Verantwoording
De vier versregels die beginnen Want, Soo,
Maer en 'T geen (v. 1-4) zijn gecalligrafeerd. In Worp (1918: 292)
is de volgende regel in de brief gepresenteerd als v. 5-6:
Myn Hooft en lyt het niet te brengen overeen
Hiervoor geeft het handschrift geen aanleiding. De versregels
springen in het handschrift niet in.
Aan het einde van v. 4 ('T geen waerheyt is...) staat
‘et’, te duiden als ‘etcetera’. Het is weggelaten om
het rijmschema niet te verstoren.