Achtergrond
De versregels komen voor in een brief van
Tesselschade Roemers aan
P.C. Hooft (De briefwisseling,
brief 567), waarin zij reageert op zijn Klaght van koning Henrik de
Groote (Brief 566), een door Hooft geschreven vertaling van een
Frans gedicht, waartoe zij hem verzocht had.
De wel zeer bondige formulering maakt het interpreteren moeilijk
zonder kennis van de historische gegevens. De moord op de Franse koning
Hendrik iv (1610) was een grote
schok geweest voor geheel Europa. Roemers gaat er kennelijk vanuit
dat de klacht van de koning zoals door Hooft verwoord, zijn dood had kunnen
voorkomen. De prinses zou bij het horen van dit gedicht haar trouw nog
bezitten. Hiermee zal niet de huwelijkstrouw aan haar echtgenoot, maar de
liefdestrouw aan de koning bedoeld zijn. Tenslotte zou Hooft de geest van de
dichter hebben bezeten, indien zij zich had kunnen identificeren met de prinses
aan wie de klacht gericht was. Dit alles is echter niet gebeurd.
In zijn prozawerk Henrik de Grote van 1626
vertelt Hooft over deze liefdesgeschiedenis waarbij de prins van Condé,
de echtgenoot, het veld moet ruimen, omdat de koning de prinses aan het hof
ontboden heeft:
Terwijle rees'er een misverstandt tusschen den koning ende den prins
van Condé, waar van de grondóórzaken zeer bewimpelt
werden. Mompeling ging'er, die, óftze schóón onzeker zy,
niet te verswijghen staat. Namelyck, dat zyne Majesteit op 's prinssen
gemaalin, een zeer schóne ende frisse vórstinne, 't
óógh geworpen had, ende haar, teghens zyn [t.w. van de Prins van
Condé] goedtvinden, te hove willen doen verblyven. Iae zoude haar de
koningin, in 'tkinderbed, op zyne begeerte, t'haren dienst ontboden hebben;
(P.C. Hooft Alle de gedrukte werken 1611-1738 deel 9. Amsterdam 1972,
p.222).
Hendrik iv was de (overleden) echtgenoot van Maria de
Medicis die in 1638 met groot vertoon in Amsterdam werd ingehaald. Tesselschade
Roemers dichtte toen een Italiaans gedicht op haar (gedicht 34).