|
|
|
| | | | | |
22 Myn Lief ik min uw. Dus mijn lieve leve seyde (geen
datering)
De mannelijke ‘ik’ in dit liefdesgedicht richt zich tot
Cupido.
Myn Lief ik min uw. Dus mijn lieve leve seyde
1,
Mit dat mijn lippen van haer lieve lippe scheyde
2.
Geen meerder soetigheyd ter voren inne quam
3:
Dan als sy my dat gaf, het geen ick haer ontnam
4.
5
Onthout die toontjes ey! ick bid uw Cupidootje
5
Gy kleyne Sielen-vooght, gy machtigh wonder Goodtje!
En steltse in mijn borst op sulken even maet
7,
Dat daer op pols, en mild, hert, longh, en lever slaet.
Gebied, hier door, mijn Siel aen 't Lichaem 't sijn te geven
9,
10
En stadigh dat te voen met sulk een lieve leven
10;
En seggen dan: mijn lief ik min uw, liefste mijn
11:
Gy sult altoos, ô lief, mijn lieve leven sijn!
| | | | Naar de eerste druk in Verscheyde Nederduytsche
Gedichten ii, Amsterdam, l. Spillebout, 1653, p.40. ub
Leiden 1198 f 10.
| |
Verantwoording
In de Verscheyde Nederduytsche Gedichten bevat
steltse (v. 7) een extra /t/: steltste. Deze (zet)fout is verbeterd. De
versregels 3, 4, 7, 8, 11 en 12 waren ingesprongen. In 't Lichaem (v. 9) is
een spatie aangebracht.
| |
Notities
3 ter voren: Strengholt (1988: 135)
beschouwt ter voren als een enigszins gecorrumpeerde tekst. Hij stelt
voor ‘ter oren’ te lezen. Het is echter ook mogelijk ter
voren als een contaminatie te beschouwen van ‘ter ore’ en van
‘te voren’ in de betekenis van ‘ter ore (komen)’
(xxii/2, 1201). 4 paradox.
6 Naast de antithese tussen de woorden kleyne en
vooght, en tussen machtigh en Goodtje, is er eveneens
sprake van een tegenstelling tussen de woordgroepen kleyne vooght en
machtigh Goodtje. 8 De hier genoemde lichaamsdelen
pols, mild, hert, longh en lever
functioneren kennelijk dubbelzijdig, naar lichaam en geest. Hiermee wijst
Tesselschade subtiel op de tweezijdigheid van de ideale liefde.
| |
Korte inhoud
De (mannelijke) ik richt zich tot Cupido en verzoekt deze
liefdesgod dringend dat hij hem dezelfde woorden tegen zijn geliefde zal laten
uitspreken die zij hem heeft toegevoegd. Hij wil haar daarmee duidelijk maken
dat hij hetzelfde voor haar voelt als zij voor hem. Tenslotte spreekt hij de
hoop uit dat zij voor altijd zijn geliefde zal zijn.
| |
Achtergrond
De tekst past in een netwerkje waarin een madrigaal van Battista
Guarini (1538-1612) zowel de inspiratiebron is voor een sonnet van P.C. Hooft
als voor dit minnedicht (Strengholt 1988). Hooft gaat na het octaaf met het
droomaspect van de liefdesverklaring een geheel eigen weg. Tesselschade
Roemers' sonnet blijft dichter bij Guarini's tekst, maar voegt daaraan een
belangrijk element toe door expliciet de twee aspecten van de ideale liefde,
lichaam en geest, te noemen. Daarbij drukt zij door een schijnbaar
onbetekenende variatie op Guarini een ander liefdesideaal uit. In de Italiaanse
tekst spreekt de ik de hoop uit dat de geliefde haar woorden van liefde
zal blijven herhalen, terwijl in het gedicht van Roemers de ik de hoop
uitspreekt tot eenzelfde liefdesverklaring te komen als de geliefde al eerder
deed. Daarin wordt de evenwaardigheid van vrouw en man uitgedrukt (Sneller
1990).
‘T'amo, mia vita’, la mia cara vita
dolcemente mi dice; e 'n questa sola
par che transformi lietamente il core,
| | | |
O voce di dolcezza e di diletto!
spiri solo per lei l'anima mia.
‘T'amo mia vita’ la mia vita sia.
Uit L. Strengholt ‘Guarini, Tesselschade en Hooft in een
netwerkje’ in: tntl104 (1988: 134).
Vertaling:
‘Ik bemin je, mijn leven’, zei mijn lieve leven
zachtjes tegen mij, en in dit enkele zo lieve woord schijnt het, dat ze blij
het hart omvormt om mij er heer van te maken. O stem van zoetheid en van
blijdschap! Moge Amor die (nl.die stem van zoete woordjes, de liefdesverklaring
van het meisje) meteen oppakken, (en) haar in mijn borst afdrukken (in mijn
gemoed inprenten), (en) laat mijn ziel alleen door haar (door middel van die
stem, dankzij de lieve woordjes die de beminde sprak) ademen. ‘Ik bemin
je, mijn leven’ - Laat dat mijn leven zijn. Uit Strengholt
(1988: 134).
P.C. Hooft
Sonnet
Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij
toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel klaer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden ('ck weet niet hoe)
Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde'het doe.
O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden.
Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck,
Is, met de claere Son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen't
Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?
23 Januario Saturdach. 1610.
Uit Uit Hoofts lyriek. Ed. C.A. Zaalberg. 1963, p.64.
| | |
opschriftt'Amo mia vita: Italiaans: Ik
bemin je, mijn leven.
2Mit dat: op hetzelfde moment dat
( ix, 619 sv. met).
scheyde: lees: scheidden.
3 ter voren: lees: ter
oren.
5Onthout: imperatief, gericht tot
Cupidootje, evenals stelt (v. 7) en Gebied
(v. 9).
ey: tussenwerpsel: als aansporing of opwekking
( iii, 3980).
ick bid: de voorafgaande lijd. voorwerpszin
veroorzaakt geen inversie.
uw: u
7steltse: plaats ze ( xv, 1276
sv. stellen).
op sulken even maet: op zo'n gelijkmatig ritme;
even: gelijkmatig ( iii, 4276).
9't sijn: het zijne, t.w. van 't
Lichaem.
10stadigh: aanhoudend
( xv, 433).
voen: voeden.
11En seggen: samentrekking met v. 9:
En (g)ebied te seggen.
|
|