastische antithese met de typering van de handelwijze van de man: smekend
vleyen (v. 9). 15 hun(...)die: gezien de
enkelvoudige persoonsvorm breeckt is er sprake van een constructio ad
sensum: het meervoudige hun wordt kennelijk als ‘een ieder’
beschouwd.
sachte vrede: de combinatie van adjectief en substantief
is opmerkelijk; vrede in de betekenis ‘bestand’ kon
juridisch op verzoek van beide partijen opgelegd worden (vriendelijke vrede),
of zonder dat één van de partijen was ingelicht (onnozele vrede)
(xxiii, 122). De Hopman (v. 7) zal deze begrippen zeker gekend
hebben. De ik verwijt hem nu het ‘breken’ van een vrede op
een ander terrein, dat van de liefde. 17/18 Deze regels
vormen door de meerduidigheid van de verschillende elementen een prachtig
bewijs van de kundigheid van de dichter gezien vanuit de poëticale eisen
van haar tijd. 19 streefden deur: annominatio met
door (...)streven in v. 17.
| |
Korte inhoud
De ik reageert verontwaardigd op het gedrag van ene M.D.
Hij heeft haar bejegening van hem, waarbij ze zich gewillig aan hem overgaf, op
een verkeerde manier uitgelegd. Zijn wijze van doen is te vergelijken met de
handelwijze van Delila die daarmee kans zag de kracht van Simson te breken. De
ik heeft haar kracht echter niet verloren en zal het gevecht opnieuw
aangaan, een gevecht trouwens waarbij haar hart niet in het geding is.
| | | |
| |
Achtergrond
In zijn brief van 8 mei 1639 schrijft
P.C. Hooft aan MêJoffre Tesselscha
Visschers, weduwe van Sr Crombalgh: ‘Is 'er een met uw hart deur? Dit
dacht ik: maer leezende strax daeraen, Ce que n'est point mon coeur,
quam ik tot mijn' tweede gedachten, en zejde in mij zelven, C'est par
lá qu'elle parle Franchojs. Ik heb, nu eenighe weeken, de loopmaeren
[kranten] gelezen; dan [maar] deze tijding daerin niet; nocht ijets van dien
onheuschen, te heuslijk gehandelden roover, vernoomen. Dit stuk behoorde daer
wel in te staen. Maer 't zal bet klinken in U.E. gedicht; zoo 't onder den man
komt, gelijk het behoort te doen, zijnde zeer zoet en aerdigh. Maer boven in 't
Hooft dient te staen, 'tgeen ik daer heb bijgevoeght.’ (Hooft De
Briefwisseling, brief 954).
Algemeen werd aangenomen dat Hoofts toevoeging de initialen
betrof: aen M.D. Zeker zo plausibel is echter de toevoeging
Uytdaging, waarmee het gedicht al in de titel de strijdvaardigheid van
de dichter aankondigt die Hooft kennelijk zeer weet te waarderen.
De uitspraak C'est par lá qu'elle parle Franchojs is
het motto bij een embleem van
Roemer Visscher. Op het bijbehorende
plaatje zit een overdadig getooide vrouw voor een spiegel.
Anna Roemers maakte een onderschrift:
‘Hoe minneloos en koel ghy lijckent door u praet, / Zoo klapt dit
Spieghlen, en opgesmuckt cieraet.’
| |
datering 1639
naar brief van P.C. Hooft aan de dichter, gedateerd op 8 mei
1639.

Uit Roemer Visscher, Sinnepoppen p.
145.
|
opschriftM.D.: het is niet bekend van
welke man de initialen zijn.
1Noch: prolepsis; toch
( ix, 2049 sv.nog); het concessieve voegwoord alondersteunt deze
betekenis.
heb ick hert: heb ik de moed
( vi, 34). harnas-tuyg: omsluierende omschrijving te duiden als:
instrument voor zelfverdediging;
harnas: gerei ( v, 2242) of
harnas ( v, 2246-7); tuyg: gereedschap
( xvii, 3727).
ontdragen: ontstolen
( x, 1834).
3troonden af: enkelvoudige
persoonsvorm: aftroggelde.
5En bood': overspannen samentrekking:
En ick bood'.
ontdecken: onthullen
( x, 1828).
7hoe!: t.w. uiting van verbazing
( vi, 781).
Hopman: bevelhebber in het leger
( vi, 1112).
9Onnosel afgeleent: part. constructie:
die zonder argwaan (van mij) was geleend ( x, 1742 en
i, 1121).
smekend vleyen: t.w. van de Hopman
(v. 7).
10Als Dalilas verleyen: zoals het
verleiden door Delila (Richteren 16).
12stael: hier: dichtproeve
( xv, 40); vgl. v. 17.
14smijdigh: vleiend ( xiv,
2164).
15hun: lees: hem; nl. elke
persoon.
sachte vrede: lieflijke overeenkomst.
17snedigh: scherpe
( xiv, 2282).
stael: a) graveerpen ( xv, 28); b) wapen
( xv, 27); c) dichtproeve (vgl. v. 12).
kristal: a) glassoort
( viii, 285); b) hard gesteente
( viii, 285).
dat...streven: a) dat kristal kan graveren; b)
dat hard gesteente kan splijten.
18Roemers: a) grote wijnglazen
( xiii, 720); b) pochers ( xiii, 719).
Ick...leven: De
volgehouden suggestie van meerduidigheid wordt pas opgeheven door brengt om
't leven in v. 18. De wens van de ik kan niet zijn wijnglazen met een
graveerstift te vernietigen. Het wapen, het gedicht, brengt pochers ten
val.
19waer me: waarmee.
streefden
deur: ervandoor ging.
*Het welck niet is mijn hart.
20Ce qui n'est point mon Coeur: wat
zeker niet mijn hart is.
*Het welck niet is mijn hart.
|
|