II, 3Hachten = wagen, avonturen; dus: waagt, maar met mate.
Ausonius wordt hier geciteerd uit Lib. 19, Epigrammata, 2, waar verhaald wordt van de tyran van Sicilië, Agathocles, dat hij uit aarden schalen at, al gebruikte hij ook met edelstenen bezette bekers. Gevraagd naar de reden antwoordde hij, weliswaar Koning van Sicilië te zijn, maar ook de zoon van een pottenbakker. De moraal is dan:
Fortunam reverenter habe, quicunque repente
Dives ab exili progrediere loco.
Bezit uw geluk met bescheidenheid, al wie plotseling
Van een nederige positie tot rijkdom zal opklimmen.
Avontueren = in de waagschaal stellen, er aan wagen.
Achterkoussig = achterdochtig.
Aensoecken = beproeven, onderzoeken.
Met voorsicht = welbewust. Vgl. Spiegel's Hertspieghel, 15.
Hem laten ghenoeghen = zich tevreden stellen.